HOOFDSTUK XVIII.

Op dien stillen Zaterdag heerschte er in het stadje St. Petersburg

ver van algemeene vroolijkheid. Juffrouw Harper en tante Polly met de

haren, zaten onder zuchten en tranen rouwkleeren te maken en de anders

toch reeds stille straten waren als uitgestorven. De bewoners gingen

somber en zwijgend huns weegs en liepen elkaar, onder het slaken van

zware zuchten, sprakeloos voorbij. De kinderen waren verlegen met hun

vrijen Zaterdagmiddag; hun hart was niet bij het spel en het was nog

niet begonnen of het was alweer gedaan.

In den namiddag zou men Becky Thatcher met een bezwaard gemoed langs

het verlaten schoolgebouw hebben kunnen zien zwerven, zonder iets of

iemand te vinden on haar te troosten. Eindelijk sprak zij verdrietig

tot zich zelve:

"Och, had ik toch zijn koperen knop maar! Helaas ik heb geen enkele

gedachtenis, niets dat mij aan hem herinnert!" En de woorden bleven

haar in de keel steken.

Na een poos hernam zij:

"Het gebeurde juist op deze plek. O, als ik het over kon doen,--ik

zou hem voor geen wereld zoo behandelen! Nu is hij heengegaan, en ik

zal hem nooit, nooit meer terugzien!"

Dit denkbeeld maakte haar zoo van streek, dat, op den ganschen weg

huiswaarts, haar de tranen langs de wangen biggelden.

Toen kwam er een troepje jongens en meisjes aan,--speelkameraden van

Tom en Joe. Zij bleven voor het ijzeren hek staan kijken en vertelden

elkaar op eerbiedigen toon, wat Tom, de laatste maal dat zij hem gezien

hadden, gedaan had en wat Joe gezegd had, woorden waaraan zij toen niet

gehecht hadden, maar die gebleken waren eene vreeselijke voorspelling

te zijn. Sommigen wezen de juiste plek aan, waar de ongelukkige knapen

toen gestaan hadden en voegden er gedurig volzinnen bij als deze:

"En ik stond juist, juist, zooals ik nu sta,--en hij stond juist,

waar jij nu staat--juist zoo dicht bij--en hij lachte precies zooals

ik nu doe--en toen ging mij een rilling door de leden: waarom, dat

wist ik zelf niet, maar nu begrijp ik het."

Daarop volgde een geschil over de vraag, wie de overledenen het laatst

gezien had, en velen maakten aanspraak op de droevige onderscheiding,

terwijl zij hunne beweringen met meer of minder afdoende bewijzen

staafden. En toen zij het er eindelijk over eens waren, wie de

gelukkige geweest was, kreeg deze eene plechtige voornaamheid en werd

hij door al de anderen bewonderd en benijd. Een klein jongentje in

hun midden, dat zich toch ook gaarne op iets ten aanzien van Joe en

Tom beroemen wilde, zeide met den noodigen trots:

"Tom Sawyer heeft mij ook een pak slaag gegeven."

Doch deze onderscheiding werd met te veel anderen gedeeld, om aanspraak

op haar naam te kunnen maken, en het kleine mannetje droop verlegen af.

Na nog eenigen tijd op fluisterenden toon over de daden der overleden

helden gesproken te hebben, verspreidde zich de schare.

Toen den volgenden morgen de Zondagsschool uitging, begon de dood-

in plaats van de gewone kerkklok te luiden. Het was een rustige

sabbatmorgen en het sombere gelui was volkomen in overeenstemming

met de stille, kalme natuur. Uit alle straten en stegen zag men

menschen naar de kerk stroomen en de meesten bleven, voordat zij

binnentraden, een oogenblik in het voorportaal van het Godshuis

staan, om met gedempte stem over het ongeval te spreken. In de kerk

evenwel hield het gefluister op. Daar werd geen geluid vernomen,

behalve het geritsel der japonnen van de vrouwen die zich naar hare

zitplaatsen begaven. Bij menschengeheugenis was de kerk nooit zoo

vol geweest. Toen iedereen gezeten was, volgde er een akelige pauze;

want, zie, daar kwam tante Polly binnen, gevolgd door Sid en Marie,

en daarachter de familie Harper,--allen in diepen rouw gekleed. De

geheele vergadering, de predikant niet uitgezonderd, rees eerbiedig op

en bleef staan, totdat de rouwdragers in de voorste bank hadden plaats

genomen. En nu volgde weder eene indrukwekkende stilte, afgebroken

door een onderdrukt gesnik, dat eerst ophield, toen de predikant

zegenend zijne handen over de menigte uitspreidde en ging bidden. Op

het gebed volgde een aandoenlijk, toepasselijk gezang en vervolgens

werd de tekst voorgelezen: "Ik ben de opstanding en het leven."

