De Zaterdagmorgen kwam; een heerlijke, warme zomerdag vol vroolijkheid
en leven. Alle harten waren blijde gestemd en de jeugd uitte hare
blijdschap in een opgewekt gezang. Genot was op elk gelaat te lezen
en van veerkracht getuigde iedere stap.
De acacia's stonden in vollen bloei en de lucht was van den geur der
bloesems vervuld.
De heuvels in en buiten St. Petersburg waren met een groen zomerkleed
getooid en zagen er zoo rustig en uitlokkend uit, dat hij die ze in
de verte zag droomde van het land van belofte, overvloeiende van melk
en honig.
Tom verscheen aan de deur met een emmer vol witkalk en een verf kwast
met een langen steel. Hij overzag de schutting die hij moest witten,
en de vroolijkheid week uit zijn hart en eene diepe droefgeestigheid
daalde daarin neder. Dertig el schutting negen voet hoog! Ach, het
leven was een last, zwaar om te dragen! Al zuchtende doopte hij zijn
kwast in de kalk en maakte eene dikke streek; hij herhaalde het werk
nog eens en nog eens, vergeleek het onbeteekenend streepje gewitte
schutting met het groote veld, dat nog gewit moest worden, en zette
zich ontmoedigd op een boomstam neder.
Daar kwam Jim, een liedje zingende, met een emmer aan den arm, de deur
uithuppelen. Water uit de stadspomp halen was tot nu toe in Toms oogen
een hatelijk werk geweest, maar vandaag scheen het hem zoo heel naar
niet. Immers hij wist, dat er menschen bij de pomp zouden zijn. Zij
was op sommige uren ongenaakbaar vanwege de jongens en meisjes van
allerlei soort; blanken, kleurlingen en negers waren er altijd in
menigte, die, terwijl zij hun beurt afwachtten, zich met speelgoed
verkwanselen, twisten, vechten en krijgertje spelen vermaakten. Vandaar
dat, hoewel de pomp vlak bij was, Jim nooit binnen het uur terugkwam;
en dan nog moest hij meestal gehaald worden.