De vacantie begon te naderen. De altijd strenge schoolmeester werd
strenger en veeleischender dan ooit, en scheen het er op gezet te
hebben, op den "examendag" met de scholieren te pronken. Zijn roede
en plak waren thans zelden werkeloos, ten minste onder de kleinere
leerlingen. De grootste jongens en de dames van zestien en zeventien
jaren hadden het geluk de roede ontwassen te zijn. De zweepslagen van
meester Dobbins waren voorwaar niet kinderachtig, want ofschoon hij
onder zijn pruik een geheel kaal en glimmend hoofd verborg, bezaten
zijne spieren nog haar volle kracht. Naarmate de groote dag naderde
scheen al wat er van den dwingeland in hem was, naar boven te komen,
en 't was alsof hij er een wreed behagen in schepte, de scholieren voor
de geringste tekortkomingen te straffen. Het gevolg daarvan was, dat de
kleineren onder zijne leerlingen overdag zwoegden onder angst en smart
en bij nacht zonnen op wraak. Zij lieten dan ook geene gelegenheid om
den meester een poets te spelen, ongebruikt voorbijgaan. Ongelukkig
was hij voortdurend op zijn hoede. De vergelding, die op elke zegepraal
hunner wraakzucht volgde, was zoo vreeselijk, dat de knapen doorgaans
met blauwe plekken op het lijf het veld ruimden. Eindelijk werd
er een plan beraamd, dat eene schitterende overwinning beloofde. De
verversjongen werd in het komplot opgenomen, met hunne ontwerpen bekend
gemaakt en zijne hulp ingeroepen. Die verversjongen had zijn eigen
redenen om tot het verbond toe te treden, want de meester woonde op
kamers bij zijn vader en had den knaap reden te over gegeven om hem
te haten. De vrouw van den meester zou een paar dagen uit de stad
gaan en er bestond dus geen vrees, dat van dien kant een spaak in
't wiel zou gestoken worden.
De meester had de gewoonte om zich voor de examens en andere groote
plechtigheden voor te bereiden, door zich een een roes aan te drinken,
en de verversjongen beloofde, dat, wanneer de onderwijzer op den
avond van het examen weer boven zijn bier was en in zijn stoel lag
te dommelen, hij "het dingetje wel klaar zou spelen." Hij zou hem
dan zoo laat mogelijk wakker maken, omdat hij alleen maar tijd zou
hebben om in vliegende vaart naar school te ijlen.
Toen de volheid der tijden gekomen was, greep het belangwekkende
feit plaats.
Om acht uren in den avond was het schoollokaal schitterend verlicht
en met kransen en festoenen van bloemen en loofwerk versierd.
De soezerige, halfdronken meester troonde in zijn leuningstoel,
op eene opzettelijk daartoe vervaardigde verhevenheid, met het
schrijfbord achter zich. Drie rijen met zitbanken en zes rijen in het
front waren bezet door de waardigheidsbekleders van het stadje en de
ouders der leerlingen. Links van den meester, achter de zitplaatsen der
burgerij, was een hoog getimmerte gemaakt, waarop de in hun beste pak
gekleede knaapjes gezeten waren, die proeven van hunne bedrevenheid
zouden afleggen. Achter dezen zaten eenige rijen magere, opgeschoten
jongens. Daarop volgden de hooge banken met meisjes en jonge dames
in katoen en neteldoek, die zich blijkbaar heel voornaam gevoelden
met hare bloote armen, haar grootmoeders ouderwetsche kostbaarheden,
haar rose en blauwe strikken en haar bloemen in het haar. Verder was
het lokaal opgevuld met toeschouwers en scholieren.
De oefeningen begonnen. Een heel klein jongetje stond op en bracht
doodverlegen de van buiten geleerde woorden uit:
"Mijne hoorders,
"Gij hadt zeker niet verwacht iemand van mijn leeftijd het
spreekgestoelte te zien beklimmen, om in het openbaar het woord te
voeren, enz.". En de knaap deed zijne woorden vergezeld gaan van
overdreven juiste en krampachtige bewegingen, die aan een machine
deden denken, die van de wijs is. Hij bracht het er, ofschoon in
duizend angsten, heelhuids af en werd verbazend toegejuicht, toen
hij zijne gekunstelde buiging maakte en het tooneel verliet.
