Toen Tom den volgenden ochtend wakker werd, begreep hij eerst niet
waar hij was. Hij ging opzitten, wreef zich de oogen en keek in
't rond; toen vatte hij het. De ochtendschemering had haar koelen
grauwen sluier uitgespreid en de aangrijpende kalmte en stilte van
het woud gaf een heerlijk gevoel van rust en vrede. Geen blad bewoog,
geen geluid verstoorde de overdenkingen der groote natuur. Diamanten
dauwdroppels schitterden op de bladeren en het gras. Uit het met een
laag witte asch bedekte kampvuur steeg een dunne, blauwe rookwolk
recht naar boven. Joe en Huck lagen nog te slapen. Daar deed ver
achter in de bosschen een vogel zijne roepstem hooren, die dadelijk
door anderen beantwoord werd, en te gelijk vernam men het gehamer van
den boomspecht. Langzamerhand ging de grijze morgendamp in een witten
nevel over en werd het minder koud. Van lieverlede vermenigvuldigden
zich ook de geluiden en openbaarde zich het leven. De wonderbare
natuur schudde den slaap af en ontplooide zich voor de oogen van den
peinzenden knaap. Een klein, groen wormpje kroop over een bedauwd
blad, hief bij wijlen twee derden van zijn lichaam op, snuffelde
in alle hoekjes en gaatjes en ging toen weder voort. Volgens Tom
was dat wormpje bezig opmetingen te doen. Toen het eindelijk uit
eigen beweging naar hem toe kwam, bleef de knaap doodstil zitten
en al naarmate het beestje hem naderde of een anderen weg scheen te
willen nemen, klom of daalde zijn hoop. Eindelijk bleef het gedurende
eenige voor den knaap angstige oogenblikken, het kopje onbeweeglijk
opwaarts gericht houden en zette zich ten slotte op Toms been neder,
over het lichaam van den knaap een reis te maken. Dat deed hem het
hart van vreugde opspringen, want het beduidde, dat hij een nieuw
pak zou krijgen,--zonder eenigen twijfel een zeerooversuniform.
Daarop verscheen er zonder dat men zeggen kon van waar, een optocht
van mieren, die haar dagtaak aanvingen. Een van haar sleepte moedig
een doode spin, vijfmaal grooter dan zij zelve, tusschen hare
pooten voort en zette die op een boomstam. Een bruin gespikkeld
Onze-Lieven-Heersbeestje beklom de duizelingwekkende hoogte van een
grasscheut en Tom boog zich over het diertje been en zeide:
"Lieven-Heershaantje, Lieven-Heershaantje, vlucht heen,
vlucht heen;
Uw huis staat in brand, uwe kinderen zijn alleen."
En het diertje sloeg de vleugeltjes uit en vloog weg om te zien
of de knaap waarheid sprak, waarover deze zich in 't minst niet
verbaasde. Immers hij wist vanouds, dat dit insect lichtgeloovig
was op 't punt van brand en hij had menigmaal de onnoozelheid van
't beestje verschalkt. Toen kwam er een steenmot, die traag zijn
rond lichaam medesleepte en Tom raakte het diertje aan om het met
opgetrokken pooten te zien ineenrollen en te doen alsof het dood was.
De vogels waren intusschen druk aan het zingen en kweelen gegaan. Een
spotvogel zette zich op een boom boven Toms hoofd neder en bootste, dol
van pret, met trillende stem, de geluiden na der andere vogels. Toen
streek een schrille meerkol, als een blauwe vlam, naar omlaag en ging
op een tak zitten, bijkans binnen het bereik van den knaap. Hij hield
zijn kopje op zijde en keek de vreemdelingen verbaasd en nieuwsgierig
aan. Een grijze eekhoorn en een groote vos sprongen om hem heen en
gingen af en toe opzitten, on hem te bekijken en op hun manier tegen
hem te praten. Deze bewoners der wildernis toch hadden blijkbaar nooit
te voren een menschelijk wezen gezien en wisten nauwelijks of zij er
bang voor moesten zijn of niet. De geheele natuur was klaar wakker
en in beweging; lange zonnestralen schoten door het dichte loover en
enkele kapellen verschenen fladderend op het tooneel.
Tom schudde de andere zeeroovers wakker; juichend sprongen zij op en
binnen een paar minuten hadden de drie knapen hunne kleeren uitgegooid
en speelden zij "krijgertje" en "haasjeover" in het ondiepe, heldere
water bij de witte zandbank. Zij dachten niet meer aan het stadje, dat
daar achter de majestueuze watervlakte lag te slapen. Een wisselzieke
vloed of eene lichte wassing der rivier had hun vlot medegenomen,
doch dit maakte hen niet bezorgd. Integendeel zij verheugden zich
er over, want het was hun alsof daarmede de band die hen nog aan de
beschaafde wereld hechtte, voorgoed was verbroken.
