bij gewonen waterstand, in den zomer en in het najaar, geene beladene
schepen meer stroomopwaarts kunnen zenden. Door de steeds toenemende
aanslibbing van Waal en Rijn ondervinden de stoombootdiensten reeds
meerder oponthoud dan vroeger. Men begint dan nu ook in te zien en te
erkennen, dat de te weeg gebragte waterafleiding langs den IJssel een
verlies van water aan de beide hoofdrivieren ten gevolge heeft; dat zij
onbruikbaar zullen worden, en om zulks eenigermate te verhelpen, wil
men hebben, dat de Kille bij Werkendam zal gedigt worden, iets, waarvan
voor eene eeuwe C. VAN VELZEN de noodzakelijkheid reeds heeft betoogd.
Dan dat digten van de Kille bij Werkendam zal Rijn en boven-Waal niets
baten, zoo lang als den IJssel wordt toegestaan, deze rivieren dood te
tappen, zoo als nu plaats heeft. Men moet echter de hulp, die de IJssel
verleenen kan, om, wanneer er te veel water van boven komt, om door Waal
en Rijn te kunnen afloopen, niet uit het oog verliezen; daarom ware het
eene behoefte den IJssel van drie sluizen, op afstanden van elkander
gelegd, te voorzien, die het water tot op een bepaald peil zouden kunnen
keeren, en dat hoog genoeg ware, om de rivier bevaarbaar te houden en de
IJssel, bij hoogen boven-waterstand, zijne uiterwaarde bleef inunderen.
Het voorgestelde kanaal van af beneden Westervoort, door de hooge
gronden en de Veluwe heen, tot naar de Steenen-kamer te graven, om den
IJssel te vervangen, zoude in eene regte lijn afloopen; het moest van
drie sluizen worden voorzien, om in gewonen tijd een verval van acht
ellen te keeren, van den IJssel af tot aan de Zuiderzee, aan weêrszij de
der sluizen en het kanaal eenen breeden overlaat makende, om, in tijden
van nood, bij ijsopstoppingen en hoogen waterstand tot ontlasting
van het water te dienen, en daardoor de verwoesting, uit doorbraken
ontstaande, en de vernieling van menschenlevens en vee te voorkomen. Dit
kanaal zou een afdoend redmiddel voor al de om Rijn en Waal gelegene
waarden en landen worden en langs dien regtlijnigen stroom zoude, met
een verval van 1 el op een uur, of 5 strepen op eene el lengte, eene
verbazende hoeveelheid water afstroomen waar anders een regtlijnige
stroom voor eene rivier, in gewonen tijd, nadeel aan dezelve, door te
veel spoed, toebrengt, zou het in dit geval een vereischte worden. Men
heeft niet te vreezen, dat bij eenen regtlijnigen stroom van 300 ellen
breedte, met het verhang van eene el op een uur, geene genoegzame
hoeveelheid water zou kunnen afloopen; men moet de regelen der snelheid
niet naar de snelheid van eenen overlaat berekenen, waar het water uit
rust in beweging moet komen, en bijgevolg tijdverlies plaats heeft; men
zoude zich alsdan vergissen kunnen, even als zulks bij het leggen van de
afwateringssluis te Katwijk plaats had. Na genomene waarnemingen omtrent
overlaten, hebben de ontwerpers op veel minder snellen afloop van water
door de sluizen gerekend, dan daadwerkelijk, na de opening derzelve,
heeft plaats gevonden, en gelukkig, dat de misrekening voordeelig
uitviel.
Wij mogen niet nalaten, hierbij nog eens vlugtig het oog op de helling
van ons land te slaan.
