HOOFDSTUK XXII.

De vacantie begon te naderen. De altijd strenge schoolmeester werd

strenger en veeleischender dan ooit, en scheen het er op gezet te

hebben, op den "examendag" met de scholieren te pronken. Zijn roede

en plak waren thans zelden werkeloos, ten minste onder de kleinere

leerlingen. De grootste jongens en de dames van zestien en zeventien

jaren hadden het geluk de roede ontwassen te zijn. De zweepslagen van

meester Dobbins waren voorwaar niet kinderachtig, want ofschoon hij

onder zijn pruik een geheel kaal en glimmend hoofd verborg, bezaten

zijne spieren nog haar volle kracht. Naarmate de groote dag naderde

scheen al wat er van den dwingeland in hem was, naar boven te komen,

en 't was alsof hij er een wreed behagen in schepte, de scholieren voor

de geringste tekortkomingen te straffen. Het gevolg daarvan was, dat de

kleineren onder zijne leerlingen overdag zwoegden onder angst en smart

en bij nacht zonnen op wraak. Zij lieten dan ook geene gelegenheid om

den meester een poets te spelen, ongebruikt voorbijgaan. Ongelukkig

was hij voortdurend op zijn hoede. De vergelding, die op elke zegepraal

hunner wraakzucht volgde, was zoo vreeselijk, dat de knapen doorgaans

met blauwe plekken op het lijf het veld ruimden. Eindelijk werd

er een plan beraamd, dat eene schitterende overwinning beloofde. De

verversjongen werd in het komplot opgenomen, met hunne ontwerpen bekend

gemaakt en zijne hulp ingeroepen. Die verversjongen had zijn eigen

redenen om tot het verbond toe te treden, want de meester woonde op

kamers bij zijn vader en had den knaap reden te over gegeven om hem

te haten. De vrouw van den meester zou een paar dagen uit de stad

gaan en er bestond dus geen vrees, dat van dien kant een spaak in

't wiel zou gestoken worden.

De meester had de gewoonte om zich voor de examens en andere groote

plechtigheden voor te bereiden, door zich een een roes aan te drinken,

en de verversjongen beloofde, dat, wanneer de onderwijzer op den

avond van het examen weer boven zijn bier was en in zijn stoel lag

te dommelen, hij "het dingetje wel klaar zou spelen." Hij zou hem

dan zoo laat mogelijk wakker maken, omdat hij alleen maar tijd zou

hebben om in vliegende vaart naar school te ijlen.

Toen de volheid der tijden gekomen was, greep het belangwekkende

feit plaats.

Om acht uren in den avond was het schoollokaal schitterend verlicht

en met kransen en festoenen van bloemen en loofwerk versierd.

De soezerige, halfdronken meester troonde in zijn leuningstoel,

op eene opzettelijk daartoe vervaardigde verhevenheid, met het

schrijfbord achter zich. Drie rijen met zitbanken en zes rijen in het

front waren bezet door de waardigheidsbekleders van het stadje en de

ouders der leerlingen. Links van den meester, achter de zitplaatsen der

burgerij, was een hoog getimmerte gemaakt, waarop de in hun beste pak

gekleede knaapjes gezeten waren, die proeven van hunne bedrevenheid

zouden afleggen. Achter dezen zaten eenige rijen magere, opgeschoten

jongens. Daarop volgden de hooge banken met meisjes en jonge dames

in katoen en neteldoek, die zich blijkbaar heel voornaam gevoelden

met hare bloote armen, haar grootmoeders ouderwetsche kostbaarheden,

haar rose en blauwe strikken en haar bloemen in het haar. Verder was

het lokaal opgevuld met toeschouwers en scholieren.

De oefeningen begonnen. Een heel klein jongetje stond op en bracht

doodverlegen de van buiten geleerde woorden uit:

"Mijne hoorders,

"Gij hadt zeker niet verwacht iemand van mijn leeftijd het

spreekgestoelte te zien beklimmen, om in het openbaar het woord te

voeren, enz.". En de knaap deed zijne woorden vergezeld gaan van

overdreven juiste en krampachtige bewegingen, die aan een machine

deden denken, die van de wijs is. Hij bracht het er, ofschoon in

duizend angsten, heelhuids af en werd verbazend toegejuicht, toen

hij zijne gekunstelde buiging maakte en het tooneel verliet.

