Er was iets in Tante Polly's wijze van doen, toen zij Tom omhelsde,
dat zijne neerslachtigheid verdreef en hem weder vroolijk en
gelukkig maakte. Hij ging naar school en smaakte het genot op den
hoek van Meadow Lane toevallig Becky Tatcher tegen te komen. Zijn
gemoedstoestand bepaalde doorgaans zijne handelingen. Zonder een
oogenblik te aarzelen, liep hij naar haar toe en zeide:
"Ik heb je vandaag heel gemeen behandeld, Becky, en dat spijt mij. Ik
zal het nooit van mijn leven weer doen. Zullen wij, als je blieft,
maar weder goede vrienden worden?"
Het meisje hield stil, keek hem met een blik vol verachting aan
en zeide:
"Wilt u de goedheid hebben, mijnheer Thomas Sawyer u bij uw eigen
vrienden te houden. Ik denk mij niet meer met u te bemoeien."
En het hoofd in den nek werpende, ging zij voorbij.
Tom was zoo verpletterd, dat hij zelfs de tegenwoordigheid van geest
miste om te zeggen:
"Ik geef geen zier om je, nufje dundoek," totdat het geschikte
oogenblik voor dien uitval voorbij was. Dus zweeg hij met een woedend
gezicht. Ziedende van toorn stapte hij de schoolplaats binnen en
mompelde, dat hij wou dat zij een jongen was, om het haar eens fiks
in te peperen. Toen hij haar voorbijging, wierp hij haar een paar
hatelijkheden naar het hoofd, die behoorlijk teruggeslingerd werden,
en de hoop op het herstel van den vrede scheen onherroepelijk
verloren. Becky kon in hare drift den tijd haast niet afwachten,
waarop de les zou beginnen en zij Tom zou zien afrossen voor het
beschadigde leesboek. Indien zij nog een oogenblik plan had on Alfred
Temple ten toon te stellen, was dit voornemen door Toms beleedigende
schimpscheuten geheel uit hare ziel verdwenen.
Arm kind! zij wist niet, hoezeer zij op weg was zich een wereld van
verdriet te bezorgen.
De schoolmeester, de heer Dobbins, was een man, die den middelbaren
leeftijd bereikt had onder het drukkend lijden van onbevredigde
eerzucht. Zijne lievelingswensch was geneesheer te worden, doch
geldgebrek had hem verhinderd het hooger dan tot schoolmeester te
brengen. Toch was de liefde tot de studie hem bijgebleven. Hij nam
ten minste iederen dag een geheimzinnig boek uit de lessenaar on zich
daarin te verdiepen, zoodra de verschillende klassen hunne lessen
hadden opgezegd.
Dat boek hield hij achter slot en grendel,--doch er was geen deugniet
in de gansche school, die niet brandde van begeerte het eens in te
zien. Daartoe echter bood zich de kans nooit aan. Elke scholier had
zijne of hare eigen meening over den inhoud van het boek, doch er
was geen middel om het rechte er van te weten te komen.
Toen nu op dezen achtermiddag Becky langs den lessenaar schoof,
die vlak bij de deur stond, zag zij dat de sleutel in het slot
stak. Welk eene kostelijke gelegenheid! Zij keek in het rond, zag dat
zij alleen was en geen seconde later had zij het boek in de hand. Het
titelblad, "De Ontleedkunde, door Professor N. N." maakte haar niet
veel wijzer. Derhalve sloeg zij bladen op. Op eens ontdekte haar oog,
op eene der eerste bladzijden, een prachtige gekleurde gravure van
een naakt menschenbeeld. Op hetzelfde oogenblik viel er een schaduw
op het blad en stapte Tom Sawyer de deur in, die een vluchtigen blik
op het afbeeldsel wierp. In haar haast om het boek dicht te slaan,
was Becky ongelukkig genoeg het blad met de figuren door midden te
scheuren. Zij wierp het boek in de lessenaar, draaide den sleutel om
en barstte uit in tranen van schaamte en verdriet.
