Dit nu was Toms groot geheim:--het plan om met zijne mede-zeeroovers
naar huis terug te keeren, op het oogenblik dat de lijkdienst over
hen zou gehouden worden. Zij waren Zaterdag, tegen schemerdonker,
op een blok hout de rivier afgezakt en vijf of zes mijlen beneden het
stadje aan land gegaan. Zij hadden in een bosch, in de nabijheid van
St. Petersburg, geslapen en waren bij het aanbreken van den dag door
allerlei straatjes en steegjes gekropen, totdat zij de kerk bereikt
hadden, waar zij te midden van een chaos van vermolmde banken nog
een uiltje hadden geknapt.
Den volgenden morgen na het ontbijt waren tante Polly en Marie
buitengewoon hartelijk jegens Tom en voorkwamen zijne wenschen. Het
gesprek was bijzonder levendig en tante Polly zeide:
"Ik zal niet ontkennen, Tom, dat ik het nogal grappig van je vond, om
de gansche stad eene week lang te laten treuren, terwijl jelui pleizier
maakten; maar ik kan mij niet begrijpen, hoe je zoo ongevoelig kondt
zijn, om mij zoo lang in de benauwdheid te laten. Als je op een blok
hout de rivier kondt oversteken voor je lijkdienst, had je ook wel
eens kunnen komen overvaren om mij te verstaan te geven, dat je niet
dood, doch alleen weggeloopen waart."
"Ja, waarom heb je dat niet gedaan?" zeide Marie. "Ik geloof zeker,
dat, als je er aan gedacht hadt, je wel even hier zoudt gekomen zijn."
"Zou je, Tom?" vroeg tante Polly, terwijl zij peinzend haar gelaat
tot hem ophief. "Zeg, zou je het gedaan hebben, als je er aan gedacht
hadt?"
"Ik... wel, ik weet het niet. Het zou alles bedorven hebben."
"Tom, ik dacht dat je ten minste zooveel van mij hieldt, om dat voor
mij over te hebben," zeide tante Polly, op een toon zoo vol weemoed,
dat het gemoed van den knaap volschoot. "Het zou mij een troost
geweest zijn te weten, dat je er aan gedacht had, zelfs zonder het
te hebben gedaan."
"Nu, lieve tante, maak er u niet naar over," vleide Marie; "'t is
niets dan onnadenkendheid van Tom. Hij is altijd zoo--zoo onbezonnen."
"'t Spijt mij vreeselijk! Sid zou er aan gedacht hebben; hij zou
bij mij gekomen zijn. O Tom, eens zal het je berouwen, als het te
laat is, en dan zul je zeggen: 'Was ik maar wat meer bezorgd voor
haar geweest!'"
"Och tante," zeide Tom, "u weet toch wel, dat ik veel van u houd."
"Ik zou het beter weten, indien je er een weinigje meer naar
handeldet."
"Ik wou nu wel, dat ik het maar gedaan had," zeide Tom, op berouwvollen
toon; "maar ik heb toch van u gedroomd; dat is al wat."
"Dat zegt nog niet veel; een kat doet hetzelfde: maar 't is toch
beter dan niets. Wat heb je gedroomd?"
"Wel, Woensdagnacht droomde ik, dat u bij het bed zat en Sid op de
houtkist en Marie naast hem."
"Nu, dat doen we immers altijd. Het verheugt me, dat je ons de moeite
waard geacht heb, dat van ons te droomen."
"En ik droomde, dat de moeder van Joe Harper hier was."
"Wel, zij was hier! Heb je nog meer gedroomd?"
"O, nog zooveel! Doch het staat mij niet duidelijk meer voor."
"Tracht het je te binnen te brengen.--Gaat het?"
"Er ligt mij iets van bij, dat het heel hard woei."
"Bezin je nog eens! De wind woei hard en..." Tom hield een minuut
lang peinzend zijne hand voor zijn voorhoofd en zeide toen:
"Ik ben er! Ik ben er! De wind blies de kaars uit!"
"God zij ons genadig! Ga voort, ga voort!"
"En het was mij, als zeidet gij: 'Wel, ik geloof, dat de deur...'"
"Ga voort, Tom!"
"Laat mij een oogenblikje, een klein oogenblikje bedenken. O ja,--u
zei, dat u dacht dat de deur open was."