Toen keerden zij verfrischt, vroolijk en verrukt naar hun kamp terug
en weldra spreidde het opgerakelde vuur lustig zijne vlammen in 't
rond. Huck ontdekte in de buurt een bron van helder, koud water en
de jongens vervaardigde kopjes uit groote eiken en walnoten bladeren
en maakten de opmerking dat water, gedronken in zulk een woest oord
en onder zulke romantische omstandigheden, een uitmuntend surrogaat
voor koffie is. Toen Joe het mes in de zijde spek wilde zetten, om
reepjes voor het ontbijt te snijden, werd hij door de andere verzocht
daarmede eenige minuten te wachten, daar zij een veelbelovend plekje
in de rivier ontdekt hadden om te visschen. Bijna onmiddellijk daarop,
eer Joe nog ongeduldig kon worden, kwamen zij terug met een stuk of
wat mooie forellen en een paar baarsjes, voorraad genoeg, meende ze,
voor een geheel huisgezin. De visch werd dadelijk met spekvet gebakken,
en nooit scheen ze zoo lekker te hebben gesmaakt. Zij wisten niet
dat zoetwatervisch altijd 't best smaakt, wanneer zij, dadelijk nadat
zij is gevangen, gekookt of gebakken wordt, en dat slapen in de open
lucht, baden en ferme honger de beste saus bij den maaltijd is. Na
het ontbijt zochten zij een schaduwrijk plekje op, waar zij zich
nederlegden, terwijl Huck zijn pijpje rookte, en toen de vermoeidheid
geweken was, gingen zij het bosch in, op een verkenningstocht. Zij
wandelden vroolijk voort over stukken vermolmd hout, door dichte
kreupelbosschen en onder reusachtige woudkoningen van wier kruin tot
op den grond, sierlijke kransen van wilde-wijngaardloof afhingen;
terwijl zij nu en dan verrast werden door allerliefste open plekjes
bedekt met een grastapijt en met schitterende bloemen bezaaid. Zij
vonden eene menigte zaken, die hen in verrukking brachten, doch niets
dat hen bepaald verbaasde. Om het uur namen zij een zwembad en tegen
het midden van den dag keerden zij weder naar het kamp terug. Zij
waren te hongerig om zich den tijd tot visschen te gunnen, doch
niet te hongerig om zich met een maal van koude ham te vergenoegen
en vlijden zich daarna op een schaduwrijke plaats neder on wat te
babbelen. Hun praatlust begon echter alras te kwijnen en verdween
weldra geheel. De plechtige stilte van het woud en de doodelijke
eenzaamheid gingen haar invloed op hen uitoefenen. Zij raakten aan
't mijmeren. Een onbestemde lusteloosheid overviel hen, die gaandeweg
een bepaalden vorm aannam, namelijk het pijnigend heimwee. Zelf Finn
met de Roode Hand droomde van zijne stoepen en leege vaten. Doch zij
schaamden zich over hunne kinderachtigheid, en niemand had den moed
zijne gedachten uit te spreken. Reeds gedurig hadden zij gemeend in
de verte een vreemdsoortig geluid te hooren, iets als het verwijderd
tikken van een klok. Maar nu werd dat geluid sterker en trok het
bepaald de aandacht. De jongens voelden zich niet op hun gemak,
keken elkaar aan en gingen zitten luisteren. Eerst hoorden ze niets
meer en daarna een dof gerommel als van naderenden donder.
"Wat is dat?" riep Joe angstig uit.
"Ja, wat zou dat kunnen wezen!" fluisterde Tom.
"'t Is geen donder," zeide Huckleberry, op allesbehalve gerusten toon,
"want donder...."
"Stil," zeide Tom "luister en spreek geen woord."
Zij wachtten eenige oogenblikken, die een eeuw schenen en toen werd
de plechtige stilte weder door het doffe gerommel verstoord.
"Laat ons hoogte gaan nemen!"
Zij sprongen op, ijlden naar den oever, kropen onder het kreupelhout
door en staarden over de breede watervlakte. Daar zagen zij de kleine
stoomveerboot, zoo wat een uur van de stad op en neder varen. Het dek
scheen zwart van menschen. Een aantal schuitjes en roeibootjes dreven
om en bij de veerboot, doch de knapen konden niet zien wat de mannen,
die er in zaten, uitvoerden. Plotseling rees een wolk van witten rook
uit de boot op, voorafgegaan door een harden knal en daarop liet zich
het doffe gerommel weder hooren.
"Ik weet het!" riep Tom uit, "er is iemand verdronken!"
"Daar heb je het," zeide Huck; "dat hebben ze van den zomer ook gedaan,
toen Bill Tanner verdronken is. Toen schoten zij ook een kanon op
het water af, omdat dan het lijk gewoonlijk komt bovendrijven. Ja,
en soms nemen zij brooden en doen daar kwikzilver in en laten ze dan
drijven, en die brooden dobberen naar den persoon die verdronken is
toe en houden daar stil."