"Tom Sawyer," snikte zij, "ik vind het gemeen van je om achter iemand
aan te sluipen en hem te begluren."
"Hoe wist ik, dat je iets stond te bekijken?"
"Je moest je schamen, Tom Sawyer; ik weet, dat je me zult verklikken,
en o, wat zal ik beginnen! Ik zal slaag krijgen,--ik die nog nooit
op school een klap gehad heb!"
Zij stampte met haar voetje op den grond en vervolgde:
"Wees maar zoo laag als je wilt! Ik weet iets, dat hier zal plaats
hebben. Wacht maar en je zult eens wat zien."--En zij vloog de school
uit en barstte opnieuw in tranen los.
Tom stond stil, geheel overbluft door dien uitval. Toen zeide hij
tot zichzelven:
"Welk een vreemd soort van wezens zijn die meisjes! Nooit op school
geslagen! Wat zou een pak ransel! Juist iets voor een meisje: zij zijn
zoo laf en kleinzeerig. Zij hebben geen ruggegraat. Natuurlijk zal ik
die dwaze meid niet aan den ouden Dobbins gaan verklappen; er zijn
wel andere middelen om haar klein te krijgen, die niet zoo gemeen
zijn. Maar wat moet er met het boek gedaan worden? De oude Dobbins
zal vragen, wie het gescheurd heeft. Niemand zal antwoorden. Dan
zal hij doen als altijd en de meisjes beurt om beurt ondervragen,
en wanneer hij bij het meisje komt dat het gedaan heeft, zal hij
het weten zonder dat het gezegd wordt. De meisjes verraden zich
altijd.--Becky zal klappen krijgen; 't is een naar geval, maar ik
zie er geen gat in om het te verraden."
Tom peinsde nog een oogenblik over de zaak en riep toen uit: "In
orde! Zij wou mij in de klem zien; laat haar dat genot hebben."
Daarop voegde hij zich bij de "krijgertje" spelende schooljeugd,
totdat de meester kwam en de school begon. Toms gedachten dwaalden
gedurig van zijn werk af en telkens, wanneer hij een blik naar den
meisjes-kant wierp, werd hij ontroerd door het gelaat van Becky. Alles
te zamen genomen, behoefde hij geen medelijden met haar te hebben
en toch was hij diep met haar begaan. Toen de ontdekking van het
leesboek gedaan werd, was Tom voor een tijdlang geheel vervuld van
zijn eigen leed en werd Becky uit hare verdooving wakker. Zij volgde
het proces met groote belangstelling, want zij wist, dat Tom niets
tegen de beschuldiging, van inkt op het boek gemorst te hebben, kon
inbrengen. Tom ontkende het feit, en maakte door die ontkenning de zaak
eer erger dan beter. Becky maakte zich wijs, dat zij er schik in had,
doch eene stem in haar binnenste fluisterde haar toe, dat zulks het
geval niet was. Toen het er zeer bedenkelijk voor Tom begon uit te
zien, voelde zij eene sterke neiging om op te staan en Alfred Temple
aan te klagen, doch zij bedwong zich en legde zich de verplichting
op om stil te blijven zitten. "Immers," dus sprak zij bij zichzelve,
"hij zal zeker zeggen, dat ik die plaat gescheurd heb. Neen, al kon
ik hem er het leven mede redden, ik zeg het niet."
Tom kreeg de hem toegedachte zweepslagen en ging kalm naar zijne
zitplaats terug, in den waan dat hij, misschien zonder het te
bemerken, onder het krijgertje spelen, den inkpot op het boek had
laten vallen.--Hij had maar uit gewoonte ontkend en uit beginsel zich
bij de ontkentenis gehouden.
Een geheel uur ging voorbij. De meester zat op zijn troon te
knikkebollen, daar het gebrom der studeerende jeugd hem altijd slaperig
maakte. Langzamerhand echter richtte hij zich op, gaapte, ontsloot zijn
lessenaar en greep naar zijn boek, doch scheen het niet met zichzelven
eens te kunnen worden, of hij lezen zou al dan niet. Het meerendeel
der scholieren zag droomerig van hun werk op, doch er waren er twee,
die met de oogen vol belangstelling zijne beweging gadesloegen.
