De zon ging op over een rustende wereld en wierp hare weldadige stralen
over het vreedzame stedeke St. Petersburg. 's Zondags na het ontbijt
was tante Polly gewoon huiselijke godsdienstoefening te houden. Deze
begon met een gebed, bestaande uit een reeks bijbelplaatsen, bedekt
met een dunne laag woorden van eigen vinding, en eindigde met een
van grimmigheid overvloeiend hoofdstuk uit de Mozaïsche wetgeving.
Na afloop daarvan omgordde Tom, om zoo te spreken, zich de lendenen
en ging aan het werk om zijne teksten in het hoofd te krijgen. Sid
had zijne les dagen vooruit geleerd, maar Tom moest al zijn krachten
inspannen om vijf verzen te onthouden ofschoon hij een gedeelte
van de Bergrede gekozen had, daar hij geene teksten kon vinden die
korter waren.
Een half uur had Tom een vaag begrip van het geheel, maar meer niet,
want zijn geest zwierf over het gansche veld der menschelijke gedachten
en zijne handen hielden zich tot afleiding met allerlei vermakelijke
kunstjes bezig.
Marie nam het boek om de les te overhooren en hij trachtte den weg
door den zwaren mist te vinden.
"Zalig zijn de ar-r.... ar...."
"Armen."
"Ja- de ar-remen; zalig zijn de ar-remen."
"Van geest."
"Van geest. Zalig zijn de armen van geest, want zij... zij..."
"Want hunner..."
"Want hunner. Zalig zijn de armen van geest want hunner... is het
koninkrijk der hemelen! Zalig zijn zij die treuren, want zij...."
"Zij...?"
"Zul..."
"Want zij zul..."
"Z-u-l-l-e-n. Want zij zul... O, ik weet niet wat zij zullen!"
"Zullen..."
"O ja, zullen--zij zullen--zij zullen treuren; zalig zijn zij--die
treuren, want zij zullen... Wat zullen zij? Waarom zeg je het mij niet,
Marie? Het is gemeen om me zoo te plagen!"
"Tom, arme jongen, ik plaag je niet. Ik zou het niet over mijn hart
kunnen krijgen. Probeer het nog eens. Geef den moed niet op; je zult
het wel leeren,--en als je het doet, krijg je iets moois van mij. Zoo;
nu is het goed, mijn jongen."
"Ik zal het doen, maar zeg mij dan eerst wat het is, Marie."
"Neen, Tom. Je weet als ik zeg dat het mooi is, dan is het mooi."
"Op je woord van eer Marie. Goed, dan zal ik het er wel zien in
te pompen."
Hij ging aan het werk, en door nieuwsgierigheid en het vooruitzicht
van eene belooning geprikkeld, stampte hij de teksten in zijn geheugen
en eindigde met een schitterende overwinning te behalen. Marie gaf hem
een splinternieuw mes van twaalf en een halven cent, en Tom was boven
de wolken van vreugde. Het is waar, het mes sneed eigenlijk niet,
maar het was van echt staal en dat was al iets buitengewoons. Hij
maakte dadelijk een plan om het buffet door snijwerk te verfraaien
en wilde juist zijne krachten op de etenskast beproeven, toen hij
geroepen werd om zich voor de zondagsschool te kleeden.
Marie gaf hem een tinnen kom met water en een stuk zeep, welke
voorwerpen hij buiten de deur op een bank zette. Toen maakte hij de
zeep nat en legde die naast de kom; stroopte zijne mouwen op, stortte
het water zachtjes op den grond uit, trad daarop de keuken binnen en
begon ijverig zijn gezicht met een handdoek die achter de deur hing,
af te drogen. Doch Marie nam den handdoek weg en zeide:
"Schaam je je niet, Tom? Wees toch niet zoo stout. Water zal je geen
kwaad doen."
