De beleediging van Becky Thatcher bracht bij Tom Sawyer een besluit
tot rijpheid. De knaap was aan de uiterste grens van wanhoop. Hij was,
zoo sprak hij bij zichzelven, een verlaten jongen zonder vrienden;
niemand hield van hem. Wanneer de menschen te eeniger tijd ontdekten
waartoe zij hem gebracht hadden, zouden zij misschien spijt gevoelen
over hunne koelheid. Hij had getracht te doen wat goed was en had
het pad der deugd willen bewandelen, doch zelfs daarin had men hem
gedwarsboomd. Aangezien men toch niets wenschte dan van hem af te zijn,
zou de menschheid haar zin hebben: en zij mocht hem er de gevolgen van
toerekenen. Waarom zou zij dat niet? Wat recht had hij, de verlatene,
on zich daarover te beklagen? Ja, zij had er hem toe gedwongen; hij
zou een misdadig leven gaan leiden; men had hem geene andere keus
gelaten. Inmiddels was hij onder deze alleenspraak een eind buiten
de stad gekomen en hoorde in de verte het geklingel der bel, die de
kinderen naar school riep. Hij snikte bij de gedachte, dat hij nooit,
nooit meer dat oude gezellige geluid zou hooren; het was zeer hard,
maar hij kon niet anders: de koude wereld had hem er toe gebracht en
hij moest zich in zijn lot schikken.
Toen begon hij bitter te schreien. Juist op dat oogenblik kwam
hij zijn boezemvriend Joe Harper tegen, ook met behuilde oogen en
blijkbaar met plannen, gewichtig en somber als de zijne. Kennelijk
waren deze beide zielen van ééne en dezelfde gedachte vervuld. Tom
maakte, terwijl hij zijne oogen met zijn mouw afveegde, onder veel
snikken zijn besluit bekend, on, ten einde de slechte behandeling en
het gebrek aan sympathie te huis te ontvluchten, naar buiten in de
wijde wereld te gaan rondzwerven en nooit terug te komen--en eindigde
met de wensch, dat Joe Harper hem niet vergeten zou.
Maar daar kwam het uit, dat Joe juist datzelfde verzoek aan Tom
had willen gaan doen en hem deelgenoot maken van een dergelijk
voornemen. Zijne moeder had hem geslagen, omdat hij room zou gesnoept
hebben, die hij nooit geproefd had en waarvan hij niets af wist. Het
was duidelijk, dat zij haar zoon moede was en van hem ontslagen
verlangde te zijn. Als dat zoo was, had hij niet anders te doen
dan voor dien wil te bukken. Hij hoopte dat zij gelukkig zou wezen
zonder hem en dat het haar nooit berouwen zou, haar armen jongen
uitgedreven te hebben in eene ongevoelige wereld, om daarin te lijden
en te sterven.
Terwijl de beide knapen droevig voortwandelden, sloten zij samen een
nieuw verbond on elkander als broeders bij te staan en nimmermeer
te scheiden, totdat de dood hen van hun verdriet zou verlossen. Toen
begonnen zij plannen te maken. Joe was er voor om kluizenaar te worden
in een afgelegen grot, van water en brood te leven en dan van koude,
ongemak en verdriet te sterven: doch na Tom aangehoord te hebben, kwam
hij tot de overtuiging, dat er aan een misdadig leven groote voordeelen
verbonden waren, en dus stemde hij er in toe zeeroover te worden.
Anderhalf uur ten zuiden van St. Petersburg, waar de Mississipi
zeer smal was, lag een klein boschrijk eiland, met eene ondiepe
landingsplaats, en dit werd een zeer geschikt toevluchtsoord
geacht. Het was onbewoond en lag ver van den oever, tegenover een
dicht en eenzaam woud. Daarom werd Jacksons Island gekozen. Wie het
mikpunt der zeerooverijen zou zijn, was eene zaak die hun niet in de
gedachten kwam. Toen zochten zij Huckleberry Finn op en hij voegde
zich dadelijk bij hen, daar alle baantjes dien vagebond hetzelfde
waren. Voor het oogenblik scheidden de vrienden en spraken af,
dat zij elkaar op een weinig bezochte plek aan den oever der rivier,
omstreeks een uur van de stad, zouden ontmoeten, en wel te middernacht,
der knapen lievelingsuur. Daar lag een klein houtvlot, dat zij hoopten
te bemachtigen. Zij zouden alle drie vischhaken en hengels medebrengen
en zooveel teerkost als zij slechts op de meest geheimzinnige wijze
konden buitmaken, zooals dat aan roovers paste. En nog voordat de zon
ter kimme daalde, hadden zij zich reeds eene kleine vreugde bereid,
door uit te strooien, "dat de stad eerlang van iets hooren zou." Allen,
die deze vage mededeeling ontvingen, werden verzocht te zwijgen en
te wachten.
