Na het volbrengen van zijn arbeid maakte Tom zijne opwachting bij
tante Polly, die voor het raam zat in een vroolijk vertrek aan den
achterkant, dat te gelijk als slaap-, eet- en zitkamer dienst deed. De
lekkere zomerlucht, de kalme rust, de geur der bloemen en dommelig
gegons der bijen waren niet zonder uitwerking op haar gebleven en zij
zat over haar brijwerk te knikkebollen. Haar eenig gezelschap was de
kat, en deze lag te slapen op haar schoot. Veiligheidshalve had zij
haar bril boven haar grijs hoofd gezet. Zij verwachte niet anders dan
dat Tom lang van zijn werk zou zijn afgeloopen, en het verwonderde
haar derhalve ten hoogste hem op eens met een onverschrokken gelaat
voor haar te zien staan. Zijn eerste woord was: "Mag ik nou gaan
spelen, tante?"
"Wat, nu al? Hoe ver ben je?"
"Alles is klaar, tante."
"Tom, lieg niet! Leugenaars kan ik niet uitstaan."
"Het is geen leugen. Alles is klaar."
Tante Polly sloeg maar half geloof aan deze verzekering en ging naar
buiten om zelve te kijken. Zij zou reeds tevreden geweest zijn,
indien twintig percent van Toms verklaring waarheid geweest ware,
en toen zij nu de gansche schutting met witsel bestreken vond, en
bestreken niet alleen, maar netjes en met zorg bewerkt, en zelfs den
grond met een streek kalk bedeeld, had zij geen woorden genoeg om
hare bewondering lucht te geven en riep zij uit:
"Wel, heb ik ooit zoo iets gezien! 't Is ongeloofelijk. Jij kunt
werken, als je het op je heupen hebt, Tom!" Doch meteen verkleinde zij
de waarde van het compliment door er bij te voegen: "'t Is jammer,
dat dit zelden gebeurt. Kom, ga nu maar spelen, doch denk er aan,
dat je bijtijds tehuis komt, of ik zal je spreken."
Toms heldenstuk had zulk een overweldigenden indruk op haar gemaakt,
dat zij hem meenam naar de provisiekamer en een prachtigen appel
uitkoos, dien ze hem overhandigde met een nuttige les over de waarde
en den bijzonderen geur die eene lekkernij verkrijgt wanneer zij
de vrucht is, niet van zonde, maar van naarstigheid. En terwijl zij
tot slot eene toepasselijke plaats uit de Schrift aanhaalde, kaapte
haar neef een spekpannekoek. Toen liep hij vroolijk weg en zag juist
Sid verschrikt de trap ophollen, die naar de achterkamer op de tweede
verdieping voerde. Voor de deur lag een hoop aarde en in een oogenblik
was de lucht vol kluiten, die als een hagelbui op Sid neervielen. Eer
tante Polly van hare verbazing bekomen kon en haar neef hulp verleenen,
waren reeds een stuk af wat kluiten op haar eigen hoofd neergekomen en
was Tom over de schutting verdwenen. Hij had wel door de poort kunnen
gaan, maar het ontbrak hem aan tijd om zulk een omweg te maken. Nu
kon hij met een gerust hart gaan spelen, want de rekening met Sid
over het klikken van het zwarte garen, was vereffend.
Tom hield den achterkant van de huizen, totdat hij in een modderig
steegje achter tantes koestal kwam. Toen achtte hij zich tegen
gevangenneming en straf beveiligd en begaf zich naar het marktplein,
waar twee militaire compagnieën van schooljongens, volgens afspraak,
bijeen waren gekomen om slag te leveren. Tom was de generaal van
het eene leger en Joe Hasper (zijn boezemvriend) de aanvoerder van
het andere. De twee groote bevelhebbers verwaardigden zich niet
persoonlijk aan dit gevecht deel te nemen, maar lieten dat aan de
kleine bakvischjes over. Zij zetten zich naast elkander op eene hoogte
neder, en leiden de krijgsverrichtingen door bevelen te geven, welke
door veldmaarschalken werden overgebracht. Het leger van Tom behaalde
na een langen en bangen strijd eene schitterende overwinning. Daarna
werd het aantal dooden geteld, de gevangenen uitgeleverd, de bepalingen
voor het volgende geschil gemaakt en den dag voor den vereischten
veldslag bepaald, waarna de beide legers zich met elkander vereenigden
en afmarcheerden, terwijl Tom alleen naar huis ging.
