Men weet, hoe gering het aantal sluisgangen te Halfweg en te Spaarndam

in vergelijking met de sluisgangen te Katwijk is; ware het kanaal

gereed, dan zouden die sluizen niet zoo werkeloos zijn, en alsdan door

hun aantal, en door de meerdere diepte van het kanaal, meer effect doen,

dan de Katwijker sluizen; het kostbare strijkgemaal te Spaarndam werd

overbodig, dat buitendien niet werken kan, wanneer het boezemwater in

het IJ hoog is.

Men heeft veelvuldige meren en plassen, welke aan het Haarlemmer-meer

belenden, van welke men sommige van het Meer zelf afgedamd heeft, die

men ook al, om aan de bestaande vooroordeelen van waterberging te gemoet

te komen, in wezen heeft gelaten; maar welke dreigen, na verloop van

jaren, wederom eene oppervlakte zoo als thans het Meer heeft, te zullen

beslaan, met hunne kosten ter beteugeling, voor verwoestingen enz.

Het zoude wel de moeite beloonen, om te onderzoeken, in hoeverre het

doenlijk en raadzaam ware, deze meren en plassen in eens met het

Haarlemmer-meer droog te maken; terwijl het spuijingsvermogen door sterk

werkenden afloop door middel van het kanaal, zoo veel aanzienlijker

werd. Leveren nu het spuijingsvermogen en de water-opvoeringswerktuigen

betere resultaten dan vroeger op, zoo moeten natuurlijk de kosten tot

bestrijding van het droogmaken aanmerkelijk minder worden, waardoor voor

onuitvoerbaar gehoudene, maar gewenschte, plannen verwezenlijkt kunnen

worden, dat zeer veel tot de materiële welvaart van ons land zouden

bijdragen.

Wij achten die meren en plassen, met het kostbare onderhoud, daaraan

verbonden, onnoodig voor waterberging. LEEGHWATER hield in de Beemster

geene bunders land voor boezems achter; wij zullen die evenmin, in het

droog te maken IJ en in de Zuiderzee behoeven,--de Noordzee is er voor.

Men ziet toch nu wel in, dat, wanneer er behoorlijk voor de afwateringen

van stroomen en rivieren gezorgd wordt, en de afwateringen voor polders

enz. onafgebroken in werking zijn, er geene duizenden bunders voor

waterberging, en waarvoor de zee dienstbaar is, noodig zijn. Mogt

Rijnland voor dezen zoo angstig gestreden hebben voor het behoud van

zijnen, steeds aangegroeid zijnde, boezem, die het een derde gedeelte

van zijne oppervlakte ontnam, millioenen guldens, aan onderhoud kostte,

duizende ingelanden ongelukkig maakte, die dorpen met inwoners, have en

vee verslond, het zoude door twee gestadig werkende uitwateringen in de

Noordzee een der meest begunstigde polders in ons Rijk kunnen worden[8].

[Footnote 8: Hoe kleingeestig Rijnlands collegie nog over de

waterberging denkt, leert ons het volgende: Men heeft aanvraag gedaan,

om een klein meertje van 300 bunders, van het Haarlemmer-meer te mogen

afdammen en droog maken; de Ministers stemden toe, maar Rijnland niet,

om behoefte aan waterberging. Het ziet er waarlijk erg bij ons uit,

wanneer aan zulke collegie's de magt en het regt toegekend wordt, om

nuttige ondernemingen op fautive gronden te keeren.]

Voor de aan en om de Vecht gelegene landen, voor de provinciën

Overijssel en Drenthe, zal de eerst te ondernemene indijking van

een gedeelte der Zuiderzee niet minder voordeelig zijn, dan voor

Noord-Holland. Voor immer ware men daar mede gewaarborgd voor die

schadelijke inundatiën, door het in de Zuiderzee zoo vaak opgestuwd

wordende water veroorzaakt, waarvan de nadeelige gevolgen onberekenbaar

zijn.

Door eenen gewaarborgden geregelden afloop van het IJsselwater zullen de

wateropstoppingen in het hart der provincie Overijssel en Gelderland

gekeerd kunnen worden, en zal men in de provinciën zelve alsdan met

vrucht veel tot verbetering kunnen bijdragen.

Er ligt daar veel grond, welke, bij tijdigen afloop van het water, in

het vroege voorjaar, veel in vruchtbaarheid zal winnen, en waardoor dan

de waarde der landerijen met de meerdere welvaart der bevolking zal

toenemen. Genoegzaam dezelfde voordeelen, zullen de provinciën Vriesland

en Groningen verkrijgen, wanneer de indijking van de geheele Zuiderzee

wordt ten uitvoer gebragt, en men ook om de kust van Groningen een

bolwerk zal gelegd hebben, waardoor de nu nog bestaande bezorgdheid

voor hare veiligheid zal verdwijnen. Ook ware het doenlijk, wanneer er

fonds genoeg ingeschreven werd, de omdijking van de Groninger-kust, te

gelijk met die van het eerste gedeelte te beginnen, terwijl daardoor de

instandhouding der gemeenschap niet belemmerd wordt, en de werkzaamheden

aan de beide vakken ver genoeg van elkander zijn afgelegen, om geene

stoornis in dezelve, van de eene door de andere, te duchten te hebben.