"Daar heb ik ook wel van gehoord," zeide Joe, "maar ik zou wel eens
willen weten, hoe het brood dan blijft stilstaan."
"O," zeide Tom, "dat ligt niet zoozeer aan het brood, als wel aan de
woorden, die er bij gesproken worden, eer zij het te water laten."
"Maar zij zeggen er niets bij," zeide Huck. "Ik zelf ben er bij
geweest, toen zij het deden, en zij spraken geen woord."
"Wel, dat is grappig," zeide Tom. "Maar het is toch zeker, dat zij
er iets bij denken. Dat spreekt vanzelf, dat weet iedereen."
De andere jongens stemden toe, dat voor die bewering van Tom
veel te zeggen was, omdat een redelooze klomp brood, die niet in
tooverformulieren onderricht was, niet verwacht kon worden, als een
met rede begaafd wezen te handelen, wanneer hij zulk een ernstig werk
te verrichten had.
"Sapperloot, ik wou dat ik er bij was," zeide Joe.
"Ik ook," zeide Huck; "en ik zou goud geven, als ik wist wie het is."
De knapen bleven luisteren en de boot bespieden. Op eens kreeg Tom
eene ingeving en riep uit:
"Jongens, ik weet al wie er verdronken is! Wij zijn het."
In een oogenblik waren zij helden geworden. Zij hadden een schitterende
zege behaald, want zij werden gemist en betreurd. Harten waren
om hunnentwil gebroken, tranen over hen geschreid, gewetens aan
het knagen gebracht en verdriet en berouw gevoeld. En wat nog het
heerlijkste was van alles, zij waren het onderwerp van gesprek van de
gansche stad en werden dientengevolge door al de jongens benijd. Dit
was verrukkelijk. Nu was het toch wel de moeite waard om zeeroover
te worden.
Tegen licht en donker voer de veerboot naar hare gewone ankerplaats
terug en verdwenen de schuitjes. De zeeroovers keerden weder naar
hun kamp en jubelden van vreugde over hunne fonkelnieuwe grootheid
en de onrust, die zij hadden doen ontstaan. Er werd weder visch
gevangen en gebakken, en toen deze verorberd was, ging men zich in
gissingen verdiepen, omtrent de geruchten, die er te St. Petersburg
over hen zouden verspreid worden; en de schilderijen, die zij over den
algemeenen rouw ophingen, gaven van hun standpunt gezien, reden tot
tevredenheid. Doch naarmate de schaduwen van den nacht hen bedekten,
werden de knapen stiller en zij eindigden met in het vuur te staren,
terwijl hunne gedachten blijkbaar elders verwijlden. De opgewondenheid
was voorbij en Tom en Joe konden het denkbeeld niet verzetten, dat er
te huis personen waren, die niet zooveel plezier in deze grap hadden
als zij. Zij begonnen zich angstig te maken en ongelukkig te gevoelen
en onverhoeds ontsnapte hun een paar malen een zware zucht. Eindelijk
waagde Joe het, beschroomd te vragen, wat de anderen er van zouden
denken, als zij weder tot de beschaving terugkeerden,--nu niet--maar...
Tom beantwoordde die vraag met een spotlach en Huck, die hoogst
vrijheidlievend was, hield zich bij Tom en de weifelaar palmde dadelijk
in, zeggende, dat hij er niets van gemeend had en dat men volstrekt
niet moest denken, dat hij naar huis verlangde. Het oproer was alzoo
voor het oogenblik gedempt.
Bij het vallen van den avond begon Huck te dommelen en was kort daarna
aan 't snorken. Joe volgde zijn voorbeeld. Tom bleef onbeweeglijk
op zijne armen liggen en staarde hem eenige oogenblikken strak
aan. Eindelijk stond hij voorzichtig op en ging bij den weerschijn
van het flikkerend kampvuur aan het zoeken in het gras. Hij raapte
eenige stukjes van den witten bast van een vijgeboom op en koos er
twee, die hem naar den zin schenen te zijn. Toen knielde hij bij het
vuur neder en schreef met moeite, met een stukje roodkrijt, iets op
elk van die beide. Daarna rolde hij er een op, stak dat in den zak
van zijn buis en legde het andere in den hoed van Joe, dien hij vlak
bij den eigenaar neerzette. Verder vulde hij den hoed met eenige
schooljongensschatten van schier onmetelijke waarde, als een stuk
wit krijt, een gomlastieken bal, drie vischhaken en een zoogenaamden
"echten glazen knikker." Vervolgens sloop hij behoedzaam op de teenen
tusschen de boomen weg, totdat hij buiten het gehoor was en liep toen
zoo gauw als zijne beenen hem dragen konden, in de richting van de
zandbank voort.