Nagenoeg van de Noordzee bij den Dollart af tot aan Emmerik toe, is
ons land, als een kustland, door hoogere landen omgeven, dat door
persing, geëvenredigd aan die hoogere ligging, eenen aandrang van water
op ons lager liggend grondgebied doet ontstaan. Door den aandrang van
het hooger afkomende water wordt de last, welken wij van het water op
ons grondgebied hebben, natuurlijk grooter; terwijl het water door de
verslibbing der Zuiderzee en van de mondingen der rivieren, alsmede door
de verhooging van derzelver beddingen, althans omlaag, in zijnen vrijen
afloop verhinderd wordt. Hiertoe dragen de steeds verhoogd wordende
dijken (welk verhoogen toch eenmaal een einde zal moeten hebben) mede
niet weinig bij. Door al deze oorzaken nemen de ophoopingen van water
binnen in ons Land toe, en daardoor de overstroomingen; waarbij nog
de door noordweste stormen veroorzaakte vloeden komen, zoodat de
vruchtbaarste streken in ons Rijk hoe langer hoe meer, en het meest
geteisterd worden.
Overijssel en Drenthe zijn thans in strijd, wegens het brengen
van kanalen tot op de grenzen (het ware veel verstandiger, om
gemeenschappelijk te werk te gaan), welke kanalen, zonder iemand te
schaden, tot aan de grenzen konden gebragt worden, om daardoor van die
zijde onzen handel met Hannover te verlevendigen.
Wij meenen behoorlijk en duidelijk genoeg betoogd te hebben, dat
wij voornamelijk de ringvaarten willen daargesteld hebben, om de
watergemeenschap, zoo doelmatig als doenlijk, in te rigten, ten einde
daardoor in het onderling verkeer van handel en scheepvaart te voorzien,
terwijl zij te gelijker tijd voor de af- en uitwateringen worden
dienstbaar gemaakt. Als waterberging vermeenen wij dezelve te kunnen
ontberen. In de drooggemaakte Zuiderzee zullen verscheidene vaarten
gegraven worden, welke dien grond, tot aller gemak, in verschillende
rigtingen zullen doorkruisen, en langs welke breede rijwegen kunnen
aangelegd worden, met boomen en plantsoen bezet, zoodat de drooggemaakte
Zuiderzee een niet minder aangenaam oord zal worden dan de Beemster,
doch desniettemin vrij wat uitgestrekter, waarin, na verloop van tijd,
menige stad en menig dorp zal kunnen gesticht worden. De straks genoemde
vaarten, welke bevaarbaar zullen worden voor ruime, welingerigte
trekschuiten en barges, met paviljoen, achter- en voorkajuit, naarmate
van den stand der reizigers, zullen overvloed van waterberging
opleveren.
Heeft men vroeger al verschillende indijkingen in de Zuiderzee
ondernomen, en is men nu nog daarmede bezig, de weinig voldoende
uitkomsten van velen derzelven zijn niet zeer geschikt, om den lust tot
soortgelijke ondernemingen aan te wakkeren.
Van zeer verschillenden aard evenwel zijn de redenen, waardoor verlies
in stede van winst geleden wordt. Vele dier indijkingen en droogmakingen
werden op te kleine schaal ondernomen, zoodat het getal ingedijkte
bunders de kosten van een soliede bedijking niet konden goedmaken;
vooral, wanneer daarbij tegenspoeden kwamen, welke men niet verwachtte,
die echter uit den aard der zaak te duchten waren, omdat men, om kosten
te sparen, de grondslagen der dijken te ligt maakte; aan die kwalijk
voltooide, versch gelegde dijken werd, bij hooge vloeden en stroom door
den afslag veel schade aangebragt, en, om dien weder te herstellen,
moest op nieuw geld worden genegociëerd, waardoor de eerste ondernemer
aan den tweeden geldschieter zijn regt op den gewonnen grond voorloopig
moest afstaan. Het is echter de bedijking niet alleen, maar het
zijn ook de uitwateringen, molenvlieten, molens en sluizen, die in
verhouding tot weinige honderde bunders de kosten zwaarder doen wegen,
dan in verhouding tot zooveel maal duizenden; en wanneer alles zonder
tegenspoed afloopt, dan heeft de geldschieter bij eene kleine indijking
nog maar eenen karigen interest. De voorwaarden, welke dikwerf den
nieuwen ondernemer voorgeschreven worden door de achter de nieuwe
bedijking liggenden en bevoordeeld wordenden polder, berokkenen ook
nadeelen.