In den loop zijner rede schilderde de predikant het beminnelijk

karakter der veelbelovende jeugdige overledenen zóó aangrijpend af,

dat elk lid der vergaderde gemeente zich het hart voelde toeknijpen bij

de gedachte aan zijne opzettelijke verblinding, die halsstarrig niets

dan fouten en gebreken in de arme knapen had willen ontdekken. Menig

treffend voorval uit het leven der afgestorvenen bracht hij bij,

waarin hunne zachtheid en de adel van hun gemoed schitterend voor

den dag kwamen. Duidelijk zag men thans in, dat de schijnbaar

ondeugende knapen in waarheid goed waren geweest, en men herinnerde

zich met hartzeer, hoe men menige edele daad der beide kinderen als

booze streken had beschouwd, die men met een vracht zweepslagen had

beloond. De vergadering werd hoe langer zoo meer bewogen, al naarmate

de redenaar zijne pathetische schetsen vervolgde, zoodat op het eind

al de aanwezigen in tranen versmolten en met de weenende rouwdragers

een koor van zenuwachtig gesnik aanhieven. Zelfs de prediker was

zijn gevoel niet langer meester en zette zich bitter schreiende in

den preekstoel neder.

Juist op dat oogenblik ontstond er een klein geritsel in het

voorportaal, waarop toevallig niemand acht sloeg. Een oogenblik later

kraakte de kerkdeur, en de dominée nam den zakdoek van zijne betraande

oogen weg, rees op en bleef, als van den donder getroffen, in den

preekstoel staan. Eerst volgde één en daarna eene tweede paar oogen

de richting van des predikers blik, en binnen eenige oogenblikken

verhieven zich al de vergaderden van hunne zitplaatsen en staarden

naar de deur, door welke de drie doodgewaande knapen voorwaarts

stapten;--Tom vooruit, toen Joe en verlegen in de achterhoede,

de ongelukkige, in lompen gehulde Huck. Zij hadden zich achter een

pilaar schuilgehouden, om hun eigen lijkpredikatie te hooren.

Tante Polly, Marie en de Harpers wierpen zich op de hun teruggegeven

kinderen, versmoorden hen bijna onder kussen en goten een stortvloed

van dankgebeden over hun hoofd uit, terwijl Huck bedeesd in een hoek

bleef staan, niet wetende wat hij doen moest en hoe hij zich voor

zoovele onwelkome oogen moest verbergen. Hij week zachtjes achteruit

om af te druipen, Maar Tom vatte hem bij den arm en zeide:

"Tante Polly, dat is niet mooi; er moest ook iemand verheugd zijn,

dat Huck is teruggekomen."

"En dat zal ook zoo zijn. Ik ben blijde hem te zien, dien ongelukkigen,

moederloozen jongen!" En in hare verrukking ging de oude juffrouw hem

zoo hartelijk omhelzen, dat de arme knaap zich ten laatste niet meer

wist te bergen van verlegenheid.

Plotseling riep de dominée met luider stem:

"Juich, aarde! juich alom den Heer!"

"Zing!--en doe het met geheel uw ziel!"

En dat deden zij.--En de tonen van den ouden honderdsten psalm klonken

zegevierend door het eerwaarde kerkgebouw, en terwijl zij de muren

deden trillen, keek Tom Sawyer, de zeeroover, naar de hem benijdende

jeugd en beleed in zijn hart, dat dit het schoonste oogenblik zijns

levens was.

Toen de "beetgenomen" kerkgangers uiteengingen, verklaarden zij, dat

zij bijna wenschten nog eens zoo voor den gek gehouden te worden, on

het genot te smaken, den ouden honderdsten psalm zóó te hooren zingen.

Tom kreeg dien dag meer zoenen en klappen, al naar gelang van tantes

veranderlijke gemoedsstemming, dan hem te voren in een jaar waren

toebedeeld. De oude juffrouw toch was zoo vervuld van dankbaarheid

aan God en liefde voor haar neef, dat zij nauwelijks wist of zij

aan die gevoelens door kastijdingen dan wel door liefkozingen moest

lucht geven.

De Lotgevallen van Tom Sawyer · 第 27 / 48 题