"Zoo waar als ik leef, dat heb ik gezegd! Heb ik niet, Marie? Ga
verder!"
"En toen--en toen--ik ben er niet zeker van, maar toen meende ik,
dat u Sid de deur liet..."
"Nu! Wat liet ik Sid, Tom? Wat liet ik Sid doen?"
"U liet hem--u--O--u liet hem de deur dichtdoen!"
"Hemelsche goedheid! Zoo iets heb ik nog nooit gehoord! Zeg mij niet
meer, dat droomen bedrog is. Sientje Harper zal dit weten, eer ik
een uur ouder ben. Het zal mij eens benieuwen of zij mij nu nog zal
bespotten over mijne lichtgeloovigheid!"
"O, tante, het wordt mij zoo klaar als het licht! Toen zei u, dat ik
niet slecht was, alleen maar een beetje lichtzinnig en ondeugend."
"Zoo was het. Hemelsche genade!--Ga verder, Tom."
"En toen begon u te schreien."
"Dat deed ik, dat deed ik! En voorwaar niet voor de eerste maal.--en
toen?"
"Toen begon juffrouw Harper te schreien en zeide, dat het precies
hetzelfde met haar Joe was en dat ze wilde dat zij hem geen zweepslagen
gegeven had omdat hij room had gesnoept, dien zij zelve uit het raam
had gegooid."
"Tom! De Geest was op u,--gij waart aan het profeteeren, dat waart
ge! God in den hemel!--Ga voort, Tom!"
"Toen zei Sid... Hij zei..."
"Ik, geloof niet, dat ik iets gezegd heb," sprak Sid.
"Jawel Sid," zeide Marie.
"Houdt jelui je mond en laat Tom voortgaan. Wat zeide hij, Tom?"
"Hij zei--geloof ik--dat hij hoopte, dat ik het goed zou hebben in de
plaats waar ik was heengegaan, maar indien ik beter had opgepast...."
"Hoor jelui dat? Het ware zijne eigen woorden."
"En u sloot hem den mond."
"Waarempel, dat heb ik gedaan. Er moet een engel op dat eiland
geweest zijn."
"En juffrouw Harper vertelde, dat Joe haar met een voetzoeker
verschrikt gemaakt had, en u, dat ik de kat met den drank geplaagd
had."
"Zoo waar als ik leef!"
"En toen werd er gepraat over het opvisschen van onze lijken en over
den lijkdienst, en bij het heengaan hebt u juffrouw Harper gezoend
en toen zijt gij beiden in tranen uitgebarsten."
"Het gebeurde precies zoo! Precies zoo, zoo waar als ik hier in de
kamer zit. Je kondt het niet beter verteld hebben, al had je er bij
gezeten.--En wat toen? Ga voort, Tom."
"Toen droomde ik, dat gij voor mij badt,--en ik kon u zien en elk
woord hooren dat gij spraakt. En gij gingt naar bed, en ik was zoo
bedroefd, dat ik een stuk van den vijgeboom nam en daarop krabbelde:
'Wij zijn niet dood, wij zijn alleen maar weggegaan om zeeroovers
te worden,' en dat bij den kandelaar op de tafel legde. En toen nam
ik den kandelaar van de tafel en hield dien boven uw gelaat, en gij
zaagt er in uw slaap zoo vriendelijk uit,--en ik droomde, dat ik mij
over u heenboog en u op de lippen kuste."
"Hebt ge dat gedaan, Tom? Nu vergeef ik u alles!" En zij greep den
knaap en omhelsde hem met zulk eene verpletterende hartelijkheid,
dat hij zich den misdadigsten schurk der aarde voelde.
"Het was zeer lief, ofschoon het slechts een droom was," zeide Sid
hoorbaar in zichzelven.
"Houd je mond, Sid! Iemand doet in zijn droom juist wat hij wakende zou
verrichten. Hier heb je een grooten appel, Tom, dien ik voor je bewaard
heb, als je ooit terug gevonden werdt. En ga nu naar school. Ik ben
den goeden God, ons aller Vader, dankbaar dat Hij mij u teruggegeven
heeft. Hij is lankmoedig en vol goedertierenheid voor hen die in hem
gelooven en Zijn woord houden, hoewel de Hemel weet dat ik die genade
niet waardig ben. Doch indien slechts de waardigen zijne zegeningen
genoten en zijne hand mochten vatten om hen te leiden over hobbelige
paden, zouden er weinigen zijn, die hier vroolijk konden leven of
in zijne rusten konden ingaan, als de nacht komt. Gaat nu heen, Sid,
Marie en Tom:--gij hebt mij reeds lang genoeg in den weg geloopen."
