Aangetrokken door de schitterende uniform der "Matigheids-Cadetten"
werd Tom lid der afdeeling van het nieuw opgerichte genootschap en
beloofde hij zich gedurende zijn lidmaatschap te onthouden van rooken
en vloeken. Bij deze gelegenheid ontdekte de knaap iets, waaraan hij
vroeger nooit gedacht had, namelijk--dat de aflegging der belofte om
iets _niet_ te doen, het beste middel is om iets te leeren doen. Tom
voelde zich door een nooit gekenden lust gekweld on te rooken en te
vloeken: ja, de begeerte werd zoo sterk, dat alleen de hoop om zijn
roode sjerp te vertoonen, hem er van terughield zijn lidmaatschap op
te zeggen.
Het was 4 Juli toen hij tot den bond toetrad, en hij was nog geen
acht en veertig uren lid geweest of hij was gereed en gezind zich
van zijne boeien te ontslaan. Doch juist dien dag vernam hij, dat
de oude vrederechter ziek was en waarschijnlijk zou sterven. Zulk
een voornaam ambtenaar zou zeker met groote plechtigheid begraven
worden en dan had hij een kansje om in zijn uniform den stoet te
volgen. Drie dagen lang was Tom diep begaan met des rechters toestand
en vol verlangen naar tijding. Nu en dan klom zijn hoop zoodanig,
dat hij het waagde zijn sjerp uit de kast te halen en zich voor den
spiegel voor de groote gebeurtenis te oefenen. Doch de rechter bleef
wanhopig lang tusschen dood en leven dobberen en werd ten slotte
aan de betere hand en daarna voor hersteld verklaard. Tom was boos
en zeide onverwijld zijn lidmaatschap op. Helaas! dienzelfden nacht
stortte de rechter in en stierf.
Tom besloot oude vrederechters nooit meer te vertrouwen. De
begrafenis was prachtig en de cadetten paradeerden op een wijze,
die er op toegelegd scheen om het vroegere lid van afgunst te doen
vergaan. Doch hij was vrij en kon weder naar hartelust rooken en
vloeken. En nu bemerkte hij tot zijne verwondering, dat hij er op
eens geene behoefte meer aan had. De wetenschap alleen, dat hij het
doen kon nam den lust en het genot er van weg.
Tot Toms groote verbazing begon hij te bemerken, dat de lang gewenschte
vacantie wat vervelend werd.
Hij beproefde een dagboek te maken, doch aangezien er de eerste drie
dagen niets merkwaardigs voorviel, gaf hij het op. Toen kwam het "Café
Chantant," der negerzangers in de stad en maakte sensatie. Dadelijk
werd er door Tom en Joe Harper een speel- en zanggezelschap opgericht
en de knapen vermaakten zich daarmede een paar dagen. Zelfs de
dag van den intocht des nieuwen Senators mislukte gedeeltelijk,
omdat het hard regende. Dientengevolge was er geen optocht,--en
zelfs in den grootsten man der wereld (naar het oordeel van Tom),
den heer Beuton, een wezenlijken Senator van de Vereenigde Staten,
werd hij bitter teleurgesteld, want deze bleek op geen stukken na
vijf en twintig voet lang te zijn.
Toen kwam er een paardenspel. De jongens speelden drie dagen "cirque",
in tenten van lompen en oude tapijten, met toegangskaarten van drie
centen en twee voor meisjes, en daarna werd het paardenspel opgegeven.
Eindelijk kwam er een buikspreker en een goochelaar--die weder
vertrokken en het stadje achterlieten somberder en droeviger dan ooit.
Ook werden er enkele kinderpartijen gegeven, doch zij waren zoo
zeldzaam en zoo heerlijk, dat de pijnlijke leemte tusschen de eene
visite en de andere er te meer om werd gevoeld.
Becky Thatcher was naar huis gegaan, naar Konstantinopel, om de
vacantie bij hare ouders door te brengen: dus was er nergens een
zonnestraaltje te vinden. Daarbij kwam nog het vreeselijk geheim van
den moord, dat eene slepende ellende bleef voor den armen knaap.
Midden in de vacantie vertoonde zich de mazelen-epidemie en Tom was
twee weken lang een gevangene, dood voor de wereld en hetgeen daarin
voorviel. Hij was zeer ziek en stelde nergens belang in. Toen hij
eindelijk weder buiten mocht komen en zachtjes de stad doordrentelde,
scheen alles en elk schepsel een treurige verandering ondergaan te
hebben. Er was een straatprediker geweest, die de menschen bekeerd
had, niet alleen de volwassenen, maar zelfs de kleine jongens en
meisjes. Tom ging de stad rond in de hopelooze hoop van ten minste
een enkel zondig gezicht tegen te komen, doch overal wachtte hem
teleurstelling. Hij vond Joe Harper verdiept in de studie van het
Nieuwe Testament en hij wendde zich droevig van dit drukkend schouwspel
af. Hij zocht Ben Rogers en vond hem aan het bezoeken van armen,
met een mandje met traktaatjes, als eene waarschuwing tot bekeering,
bij zich. Hij spoorde Jim Hollis op, die hem wees op de zegen van de
mazelen. Iedere jongen, dien hij tegenkwam, bracht een dosis tot zijn
toestand van neerslachtigheid toe, en toen hij in wanhoop eindelijk
zijn toevlucht nam tot Huckleberry Finn en ook door hem met eene
aanhaling uit de Schrift ontvangen werd, brak hem het hart en sloop
hij naar zijn bed en maakte zich wijs, dat hij de eenige in de stad
was, die voor eeuwig, eeuwig was verloren.
Juist dien nacht kwam er een vreeselijke storm met slagregen,
ontzettende donderslagen en verblindende bliksemstralen. Tom kroop
onder de dekens en wachtte in een akelige onzekerheid zijn doemvonnis
af: immers hij was volkomen overtuigd, dat dit woeden der elementen
om zijnentwil geschiedde. Hij geloofde, dat hij de verdraagzaamheid
der bovenaardsche machten getart had, meer dan zij dragen konden, en
dat dit er het gevolg van was. Het zou hem wel vreemd voorgekomen zijn
als zooveel vertooning en geschut was aangewend om een mug te dooden,
doch hij vond het heusch niet ongerijmd, dat er zulk een onweder was
ontstaan om een worm als hij te vernietigen.
Langzamerhand bedaarde de storm en verdween, zonder zijn voornemen te
hebben ten uitvoer gebracht. De eerste aandrang van den knaap was,
dankbaar te zijn en zich te verbeteren. De tweede was, te wachten:
immers er mochten nog eens meer stormen komen.
Den volgenden dag stond de dokter opnieuw voor zijn bed. Tom was weder
ingestort. De drie volgende weken, die hij op zijn rug doorbracht,
schenen eene eeuwigheid. Toen hij eindelijk weder buiten kwam, was
hij nauwlijks dankbaar dat hij gespaard was gebleven, daar hij immers
verlaten en van makkers beroofd was. Hij zwierf lusteloos door de
straat en vond Jim Hollis voor rechter spelende in een gerechtshof
van jongelieden, die een kat wegens moord hadden aangeklaagd, in de
tegenwoordigheid van haar slachtoffer, een vogel. Daarna zag hij
Joe Harper en Huck Finn, die in plaats van de Schriften te lezen,
bezig waren een gestolen meloen op te muizen. Arme knapen, ook zij
waren weder ingestort!