Een klein bedeesd meisje lispelde het versje:
"Marietje had een lammetje, enz.," maakte eene medelijdenswekkende
dienares, kreeg haar voegzaam deel toejuichingen en ging blozend
en voldaan weer zitten. Tom Sawyer trad voorwaarts met gemaakt
zelfvertrouwen en wond zich met prachtig nagebootste en allerzotste
gebaren op tot het onsterfelijke: "Geef mij de vrijheid, of geef mij
den dood!"--doch werd in het midden door een akelige tooneelvrees
bevangen. Zijne knieën knikten en hij dreigde in zijne woorden te
stikken. Wel is waar wekte hij zichtbaar het medelijden en de sympathie
van de toehoorders, maar zij hielden zich doodstil, en dat zwijgen van
het publiek was erger dan medegevoel. Tot overmaat van smart fronste
de meester zijne wenkbrauwen. Tom spande nogmaals alle krachten in,
doch zag zich verplicht verslagen af te treden. Voor een oogenblik
kwam er eene zwakke poging om te applaudisseeren, doch zij werd in
hare wording gesmoord.
Daarop volgde: "De knaap stond op het brandende dek;" toen:
"De Assyriërs zakten den stroom af;" en andere juweeltjes voor de
declamatiekunst. Toen had men de leesoefeningen en een kampstrijd in
het spellen. De schraal bezette klasse der Latinisten bracht het er
met haar voordracht schitterend af.
Het eerste bedrijf was naar behooren afgeloopen en nu volgde de
"zelfgemaakte" opstellen van de jonge dames, die elk op hare beurt
op de verhevenheid stapten, kuchten, haar handschrift, dat met
een keurig lintje was vastgemaakt, in de hand hielden en begonnen
te lezen. De onderwerpen waren dezelfde, waarmede bij dergelijke
gelegenheden hare moeders, hare grootmoeders en ongetwijfeld al de
voorouders in de vrouwelijke linie geschitterd hadden. Daar was er
een over de "Vriendschap," en verder; "Herinnering aan vroegere
dagen," "Godsdienst in de geschiedenis," "Het land der droomen,"
"De voordeelen der beschaving;" "Het verschil en de overeenkomst van
de onderscheidene staatsvormen," "Droefgeestigheid," "Kinderliefde,"
"Hartstochten," enz. enz.
Een hoofdgebrek van al deze opstellen was eene zorgvuldig gekweekte
droefgeestigheid en een kwistige overvloed van mooie woorden.
In sommigen was een merkbare neiging om modewoorden er met
de haren bij te sleepen, zoo dikwijls zelfs, dat zij geheel
afgezaagd werden. En dan was er eene bijzonderheid, welke ze
alle kenmerkte en bedierf,--namelijk de onuitstaanbare zedepreek,
die zijn gebrekkelijken staart aan het eind van elk opstel deed
kwispelen. Welk ook het onderwerp mocht wezen, er werd altijd een
hersens folterende poging gedaan om er op de een of andere wijze
iets in te lasschen waarop het zedelijk en godsdienstig gemoed met
stichting kon nederzien. Niettegenstaande de ergerlijke onoprechtheid,
die het publiek uit dergelijke zedepreken tegenblonk, werden zij niet
afgeschaft. En zij zijn dat nog niet en zullen het waarschijnlijk
nooit worden, zoolang de wereld zal bestaan.
Er is geen school in gansch Amerika, waar de jonge dames zich niet
verplicht gevoelen hare opstellen met een preek te eindigen; en het
zijn doorgaans de lichtzinnigste en minst godsdienstige meisjes,
die de mooiste preken maken. Maar genoeg hiervan. De waarheid wil
niet altijd gezegd zijn. Laat ons daarom tot het examen terugkeeren.
Het eerste opstel, dat voorgelezen werd, droeg tot opschrift:
"Is dit nu het leven?"