Toen hij het huis van Jeff Thatcher voorbij stapte, zag hij daar
een hem onbekend meisje in den tuin,--een lief, klein ding met
blauwe oogen, blond, in twee lange vlechten gescheiden haar, een wit
zomerjurkje en een geborduurde pantalon. In een oogenblik verdween
eene zekere Amy Laurence uit zijn hart en was alsof die nooit had
bestaan. Hij had zich verbeeld dat hij halfgek van verliefdheid op
haar was, hij had gedacht dat hij haar aanbad, en zie, het bleek niets
dan eene kleine, voorbijgaande ingenomenheid geweest te zijn. Maanden
lang had hij zijn best gedaan om haar hart te winnen en zij had hem
juist acht dagen geleden bekend, dat zij hem wederliefde schonk. Een
week lang was hij dronken van geluk en de wereld te rijk geweest,
en nu was zij heel uit zijne gedachten verdwenen, als het vluchtig
bezoek van een ons onverschilligen vreemde. Hij bleef zijn nieuwe
engel in stilte aanbidden, totdat hij bemerkte, dat zij hem in 't oog
kreeg. Toen deed hij alsof hij haar niet zag en begon allerlei dwaze
kunsten en grimassen te maken om haar aandacht te trekken. Na die
zonderlinge grappen een tijdlang volgehouden te hebben, keek hij te
midden van eene gymnastische oefening toevallig op zijde en zag dat
het meisje naar huis ging. Dadelijk hield hij op, liep naar de haag
en ging met een bedrukt gezicht voor de stekelige doornen staan, in
de hoop dat zij nog even zou toeven. Een oogenblik bleef zij op het
bordes staan en ging daarop naar de deur. Toen zij den voet op den
drempel zette slaakte Tom een diepen zucht, maar zijn gelaat klaarde
terstond weer op, want eer zij de deur inging, wierp zij een viooltje
over de haag. Tom liep naar de plek waar het viooltje lag, bleef op
een paar treden afstand van het bloempje staan en hield toen de hand
voor de oogen, alsof hij iets heel bijzonders op straat zag. Hij
raapte een stroohalm op en deed dien, met het hoofd achterover op
zijn neus balanceeren. Onder die beweging naderde hij langzamerhand
het viooltje; eindelijk rustte zijn bloote voet op het bloempje;
zijne buigzame teenen maakten er zich meester van, hij hinkte met
zijn schat weg en verdween om den hoek van de straat. Voor een minuut
slechts,--alleen maar om zich den tijd te gunnen de bloem onder zijn
buis op zijn hart of waarschijnlijk op zijne maag te steken.
Zoodra de bloem veilig geborgen was, keerde hij terug en bleef tot het
vallen van den avond om den tuin hangen en kunsten maken; maar het
meisje vertoonde zich niet meer en Tom moest zich tevredenstellen
met de hoop, dat zij wel ergens voor een venster staan en zijne
oplettendheden voor haar zou bemerken. Eindelijk ging hij met looden
schoenen huiswaarts.
Onder het avondeten was hij zoo opgewonden, dat tante zich verwonderde
wat het kind toch zou hebben. Hij kreeg een verbazend standje over
het gooien met de aardkluiten, doch scheen er niets om te geven. Toen
hij trachtte de suiker onder den neus van zijne tante weg te halen,
liet hij zich bedaard op de vingers tikken, zich slechts de vraag
veroorlovende:
"Waarom wordt Sid nooit geslagen, als hij suiker snoept?"