Tom was een weinig uit het veld geslagen. De kom werd weder gevuld,
de knaap bedacht zich een oogenblikje, slaakte een diepen zucht en
begon. Toen hij nu de keuken weder binnentrad en met toegeknepen oogen
naar den handdoek rondtaste, droop er een eervol getuigschrift van
zeepsop en water over zijn gezicht. Maar bij nauwkeurige bezichtiging,
bleek de staat van zaken nog niet bevredigd te zijn, want het
gereinigde grondgebied hield, als een masker, bij de kin en wangen op;
buiten en onder die lijn was eene donkere uitgestrektheid onbesproeide
grond, die zich voor en achter zijn hals uitbreidde. Marie nam hem
onder handen en binnen een kwartier was hij een mensch uit één stuk,
zonder verschil van kleur en zijn doorweekt haar was keurig geborsteld
en in kleine evenredige krullen opgemaakt. In het geheim streek hij
altijd met moeite en inspanning de krullen glad en plakte hij zijn
haar aan zijne slapen vast, want krullen waren meisjesachtig en dat
was genoeg om ze te haten. Daarna haalde Marie een pak kleeren voor den
dag, dat gedurende de laatste twee jaren alleen op zondag gedragen was;
het werd eenvoudige zijn "andere pak" genoemd; uit welke benaming wij
tot den omvang van zijn garderobe kunnen besluiten. Toen hij het pak
had aangetrokken, legde het meisje de laatste hand aan zijn toilet;
zij knoopte zijn buisje tot onder de kin vast, sloeg hem een groote
halskraag over de schouders, schuierde hem af en kroonde hem met een
gesprikkelden strooien hoed. Hij hoopte, dat Marie zijne schoenen zou
vergeten, doch die hoop werd verijdeld; zij poetste ze naar behooren
en zette ze voor hem neder. Dit verdroot hem en hij beklaagde zich
over zijn gebrek aan vrijheid. Doch Marie antwoordde overredend:
"Als je blieft, Tom; kom, wees een goede jongen."
En zoo stapt hij brommend in zijne schoenen. Marie was spoedig klaar
en de kinderen vertrokken naar de zondagsschool, eene plaats die Tom
haatte met zijn gansche hart, maar waar Sid en Marie dol op waren.
Die sabbatsschool duurde van negenen tot halfelf en dan begon de
kerk. Marie en Sid bleven altijd vrijwillig naar de preek luisteren,
Tom alleen, omdat het hem van hooger hand gelast werd. De kerk was een
klein, onaanzienlijk gebouw, met eene soort van koepel van sparrenhout
en op de hooge, harde banken was voor omstreeks driehonderd personen
plaats. Aan de deur bleef Tom een stap of wat achter en hield een
keurig gekleeden jongen staande.
"Zeg eens, Willem, heb jij ook een geel kaartje?"
"Ja."
"Wat moet je daarvoor hebben?"
"Wat geef je er voor?"
"En stuk zoethout en een vischhaak."
"Laat kijken."