De lezer zal mij wel willen vergunnen er een uittreksel van mede te
deelen. Het luidde ongeveer aldus:
"Met welk een verrukking ziet gewoonlijk het jeugdig gemoed niet uit
naar een hem wachtend feest! De verbeelding toovert rooskleurige
tafereelen van genot. Daar ziet de aanbidster van wereldsche
genoegens zich reeds te midden der feestvierende menigte als
'de bewonderde door al de bewonderaars.' Haar bevallige gestalte,
in een sneeuwwit kleed gehuld, zweeft rond in den doolhof van den
vroolijken dans; haar oog is schitterender, haar tred lichter dan die
van de gansche lustige schare. Onder zulke heerlijke droomen glijdt
de tijd spoedig voort en weldra is de gelukkige ure daar, waarop zij
de Elyseesche velden betreden zal, van welke zij zoo verrukkelijk
had gedroomd. Hoe tooverachtig schoon vertoont zich alles aan hare
ontvlamde verbeelding! Elk nieuw tooneel wint aan bekoring. Maar na
eene wijle ervaart zij, dat onder dat schoon vernis niets dan ijdelheid
schuilt. De vleitaal, welke eens haar hart streelde, klinkt haar schril
in het oor; de balzaal heeft hare aantrekkelijkheid voor haar verloren
en met een verwoeste gezondheid en een verbitterd hart trekt zij zich
uit de wereld terug, de overtuiging met zich voerende, dat aardsch
genot de ziel, die naar hoogere dingen streeft, niet bevredigen kan."
En zoo ging het voort. Van tijd tot deed zich onder het lezen een
gegons van bijvalsbetuigingen hooren, vergezeld van fluisterende
uitroepen, als: "Hoe lief! Hoe welsprekend! Hoe waar!" enz. enz. En
toen het stuk met een ijselijk sombere preek eindigde, volgde er een
uitbundige toejuiching.
Vervolgens stond een tenger, droefgeestig meisje op, dat zich door
de belangwekkende bleekheid onderscheidde, welke het gevolg is van
pillen en indigestie, en droeg een gedicht voor, waarvan ik u twee
coupletten zal mededeelen:
Alabama, vaarwel! Och 'k min U zoo teer!
Toch ga 'k voor een poos van U scheiden!
Maar het denken aan U doet mij 't harte zoo zeer,
Mijn ziel blijft bij U steeds verbeiden.
Uw lommerrijke wouden heb 'k dikwijls doorkruist;
'k Heb gedoold langs Uw liefelijke stroomen;
Gehoord hoe uw water bij stormwinden bruist
En bewonderend Aurora zien komen.
De tranen die 'k schrei, o! ik schaam ze mij niet,
Geen blos dekt mijne vochtige wangen;
Niet vreemd is mij 't land, dat mijn aandoening ziet,
't Is een vriend waar mijn ziel aan blijft hangen.
Een meer hartelijke ontvangst vond ik nergens, o neen!
Dan bij U, wien 'k _mijn_ land wel mag heeten;
En mijn hoofd en mijn hart moest wel koud zijn als steen,
Alabama, als het U kon vergeten!"
Er waren er slechts zeer weinigen, die wisten wat het woord "Aurora"
beteekende, doch het gedicht viel niettemin zeer in den smaak.
Daarop verscheen een jonge dame met een donkere gelaatskleur, donkere
oogen en donker haar, die een indrukwekkend oogenblik pauseerde,
haar best deed om haar gelaat eene tragische uitdrukking te geven en
toen op afgemeten toon begon:
"Zwart en stormachtig was de nacht. Om den hemeltroon flikkerde een
enkele ster, doch zware donderslagen trilden aanhoudend door het zwerk,
terwijl de vreeselijke bliksem gramstorig door de onbewolkte hemelzalen
dartelde, alsof hij de macht bespotte, welke de beroemde Franklin
zich over zijne verschrikkingen had aangematigd! Zelfs de onstuimige
winden kwamen eendrachtig uit hunne geheimzinnige woonplaatsen te
voorschijn en bulderden in het rond, begeerig naar 't scheen, om de
woestheid van het tooneel door hunne hulp te verhoogen.