Een klein bedeesd meisje lispelde het versje:

"Marietje had een lammetje, enz.," maakte eene medelijdenswekkende

dienares, kreeg haar voegzaam deel toejuichingen en ging blozend

en voldaan weer zitten. Tom Sawyer trad voorwaarts met gemaakt

zelfvertrouwen en wond zich met prachtig nagebootste en allerzotste

gebaren op tot het onsterfelijke: "Geef mij de vrijheid, of geef mij

den dood!"--doch werd in het midden door een akelige tooneelvrees

bevangen. Zijne knieën knikten en hij dreigde in zijne woorden te

stikken. Wel is waar wekte hij zichtbaar het medelijden en de sympathie

van de toehoorders, maar zij hielden zich doodstil, en dat zwijgen van

het publiek was erger dan medegevoel. Tot overmaat van smart fronste

de meester zijne wenkbrauwen. Tom spande nogmaals alle krachten in,

doch zag zich verplicht verslagen af te treden. Voor een oogenblik

kwam er eene zwakke poging om te applaudisseeren, doch zij werd in

hare wording gesmoord.

Daarop volgde: "De knaap stond op het brandende dek;" toen:

"De Assyriërs zakten den stroom af;" en andere juweeltjes voor de

declamatiekunst. Toen had men de leesoefeningen en een kampstrijd in

het spellen. De schraal bezette klasse der Latinisten bracht het er

met haar voordracht schitterend af.

Het eerste bedrijf was naar behooren afgeloopen en nu volgde de

"zelfgemaakte" opstellen van de jonge dames, die elk op hare beurt

op de verhevenheid stapten, kuchten, haar handschrift, dat met

een keurig lintje was vastgemaakt, in de hand hielden en begonnen

te lezen. De onderwerpen waren dezelfde, waarmede bij dergelijke

gelegenheden hare moeders, hare grootmoeders en ongetwijfeld al de

voorouders in de vrouwelijke linie geschitterd hadden. Daar was er

een over de "Vriendschap," en verder; "Herinnering aan vroegere

dagen," "Godsdienst in de geschiedenis," "Het land der droomen,"

"De voordeelen der beschaving;" "Het verschil en de overeenkomst van

de onderscheidene staatsvormen," "Droefgeestigheid," "Kinderliefde,"

"Hartstochten," enz. enz.

Een hoofdgebrek van al deze opstellen was eene zorgvuldig gekweekte

droefgeestigheid en een kwistige overvloed van mooie woorden.

In sommigen was een merkbare neiging om modewoorden er met

de haren bij te sleepen, zoo dikwijls zelfs, dat zij geheel

afgezaagd werden. En dan was er eene bijzonderheid, welke ze

alle kenmerkte en bedierf,--namelijk de onuitstaanbare zedepreek,

die zijn gebrekkelijken staart aan het eind van elk opstel deed

kwispelen. Welk ook het onderwerp mocht wezen, er werd altijd een

hersens folterende poging gedaan om er op de een of andere wijze

iets in te lasschen waarop het zedelijk en godsdienstig gemoed met

stichting kon nederzien. Niettegenstaande de ergerlijke onoprechtheid,

die het publiek uit dergelijke zedepreken tegenblonk, werden zij niet

afgeschaft. En zij zijn dat nog niet en zullen het waarschijnlijk

nooit worden, zoolang de wereld zal bestaan.

Er is geen school in gansch Amerika, waar de jonge dames zich niet

verplicht gevoelen hare opstellen met een preek te eindigen; en het

zijn doorgaans de lichtzinnigste en minst godsdienstige meisjes,

die de mooiste preken maken. Maar genoeg hiervan. De waarheid wil

niet altijd gezegd zijn. Laat ons daarom tot het examen terugkeeren.

Het eerste opstel, dat voorgelezen werd, droeg tot opschrift:

"Is dit nu het leven?"