De kinderen gingen naar school en de oude juffrouw stapte de straat op,
om een bezoek bij juffrouw Harper te brengen, ten einde haar ongeloof
door Toms wondervollen droom den doodsteek te geven.
Sid was slim genoeg on zich stil te houden, zoolang hij in de kamer
was. Toen hij de deur achter zich had dichtgeslagen, riep hij uit:
"Een mooie grap--zoo'n lange droom, zonder een enkele vergissing!"
Wat een held was Tom nu geworden! Hij sprong en huppelde niet meer
langs den weg, maar bewoog zich voort met de waardige voornaamheid,
welke aan den zeeroover past, die voelt dat hij een man van beteekenis
is in het oog van 't publiek. En dat was hij inderdaad. Hij hield
zich, als zag hij de blikken, als hoorde hij de opmerkingen niet,
waarvan hij het voorwerp was, doch zij waren spijs en drank voor
zijne ziel. Jongere knapen liepen achter hem aan en verhoovaardigden
zich op de eer van met hem gezien en door hem geduld te worden, en
behandelden hem alsof hij de Tamboer Majoor was van een optocht, of
de olifant onder wiens leiding eene menagerie de stad binnentrekt. De
jongens van zijne jaren deden, alsof zij er niets van wisten dat hij
weg geweest was, maar vergingen niettemin van afgunst. Zij zouden
er wat voor gegeven hebben om zijne bruine, door de zon verbrande
huid en zijne vermaardheid te bezitten, en Tom zou daarvan voor geen
wereldsch geld afstand hebben gedaan.
Op school werd aan Tom en Joe zoo het hof gemaakt en werden ze
zoozeer bewonderd, dat de beide helden weldra onuitstaanbaar pedant
werden. Zij begonnen hunne avonturen aan gretig luisterende toehoorders
te vertellen, doch brachten het nooit verder, dan het begin; want eene
verbeelding als de hunne, steeds klaar om nieuwe stof aan te brengen,
zou moeielijk tot een eind hebben kunnen komen. En toen zij ten slotte
hunne pijpen voor den dag haalden en kalm de rookwolken in het rond
bliezen, hadden zij het toppunt van roem bereikt.
Tom was tot het besluit gekomen, dat hij thans wel van Becky Thatcher
kon afzien. Zijne glorie was hem genoeg en voor deze alleen zou
hij voortaan leven. Nu hij zulk een voornaam persoon geworden was,
kon het wel eens zijn, dat zij lust kreeg bij te draaien. Welnu,
als zij dat deed, zou zij ervaren, dat hij even onverschillig kon
zijn als sommige andere lieden.
Daar kwam zij juist toevallig aan. Tom deed alsof hij haar niet zag
en voegde zich bij een ander troepje jongens en meisjes, met wie
hij dadelijk een druk gesprek aanknoopte. Spoedig ontwaarde hij, dat
Becky met gloeiende wangen en schitterende oogen, vroolijk nu achter
dan vooruit huppelde, schijnbaar met hart en ziel krijgertje speelde
en het uitgilde van 't lachen, wanneer zij een van haar kameraadjes
gevangen had. Maar het ontging hem niet, dat zij hare vangsten altijd
in zijne buurt deed en dan tersluiks naar hem keek.
Dit streelde zijne booze ijdelheid ongemeen en deed hem, in plaats
van hem voor haar te winnen, nog meer op zijne hoede zijn, om door
taal noch teeken te verraden, dat hij haar toeleg bemerkte. Weldra
gaf zij vruchteloos de moeite op en ging onder het slaken van zware
zuchten besluiteloos op en neer wandelen, terwijl zij nu en dan
heimelijk veelbeteekenende blikken op Tom wierp. Het viel haar op,
dat Tom drukker met Amy Lawrence praatte dan met iemand anders. Dit
gezicht verbitterde haar zoozeer, dat zij het besluit nam naar huis te
gaan. Doch hare verraderlijke voetjes droegen haar tegen wil en dank
naar de plaats, waar Tom en Amy stonden. Met geveinsde opgewektheid
zeide zij dicht bij Toms oor tot een meisje:
"Wel, Marie Austin, ondeugende meid, waarom ben je niet op de
zondagsschool geweest?"