"Op zulk een tijdstip, zoo duister, zoo droevig, zuchtte mijn hart
naar menschelijk medegevoel,--maar in plaats daarvan,
Mijn dierbaarste vriendin, mijn gids en mijn geleide,
Mijn vreugde bij mijn smart, stondt ge eensklaps aan mijn zijde!
"Zij bewoog zich voort als een van die liefelijke wezens, welke
de romantische jeugd zich op de zonnige paden van het Eden der
verbeelding, voor den geest toovert,--een koningin der schoonheid,
zonder versierselen, maar getooid met hare alles overtreffende
bekoorlijkheid. Haar tred was zoo licht, dat het oor hare nadering niet
vernam, en indien hare bezielde aanraking niet eene magische trilling
had doen ontstaan, zou zij ongemerkt, ongezocht voorbijgegleden
zijn. Een zonderlinge droefheid zetelde op hare gelaatstrekken, als
ijzige tranen op Decembers winterkleed, toen zij naar de strijdende
elementen daar buiten wees en mij verzocht de beide wezens, die daar
werden voorgesteld, te aanschouwen." [2]
Deze nachtmerrie omvatte tien bladzijden schrifts en sloot met een
preek, wanhopig akelig voor de Anti-Presbyterianen, doch die den
eersten prijs behaalde en als de schoonste proeve van den avond
werd beschouwd.
De burgemeester van St. Petersburg hield onder het overreiken van den
prijs aan haar, die hem behaald had, eene schitterende redevoering,
in welke hij betuigde, dat dit de welsprekendste rede was, die zijne
ooren ooit gehoord hadden en dat Daniel Webster zelfs er trotsch op
had kunnen zijn.
In het voorbijgaan moet gezegd worden, dat de opstellen, welke
overvloeiden van het woord "heerlijk" als ook van de vergelijking
"menschelijke ondervinding," met "een bladzijde uit het leven,"
het gemiddeld aantal overtrof.
Thans schoof de meester, opgewonden tot aan luidruchtigheid toe,
zijn stoel op zijde, ging met den rug naar het publiek staan en begon
zijne aardrijkskundige lessen door op het bord eene kaart van Amerika
te teekenen. Doch hij maakte met zijne onvaste hand een figuur--en
er werd een onderdrukt gelach in de school gehoord. Hij wist wat er
aan haperde en deed zijn best om de fout te herstellen, veegde enkele
lijnen met de spons uit en maakte weder nieuwe. Helaas! zij werden
hoe langer hoe slechter en het gegiegel werd luider. Hij wijdde zijn
gansche aandacht aan het werk, alsof hij besloten had zich niet door
het publiek uit het veld te laten slaan. Hij voelde, dat aller oogen
op hem gevestigd waren, en verbeeldde zich dat het beter ging. En toch
hield het gegiegel aan, ja, het vermeerderde blijkbaar. En daartoe
was wel reden. Boven zijn hoofd was een vliering met een luik, en
uit dat luik, kwam een kat te voorschijn, welke men een touw om de
achterpooten gehecht had. Die kat had een doekje om den kop en de
kaken gebonden, on haar het miauwen te beletten. Terwijl zij langzaam
naar beneden sukkelde, kromde zij zich naar alle kanten, sloeg hare
klauwen om het touw, schommelde vervolgens naar de laagte en krabde
tegen de ontastbare lucht. Het gegiegel werd erger en erger: de kat was
omstreeks zes duim van des soezerigen meesters hoofd. Nog een weinig
later en zij greep met hare klauwen wanhopig naar des meesters pruik,
klemde zich daaraan vast en werd een oogenblik later weder tot de
vliering opgetrokken, met haar zegeteeken tusschen de pooten. En welk
een lichtgloed verspreidde zich toen van des meesters hoofd. Immers
de verversjongen had dat lichaamsdeel met verguldsel besmeerd.
Met dit tooneel werd de vergadering gesloten. De jongens waren gewroken
en de vacantie was begonnen.