Tegen middernacht kwam Tom ter bestemder plaatse, met eene gekookte
ham en enkele andere levensmiddelen van minder omvang. Hij hield
stil bij een dicht begroeid kreupelboschje op eene kleine hoogte,
van waar men de plaats der bijeenkomst kon overzien. De lucht was
met sterren bezaaid en het was bladstil. De machtige rivier lag kalm
tusschen hare oevers als een oceaan na hevigen storm. Tom luisterde
een oogenblik, maar de stilte werd door geen geluid verstoord. Toen
begon hij zacht te fluiten en dit geluid werd onder het kreupelboschje
beantwoord. Tom floot nog eens en het signaal werd weder op dezelfde
wijze herhaald. Toen riep eene gedempte stem:
"Wie nadert daar?"
"Tom Sawyer, de Zwarte Roover der Spaansche Zee. Noemt uwe namen."
"Huck Finn met de Roode Hand en Joe Harper, de Schrik van den
Oceaan." Tom had deze titels uit zijn lievelingsboeken geleverd.
"In orde. Geef het contra-signaal."
Twee schorre stemmen fluisterden gelijktijdig het volgende
schrikkelijke woord in den stikdonkeren nacht: "Bloed!"
Toen wierp Tom zijn ham over den heuvel en klom er daarna zelf af,
terwijl hij onder 't afdalen zich nu en dan het vel openreet en zijne
kleeren scheurde. Er was wel een geschikt en gemakkelijk pad langs
den oever, om van de hoogte af te dalen, maar dat miste het voordeel
van moeite en gevaar, door een zeeroover zoo gewaardeerd.
De Schrik van den Oceaan had een zijde spek medegebracht en
was onder het dragen van dien last bijna bezweken. Finn had een
koekenpan gestolen en voor een voorraadje tabak en eenige korte pijpen
gezorgd. 't Was maar jammer, dat hij de eenige der drie roovers was,
die de kunst van rooken en pruimen verstond. De Zwarte Roover der
Spaansche Zee maakte de opmerking, dat het gevaarlijk was zonder vuur
op tochten te gaan, en dat was eene verstandige opmerking. Lucifers
waren in dien tijd nog onbekend, maar op eenige ellen afstands zagen
zij op een groot vlot een vuur smeulen. Dadelijk slopen zij daarheen
en namen een kooltje weg. Van die kleine dieverij werd een verbazend
avontuur gemaakt. Telkens riepen zij "St." en stonden stil met den
wijsvinger op de lippen, grepen naar denkbeeldige dolkgevesten en gaven
fluisterende schrikwekkende bevelen om den vijand, als hij hen mocht
overvallen, "den dolk tot aan 't gevest in 't lijf te steken," omdat
"lijken niets navertellen." Zij wisten wel, dat de bemanning van het
vlot in het stadje aan het hout stapelen was of in de herberg zat,
doch die wetenschap ontsloeg hen niet van de verplichting het geval
op zeerooverswijs te behandelen. Daarop staken zij met hun vlot
van wal. Tom nam de bevelhebbersplaats in. Huck posteerde zich bij
de achterriemen en Joe op den voorsteven. Tom stond midden op het
vaartuig met gefronste wenkbrauwen en over elkaar geslagen armen en
gaf zijne bevelen met eene onderdrukte, barsche stem.
"Laveeren en het schip onder den wind brengen!"
"Ja, ja, kapitein!"
"Vooruit, voor--uit!"
"Het gaat vooruit, kapitein!"
"Zet het iets naar voren!"
"Het is geschied, kapitein!"
Daar de knapen steeds in dezelfde richting midden in den stroom de
rivier afzakten, was het niet twijfelachtig of deze bevelen werden
maar voor de leus geven en hadden geen bijzonder doel.
"Welke zeilen voert het in top?"
"De boeglijnszeilen, de topzeilen en de fokken, kapitein!"
"Hijsch de voormarszeilen! Maak boven aan de steng een stuk of zes
lijnen los! Past op nu!"
"Ja, ja, kapitein."
"De topzeilen reven! Toe dan, jongen!"
"Ja, ja, kapitein."
"Het roer tegen den wind! Naar bakboord! Houdt je je goed,
mannen! Voorwaarts."
"Het gaat voorwaarts, kapitein."