Zoo is het geschied, dat het bestuur van eenen achter eene voorgenomene
indijking liggenden polder, tot bewilliging der nieuwe indijking, de
voorwaarde stelde, dat langs de uitgestrektheid van den ouden dijk,
welke door de nieuwe indijking genoegzaam geheel overbodig werd, tot
onderhoud van dien dijk eene strook gronds van den nieuwen polder,
langs den ouden dijk, tot zoogenaamd onderhoud daarvan, daaraan moest
afgestaan worden,--gronden, die nog eerst moeten aangewonnen worden!
Het bestuur van de nieuwe onderneming, dat eerder eenige toelage of
uitkeering van den ouden polder had kunnen vragen, daar het onderhoud
aan den ouden dijk genoegzaam overbodig werd, willigde welligt uit de
niet ongegronde vrees voor langrekkende tegenwerkingen, den meer dan
onbillijken eisch in. De geheele aanwinst van grond bedroeg geene 1500
bunders, daar moest een zeedijk van bijna 7000 ellen om heen gelegd
worden, en daarenboven moest men zich aan zulke schadelijke en
onbillijke conditiën onderwerpen.
Er komen bovendien nog andere nieuwe bezwaren bij: het gouvernement
loofde premiën uit aan hen, die indijken wilden. Bij de wet of het
besluit van den 6 Junij 1840 werd men daartoe aangemoedigd; doch thans
worden harde bepalingen opgelegd, wanneer men concessiën tot indijkingen
wil verkrijgen, door vooraf den grond met goud te moeten koopen. Waren
onze regering en hare agenten niet boven allen twijfel van venaliteit
verheven, voorwaar! er ware geene geschiktere gelegenheid voor uit te
denken.
Deze schatting te moeten betalen, houden wij voor onbillijk, en voor
geene regtvaardiging vatbaar. Heeft het rijk daarop wettige aanspraak?
Is de zee haar domein? Op welk archief beroept men zich, om dit te
bewijzen? Dan moest deze bezitting, even als alle domeinen, publiek ten
verkoop aangeboden worden of zijn.
Van eene andere zijde beschouwd, is het voordeelen trekken op eene
onbehoorlijke wijze. Het rijk wordt van de zorg en kosten tot onderhoud
der zeedijken ontheven, voor directe en indirecte schaden, door het
opgeruimde water, beveiligd en komt bovendien in het genot van inkomsten
van allerlei aard, door den, tot kultuur geschikt geworden, nieuw
aangewonnen grond, en nu wil men daarenboven nog, niet bij de wet
geregelde, onderhandsche schattingen heffen. Behalve de zwarigheden,
door ons opgeteekend, bij bedijkingen van kleinen omvang, komen nog
de kosten van een bestuur, dat met de molen- en andere polder-lasten,
een voortdurend drukkend bezwaar blijft, hetwelk naar gelang der
hoegrootheid van derzelver bedrag, de waarde van eenen, anders
vruchtbaren grond, niet onaanzienlijk vermindert.
Bij de door ons voorgestelde ondernemingen lossen zich alle gemaakte
bedenkingen van zelve op. Er is eene aanzienlijke hoeveelheid ingedijkte
grond tegenover weinige dijken. In alles omstreeks 4 uren gaans
bedijking, tegenover een getal van 260,000 bunders vruchtbaar land.
De te leggen dijken worden door de ruime middelen, door voorraad van
specie, voor péremptoire schade beveiligd, en hebben weinig onderhoud,
als ze eens goed gelegd zijn. Er is slechts een gering getal sluizen,
uitwateringen, beslag van molens, in verhouding tot het groote geheel,
noodig, en daarenboven zal het bedrag der te betalen polderlasten gering
zijn.
