Eenige oogenblikken later was Tom in de ondiepe rivier verdwenen.
Eer hij met het halve lijf onder water was, had hij reeds de helft
van den weg afgelegd. Daar de stroom hem nu niet langer veroorloofde
te waden, sloeg hij moedig armen en beenen uit, om de overschietende
honderd el door te zwemmen. Hij zwom zooveel mogelijk met den stroom
mede, doch werd gedurig met meer kracht teruggedreven dan hij verwacht
had. Toch bereikte hij eindelijk den oever en liet zich langs den kant
voortdrijven, totdat hij een geschikt plekje vond om te landen. Aan
wal gekomen, bevoelde hij eerst zijn borstzak on zich te overtuigen,
dat de boomschors nog op hare plaats zat, en toen maakte hij zich met
zijne druipnatte kleederen, steeds den oever volgend, door de bosschen
voort. Even voor tien uren, kwam hij aan een open plek tegenover de
stad en zag de veerboot in de schaduw der boomen bij den hoogen dijk
liggen. Alles onder de flikkerende sterren was rustig. Tom kroop den
dijk af, loerde naar alle kanten, liet zich in het water glijden en
zwom met drie of vier slagen naar het bootje toe, dat sleepdienst
deed bij de veerboot. Hij klom er in, ging onder de roeibank liggen
en wachtte met een kloppend hart. Spoedig werd de oude bel geluid en
eene stem gaf bevel om het anker te lichten. Een minuut of wat daarna
werd de voorsteven van het schuitje door de golven, die de boot deed
ontstaan, omhooggeheven en de reis nam een aanvang. Tom was zeer in
zijn schik, dat hij nog juist bijtijds was gekomen: immers hij wist,
dat de boot dien dag voor de laatste maal dienst deed.
Na tien of twaalf minuten stopte de boot, waarop Tom overboord
stapte en in de duisternis naar den oever kroop. Hij ging echter
voorzichtigheidshalve omstreeks vijftien el beneden het vaarwater
aan wal, ten einde het gevaar van ontdekt te worden te ontkomen. Toen
sloop hij voort, langs weinig bezochte stegen en straten, totdat hij
voor de schutting aan den achterkant van tantes huis stond. Na deze te
zijn overgeklauterd, stapte hij voort tot aan den elzeboom en tuurde
naar binnen door het raam van de zitkamer, waar een licht brandde.
Daar zaten tante Polly, Sid, Marie en de moeder van Joe bij
elkander. Zij hadden zich rondom de tafel geschaard en het bed stond
vlak bij den ingang. Tom stapte behoedzaam naar de deur, en lichtte
voorzichtig de klink op; toen drukte hij zachtjes met zijne knie
tegen de paneelen en de deur week met een licht gekraak. Hij ging
voorzichtig met duwen voort, telkens bevende, wanneer hij gerucht
maakte, totdat hij dacht dat hij er zich op de knieën wel door zou
kunnen persen. Reeds was zijn hoofd in de kamer, toen hij tante Polly
hoorde zeggen:
"Hoe zou de kaars zoo waaien? Ik geloof waarempel, dat de deur
openstaat. Wel, al zijn leven! De wonderen staan niet stil. Kom,
Sid ga haar sluiten."
Tom verdween van pas onder het bed. Hij bleef een oogenblik stil
liggen om adem te scheppen en kroop toen zoover naar voren, dat hij
bijkans tantes voet raakte.
"Maar, zooals ik zeide," vervolgde tante Polly, "eigenlijk slecht was
hij niet, alleen maar wat ondeugend, een beetje lichtzinnig en wild,
weet je. Het kind dacht geen kwaad en was de goedhartigste jongen
van de wereld." En zij begon te schreien.
"Precies zoo was 't met mijn Joe: altijd vol jongensstreken en
handig in allerlei kattekwaad,--maar hij was de onbaatzuchtigheid en
vriendelijkheid zelve. En, de hemel zij mij genadig--te moeten denken,
dat ik hem zweepslagen gegeven heb, omdat hij room gesnoept had, die
ik zelve uit het raam heb geworpen, omdat ze zuur was geworden!--En
dat ik hem nooit, nooit, nooit meer op deze aarde zal terugzien,--die
arme, miskende jongen!"
