Jim schudde het hoofd en zei:
"Dat kan niet, jongeheer. De oude juffer heeft me gezegd, dat ik water
moest halen en met niemand moest blijven staan praten. Zij zei ook,
dat, als de jongeheer Tom me vroeg om te witten, ik net doen moest
alsof ik het niet hoorde;--en dat ze zou komen zien of ik gedaan had,
wat ze gezeid had."
"O, stoor je daar niet aan, Jim; dat zegt ze altijd. Geef den emmer:
ik ben binnen twee minuten terug. Zij zal het nooit te weten komen."
"Ik durf niet, jongeheer. Als de juffer het zag, zou ze me de haren
uit het hoofd trekken."
"Zij? Ze slaat haast nooit,--en als ze het doet, is het alsof er een
veer over je rug gaat. Zij heeft een grooten mond, maar praatjes
doen geen zeer. Jim, als je het doet, krijg je een knikker, een
albasten knikker."
Jim begon te weifelen.
"Een albasten knikker Jim, en een baas ook?"
"Wel, het is verleidelijk, jongeheer, maar ik ben zoo bang voor de
oude juffer."
Doch Jim was een mensch en de verleiding was te groot. Hij zette den
emmer neder en nam den witten knikker. Een kwartier later, juist toen
tante Polly met een pantoffel in de hand, een glans van triomf op het
gelaat, uit den tuin kwam, hoorde men Jim luid klingelend den vollen
emmer in de gang zetten en stond Tom weder dapper te witten.
Maar die witwoede duurde niet lang. Tom verviel spoedig in gepeins
over de pretjes, die hij zich van dezen Zaterdag had voorgesteld en
zijn gemoed schoot vol. Thans zouden al de jongens, die vrijaf hadden,
vol heerlijke plannen voorbijkomen en dan zouden zij hem uitlachen,
omdat hij moest witten.
Dat was al te erg. Hij haalde zijne wereldsche schatten voor den dag,
bekeek die en zag dat zij uit gebroken speelgoed en andere prullen
bestonden. 't Was genoeg om zijn werk voor een paar minuten af te
koopen, maar veel te weinig om een half uur vrij te krijgen. Hij
stak zijne bezittingen weer in den zak en gaf het denkbeeld, van
te trachten met die voorwerpen de jongens om te koopen, op. In dit
wanhopige oogenblik kreeg hij een schitterenden inval. Hij nam den
kwast en werkte rustig voort. Daar kwam Ben Rogers in 't gezicht,
de jongen wiens spot hij boven alles vreesde.
Bens tred was een aanhoudend huppelen en springen, een teeken dat
zijn hart licht en zijne verwachtingen groot waren. Hij at een appel
en deed nu en dan een lang liefelijk gefluit hooren, gevolgd door een
zwaarklinkend: ding dong dong, ding dong dong. Immers hij stelde een
stoomboot voor.
Naarmate hij dichterbij kwam, vertraagde hij zijn stap, hield
het midden van de straat, leunde ver over stuurboord en begon
zeer kunstig, met veel gewicht te laveeren, daar hij de stoomboot
"de groote Missouri" vertoonde. Hij was tegelijk boot, kapitein en
machinebel en moest zich zelven dus verbeelden op het dek te staan,
daarop bevelen te geven en die ten uitvoer te brengen.
"Stop, mijnheer! Ling-ling-ling." De boot ging iets te
spoedig vooruit en de knaap trok langzaam zijwaarts. "Iets naar
achteren! Ling-ling-ling!" Toen liet hij zijn arm stijf langs de
zijden glijden. "Zet haar terug naar stuurboord! Ling-ling-ling,
Chow-ch-chow chow!" Daarna begon hij met de rechterhand een cirkel te
beschrijven, welke beweging het draaien van een wiel verbeelde. "Terug
naar bakboord. Ling-ling-ling! Chow-chow-ch!" De linkerhand begon
cirkels te beschrijven.
"Aan stuurboordszijde, stop! Ling-ling-ling! Aan
bakboordszijde, stop! Laat maar langzaam
bijdraaien! Ling-ling-ling! Chow-chow-ow! Gebruik de hoofdtouwen. Vlug,
nu de boeglijn.--Wat doet ge daar? Wind den kabel on dien paal. Naar
den steiger toe--vooruit! Machine stil! Ling-ling-ling!" Tom ging
voort met witten en sloeg geen acht op de stoomboot. Ben staarde hem
een oogenblik aan en zeide toen:
"Hi-hi! Je bent een ongelukkige stumperd!"
Geen antwoord. Tom bekeek de laatste streek van den witkwast met
het oog van een kunstenaar, maakte nog een keurig haaltje en zag,
hoe dat voldeed. Ben ging naast hem staan. Tom watertandde bij het
gezicht van den appel, doch hij witte ijverig door.
Ben zeide:
"Heila, oude jongen, je moet voor straf werken, he?"
"Wel, Ben, ben jij daar? Ik zag je niet."