Waarop het antwoord volgde: "Omdat Sid een mensch niet zoo plaagt
als jij. Als ik je niet voortdurend strafte, zou je altijd met je
vingers in den pot zitten."
Toen ging tante naar de keuken, en Sid, zalig in het bewustzijn
van zijne onschendbaarheid, greep naar de suikerpot, eene wijze
van zich tegenover Tom op zijne rechten te verhoovaardigen, die ten
eenen male onuitstaanbaar was. Maar de vingers gleden uit, de pot
viel op den grond en brak. Tom was boven de wolken van pleizier,--ja,
zoo verrukt, dat hij zijn tong in toom hield en geen woord sprak. Hij
overlegde bij zichzelven, dat hij geen mond open zou doen, zelfs niet
als tante binnenkwam, maar doodstil blijven zitten, totdat zij vroeg
wie het gedaan had. En dan zou hij het vertellen en hij zou iets
zien dat hij nooit had gezien, namelijk, dat de modeljongen slaag
kreeg. In zijne opgetogenheid kon hij zich nauwelijks inhouden, toen
de oude dame binnenkwam en met bliksemende oogen over haar bril op
de verwoesting neerzag. "Ha!" dacht hij, "nu komt het," maar, jawel,
het volgende oogenblik lag hij zelf op den grond te spartelen.
De machtige arm werd opgeheven om weder te slaan, toen Tom uitriep:
"Houd op! Waarom moet ik geslagen worden? Sid heeft het gedaan."
Sprakeloos van ontzetting liet tante Polly den arm neervallen, en
Tom keek haar aan om een woord van mededoogen op te vangen.
Helaas! zoodra zij weder tot adem kwam, zeide zij:
"Nu, je hebt toch niet onverdiend slaag gehad; al braakt ge den pot
niet, dan heb je toch zeker ander kattekwaad, uitgevoerd, terwijl ik
in de keuken was."
Doch nauwelijks had zij dit gezegd, of daar begon haar geweten te
spreken en zij brandde van verlangen om Tom een vriendelijk woordje
toe te voegen. Maar, neen, dat kon als een bekentenis van schuld
beschouwd worden, en zoo iets zou met alle beginselen van orde en
tucht in strijd geweest zijn. Daarom hield zij zich stil en ging
met een onrustig hart aan het werk. Tom zette zich in een hoek van
de kamer en vermeide zich in zijne droefheid. Hij wist, dat tante in
haar hart wel voor hem op de knieën zou willen vallen en voelde zich,
al snikkende, eigenlijk door de overtuiging gestreeld. Toch wilde
hij geene signalen geven, noch evenmin op die van tante acht slaan.
Hij wist, dat er nu en dan, door een nevel van tranen, smeekende
blikken op hem geworpen werden, maar hij hield zich alsof hij dat niet
bemerkte. In zijne verbeelding zag hij zich als doodziek te bed liggen
en tante over hem heengebogen, om een woord van vergiffenis smeekende;
maar hij lag daar, met het hoofd naar den muur gekeerd en stierf zonder
dat dit woord gesproken werd. Hoe zou zij zich dan wel voelen? En
hij verbeeldde zich, dat hij uit de rivier opgehaald en dood te huis
werd gebracht met druipnatte haren en handen die zich niet meer roeren
konden en een hart dat niet meer klopte, zag hoe zij zich op hem wierp,
in tranen baadde en God smeekte haar haren jongen terug te geven,
dien zij nooit, nooit meer valsch zou beschuldigen. Doch hij lag daar
koud en bleek neder, zonder een teeken van leven te geven--hij, de arme
lijder wiens smarten nu geleden waren. Langzamerhand verdiepte hij zich
zoozeer in deze sombere gedachten, dat hij een brok in zijn keel voelde
en nauwelijks kon slikken. En zijne oogen zwommen in een stroom van
water, die bij elken snik overvloeide en langs zijn neus naar beneden
druppelde. Ja, het genot van zijn smart te koesteren werd zoo groot,