De lezer zal mij wel willen vergunnen er een uittreksel van mede te

deelen. Het luidde ongeveer aldus:

"Met welk een verrukking ziet gewoonlijk het jeugdig gemoed niet uit

naar een hem wachtend feest! De verbeelding toovert rooskleurige

tafereelen van genot. Daar ziet de aanbidster van wereldsche

genoegens zich reeds te midden der feestvierende menigte als

'de bewonderde door al de bewonderaars.' Haar bevallige gestalte,

in een sneeuwwit kleed gehuld, zweeft rond in den doolhof van den

vroolijken dans; haar oog is schitterender, haar tred lichter dan die

van de gansche lustige schare. Onder zulke heerlijke droomen glijdt

de tijd spoedig voort en weldra is de gelukkige ure daar, waarop zij

de Elyseesche velden betreden zal, van welke zij zoo verrukkelijk

had gedroomd. Hoe tooverachtig schoon vertoont zich alles aan hare

ontvlamde verbeelding! Elk nieuw tooneel wint aan bekoring. Maar na

eene wijle ervaart zij, dat onder dat schoon vernis niets dan ijdelheid

schuilt. De vleitaal, welke eens haar hart streelde, klinkt haar schril

in het oor; de balzaal heeft hare aantrekkelijkheid voor haar verloren

en met een verwoeste gezondheid en een verbitterd hart trekt zij zich

uit de wereld terug, de overtuiging met zich voerende, dat aardsch

genot de ziel, die naar hoogere dingen streeft, niet bevredigen kan."

En zoo ging het voort. Van tijd tot deed zich onder het lezen een

gegons van bijvalsbetuigingen hooren, vergezeld van fluisterende

uitroepen, als: "Hoe lief! Hoe welsprekend! Hoe waar!" enz. enz. En

toen het stuk met een ijselijk sombere preek eindigde, volgde er een

uitbundige toejuiching.

Vervolgens stond een tenger, droefgeestig meisje op, dat zich door

de belangwekkende bleekheid onderscheidde, welke het gevolg is van

pillen en indigestie, en droeg een gedicht voor, waarvan ik u twee

coupletten zal mededeelen:

Alabama, vaarwel! Och 'k min U zoo teer!

Toch ga 'k voor een poos van U scheiden!

Maar het denken aan U doet mij 't harte zoo zeer,

Mijn ziel blijft bij U steeds verbeiden.

Uw lommerrijke wouden heb 'k dikwijls doorkruist;

'k Heb gedoold langs Uw liefelijke stroomen;

Gehoord hoe uw water bij stormwinden bruist

En bewonderend Aurora zien komen.

De tranen die 'k schrei, o! ik schaam ze mij niet,

Geen blos dekt mijne vochtige wangen;

Niet vreemd is mij 't land, dat mijn aandoening ziet,

't Is een vriend waar mijn ziel aan blijft hangen.

Een meer hartelijke ontvangst vond ik nergens, o neen!

Dan bij U, wien 'k _mijn_ land wel mag heeten;

En mijn hoofd en mijn hart moest wel koud zijn als steen,

Alabama, als het U kon vergeten!"

Er waren er slechts zeer weinigen, die wisten wat het woord "Aurora"

beteekende, doch het gedicht viel niettemin zeer in den smaak.

Daarop verscheen een jonge dame met een donkere gelaatskleur, donkere

oogen en donker haar, die een indrukwekkend oogenblik pauseerde,

haar best deed om haar gelaat eene tragische uitdrukking te geven en

toen op afgemeten toon begon:

"Zwart en stormachtig was de nacht. Om den hemeltroon flikkerde een

enkele ster, doch zware donderslagen trilden aanhoudend door het zwerk,

terwijl de vreeselijke bliksem gramstorig door de onbewolkte hemelzalen

dartelde, alsof hij de macht bespotte, welke de beroemde Franklin

zich over zijne verschrikkingen had aangematigd! Zelfs de onstuimige

winden kwamen eendrachtig uit hunne geheimzinnige woonplaatsen te

voorschijn en bulderden in het rond, begeerig naar 't scheen, om de

woestheid van het tooneel door hunne hulp te verhoogen.