Het vlot dreef een weinig naar den kant af, de knapen roeiden weder
naar het midden en legden toen de riemen neder. Het water was laag en
de stroom dus niet sterk. Gedurende de eerste drie kwartier werd er
nauwelijks een woord gesproken. Toen gleed het vlot langs de op eenigen
afstand liggende stad, welker richting door enkele flikkerende lichten
werd aangewezen. Daar lag zij, in diepen slaap verzonken, ver van de
onmetelijke watervlakte, waarin duizenden sterren zich spiegelden,
onbewust van de vreeselijke gebeurtenis, die juist plaats greep. De
zwarte Roover stond nog met over elkaar geslagen armen op het dek,
een laatsten blik werpende op het tooneel van geluk en lijden, vervuld
van de begeerte dat zij hem zien mocht, terwijl hij daar buiten op
de onstuimige wateren, met een onverschrokken gemoed, gevaar en dood
trotseerde en met een koelen glimlach op de lippen zijn lot te gemoet
ging. Hij verbeeldde zich--zonder veel moeite--dat Jacksons Island
oneindig ver van St. Petersburg verwijderd was en daarom wierp hij,
bij de gedachte aan dien afstand, een laatsten blik op de stad, met
een gebroken maar toch bevredigd hart. De andere zeeroovers stonden
ook laatste blikken te werpen en allen keken zoo lang, dat zij bijna
uit den koers van het eiland dreven. Doch zij bemerkten het gevaar
bijtijds en beijverden zich om het af te wenden.
Tegen twee uur in den morgen landde het vlot een paar honderd ellen
boven de aanlegplaats van het eiland, en de knapen waadden door het
water om hunne lading te ontschepen. Tot de kleine uitrusting van
het vlot behoorde ook een oud zeil. Dit werd over een uithoek in de
struiken gespannen, om als tent ter beschutting van de proviand te
dienen, doch zelven besloten zij bij gunstig weder in de open lucht
te slapen, zooals dat bandieten betaamt.
Daarop legden zij een vuurtje aan tegen den kant van een hooge
houtmijt, diep in het sombere woud en begonnen wat spek in de koekenpan
te bakken, terwijl zij hierbij de helft verorberden van den voorraad
brood, dien zij hadden medegebracht. Het was een ontzaglijk genot om
daar hun feestmaal te houden, als wilden in een maagdelijk woud, op een
onbewoond eiland, ver van de verblijfplaatsen der menschen. Al etende
legden zij dan ook de gelofte af om nooit weder tot de beschaafde
streken terug te keeren.
De stijgende vlammen verlichten hun aangezicht en wierpen een rooden
gloed op het glinsterend groen en de zich sierlijk om de boomstammen
slingerende ranken. Toen de laatste knappende stukjes spek verdwenen
waren en het laatste brokje brood was verslonden, strekten de knapen
welbehagelijk hunne leden op het mostapijt uit. Zij hadden wel een
koeler plekje kunnen vinden, doch zij wilden zich het romantisch
genot van een knetterend kampvuur niet ontzeggen.
"Is het niet heerlijk?" vroeg Joe.
"Ja, het is verrukkelijk," antwoordde Tom.
"Wat zouden de jongens nu wel zeggen, als zij ons zagen?"
"Zeggen? Wel, zij zouden goud geven on hier te zitten. Wat zeg jij,
Hucky?"
"Ik zeg," antwoordde Huckleberry, "dat het mij bevalt. Ik verlang
het nooit beter te hebben. Gewoonlijk krijg ik niet genoeg te eten
en hier kunnen ze me niet komen schoppen en mishandelen."
"'t Is ook juist een leventje voor mij," zeide Tom. "Je behoeft
's morgens niet vroeg op te staan, je niet te wasschen, niet naar
school te gaan en allerlei onzin te doen. Zie je nu wel, Joe, dat
een zeeroover, als hij aan wal is, _niets_ te doen heeft, terwijl een
kluizenaar moet bidden en nooit gekheid kan maken, omdat hij altijd
alleen zit."
"Ja, je hebt gelijk," zeide Joe; "ik verwachtte er niet veel goeds
van, dat weet je, maar nu ik het geprobeerd heb, vind ik het veel
pleizieriger om zeeroover te zijn."
"Je ziet ook," zeide Tom: "de menschen geven tegenwoordig niet zoo veel
meer om kluizenaars als in den ouden tijd, maar voor zeeroovers hebben
zij altijd ontzag. En buitendien moet een kluizenaar op de hardste
plaats slapen die hij maar vinden kan en zich in zakken kleeden,
en asch op zijn hoofd strooien, en in den regen buiten staan en..."
