Op dien stillen Zaterdag heerschte er in het stadje St. Petersburg
ver van algemeene vroolijkheid. Juffrouw Harper en tante Polly met de
haren, zaten onder zuchten en tranen rouwkleeren te maken en de anders
toch reeds stille straten waren als uitgestorven. De bewoners gingen
somber en zwijgend huns weegs en liepen elkaar, onder het slaken van
zware zuchten, sprakeloos voorbij. De kinderen waren verlegen met hun
vrijen Zaterdagmiddag; hun hart was niet bij het spel en het was nog
niet begonnen of het was alweer gedaan.
In den namiddag zou men Becky Thatcher met een bezwaard gemoed langs
het verlaten schoolgebouw hebben kunnen zien zwerven, zonder iets of
iemand te vinden on haar te troosten. Eindelijk sprak zij verdrietig
tot zich zelve:
"Och, had ik toch zijn koperen knop maar! Helaas ik heb geen enkele
gedachtenis, niets dat mij aan hem herinnert!" En de woorden bleven
haar in de keel steken.
Na een poos hernam zij:
"Het gebeurde juist op deze plek. O, als ik het over kon doen,--ik
zou hem voor geen wereld zoo behandelen! Nu is hij heengegaan, en ik
zal hem nooit, nooit meer terugzien!"
Dit denkbeeld maakte haar zoo van streek, dat, op den ganschen weg
huiswaarts, haar de tranen langs de wangen biggelden.
Toen kwam er een troepje jongens en meisjes aan,--speelkameraden van
Tom en Joe. Zij bleven voor het ijzeren hek staan kijken en vertelden
elkaar op eerbiedigen toon, wat Tom, de laatste maal dat zij hem gezien
hadden, gedaan had en wat Joe gezegd had, woorden waaraan zij toen niet
gehecht hadden, maar die gebleken waren eene vreeselijke voorspelling
te zijn. Sommigen wezen de juiste plek aan, waar de ongelukkige knapen
toen gestaan hadden en voegden er gedurig volzinnen bij als deze:
"En ik stond juist, juist, zooals ik nu sta,--en hij stond juist,
waar jij nu staat--juist zoo dicht bij--en hij lachte precies zooals
ik nu doe--en toen ging mij een rilling door de leden: waarom, dat
wist ik zelf niet, maar nu begrijp ik het."
Daarop volgde een geschil over de vraag, wie de overledenen het laatst
gezien had, en velen maakten aanspraak op de droevige onderscheiding,
terwijl zij hunne beweringen met meer of minder afdoende bewijzen
staafden. En toen zij het er eindelijk over eens waren, wie de
gelukkige geweest was, kreeg deze eene plechtige voornaamheid en werd
hij door al de anderen bewonderd en benijd. Een klein jongentje in
hun midden, dat zich toch ook gaarne op iets ten aanzien van Joe en
Tom beroemen wilde, zeide met den noodigen trots:
"Tom Sawyer heeft mij ook een pak slaag gegeven."
Doch deze onderscheiding werd met te veel anderen gedeeld, om aanspraak
op haar naam te kunnen maken, en het kleine mannetje droop verlegen af.
Na nog eenigen tijd op fluisterenden toon over de daden der overleden
helden gesproken te hebben, verspreidde zich de schare.
Toen den volgenden morgen de Zondagsschool uitging, begon de dood-
in plaats van de gewone kerkklok te luiden. Het was een rustige
sabbatmorgen en het sombere gelui was volkomen in overeenstemming
met de stille, kalme natuur. Uit alle straten en stegen zag men
menschen naar de kerk stroomen en de meesten bleven, voordat zij
binnentraden, een oogenblik in het voorportaal van het Godshuis
staan, om met gedempte stem over het ongeval te spreken. In de kerk
evenwel hield het gefluister op. Daar werd geen geluid vernomen,
behalve het geritsel der japonnen van de vrouwen die zich naar hare
zitplaatsen begaven. Bij menschengeheugenis was de kerk nooit zoo
vol geweest. Toen iedereen gezeten was, volgde er een akelige pauze;
want, zie, daar kwam tante Polly binnen, gevolgd door Sid en Marie,
en daarachter de familie Harper,--allen in diepen rouw gekleed. De
geheele vergadering, de predikant niet uitgezonderd, rees eerbiedig op
en bleef staan, totdat de rouwdragers in de voorste bank hadden plaats
genomen. En nu volgde weder eene indrukwekkende stilte, afgebroken
door een onderdrukt gesnik, dat eerst ophield, toen de predikant
zegenend zijne handen over de menigte uitspreidde en ging bidden. Op
het gebed volgde een aandoenlijk, toepasselijk gezang en vervolgens
werd de tekst voorgelezen: "Ik ben de opstanding en het leven."