"Op zulk een tijdstip, zoo duister, zoo droevig, zuchtte mijn hart

naar menschelijk medegevoel,--maar in plaats daarvan,

Mijn dierbaarste vriendin, mijn gids en mijn geleide,

Mijn vreugde bij mijn smart, stondt ge eensklaps aan mijn zijde!

"Zij bewoog zich voort als een van die liefelijke wezens, welke

de romantische jeugd zich op de zonnige paden van het Eden der

verbeelding, voor den geest toovert,--een koningin der schoonheid,

zonder versierselen, maar getooid met hare alles overtreffende

bekoorlijkheid. Haar tred was zoo licht, dat het oor hare nadering niet

vernam, en indien hare bezielde aanraking niet eene magische trilling

had doen ontstaan, zou zij ongemerkt, ongezocht voorbijgegleden

zijn. Een zonderlinge droefheid zetelde op hare gelaatstrekken, als

ijzige tranen op Decembers winterkleed, toen zij naar de strijdende

elementen daar buiten wees en mij verzocht de beide wezens, die daar

werden voorgesteld, te aanschouwen." [2]

Deze nachtmerrie omvatte tien bladzijden schrifts en sloot met een

preek, wanhopig akelig voor de Anti-Presbyterianen, doch die den

eersten prijs behaalde en als de schoonste proeve van den avond

werd beschouwd.

De burgemeester van St. Petersburg hield onder het overreiken van den

prijs aan haar, die hem behaald had, eene schitterende redevoering,

in welke hij betuigde, dat dit de welsprekendste rede was, die zijne

ooren ooit gehoord hadden en dat Daniel Webster zelfs er trotsch op

had kunnen zijn.

In het voorbijgaan moet gezegd worden, dat de opstellen, welke

overvloeiden van het woord "heerlijk" als ook van de vergelijking

"menschelijke ondervinding," met "een bladzijde uit het leven,"

het gemiddeld aantal overtrof.

Thans schoof de meester, opgewonden tot aan luidruchtigheid toe,

zijn stoel op zijde, ging met den rug naar het publiek staan en begon

zijne aardrijkskundige lessen door op het bord eene kaart van Amerika

te teekenen. Doch hij maakte met zijne onvaste hand een figuur--en

er werd een onderdrukt gelach in de school gehoord. Hij wist wat er

aan haperde en deed zijn best om de fout te herstellen, veegde enkele

lijnen met de spons uit en maakte weder nieuwe. Helaas! zij werden

hoe langer hoe slechter en het gegiegel werd luider. Hij wijdde zijn

gansche aandacht aan het werk, alsof hij besloten had zich niet door

het publiek uit het veld te laten slaan. Hij voelde, dat aller oogen

op hem gevestigd waren, en verbeeldde zich dat het beter ging. En toch

hield het gegiegel aan, ja, het vermeerderde blijkbaar. En daartoe

was wel reden. Boven zijn hoofd was een vliering met een luik, en

uit dat luik, kwam een kat te voorschijn, welke men een touw om de

achterpooten gehecht had. Die kat had een doekje om den kop en de

kaken gebonden, on haar het miauwen te beletten. Terwijl zij langzaam

naar beneden sukkelde, kromde zij zich naar alle kanten, sloeg hare

klauwen om het touw, schommelde vervolgens naar de laagte en krabde

tegen de ontastbare lucht. Het gegiegel werd erger en erger: de kat was

omstreeks zes duim van des soezerigen meesters hoofd. Nog een weinig

later en zij greep met hare klauwen wanhopig naar des meesters pruik,

klemde zich daaraan vast en werd een oogenblik later weder tot de

vliering opgetrokken, met haar zegeteeken tusschen de pooten. En welk

een lichtgloed verspreidde zich toen van des meesters hoofd. Immers

de verversjongen had dat lichaamsdeel met verguldsel besmeerd.

Met dit tooneel werd de vergadering gesloten. De jongens waren gewroken

en de vacantie was begonnen.

De Lotgevallen van Tom Sawyer · 第 31 / 48 题