Deze beschouwingen zijn niet geschikt, om hier de door ons gemaakte
berekening van kosten na te gaan, het zijn slechts voorloopige
beramingen, welke door eene speciaal daartoe te benoemen commissie,
in overleg met ons, kunnen worden beoordeeld, om tot grondslag dier
eventueele kostenberekening te dienen.
In onze berekeningen zijn de kosten voor sluiswerken, bruggen enz.
opgenomen, tot prijzen, waarvoor de reeds bestaande sluizen enz. zijn
gelegd, zoodat daarin geen groot verschil zal zijn. Men zoude het
somwijlen noodzakelijk kunnen achten, meerdere sluizen aan te leggen,
doch dit zal de verwezentlijking van het werk niet kunnen verhinderen.
De kosten aan de duizenden ellen lange ringvaarten, die in de
millioenen loopen, te besteden, zullen zeer zeker beneden de raming
blijven. Al de millioenen kubiek ellen graafwerk zijn tot 30 Ct. per
kub. el berekend, waarop de ramingen bij het rijk of eigentlijk bij het
Haarlemmer-meer ook gemaakt zijn; intusschen zijn dezelve 50 pCt. daar
beneden gebleven. De dijk tusschen Enkhuizen en Stavoren is op f 1,50
per kub. el berekend, gelijk ook het uitgraven der specie in het
Zeekanaal, dat meer dan gewone diepte heeft, ook hooger aangeslagen
werd.
Het bedrag der kosten voor steenkolen voor de stoom-water-werktuigen is
stellig te hoog aangenomen; de consumptie van brandstoffen van het eene
werktuig verschilt aanzienlijk met die van het andere. Er zijn in de
laatste tijden groote verbeteringen in het vuren aangebragt, en daardoor
blijft het cijfer zeer moeijelijk te bepalen. Wij hebben daarom liever
eene ruimere berekening tot grondslag genomen, dewijl eene voordeelige
uitkomst altijd aangenamer is dan te korten.
Het spreekt van zelf, dat wij nog geene lokale opmetingen, peilingen
en boringen hebben gedaan, de juiste lengten hebben om die redenen nog
niet kunnen worden bepaald; doch valt ons aangenomen getal op den eenen
afstand tegen, het kan op eenen anderen medevallen.
De diepten der zee zijn niet gepeild; doch eigene waarnemingen, de
rapporten van loodsen, schippers en visschers kunnen tot, althans
vermoedelijk, zekere gidsen verstrekken.
De kosten van bekavelen, slechten en slooten hebben wij op omstreeks
f 84 per bunder aangeslagen; dit zal almede bevonden worden te veel te
zijn, en dit verschil maakt over de aanzienlijke oppervlakte eene groote
som uit.
Bij den grooten omvang van de in te dijken zee en het geringe aantal
dijken, dat gelegd zal moeten worden; bij de omstandigheid, dat er
bij het droogmaken voor het drooghouden meer dan voldoend beslag van
waterwerktuigen is voorgesteld, zullen de te heffen polderlasten al zeer
gering zijn.
Wordt er een goed polder-reglement gemaakt, en daaraan de hand gehouden,
zoodat de slooten en weteringen behoorlijk worden schoon gehouden,
waardoor de toeschieting tot de waterwerken niet belemmerd wordt, dan
zal de drooghouding, bij de diep te graven slooten, even als in de
Beemster, niets te wenschen overlaten.
Is deze onderneming niet de meest kolossale, die ooit in ons Rijk is
ondernomen of voorgesteld geworden? Is zij dus niet eenig in hare soort,
zij is ook eenig door de voordeelen, die zij aanbiedt.
In eenen onlangs ingedijkten polder, die met hooge lasten bezwaard is,
werd de bunder beste kleigrond tegen f 70 verpacht; men veronderstelle
zich de 260,000 bunders ook droog, en die allen tegen slechts f 40
verhuurd, dan zoude dit f 10,400,000 aan jaarlijksche inkomsten
opbrengen.