In den loop zijner rede schilderde de predikant het beminnelijk
karakter der veelbelovende jeugdige overledenen zóó aangrijpend af,
dat elk lid der vergaderde gemeente zich het hart voelde toeknijpen bij
de gedachte aan zijne opzettelijke verblinding, die halsstarrig niets
dan fouten en gebreken in de arme knapen had willen ontdekken. Menig
treffend voorval uit het leven der afgestorvenen bracht hij bij,
waarin hunne zachtheid en de adel van hun gemoed schitterend voor
den dag kwamen. Duidelijk zag men thans in, dat de schijnbaar
ondeugende knapen in waarheid goed waren geweest, en men herinnerde
zich met hartzeer, hoe men menige edele daad der beide kinderen als
booze streken had beschouwd, die men met een vracht zweepslagen had
beloond. De vergadering werd hoe langer zoo meer bewogen, al naarmate
de redenaar zijne pathetische schetsen vervolgde, zoodat op het eind
al de aanwezigen in tranen versmolten en met de weenende rouwdragers
een koor van zenuwachtig gesnik aanhieven. Zelfs de prediker was
zijn gevoel niet langer meester en zette zich bitter schreiende in
den preekstoel neder.
Juist op dat oogenblik ontstond er een klein geritsel in het
voorportaal, waarop toevallig niemand acht sloeg. Een oogenblik later
kraakte de kerkdeur, en de dominée nam den zakdoek van zijne betraande
oogen weg, rees op en bleef, als van den donder getroffen, in den
preekstoel staan. Eerst volgde één en daarna eene tweede paar oogen
de richting van des predikers blik, en binnen eenige oogenblikken
verhieven zich al de vergaderden van hunne zitplaatsen en staarden
naar de deur, door welke de drie doodgewaande knapen voorwaarts
stapten;--Tom vooruit, toen Joe en verlegen in de achterhoede,
de ongelukkige, in lompen gehulde Huck. Zij hadden zich achter een
pilaar schuilgehouden, om hun eigen lijkpredikatie te hooren.
Tante Polly, Marie en de Harpers wierpen zich op de hun teruggegeven
kinderen, versmoorden hen bijna onder kussen en goten een stortvloed
van dankgebeden over hun hoofd uit, terwijl Huck bedeesd in een hoek
bleef staan, niet wetende wat hij doen moest en hoe hij zich voor
zoovele onwelkome oogen moest verbergen. Hij week zachtjes achteruit
om af te druipen, Maar Tom vatte hem bij den arm en zeide:
"Tante Polly, dat is niet mooi; er moest ook iemand verheugd zijn,
dat Huck is teruggekomen."
"En dat zal ook zoo zijn. Ik ben blijde hem te zien, dien ongelukkigen,
moederloozen jongen!" En in hare verrukking ging de oude juffrouw hem
zoo hartelijk omhelzen, dat de arme knaap zich ten laatste niet meer
wist te bergen van verlegenheid.
Plotseling riep de dominée met luider stem:
"Juich, aarde! juich alom den Heer!"
"Zing!--en doe het met geheel uw ziel!"
En dat deden zij.--En de tonen van den ouden honderdsten psalm klonken
zegevierend door het eerwaarde kerkgebouw, en terwijl zij de muren
deden trillen, keek Tom Sawyer, de zeeroover, naar de hem benijdende
jeugd en beleed in zijn hart, dat dit het schoonste oogenblik zijns
levens was.
Toen de "beetgenomen" kerkgangers uiteengingen, verklaarden zij, dat
zij bijna wenschten nog eens zoo voor den gek gehouden te worden, on
het genot te smaken, den ouden honderdsten psalm zóó te hooren zingen.
Tom kreeg dien dag meer zoenen en klappen, al naar gelang van tantes
veranderlijke gemoedsstemming, dan hem te voren in een jaar waren
toebedeeld. De oude juffrouw toch was zoo vervuld van dankbaarheid
aan God en liefde voor haar neef, dat zij nauwelijks wist of zij
aan die gevoelens door kastijdingen dan wel door liefkozingen moest
lucht geven.