Tom vertoonde die twee artikelen; zij werden goed bevonden en de
goederen veranderden van eigenaar. Daarna verkocht Tom een paar
albasten knikkers voor drie roode kaartjes en een paar andere prullen
voor blauwe. Bijna al de jongens, die voorbijkwamen werden aangeklampt
en het koopen en verkoopen van kaartjes van verschillende kleuren
werd nog een kwartier voortgezet. Toen ging hij de kerk binnen met een
troep andere schoon gewasschen, luidruchtige knapen en meisjes, begaf
zich naar zijne zitplaats en maakte een standje met den jongen, die
naast hem zat. De onderwijzer, een deftig oud heer, kwam tusschenbeide,
maar zoodra hij zijn rug gekeerd had, trok Tom een jongen die voor hem
zat bij het haar en was in zijn boek verdiept, toen het slachtoffer
omkeek. Een seconde later prikte hij een anderen jongen met een speld,
om hem "ai" te hooren zeggen en haalde zich daardoor andermaal eene
berisping op den hals. De geheele klasse van Tom waren vogels van
eenerlei veeren,--woelige, drukke, lastige snaken. Toen zij hunne
les moesten opzeggen, was er geen enkele, die zijne verzen volkomen
kende, maar door voorzeggen en influisteren brachten zij het allen
gelukkig zoo ver, dat zij eenige kleine, blauwe kaartjes machtig
werden, waarop een bijbeltekst geschreven stond. Het opzeggen van
twee teksten werd met een blauw kaartje beloond, tien blauwe kaartjes
stonden gelijk met één rood en mochten daartegen geruild worden. Tien
roode kaartjes stonden weder gelijk met één geel, en een leerling,
die tien gele kaartjes had, kreeg van den catechiseermeester een
zeer eenvoudig ingebonden bijbeltje, dat in die goedkoope tijden de
waarde had van veertig cents. Ik twijfel of er onder mijne lezers
velen zullen zijn, die moed en volharding zouden hebben on twee
duizend verzen van buiten te leeren, zelfs indien zij met een bijbel
van Doré beloond werden. En toch had Marie op deze wijs twee bijbels
verdiend. Maar 't was een geduldwerk geweest, dat twee jaren gekost
had. Een Duitsche jongen had er vier of vijf gewonnen; deze had eens
drie duizend verzen achter elkander opgezegd, doch zijn geestvermogens
hadden onder dat inspannend werk zoo geleden, dat hij van dien dag
af idioot was geworden. 't Was een groot verlies voor de school,
want bij plechtige gelegenheden placht de catechiseermeester hem
altijd te gebruiken om mede te bluffen, zooals Tom zeide.
Doorgaans waren het alleen de oudere leerlingen, die in het bezit
van gele kaartjes kwamen en het vervelende werk volhielden, totdat
zij een bijbel veroverd hadden. Vandaar dat de uitdeeling van eene
dergelijken prijs eene zeldzame merkwaardige gebeurtenis was, en
hij die dat monsterwerk verricht had, was de held van den dag. Deze
reuzenarbeid deed doorgaans een nieuw vuur van ijver in de borst van de
leerlingen ontbranden, dat niet zelden een week of wat aanhield. Het
is zeer wel mogelijk dat Toms verstandelijke vermogens nooit naar
den prijs gehongerd of gedorst hadden, maar de wereldlijke mensch in
hem had ontegenzeglijk sedert geruimen tijd verlangend uitgezien naar
den roem en den luister, waarvan de uitdeeling vergezeld ging.
Op den daartoe bestemden tijd stond de catechiseermeester op en ging
voor den predikstoel staan met een gesloten gezangboek in de hand, de
wijsvinger tusschen de bladen verborgen, en verzocht om stilte. Als
een catechiseermeester zijne gewone aanspraak op de zondagsschool
houdt, is het gezangboek voor hem een even onmisbaar artikel als het
blad muziek voor den zanger, die een solo op het orkest moet zingen,
ofschoon noch het gezangboek noch het blad muziek wordt geraadpleegd.
Onze catechiseermeester was een klein, nietig mannetje van vijf
en dertig jaren, met borstelig, zandkleurig bokkenhaar; hij droeg
een staand boord, waarvan de bovenste rand bijna tot aan zijne
ooren reikte, en welks scherpe punten boven de hoeken van zijn mond
uitkwamen,--een schutsmuur die hem dwong altijd rechtuit te kijken,
of wanneer een zijdelingsche blik vereischt werd, het geheele lichaam
om te wenden. Zijn kin werd geschraagd door een breede, zich over
het gansche boord uitstrekkende das, welks tippen van franje waren
voorzien. De voorstukken van zijne schoenen liepen, naar het gebruik
van dien tijd, puntsgewijs, in den vorm van een slede, naar boven, eene
mode die de toenmalige jongelieden trachten te volgen, door geduldig
en volhardend met hunne voeten stijf tegen den muur te gaan zitten.