dat hij het door geen wereldsche vreugde of luide vroolijkheid wilde
laten verstoren. Toen dan ook zijn nicht Marie dansende de kamer
inkwam, opgetogen van blijdschap dat zij weer te huis was na een
eeuwenlange week buiten te hebben doorgebracht, stond hij op en stapte
in wolken en duisternis de achterdeur uit, terwijl zij vroolijkheid
en zonneschijn door de voordeur binnenliet. Hij verwijderde zich ver
van de gewone vereenigingsplaatsen zijner makkers en zocht eenzame
plekjes op, in overeenkomst met zijne gemoedsstemming. Op een in
de rivier liggend stuk van een houtvlot zette hij zich neder en
beschouwde den somberen, onafzienbaren stroom, met het verlangen van
op eens door dezen verzwolgen te worden, zonder den onaangenamen weg
te gaan die door de natuur wordt voorgeschreven. Toen dacht hij aan
zijn bloem! Hij haalde haar voor den dag. Helaas! zij was verkwijnd
en verlept, en zijne droefheid werd nog grooter. Hij vroeg zich af:
Zou _zij_ medelijden met hem hebben, indien zij het wist? Zou _zij_
schreien en wenschen, dat zij hare armen om zijn hals mocht slaan
om hem te te troosten? Of zou ook _zij_, evenals de geheele valsche
wereld hem den rug toekeeren? Deze gedachte was zoo folterend en toch
zoo zalig te gelijk, dat hij haar op allerlei wijzen ging uitwerken,
totdat zij op het laatst een akelig schrikbeeld werd. Eindelijk stond
hij zuchtende op en wandelde in de duisternis voort. Tegen half
tien liep hij in de verlaten straat, waar de aangebeden onbekende
woonde. Hij bleef een oogenblik stilstaan; zijn luisterend oor vernam
geen geluid. Een kaars wierp een bijzonderen glans op de gordijnen van
het venster eener bovenkamer. Zou de heilige daar verblijf houden? Hij
klauterde de heg over, baande zich een weg door de planten, totdat hij
onder het verlichte venster stond. Een poos bleef hij diep ontroerd
staan kijken; toen ging hij op den grond op zijn rug liggen, met de
handen, waarin het verlepte bloempje verborgen was, gevouwen op de
borst. Dus wilde hij sterven, de koude wereld verlaten, zonder dak
boven zijn arm hoofd, zonder vriendelijke hand om het doodzweet van
zijn voorhoofd te wisschen, zonder een liefhebbend gelaat om zich vol
medelijden tot hem voorover te buigen, wanneer de bange doodsstrijd
kwam. En zoo zou _zij_ hem zien, als zij in den vroolijken morgen
naar buiten keek. En o! zou zij een traan op zijn arm lijk laten
vallen? Zou zij een zucht slaken, als zij zulk een jong leven zoo
ruw verwoest en zoo ontijdig afgesneden zag?
Daar ging het raam open, de schrille stem van eene dienstmeid
ontheiligde de plechtige stilte en een stortbad van ijskoud water
doorweekte den martelaar, die daar achterover op den grond lag.
Onze half gesmoorde held sprong op met een kreet, die hem
verlichtte. Toen kwam er een gesuis in de lucht als van een
slingersteen, vermengd met het mompelen van een vloek, waarop een
geluid volgde als van rinkelend glas en van voetstappen, die over
den muur klommen en in de duisternis wegstierven.
Niet lang daarna, toen Tom ontkleed, bij een eindje vetkaars, zijn
doorweekt pak stond te bekijken, werd Sid wakker.
Indien het denkbeeld om te klikken een oogenblik in zijne ziel opkwam,
werd hij daarvan door een onheilspellende uitdrukking op Toms gelaat
teruggehouden.
Deze laatste stapte in bed zonder zijn gewoon avondgebed op te zeggen,
en Sid maakte in stilte proces-verbaal op van dat verzuim.