Men moge aannemen, dat er ook zandbanken in de Zuiderzee zullen liggen.
Wij voor ons gelooven, dat de meeste daarvan met slib zullen doormengd
zijn, die eeuwen lang vruchtbaar kunnen blijven. Mogen er dan ook
streken zijn van een' onvruchtbaarder aard, daarentegen zullen er ook
vele zijn, welke, vooral in de nabijheid van volkrijke plaatsen, twee-
en driemaal meer zullen opbrengen dan gewone gronden.
De administratie-kosten zullen wel kunnen bestreden worden, uit de
opbrengsten der hooiverpachtingen op de uitgestrekte dijken der
ringvaarten en buitenwaarden, terwijl er matige sluis- en kanaalgelden
zullen kunnen berekend worden; doch daarenboven zal het zand uit de
duingronden eene aanzienlijke som opbrengen als ballast voor de schepen.
Wij willen geene hooge waarde der gronden tot berekening voor de
winsten der onderneming stellen, maar kunnen toch de daadzaak aanvoeren,
dat vele gronden, tot vlas, koolzaad, mostaard- en tarwebouw geschikt,
eene viervoudige en meerdere waarde dan f 40 per bunder in huur zullen
hebben. In de Wieringerwaard geldt een bunder lands, dat voor de
vlasteelt bereid is, f 200 in huur.
De IJpolder zoude al zeer spoedig gereed zijn, en bij het wezentlijk
gebrek aan goed land, in het midden eener groote bevolking, zal de
grond daarin zeer zeker hooge prijzen opbrengen; indien de onderneming
het al niet doelmatig mogt achten, om in de eerste jaren den grond voor
eigen rekening te bebouwen, en de oogst te velde te verkoopen, even zoo
als men in de Beemster deed, welke in 10 jaren, niettegenstaande de
tegenspoeden en grootere kosten, geheel vrij is geworden. De regering
laat ook in verschillende droog gemaakte plassen de gronden voor hare
rekening bebouwen, en de te veld staande gewassen verkoopen.
De geheele in te dijken oppervlakte zal ook niet in eens voor bebouwing
gereed zijn; echter om de kusten heen zal er al spoedig grond droog
liggen, waarmede gaande weg aan de eerste behoefte aan land kan worden
voldaan. Wij herhalen het, wij willen ter aanmoediging, om deelnemers te
vinden, geene berekening van hooge pachten maken, desniettemin is de
concurrentie om land te krijgen zoo groot, dat het voor korten tijd in
de Betuwe gebeurd is, dat de verhuurder verklaarde, geene verhooging op
den inzet te willen nemen, welligt uit overtuiging, dat de inzet zoo
hoog was, dat hij vreesde, dat de huurder bezwaarlijk de pacht zoude
kunnen opbrengen. Het land, in kleine perceelen verhuurd, brengt daar,
voor den aardappelenbouw gebezigd, van 25 tot 40 cts. de kleine roede
op. Niet slechts, zooals men zoude kunnen beweren, in de onmiddellijke
nabijheid der steden, maar ook overal zal de grond in de zee eene
aanzienlijke waarde verkrijgen, daar de onderneming zoo geheel in den
geest valt van de wet (of het besluit) van den 6en Junij 1840, vooral
met betrekking tot Art. 16, waarbij de uitgestrekste vrijstellingen van
grondlasten en registratie-kosten, van de regten op den overgang der
daar te stellen gebouwen, voor meer dan eene halve eeuw gewaarborgd
worden; en er zijn in die wet termen, welke aanleiding geven om
genoegzaam een gelijk aantal jaren, dezelfde voorregten te blijven
genieten. Daarbij komt nog, dat men veel van de, tijd verspillende,
regtsgedingen zal kunnen vermijden, die bij de onteigening zoo vele
bezwaren opleveren, terwijl de wetten bij dijk-collegiën en
polder-besturen den afstand van grond, daar waar het tot verbetering van
den polder noodzakelijk geacht wordt, naar eene vast gestelde waarde
gebieden.
