Tegen middernacht werd Joe wakker en riep de jongens. Er was eene
drukkende benauwheid in de lucht, die weersverandering scheen
te voorspellen. De knapen schoten haastig hunne kleeren aan en
schaarden zich voor de gezelligheid om een vriendelijk vuurtje,
niettegenstaande men in den snikheeten, door geen enkel koeltje
bewogen dampkring dreigde te stikken. Zij bleven stil, in gespannen
verwachting, om het vuur zitten. Een pikzwarte duisternis, slechts
afgewisseld door het schijnsel van het vuur lag over het landschap
uitgespreid. Daar verlichtte eensklaps, voor een oogenblik, een
flikkerende lichtstraal het donker geboomte. Een tweede volgde, iets
heller daarna een derde. Toen werd er een zacht gesuis door het woud
gehoord en een nauw merkbaar tochtje verkoelde de wangen der sidderende
knapen, die zich verbeeldden, dat de Geest van den Nacht hun was
voorbijgegaan. Daarop werd het weder bladstil. Maar op eens veranderde
een onheilspellende bliksemstraal den nacht in zóó helderen dag, dat
elk grasscheutje op den bodem, het kleinste zelfs, duidelijk zichtbaar
werd--en tevens drie bleeke, verschrikte gezichten te zien kwamen. Een
zware donderslag rolde door de lucht en verloor zich in de verte in
een dof gerommel. Een kille windvlaag streek hun langs het hoofd,
schudde al de bladeren en joeg de asch on het vuur in groote vlokken
naar omhoog. Opnieuw zette een geweldige bliksemstraal het woud als in
vuur en onmiddellijk daarna knalde een donderslag, die de boomtoppen
boven het hoofd der kinderen scheen te splijten. Doodelijk ontsteld
klemden zij zich in de dikke duisternis, die thans alles weder omhulde,
aan elkaar vast. Enkele dikke regendroppels kletterden op de bladeren.
"Gauw, jongens, naar de tent!" riep Tom uit.
Zij spoedden zich weg en stommelden over wortels en door
wijngaardranken voort. Een weldoende rukwind loeide door het
bosch. Bliksemstraal volgde op bliksemstraal en ratelslag op
ratelslag. En nu stroomde de regen naar beneden en de razende orkaan
dreef dien in breede golven over den grond. De knapen schreeuwden
luid tegen elkaar doch de bulderende storm en de rommelende donder
overstemden hun geroep. Eindelijk bereikten zij de tent, waaronder zij
koud, verschrikt en druipende van het water eene schuilplaats zochten,
dankbaar dat zij in hunne ellende lotgenooten hadden in elkander. Zich
aan elkaar verstaanbaar maken konden zij, al hadden andere geluiden
zulks niet verhinderd, niet, door het woedend klepperen van het oude
zeil. De storm verhief zich meer en meer, en weldra rukte het zeil
zich van zijne banden los en ijlde voort op de vleugelen van den
wind. De knapen grepen elkaar bij de hand en vluchtten onder het
schutsdak van den grooten eik, aan den kant der rivier. Nu had de
strijd zijn toppunt van heftigheid bereikt en bij den onafgebroken
gloed van het in de lucht vlammend bliksemvuur teekende zich alles
daarbeneden akelig scherp af.
De zwiepende boomen, de kokende rivier met hare witte golven, de
schuimvlokken die haar als met een sprei overdekten, de donkere
omtrekken van den hoogen oever aan den overkant en daarboven de
jagende wolken en de schuin neervallende regen. Telkens gaf een
reusachtige boom den strijd op en viel krakend over het jongere
gewas; en de onvermoeide donderslagen barstten onafgebroken, met
een oorverdoovend, alles doordringend, onuitsprekelijk schrikwekkend
geraas, in knallen los. De storm spande met eene uiterste poging al
zijne krachten in om het eiland stuk te slaan, in vlam te zetten,
onder water te dompelen, tot aan de kruinen der boomen toe, en alle
schepselen die er op huisden te vernietigen. Het was een vreeselijke
nacht om onder den blooten hemel door te brengen.