"Ik ben er geweest. Heb je me niet gezien?"
"Neen. Waart ge er? Waar heb je gezeten?"
"In de klasse van juffrouw Peters, waar ik altijd zit. Ik heb jou
wel gezien."
"Zoo! Hoe mal, dat ik jou niet zag! Ik had je van de pic-nic willen
vertellen, die gegeven wordt."
"O, dat is heerlijk! En wie geeft die?"
"Mijn ma!"
"O, heertje, ik hoop dat zij mij ook vragen zal."
"Natuurlijk; het is mijn partij. Zij vraagt iedereen, die ik hebben
wil."
"Verrukkelijk!--wanneer zal het gebeuren?"
"Al spoedig. In de vacantie, denk ik."
"Voortreffelijk!--Je vraagt zeker al de jongens en meisjes?"
"Ja, al mijne kennissen, dat is te zeggen, al de jongens en meisjes,
die lief tegen mij zijn," en meteen werd er tersluiks naar Tom
gekeken. Doch deze had het juist ontzettend druk met Amy Lawrence
over het vreeselijke onweer op het eiland en over den bliksem,
die den grooten vijgeboom aan spaanders sloeg, terwijl hij, Tom,
op geen tien pas afstands stond.
"En mag ik ook komen?"
"Ja."
"En ik?" zeide Sally Rogers.
"Ja."
"En ik ook!" riep Suze Harper. "En Joe?"
"Ja."
En zoo ging het met vroolijk handgeklap voort, totdat de geheele
troep om eene uitnoodiging gebedeld had, behalve Tom en Amy. Deze
twee keerden koeltjes de anderen den rug toe en wandelden pratende
voort. Becky's lippen begonnen te beven en hare oogen schoten vol
tranen, en ofschoon zij deze teekenen van smart onder een vroolijk
gelaat en een eindeloos gekeuvel zocht te verbergen, was de pret van
de pic-nic en eigenlijk van alles af. Zoodra zij zulks onopgemerkt
doen kon, sloop zij heen en ging in een hoekje zitten, om, zooals
haar geslacht dat noemt, eens flink "uit te huilen." Daar bleef zij,
gebelgd over hare gekrenkte ijdelheid, zitten, totdat de schoolbel
haar gelui deed hooren. Toen stond zij met wraak in het hart op,
schudde met een vergramd gelaat haar gevlochten haarbos en mompelde,
dat zij wel wist wat zij doen zou.
Bij het uitgaan der school zette Tom zijne hofmakerij aan Amy Lawrence
met onuitsprekelijke zelfvoldoening voort. Hij bleef voortdurend in
den omtrek, in de hoop van Becky te vinden en haar door zijn wreed
spel te kwellen. Eindelijk ontdekte hij haar--en de hooge temperatuur
zijner gemoedsstemming daalde op eens tot het vriespunt.
Zij zat welbehaaglijk op een bankje achter de school, in een boek
prentjes te kijken met Alfred Temple, en zij waren zoo in hunne
beschouwing verdiept en hielden hunne hoofden zoo dicht bij elkaar, dat
er buiten hen en het prentenboek niets in de wereld scheen te bestaan.
Een vuur van jaloezie gloeide Tom door de aderen. Hij verwenschte
zichzelven, omdat hij de kans tot eene verzoening met Becky zoo
jammerlijk had verspeeld. Hij noemde zich een dwaas en de Hemel weet
wat niet al meer, en het huilen stond hem nader dan het lachen. De
naast hem loopende Amy keuvelde lustig voort en juichte in haar
hart,--doch Toms tong scheen hem aan het verhemelte te kleven. Hij
hoorde niet wat Amy zeide, en wanneer zij stilhield om op een antwoord
te wachten, kwamen er onsamenhangende, verwarde klanken, die veeltijds
op de vraag niet sloegen. Niettemin bleef hij achter het schoolgebouw
op-en nederloopen, om zich de oogballen met het hatelijk schouwspel
te pijnigen. Hij kon niet anders, en de gedachte dat Becky Thatcher
niet eens scheen te vermoeden dat hij in het land der levenden was,
maakte hem bijna krankzinnig.