De heer Walter had een ernstig gelaat en een hart als goud. Hij
koesterde zulk een diepen eerbied voor gewijde dingen en plaatsen, en
hield die zoo zorgvuldig van wereldsche zaken gescheiden, dat zonder
dat hij het bemerkt had, zijne zondagsschoolstem een bijzondere klank
had gekregen, welke op weekdagen geheel ontbrak.
"Kinderen," dus begon hij, "mag ik u verzoeken zoo recht en netjes
te gaan zitten als gij kunt, en mij voor een paar minuten uwe geheele
aandacht te schenken. Dus betaamt het aan brave jongens en meisjes. Ik
zie een klein meisje uit het raam kijken; ik vrees dat zij denkt dat ik
buiten sta,--misschien wel op een van die boomen, om een praatje met
de vogeltjes te houden (toejuichend gegiegel). Het doet mij waarlijk
goed, zoovele heldere, vriendelijke gezichtjes op eene plaats als
deze bijeen te zien on te leeren wat braaf en goed is."
En in dien geest ging het voort. Het zal niet noodig zijn er meer bij
te voegen, want de redevoering liep over een onderwerp, waarin weinig
verscheidenheid is en dat wij allen honderd malen gehoord hebben.
Het laatste gedeelte der speech viel in het water door het
hervatten der gevechten en andere vermakelijkheden onder sommigen
der ondeugendste jongens en door een zich wijd en zijd verspreidend
gefluister en gedraai, dat zelfs doordrong tot aan den voet van
ongenaakbare rotsen als Marie en Sid. Doch zoodra Mr. Walter's stem
hare diepste tonen liet hooren, hield elk geluid eensklaps op en het
eind der rede werd dankbaar, maar zwijgend begroet.
Dit gefluister had zijne oorzaak te danken aan een min of meer
merkwaardig feit, het binnentreden van bezoekers. Deze waren de rechter
Thatcher, vergezeld van drie andere personen, t. w. een stumperig
oud mannetje, een zwaarlijvigen heer van middelbaren leeftijd met
grijsachtig haar, en eene deftige dame, blijkbaar de echtgenoote van
den dikken heer. De dame hield een klein kind bij de hand.
Tom was den ganschen morgen onrustig en ontevreden op zichzelven
geweest en hij werd, telkens wanneer hij Amy Lawrence's oog ontmoette,
of haar van liefde getuigenden blik opving, door gewetenswroegingen
gekweld. Maar toen hij het meisje aan de hand der dame zag, klopte
zijn hart op eens van gelukzaligheid. In een oogenblik was hij met
al zijne macht aan het uitdeelen van klappen, plukharen, gezichten
trekken, in één woord, aan het gebruiken van die kunstgrepen, welke
hem geschikt voorkwamen om een meisje te bekoren en hare toejuiching
te winnen. En de reden van die opgetogenheid was--de herinnering aan
de vernedering in den tuin van zijn engel ondervonden.
De bezoekers kregen de eereplaats, en zoodra de heer Walter
geëindigd had, stelde hij hen aan het schoolpersoneel voor. De man
van middelbaren leeftijd bleek een zeer gewichtig persoon te zijn,
niet minder dan een raadsheer,--in het kinderoog het meest verheven
wezen, dat ooit heeft bestaan. Zij waren dan ook meer dan verlangend
om te weten van wat voor stof hij gemaakt was en zaten half hoopvol,
half angstig te luisteren of zij hem ook zouden hooren brullen. Hij
kwam van Konstantinopel,--zeer ver van St. Petersburg; hij had dus
gereisd en de wereld gezien, ja; zijne oogen hadden het rechtsgebouw
der hoofdplaats aanschouwd, dat--zeide men--een koperen dak had.
De doodelijke stilte en de rijen van starende oogen waren getuigen van
het ontzag, dat dit denkbeeld inboezemde. Hij was de groote raadsheer
Thatcher, de eigen broeder van hun rechter. Jeff Thatcher stond
dadelijk op om op gemeenzamen toon met den grooten man te spreken en
door de gansche school benijd te worden. Het zou als muziek in zijne
ooren geklonken hebben, indien hij het gefluister had kunnen verstaan.