"Waarom moet hij zakken dragen en asch op zijn hoofd strooien?" vroeg
Huck.
"Dat weet ik niet. Maar ze doen het allemaal. Als jij een kluizenaar
was, zou je het ook moeten doen."
"Ik zou je bedanken," zeide Huck.
"Wat zou je dan?"
"Dat weet ik niet, maar dat zeker niet."
"Wel, Huck, je zoudt het _moeten_; je zoudt niet anders kunnen."
"Wel, ik zou het niet verdragen; ik zou op den loop gaan."
"Op den loop gaan! Nu, je zoudt eene mooie soort van heremiet wezen. Je
zoudt ze tot schande maken."
De Roode Hand gaf geen antwoord, daar zijn brein vervuld was met iets
anders. Hij had juist een pijpekop schoongemaakt, er een rieten steel
aan vastgehecht, den kop met tabak gevuld en was bezig, met behulp
van een stukje brandende steenkool, dat tegen de tabak gedrukt werd,
wolken van geurigen rook uit te blazen.
Hij baadde zich in weelde en genot en de andere zeeroovers benijdden
hem deze heerlijke ondeugd en besloten bij zichzelven, zich haar
eigen te maken. Een oogenblik later zeide Huck:
"Wat hebben zeeroovers te doen?"
"O," zeide Tom, "zij leiden een woelig leventje: kapen schepen en
verbranden die, stelen geld en begraven dat op geheimzinnige plaatsen
op hun eiland, waar het door geesten en spoken bewaakt wordt. Voorts
vermoorden zij de geheele bemanning van het schip."
"En zij nemen de vrouwen met zich naar het eiland," zeide Joe,
"want vrouwen worden niet vermoord."
"Neen," antwoordde Tom toestemmend, "zij vermoorden geene vrouwen,
daarvoor zijn zij te edelmoedig. En de vrouwen zijn altijd mooi ook."
"En dragen zij niet kleeren van beestenvellen?"
"Neen, toch niet," antwoordde Joe vol geestdrift. "Geheel van goud,
zilver en diamanten."
"Wie?" vroeg Huck.
"Wel, de zeeroovers."
Huck keek met een wanhopigen blik naar zijn eigen plunje.
"Ik geloof niet, dat ik geschikte kleeren voor een zeeroover heb,"
zeide hij met een droevig pathos in zijne stem, "maar ik heb geene
andere dan deze."
Doch Tom en Joe vertelden hem, dat de mooie kleeren spoedig zouden
komen, wanneer zij op avonturen zouden zijn uitgegaan. Zij gaven
hem te verstaan, dat zijne lompen voldoende waren on te beginnen,
ofschoon het bij rijke zeeroovers de gewoonte was met eene behoorlijke
garderobe van wal te steken.
Van lieverlede begon het gebabbel te verminderen en daalde de
slaap op de oogleden der jeugdige vluchtelingen neer. De pijp
gleed de "Roode Hand" uit de vingers en hij sliep weldra den slaap
des rechtvaardigen. De Schrik van den Oceaan en de Zwarte Roover
der Spaansche Zee sliepen niet zoo gemakkelijk in. Zij zeiden hun
avondgebed zachtjes en liggend op, daar er niemand was, die hen gebood
te knielen en hen het luide deed uitspreken. Wel hadden zij veel lust
het gebed achterwege te laten, doch zij maakten zich bevreesd, dat
zij, wanneer ze zoo goddeloos waren op eens een bliksemstraal van den
hemel op hunne hoofden zouden doen nederdalen. Juist toen zij in het
rijk der droomen zouden gaan zweven, kwam een kwelgeest hen storen,
die niet wilde wijken. Deze was het geweten. Eerst achtervolgde hij
hen met de beschuldiging dat zij weggeloopen waren en daarna met het
verwijt, dat zij vleesch gestolen hadden. Zij trachtten hem tot zwijgen
te brengen, door hem te herinneren, dat zij toch dikwijls koekjes en
appels hadden weggenomen, doch hij liet zich door schoonschijnende
redeneeringen niet afschepen. Hij wilde over het onweerlegbaar feit
niet heenstappen, dat lekkers wegnemen slechts "snoepen" was, terwijl
het ontvreemden van spek, ham en dergelijke, niets anders mocht
heeten dan "stelen" en dat dit in den Bijbel verboden werd. Daarop
besloten zij in hun binnenste, om zoolang zij het door hen gekozen
beroep uitoefenden, hunne zeerooverijen niet meer met de misdaad van
stelen te bezoedelen. Op die wijs werd er een wapenstilstand met het
geweten gesloten en onze zeeroovertjes vielen gerust in slaap.