Maar eindelijk was de strijd volstreden; de legermachten trokken
onder steeds zwakker dreigen en rommelen af en de vrede nam de teugels
van het bewind weder in handen. De knapen gingen vol angst naar hun
kamp terug en bemerkten, dat zij nog reden tot dankbaarheid hadden,
want de groote vijgeboom, onder welken zij des nachts hadden gerust,
was door den bliksem vernield en aan splinters geslagen.
Het geheele kamp was doorweekt en het kampvuur daarbij, want onze
onbedachtzame knaapjes hadden geene voorzorgen tegen den regen
genomen. Stof genoeg om moedeloos te zijn: immers zij waren nat tot op
het hemd en beefden van koude. Al pratende over hun ongeval ontdekten
zij, dat het vuur onder het groote blok hout, waartegen het aangelegd
was, zoo ver had voortgewoekerd, dat daar waar het blok zich opwaarts
kromde en boven den grond verhief, slechts een handje vol hout was
blijven smeulen.
Toen gingen zij ijverig aan het werk, on met boomschors en afval van
droog hout, dat zij hier en daar opzamelden, de uitgedoofde vlam aan
te wakkeren, en nadat hun dit gelukt was legden zij er doode takken
bovenop en hadden tot hunne groote vreugde weldra weder een knappend
vuurtje. Zij droogden hun gekookte ham, deden zich daaraan te goed,
gingen daarna bij het vuur zitten en wijdden tot aan den morgenstond
uit over hun nachtelijk avontuur.
Toen de zon de knapen met hare stralen begon te beschijnen, werden
zij slaperig en trokken naar de zandbank, waarop zij zich ter ruste
legden. Zij ontwaakten bijna geroosterd door de heete dagvorstin en
zetten zich met droge kleeren aan hun ontbijt. Doch daarna gevoelden
zij zich onaangenaam stijf en begon het heimwee terug te komen. Tom
bemerkte die kwade teekens en beurde de zeeroovers op, zooveel als
hij kon. Alles echter liet hen onverschillig, knikkers zoowel als het
paardenspel en het zwemmen. Hij bracht hun het afgesproken geheim
te binnen en wist hierdoor een straaltje van opgewektheid in hun
gemoed te doen doorschemeren. Zoolang dat aanhield, boezemde hij hun
belangstelling in voor een nieuw spel. Dit was: het zeerooverschap er
een poos aan te geven en voor de verandering Indianen te worden. Dit
denkbeeld trok hen aan. Het duurde dan ook niet lang, of zij hadden
zich geheel ontkleed en van het hoofd tot de voeten met modderstrepen
besmeerd. Als Zebra's gingen zij woest schreeuwend, door het woud,
om eene Engelsche kolonie aan te vallen.
Van lieverlede scheidden zij zich in drie vijandelijke stammen en
beschoten elkaar uit hinderlagen, onder vreeselijke strijdkreten en
moordden en scalpeerden elkander bij duizenden. Het was een bloedige
dag en daarom zeer aangenaam. Tegen den avond verzamelden zij zich
hongerig en tevreden in hun kamp. Thans evenwel deed zich eene
moeilijkheid voor:--vijandige Indianen konden te zamen het brood der
gastvrijheid niet breken, eer zij vrede gesloten hadden, en dit was
bepaald onmogelijk zonder het rooken van de vredepijp. Van eene andere
wijze om een twist te beslechten hadden zij nooit gehoord. Twee der
wilden wenschten bijna, dat zij zeeroovers gebleven waren. Toch was er
geen andere weg. Met gehuichelde vroolijkheid vroegen zij om eene pijp
en dampten zooals het behoort. En ziet, zij waren blijde dat zij wilden
geworden waren, want zij hadden er iets bij gewonnen. Zij bemerkten
namelijk, dat zij een weinig konden rooken, zonder naar een verloren
mes te behoeven te gaan zoeken. Natuurlijk werd er van deze heerlijke
ontdekking partij getrokken en werd er na het eten voorzichtig nog
een pijpje aangestoken. Hun pogen werd met een goeden uitslag bekroond
en zoo brachten zij een verrukkelijken avond door. Zij waren trotsch
er op en gelukkiger met het verworven talent, dan zij geweest zouden
zijn, indien zij de zes natiën gescalpeerd en afgestroopt hadden.
En hier zullen wij hen aan hun pijp en hun gezwets overlaten, daar
wij voor het tegenwoordige niets met hen te maken hebben.