"Kijk eens, Jim! hij gaat naar hem toe! Kijk eens, hij geeft hem eene
hand, een _hand_! Wou jij niet, dat je Jeff was?"
Intusschen was het geheele personeel bezig zijn best te doen, om
in een voordeelig licht te treden. De heer Walter trachtte "uit
te komen" door het verrichten van allerlei soort van luidruchtige
ambtsbezigheden, door orders te geven hier, straffen op te leggen
daar, en terechtwijzingen uit te deelen, waar de gelegenheid zich
maar voordeed. De bibliothecaris trachtte "uit te komen" door met
onmogelijke pakken boeken van het eene einde van het lokaal naar het
andere te loopen en door dat rumoer en die opschudding te maken, waarin
zulke lieden behagen scheppen. De leeraressen trachtten "uit te komen"
door zich vriendelijk tot de leerlingen voorover te buigen, die zij een
oogenblik te voren een oorveeg gegeven hadden, en door coquet kleine
vingertjes tegen stoute jongens op te heffen en de zoeten vriendelijk
op de schouders te kloppen. De ondermeesters trachtten "uit te komen"
door zachte vermaningen uit te deelen en door ander gezagsvertoon,
dat blijk moest geven van hun slag om de orde te handhaven. De kleine
jongens en meisjes trachten "uit te komen" door de lucht met proppen
papier en het geluid van schuifende voeten te vervullen. En boven
dit alles zat de groote man en liet een raadsheerlijken glimlach over
de geheele school gaan en koesterde zich in den zonneschijn van zijn
eigen grootheid, want ook hij trachtte "uit te komen."
Er ontbrak nog slechts één ding, om des heeren Walters verrukking
tot haar hoogste volkomenheid te brengen--en dat was de kans om een
bijbelprijs uit te deelen en een wonder te vertoonen. Verscheidene
leerlingen bezaten een paar gele kaartjes, maar geen enkele had er
genoeg; hij was reeds bij de wonderkinderen onder zijn leerlingen rond
geweest en zou goud gegeven hebben om den Duitschen jongen eventjes
met gezonde hersenen terug te hebben.
Juist op dit op ogenblik, toen alle hoop hem dreigde te ontvlieden,
kwam Tom Sawyer uit de bank met negen gele, negen roode en tien blauwe
kaartjes en verzocht om den bijbel.
Dit was een donderslag uit een onbewolkten hemel! Uit dien hoek zou
Walter in geen tien jaar dergelijk blijk van naastigheid verwacht
hebben. Maar er was niets aan te doen;--daar lagen de bewijzen en
zij waren echt. Aan Tom werd daarom eene eereplaats aangewezen in
de nabijheid van den Raadsheer en de andere uitverkorenen, en het
groote nieuws werd in de hoofdkwartieren verspreid. Het was eene
verbazende verrassing, en de held werd tot des Raadsheers hoogte
verheven, zoodat de school in plaats van één wonder er twee te
aanschouwen kreeg. Al de jongens verteerden van afgunst, maar de
bitterste kwellingen verduurden de knapen, die te laat bemerkten,
dat zij tot dezen hatelijken luister hadden medegewerkt, door aan
Tom kaartjes te verkoopen voor de schatten, die hij met het witten
verdiend had. Dezen verachtten zichzelven als de _dupes_ van een
sluwen bedrieger, van een verraderlijken adder in het gras.