Een tijdlang hield de heer Dobbins gedachteloos zijn boek in de hand,
doch eindelijk vlijde hij zich op zijn stoel neder on te lezen.
Tom wierp een blik op Becky, en het arme kind zag er uit als
een hulpeloos, opgejaagd haasje, dat het geweer op zich ziet
aanleggen. Oogenblikkelijk werd zijn geschil met haar vergeten. Er
moest redding komen en dadelijk ook. Doch het dreigend gevaar scheen
zijne vindingrijkheid te verstompten. Goddank! daar schoot hem iets te
binnen. Hij zou de bank uitgaan, het boek grijpen, de deur uitspringen
en er mede wegloopen! Doch een minuut wankelens, tot het nemen van dit
besluit, was genoeg om zijne kans verloren te doen gaan. De meester
had het boek geopend. Het was te laat; er was niets aan te doen;
Becky was reddeloos verloren!
Het volgende oogenblik zag de meester zijne leerlingen in het gelaat,
met een blik, die al de kinderen de oogen deed neerslaan. Gedurende
tien tellen heerschte er een angstige stilte, waarin de meester kracht
tot toornen verzamelde. Toen sprak hij:
"Wie heeft dit boek gescheurd?"
Er werd geen geluid vernomen. Men zou een speld hebben kunnen hooren
vallen. De meester zag gezicht voor gezicht aan, om teekenen van
schuld te ontdekken?"
"Benjamin Hogers, hebt gij dit boek gescheurd?"
Een ontkennend antwoord, gevolgd door een pauze.
"Jozef Harper, gij?"
Weder een ontkennend antwoord. Tom werd onder de kwelling van den
langzamen voortgang der zaak, hoe langer hoe onrustiger. De meester
onderzocht nauwkeurig de lange rijen jongensgezichten en wendde zich
toen tot de meisjes.
"Amy Lawrence?"
Een ontkennend hoofdschudden.
"Gracie Willer?"
Hetzelfde gebaar.
"Suze Harper, hebt gij het gedaan?"
Weder een ontkennend antwoord. Het volgende meisje was Becky
Thatcher. Tom beefde van het hoofd tot de voeten.
"Rebekka Thatcher"--(Tom keek naar haar gelaat; het was bleek van
angst) "hebt gij,--neen, zie mij aan" --(zij hief de handen smeekend
omhoog)--"hebt gij dit boek gescheurd?"
Snel als de bliksem schoot Tom eene gedachte door de ziel. Hij sprong
op en gilde:
"Ik heb het gedaan!"
De schooljeugd stond versteld over zulk eene onbegrijpelijke
dwaasheid. Tom bleef een oogenblik staan om tot zichzelven te komen,
en toen hij de bank uitstapte om zijne straf te ondergaan, werd hij
door de bewondering en de dankbare aanbidding, die hem uit Becky's
oogen tegenstraalden, betaald voor honderd zweepslagen.
Door zijne edele daad zelf in verrukking gebracht, verdroeg hij
zonder een geluid te geven, de onbarmhartigste geeseling, waaraan
de heer Dobbins zich ooit had schuldig gemaakt, en hoorde hij ook
met volkomen onverschilligheid de wreede uitspraak aan, om twee uren
school te blijven. Immers hij wist, wie met het grootste geduld buiten
op hem wachten zou, totdat zijne straf geleden was.
Dienzelfden middag nog vertelde Becky hem met schaamte en berouw,
hoe verraderlijk zij zich jegens hem gedragen had. Tom ging dan ook
naar bed, vol wraakzuchtige plannen jegens Alfred Temple; maar zijn
wrok maakte spoedig voor aangename overpeinzingen plaats en hij viel
in slaap en droomde van Becky's laatste woorden, die hem als muziek
in de ooren hadden geklonken en aldus hadden geluid:
"Tom, hoe kon je zoo edel zijn?"