"Zeg, ik ga zwemmen. Zou jij ook niet willen, als je mocht? Maar jij
moet werken, niet waar?"
Tom keek den jongen aan en zeide:
"Wat noem je werken?"
"Wel, is dit geen werken?"
Tom begon weer te witten en antwoordde koeltjes: "Nu, het mag werken
zijn of niet, wat ik weet, is, dat Tom Sawyer het dol prettig vindt."
Daar kwam de zaak in een ander licht. Ben stond stil en beet op
zijn appel. Tom streek met zijn kwast voorzichtig op en neer, ging
een stap of wat achteruit, om te zien hoe zijn werk voldeed, maakte
een haaltje hier en een haaltje daar, keek nog eens naar het effect,
terwijl Ben elke beweging bespiedde en hoe langer hoe meer belang in
den arbeid begon te stellen. Eindelijk zeide hij:
"Och, Tom, laat mij eens even witten."
Tom bedacht zich een oogenblik en was op het punt toe te geven, maar
kwam even spoedig op dat voornemen terug. "Neen, neen, dat zal niet
gaan, Ben. Je moet weten, Ben, dat tante Polly verschrikkelijk precies
is op die schutting; zij staat zoo vlak aan den weg, weet je.--Als
het nog achter was, zou ik er niet tegen hebben, en zou tante het wel
goedvinden. Zij is vreeselijk precies op het witten; het moet keurig
netjes gedaan worden, en ik geloof niet, dat er van de duizend, neen
van de tweeduizend jongens één is, die het doet zooals het behoort."
"Zoo, is het zoo moeilijk? Och toe, laat mij het eens probeeren;
eventjes maar! Ik had het jou al lang laten doen, als je het mij
gevraagd had, Tom!"
"Ben, ik zou het, op mijn woord dolgraag doen, maar tante Polly...--Jim
vroeg het ook, maar zij wou het niet hebben; Sid ook, maar hij mocht
evenmin. Begrijp je nu niet, dat ik er voor verantwoordelijk ben? Als
je eens kladden op de schutting maakte, als er iets mee gebeurde...."
"O, ik zal wel oppassen. Toe laat me het maar eens probeeren. Ik zal
je het klokhuis van mijn appel geven."
"Nu, goed dan; neen, toch niet, Ben;--ik ben bang voor...."
"Ik zal je den heelen appel geven."
Tom gaf den kwast met aarzelenden blik en een verheugd gemoed over. En
terwijl de stoomboot "de groote Missouri" in de barre zon stond te
werken en te zweeten, zat de kunstenaar rustig in de schaduw op een
biervat zijn appel op te muizen en peinsde over nieuwe plannen om
nog meer argeloozen in de val te lokken. De gelegenheid liet zich
niet wachten. Verschillende jongens kwamen voorbij: zij kwamen om te
spotten--en bleven om te witten. Toen Ben uitgeput van vermoeienis den
kwast had neergelegd, werd de beurt aan Billy Fischer afgestaan voor
een vlieger; en toen die gedaan had, kocht John Miller een beurt voor
een dooden rat en een touw om hem aan te laten schommelen; en zoo ging
het, het eene uur voor en het andere na. En op het midden van den dag,
baadde de 's ochtends doodarme jongen zich in zijn rijkdom. Hij had
behalve de dingen, die ik vermeld heb, twaalf knikkers gekregen,
een half kapot blaasinstrument, een stukje blauw glas om door te
kijken, een garenspoeltje, een roestigen sleutel, een stukje krijt,
een kurk met een glazen stop, een looden soldaat, een paar jonge
kikvorschen, zes sissers, een koperen deurknop, het heft van een mes,
een halsbandje voor een hond, vier chinaasappelschillen en een stukje
glas. Hij had den ganschen dag lekkertjes geluierd en de schutting
was met drie duim witsel besmeerd! Als de kalk niet opgeraakt was,
zou hij al zijne vrienden geruïneerd hebben.
Tom dacht, dat het bij slot van rekening toch nog niet zoo heel
vervelend op deze aarde was. Hij had onbewust een der voornaamste
wetten, waardoor de menschenwereld geregeerd wordt, leeren kennen,
namelijk: dat om iemand op iets verzot te maken, men het slechts als
zeer moeilijk verkrijgbaar behoeft voor te stellen. Ware hij een groot
wijsgeer geweest, zooals de schrijver van dit boek, hij zou begrepen
hebben, dat "werken" bestaat in hetgeen men verplicht is te doen en
"spelen" in te doen wat men niet verplicht is te verrichten. En dat
zou hem hebben doen vatten, waarom het maken van kunstbloemen of het
arbeiden op den tredmolen "werken" en waarom kegelen en het beklimmen
van den Mont Blanc "uitspanning" is.
Er zijn rijke heeren in Engeland, die iederen dag twintig of dertig
mijlen met een vierspan afrennen, omdat dit voorrecht hun een groote
som gelds kost. Wanneer zij echter voor datzelfde genot betaald werden,
zou het "werken" worden en dan zouden zij het er aan geven.