Het lijdt geene tegenspraak, dat hier, even zoo wel als bij andere
ondernemingen, zekere belangen zullen gekwetst worden. Hoe vele honderde
huisgezinnen lijden niet in hun bestaan door de spoorwegen, waartegen
weder anderen bevoordeeld zijn, en die spoorwegen zijn toch voor het
algemeen van overwegend belang. Even als bij de spoorweg-maatschappijen,
zoude men het zich hier ook tot eenen pligt kunnen maken, om de
benadeelden, die werkzaam willen zijn, aan een bestaan te helpen.
De visscherij op de Zuiderzee moge benadeeld worden; doch gaat men
de jaarlijksche verslagen na, dan is de toestand derzelve niet
benijdenswaardig. Hoe dikwijls werd niet de liefdadigheid voor de
bewoners van Schokland en Urk ingeroepen.
Het grootste gedeelte dier eilanders zal zich, door ondervinding
geleerd, gelukkig achten, het vischtuig met de spade te kunnen
verwisselen, waarmede de visscher voor zijn huisgezin, onder minder
afwisseling van voor- en tegenspoed, een aanzienlijker stuk brood zal
kunnen verdienen. Vele dier visschers, die hoofdzakelijk maar jagers
zijn, welke naar de zeegaten zeilen, om aldaar den visch te koopen,
zullen langs de ringvaarten hun bedrijf kunnen blijven doorzetten, en
geregelder de vangst kunnen aanvoeren, waarin zij nu dikwerf door storm
of door stilte belet worden.
De groot-visscherij zal daarentegen ruimschoots bevoordeeld worden.
De visschers zullen in een paar uren uit de Noordzee te Amsterdam
kunnen zijn, van waar, langs de ringvaarten en spoorwegen, hunne
vangst onverwijld naar het binnenland kan worden vervoerd. Eenmaal het
Zeekanaal gereed zijnde, zullen zij zich van beter zee bouwende, en
sneller zeilende, schepen voor de vischvangst kunnen voorzien, dan de
bommen zijn, welke voor het naderen van een vlak strand, en het daarop
vast zitten, zoo moesten gebouwd worden.
Wij zijn geenszins bevreesd voor gebrek aan handen ten behoeve der vele
daar te stellen werken. Er openen zich vooruitzigten voor den poldergast
of arbeider, om eene woning en een stuk gronds daarbij ter bebouwing te
kunnen krijgen.
Men zou eene voorwaarde kunnen maken, waarbij bepaald werd, dat 1/10
gedeelte der dagloonen ingehouden zoude worden. Dit moest dienen, om
den arbeider eene woning en een stuk gronds te bezorgen, welk een en
ander hij in huur had, of na verloop van tijd tot zijn eigendom zal
kunnen verkrijgen, het zij dat de arbeider in het reserve fonds eene
toereikende som overgespaard hebbe, of dat hij uit andere, hem ter
beschikking staande, middelen, zich woning en grond, voor eene, matig te
schatten, som aanschaffe.
Op perceelen, te ver van steden of dorpen verwijderd, waren, voor
tijdelijke huisvesting der arbeiders, loodsen op te slaan, waar zij
eene gezonde drooge ligging hadden, met eene zieken-zaal, waartoe
wekelijks eene geringe bijdrage konde afgezonderd worden.