En juffrouw Harper snikte, alsof haar het hart zou breken.
"Ik hoop dat Tom in betere gewesten is," zeide Sid; "doch als hij
hier wat meer..."
"Sid!"
Tom voelde het fonkelen van tantes oog, ofschoon hij het niet zien
kon. "Geen woord ten nadeele van Tom, nu hij is heengegaan. God zal
hem oordeelen, en gij behoeft u daarover niet moeilijk te maken,
jongenheer.--Och, juffrouw Harper, ik kan hem niet missen; ik weet
niet, hoe ik het zonder hem stellen moet. Hij was mij zulk een troost,
hoewel hij mijn arm hart ten bloede toe kon plagen."
"De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heeren
zij geloofd!" snikte juffrouw Harper. "Maar 't is zoo hard, o het
is zoo hard! Verleden Zaterdag nog stak Joe vlak onder mijn neus een
voetzoeker af en ik heb hem geslagen, totdat hij op den grond lag te
spartelen. Weinig dacht ik toen, hoe spoedig.... O, als het nog over
te doen was, ik zou er hem voor aan mijn hart drukken en zeggen...."
"Ja, ja, ja, ik begrijp volkomen wat gij voelen moet, juffrouw Harper:
ik kan het mij best voorstellen. Gisterenmiddag liet Tom mijn arme
kat van zijn drankje nemen, en ik dacht dat mijn huis onderstboven
zou keeren. En, God vergeve mij, ik kneep, met mijn vingerhoed aan
den vinger, het kind in zijn oor dat het kraakte. Mijn jongen, mijn
arme, gestorven jongen! Doch hij is nu uit zijn lijden. En de laatste
woorden, die ik hem hoorde zeggen, waren een verwijt...."
De gedachte aan dit feit was te bitter voor de oude juffrouw en zij
barstte in tranen uit. Tom voelde dat zijn oogen vochtig werden,
nog meer uit medelijden met zichzelven dan met de anderen. Hij kon
Marie hooren snikken en nu en dan een vriendelijk woordje over hem
in het midden brengen. Meer dan ooit kreeg hij een hoogen dunk van
zichzelven. Toch was hij zoo diep door de droefheid zijner tante
geschokt, dat hij snakte om het bed uit te springen en zich in hare
armen te werpen,--doch hij bedwong zich en bleef liggen.
Al luisterend, ving hij bij stukken en brokken op, dat men eerst
verondersteld had, dat de knapen met zwemmen verdronken waren:
toen was het kleine houtvlot vermist en was er door een paar jongens
medegedeeld, dat de verloren knapen voorspeld hadden, dat het stadje
eerlang iets hooren zou. De wijzen van St. Petersburg hadden het een
met het ander in verband gebracht en waren tot het besluit gekomen,
dat de knapen met het houtvlot van wal gestoken waren en bij de
eerstvolgende stad aan wal gegaan waren. Doch tegen den middag was
het houtvlot aan den oever van de Missouri, eenige uren van de stad,
teruggevonden en toen was de hoop verdwenen. Zij moesten verdronken
zijn, anders zou de honger hen bij het vallen van den nacht, zooal
niet eerder, naar huis hebben gejaagd. Men geloofde algemeen, dat
het eene wanhopige zaak was naar de lijken te zoeken, daar de knapen
ongetwijfeld midden in de rivier verdronken waren. Anders immers zouden
zij, die voor goede zwemmers bekend stonden, het wel tot den oever
hebben kunnen brengen. Deze dingen waren voorgevallen op Woensdag,
en als de lijken vóór Zondag niet werden gevonden, zou men de hoop
opgeven en er dien morgen een lijkdienst gehouden worden. Deze laatste
mededeeling deed Tom even sidderen.
Tegen elf uren stond Juffrouw Harper snikkend op om heen te gaan,
en door eene opwelling van wederzijdsch medelijden gedreven, vlogen
de beide van kinderen beroofde vrouwen elkander in de armen en namen
daarna afscheid.