De prijs werd aan Tom uitgereikt met al de loftuigingen, welke
de catechiseermeester onder de bestaande omstandigheden uit zijn
binnenste kon oppompen, doch waaraan slechts één ding ontbrak namelijk
waarheid, want de arme man voelde instinctmatig, dat hij hier voor
een geheim stond, hetgeen misschien het licht niet zien kon. Het was
de ongerijmdheid zelve, dat deze knaap een voorraad van twee duizend
schoven schriftuurlijke wijsheid had vergaard, aangezien ongetwijfeld
reeds een dozijn te veel voor zijne krachten geweest zou zijn. Amy
Lawrence was trotsch en verheugd en zij deed haar best Tom dit te doen
zien, maar hij wilde niet kijken. Dit verwonderde haar; zij werd een
weinig ongerust, kreeg toen een onbestemd gevoel van argwaan, dat kwam
en verdween en weer terugkwam, totdat een steelswijs geworpen blik
haar alles openbaarde. En toen brak haar hart en zij werd jaloersch
en boos; zij begon te schreien en haatte de geheele wereld, en Tom
met haar,--zoo dacht zij ten minste.
Tom werd aan den Raadsheer voorgesteld, maar zijn tong kleefde hem aan
't verhemelte. Zijn hart bonsde,--gedeeltelijk ten gevolge van de
angstwekkende grootheid van dien man, maar vooral omdat hij _haar_
oom was. Indien het donker was geweest, zou hij wel op zijne knieën
hebben willen vallen om hem te aanbidden. De Raadsheer legde zijne hand
op Toms hoofd, noemde hem een aardig kereltje en vroeg hem, hoe hij
heette. De jongen stamelde, hijgde naar adem en stootte eindelijk uit:
"Tom!"
"Neen, niet Tom, niet waar? Gij heet....?"
"Thomas!"
"Juist. Maar er behoort _nog_ nog iets bij. Gij hebt toch ook een
geslachtsnaam, niet waar--en dien wilt gij mij immers wel mededeelen?"
"Zeg mijnheer uw anderen naam, Thomas," zeide de heer Walter,
"en voeg er 'mijnheer' achter. Gij hebt toch manieren geleerd."
"Thomas Sawyer, mijnheer."
"Ziezoo, dat is een goede jongen. Een lieve jongen! Een aardig,
manhaftig kereltje! Twee duizend verzen is een groot aantal, Thomas,
een zeer groot aantal. Maar gij zult u nooit de moeite berouwen,
ze geleerd te hebben. Want kennis is meerder waard dan al wat deze
wereld ons geven kan, daar kennis ons groot en goed maakt. Gij zult
eens een groot en een goed man worden, Thomas, en dan zult gij op
het verleden terugzien en zeggen: Dat alles heb ik te danken aan
het voorrecht van in mijn jeugd de zondagsschool bezocht te hebben;
alles aan mijn brave meesters, alles aan den goeden catechiseermeester,
die mij aanmoedigde en mij een bijbel gaf, een prachtigen, sierlijken
bijbel, dien ik voorgoed mocht houden; alles aan mijne uitnemende
opvoeding. Dat zult gij eens zeggen, Thomas, en voor geen geld ter
wereld zult ge het genot willen missen deze twee duizend verzen in het
geheugen geprent te hebben,--neen, waarlijk niet. En nu zult gij mij
en deze dame wel iets willen mededeelen van hetgeen gij geleerd hebt,
want wij stellen groot belang in vlijtige jongens. Zonder twijfel
kent gij de namen der apostelen, niet waar? Wilt gij mij eens zeggen,
wie de twee eersten waren, die den Heer volgden?"
Tom trok aan een der knoopen van zijn buis en keek den Raadsheer
bedremmeld aan. Hij bloosde en sloeg de oogen neder. Den heer
Walter zonk het hart in de schoenen. Hij wist, dat de jongen zelf de
eenvoudigste vraag niet beantwoorden kon. Waarom vroeg de Raadsheer
hem? Toch voelde hij zich verplicht te spreken en zeide:
"Antwoord mijnheer, Thomas! Wees niet bang."
Tom stond op heete kolen.
"Ik weet zeker, dat gij het _mij_ wel zult willen zeggen," zeide de
dame. "De namen der twee eerste discipelen waren....?"
"David en Goliath!"
Laat ons over het overige van het tooneel meedoogend een sluier werpen.