Victualie-winkels konden onder toezigt eener commissie worden geopend,
waar de arbeider tegen matig gestelde prijzen, goede waren, en al het
benoodigde voor zijn onderhoud moest kunnen vinden, opdat hij niet,
zoo als maar te dikwerf het geval is, zooveel voor ligging en voedsel
behoeve te betalen, dat hem te weinig overblijft om zijn afwezig
huisgezin te kunnen onderhouden, hetwelk menigen arbeidzamen huisvader
noodzaakt, van zoodanig werk af te zien. Een bezwaar, na voltooijing
der werken den poldergast in den omtrek zwervende te vinden, dat tot
onrust aanleiding geeft, kon worden opgeheven, door namelijk bij elke 50
bunders land eene plek voor woning en tuin af te zonderen, waardoor er
gelegenheid zoude gegeven worden tot vast verblijf, met het vooruitzigt,
om bij den grooten bouwman of grondbezitters later voortdurend van werk
verzekerd te zijn, en het gaf den landbouwer, die anders om arbeiders
verlegen kon zijn, gelegenheid dezelve om zich heen te vinden.
De onderneming, die dusdanige voordeelen aan den landbouwer en den
daglooner verzekerde, zoude geene uitschotten voor den aanbouw van
woningen te doen hebben; terwijl dezelve uit de ingehouden 1/10 der
loonen werden bestreden; voorts verkocht of verhuurde zij aldus eenige
duizende bunders land, waarop eene nijvere bevolking zoude aangroeijen,
die door haren aanwas tot verhooging der waarde van den grond veel zoude
bijdragen. Door de daar nut stichtende arbeiders-gezinnen, werden elders
armenkassen verligt.
Wij geloven, dat het tot de spoedige kolonisatie des polders zoude
bevorderlijk zijn, wanneer men percelen van 25 bunders of daaromtrent,
voor den tijd van 25 á 30 jaren in pacht gave met eene kleine erfpacht,
om woningen daarop te bouwen; den pachter het regt gevende, om de in
pacht genomen grond, gedurende of na de voleindiging van de pachtjaren,
voor eene vastgestelde som te kunnen overnemen.
Aan de mondingen der kanalen, en vooral aan die te Zandpoort, zouden al
spoedig dorpen, door visschers en loodsen bewoond, ontstaan, welke de nu
woest liggende duingronden zouden bebouwen, en aan dezelve vele waarde
verschaffen, dewijl die grond goed voor bebouwing geschikt is.
Er zouden welligt bij of aan de mondingen der zeegaten van rijkswege
vuurtorens en defensie-werken moeten aangelegd worden, een punt, dat
wij geheel aan de zorg van de regeering kunnen overlaten. De aanleg
van beiden zouden kosten veroorzaken, doch die kosten, even als de
verminderde inkomsten van het Noord-Hollandsche kanaal, werden rijkelijk
vergoed, door de meerdere opbrengsten, welke uit deze onderneming zullen
voortvloeien, en uit de besparing van zoo vele kosten, aan dijk- en
andere waterwerken, welke nu jaarlijks moeten worden gemaakt, en die een
drukkende en blijvende last voor de staat zijn, maar alsdan zoude
vervallen.
Wij mogen nog een gewigtig punt hier niet met stilzwijgen voorbij gaan,
namelijk de gezondheid. De baron VAN LIJNDEN VAN HEMMEN, heeft daaraan
een geheel hoofdstuk gewijd in zijn werk over de droogmaking van het
Haarlemmer-meer, toegelicht met certificaten en de gevoelens van H.H.
Professoren en Doctoren, welke allen zeer gunstig luiden.
Wij meenen tot geruststelling den lezer daarheen te kunnen verwijzen,
en mogen, gelooven wij, veilig daarbij voegen, dat door verbeterde
afwateringen, vele moerassen zullen opgeruimd worden, wier opruiming
veel tot de gezondheid zal bijdragen, waardoor van zelve de opstijging
van vele schadelijke dampen zal ophouden, welke tot koortsen en andere
gevaarlijke ziekten aanleiding geven. De Zuiderzee is grootendeels klei,
aangegroeide slib en zand, en alzoo geen moeras; van opdroogende klei
en zand heeft men geene nadeelige gevolgen te vreezen; maar daarenboven
houden wij het er voor, dat uit de opruiming van de groote waterplas in
de Zuiderzee niet dan voordeel voor de gezondheid zal ontstaan.