Tante Polly zeide Sid en Marie dien avond met een buitengewone
hartelijkheid "goedennacht," en Sid perste zich een paar tranen uit
de oogen, terwijl Marie luid snikkend naar boven ging. Toen knielde de
oude juffrouw neder en bad voor Tom zóó vurig, zóó roerend en met zulk
een oneindige liefde, en hare oude stem beefde zóó, dat eer de laatste
woorden van dat gesprek uitgesproken waren, Tom in een bad van tranen
lag. Hij moest zich, nadat de arme vrouw naar bed was gegaan, nog lang
stilhouden, want zij bleef geruimen tijd wakker en gaf voortdurend
in hartbrekende uitroepen aan hare droefheid lucht. Eindelijk, na
zich nu op de eene en dan op de andere zijde geworpen te hebben,
was zij stil en kreunde alleen nog maar een weinig in haar slaap.
Nu kroop de knaap onder het bed uit, richtte zich langzaam op, hield
zijne hand voor het nachtlicht en keek zijne tante aandachtig aan. Diep
medelijden met haar vervulde zijn hart. Hij haalde zijne vijgeboombast
voor den dag en hield dien bij het licht. Plotseling schoot hem iets
grappigs te binnen, verhelderde zijn gelaat; haastig stak hij zijne
boomschors weer op, boog zich over tantes aangezicht heen en drukte
een kus op hare bleeke lippen. Toen nam hij de terugreis aan en liet
de deur in de klink vallen. Hij vond, zonder door iemand ontdekt
te worden, op den tast zijn weg naar het veerbootje terug en stapte
moedig aan boord. Immers hij wist, dat de boot onbemand was behalve
misschien door den klepperman, die er altijd in kroop en doorgaans als
een os sliep. Hij maakte het schuitje van den voorsteven der boot los,
sloop er in en roeide omzichtig stroomopwaarts. Toen hij omstreeks
een mijl had voortgeroeid, hield hij op eens schuins aan, begon te
werken zoo hard als hij kon en bereikte handig de overzijde. Hij
had grooten lust om het bootje buit te maken, daar hij het schip als
wettige zeerooversprooi beschouwde, doch hij begreep te gelijkertijd
dat er overal naar gezocht zou worden en dat eene ontdekking er het
gevolg van kon zijn. Daarom stapte hij zonder buit aan wal en ging
het bosch in. Hij zette zich op den grond neder om uit te rusten,
legde zich de marteling op van wakker te blijven en zocht eindelijk
zijne oude verblijfplaats weder op. De nacht was bijna voorbij en
het was klaar dag, toen hij voor de zandbank stond. Daar hield hij
opnieuw halt en legde zich op den grond te slapen tot de zon aan den
hemel stond en de groote rivier met haar glans verguldde.
Toen dompelde de knaap zich in den stroom en hield een oogenblik
later bij den ingang van het kamp stil, juist toen Joe uitriep:
"Neen, Tom is een eerlijke jongen en hij zal terugkeeren. Hij zal ons
niet verlaten. Hij is er te trotsch voor, want hij weet, dat dit eene
schande zou wezen voor een zeeroover. Zeker is hij op avonturen uit;
het zal mij benieuwen wat hij nu weer heeft uitgespookt."
"Goed," antwoordde Huck, "maar als hij niet op zijn tijd past, is
zijn ontbijt voor ons."
"Ja, als hij er niet is, maar dat is nog niet zeker. Er stond immers
op de boomschors geschreven: _als_ ik er niet ben, is het ontbijt
voor ulieden."
"Wie is die hij?" riep Tom met eene tooneelstem uit, terwijl hij met
fiere houding het kamp binnenstapte.
Spoedig was er een weelderig ontbijt van spek en visch opgedischt,
waaraan de knapen zich naar hartelust te goed deden. Onderwijl vertelde
Tom, met de noodige opsieringen, zijne avonturen van dien nacht. Toen
het verhaal geëindigd was, werden zij drie snoevende, grootsprekende
helden. Na het ontbijt verschool Tom zich op een schaduwrijk plekje om
te gaan slapen, en de beide andere zeeroovers gingen op de vischvangst.