Toch zag zij het maar al te goed en wist zij dat zij veld won ook, en
was blijde dat hij nu ondervond, wat zij had uitgestaan. Amys vroolijk
gebabbel werd hem ondraaglijk. Tom begon verontschuldigingen te maken
en zeide dat hij naar huis moest om te werken, daar het laat werd. Doch
tevergeefs: het vogeltje kirde altijd maar voort: "Ik wou, dat ze
naar de maan vloog! Zal ik dan nooit van haar afkomen?" Eindelijk
zeide hij dat hij weg moest, en het meisje antwoordde argeloos,
dat zij zorgen zou morgenochtend weder op haar post te zijn. En hij
spoedde zich voort en haatte haar om die belofte.
"Een andere jongen!" sprak Tom tot zich zelven en knarste met de
tanden. "Zij mocht, wat mij betreft, elken jongen van de plaats
genomen hebben, behalve dien vromen Piet, die zich zoo mooi kleedt en
zoo voornaam is! Best, jongen! ik heb je een pak gegeven den eersten
dag dat je hier kwaamt, en je zult er nog een hebben. Wacht je beurt
maar af. Dan gaat het zoo!"
En toen ging hij in zijne verbeelding aan het afkloppen van den
jongen, maakte de bewegingen van "iemand een pak geven"--en sloeg,
schopte in de lucht, onder het uitroepen van: "Ziezoo, dat 's voor
jou goed? Heb je nou genoeg, zeg? Laat dit je een les zijn."
Toen snelde hij naar huis. Hij kon de gedachte aan Amys dankbaar
geluk en aan dat andere tooneel niet meer verdragen. Becky intusschen
zette hare plaatjesbeschouwing met Alfred voort; maar toen de minuten
voortkropen en er geen Tom kwam, verloor haar zegepraal iets van
haar luister en verdween hare belangstelling. Zij werd rusteloos en
afgetrokken en eindelijk neerslachtig. Een paar malen spitste zij de
ooren bij het geluid van een voetstap, maar de hoop, waarmede zij zich
streelde, bleek ijdel te zijn. Er kwam geen Tom. Eindelijk voelde zij
zich zoo ellendig, dat zij goud zou gegeven hebben, indien zij het
niet zoover had laten komen. Toen de arme Alfred, ziende dat zij--hoe
het kwam wist hij niet--ophield hem haar aandacht te schenken, zijn
ijver verdubbelde en gedurig uitriep: "O, hier is een mooi plaatje,
kijk eens!" verloor zij alle geduld en zeide:
"O, kwel mij niet langer! Het kan mij niet schelen," en in tranen
uitbarstende, stond zij op en ging heen.
Alfred liep haar achterna en trachtte haar te troosten, doch zij zeide:
"Ga weg en laat mij met rust. Ik heb een hekel aan je!"
De arme jongen zag haar verbijsterd aan en kon maar niet begrijpen,
wat hij toch misdaan had.--Zij had hem zoo even nog gezegd, dat zij
den geheelen middag prenten wilde kijken, en nu liep zij schreiend
van hem weg.
Ontstemd zette hij zich in de leege school neder. Hij was boos en
gekrenkt en vond spoedig den sleutel tot de waarheid;--het meisje had
hem eenvoudig tot speelbal gemaakt, om haar woede tegen Tom Sawyer
te koelen. Deze gedachte verminderde zijn haat tegen Tom niet en hij
zon op een middel, om hem een poets te spelen, zonder er zelf in te
loopen. Daar viel zijn oog op Toms leesboek. Dat was een schoone
gelegenheid. Hij sloeg de les op, welke dien middag gelezen moest
worden en bekladde die flink met inkt.
Becky, die op dat oogenblik toevallig naar binnen keek, zag de
daad en verwijderde zich zonder iets van hare ontdekking te laten
merken. Zij ging huiswaarts in de hoop Tom tegen te komen om hem alles
te vertellen. Tom zou er haar erkentelijk voor zijn en hun verschil
zou worden bijgelegd. Maar eer zij halverwegen was, kwam zij van
haar plan terug. De gedachte aan Toms behandeling bij gelegenheid
van de te berde gebrachte pic-nic kwam haar weder voor den geest en
vernieuwde haar spijt. Zij besloot aan te zien, dat hij, ter zake van
de vlekken in zijn boek, slaag kreeg en nam zich voor hem nog op den
koop toe voor eeuwig te haten.