Komt men tot eene opsomming van al de te verkrijgen voordeelen, welke

deze onderneming, tot stand komende, zal kunnen opleveren, zoo zullen

die wel opwegen tegen eene ingebeelde vermindering van landswaarde, door

de aanwinst van 600,000 bunders land, waarop een daaraan behoefte

hebbende boerenstand wacht.

Bovendien zoude het wel begrepen belang niet mede brengen, dat de

onderneming hare bezittingen spoedig ging verkoopen, daar de verpachting

eene voordeelige geldbelegging aanbiedt, en bij den overvloed van geld,

dat men gaarne in vaste goederen wil beleggen, het evenwigt zich zeer

spoedig herstellen zou. Den angstigen moge vrees aangejaagd worden, die

hen tot den verkoop van land beweegt, spoedig zullen zij echter inzien,

dat hunne renten blijven bestaan en de grond niet verzinkt, maar in

waarde toeneemt.

Voor de landbouw en de ontginning van heidegronden, zoude de onderneming

zeer heilzame gevolgen hebben. De vruchtbaarheid van het grootste

gedeelte der gronden in de Zuiderzee is boven allen twijfel verheven:

hier vaste blaauwe klei, daar slib met een zeer fijn zand vermengd, en

alzoo gronden, welke voor de meest winstgevende kultuur vatbaar zijn.

Tarwe, koolzaad en vlas zullen daar even goed kunnen worden geteeld,

als in de vruchtbaarste streken van Zeeland, daarvoor waarborgen ons

het ingedijkte Eijerland, het Koegras, de Wieringerwaard. Wordt de

landbouw in den polder zelven, door zijne vruchtbaarheid bevorderd en

begunstigd, dan zal het niet minder voordeelen voor Noord-Holland en

al de andere provinciën opleveren. De veestapel zal aanzienlijk kunnen

worden vermeerderd, doordien men overvloed van hooi zal kunnen winnen,

terwijl men nu in Noord-Holland, in het najaar, gedwongen is, het vee

bij duizenden tot geringen prijs, uit gebrek aan voeder, te verkoopen,

en er bij late voorjaren, als het hooi op en er nog geen gras op de

velden is, nog grooter schade aangerigt wordt, waardoor niet alleen de

boer verliest, maar ook de handel in boter en kaas veel lijdt.

Is de meerdere productie van hooi wenschelijk voor Noord-Holland enz.,

het is mede eene dringende behoefte voor ontginningen van heidegronden,

waar men zich niet bepaalt bij het aanplanten van hout. Waar men de

gronden wil bebouwen, moet men mest aanwenden, en daartoe is vee

benoodigd; voor vee moet men voeder hebben, welk voeder de zandgronden

niet in genoegzame hoeveelheid opleveren. Dikwerf is er reeds gebrek aan

hooi, of stijgt de prijs daarvan door buitenlandsche vraag zoo hoog, dat

de boer dien hoogen prijs niet kan besteden. Men zal met kunstmesten,

met guano, enz. veel kunnen verhelpen; desniettemin houden wij het er

voor, dat een veestapel den landbouwer bij den graanbouw voordeel zal

aanbrengen. Zij, die varkens goed willen mesten, moeten melk hebben en

om melk te verkrijgen is vee onontbeerlijk, en daarvoor is hooi eene

eerste behoefte; alles hangt dus als een schakel aan elkander.

Wordt de Zuiderzee bebouwd, dan verrijzen daar steden en dorpen; daar

moet turf gebruikt worden, alzoo ook voordeel voor de veenen; er moet

brandhout zijn, dus weder voordeel voor degenen, die akkermaals-hout

aanplanten.

Door eenen vergrooten veestapel zal de uitvoer van vee naar Engeland

aanmerkelijk kunnen worden uitgebreid. Dit rijk, dat ons zooveel door

haren handelsnaijver heeft benadeeld, en par force majeure, nog in

Oost-Indië ons weinigje, in vergelijk van hare bijna onmetelijke

bezittingen in Azië, ontneemt, wordt dan op eene andere wijze aan ons

cijnsbaar. Door die aanwinst van grond in de Zuiderzee, zal ons land het

Rijk worden, waarop de ons omringende Natiën het oog moeten gevestigd

houden, om door ons, op de voordeeligste wijze, van eene der voornaamste

levensbehoeften, het vleesch, te worden voorzien.

Ons land, zoo bijzonder voor de veeteelt geschikt, mag maar niet langer

onverschillig omtrent de verbetering der landerijen, door verbeterde

afwateringen, blijven. Mogen de polder-reglementen herzien, de

voorstellen tot verbetering niet door karigheid en baatzucht jaren lang

in overweging worden gehouden, dan zullen er duizende bunders land tot

kultuur, vetweiderij en hooiland ontstaan, welke nu grootendeels geen,

of maar weinig en slecht hooi opleveren.

Ons land is een waterrijk land, en onze grondbezitters en bouwlieden

moesten allen met de water-bouwkunde min of meer bekend zijn, en

middelen aangrijpen om hunne gronden te verbeteren; doch duizende hunner

hebben er nog geene inzigten van en zijn traag, om geld tot verbetering

van den grond uit te geven. Onkunde, vadzigheid, werkeloosheid,

moedeloosheid, wangunst, zucht om zwarigheden te opperen,--het eene

paart zich aan het andere om werkeloos te blijven en alles te laten

verachteren, waar veel te verbeteren is. Daar ligt voor ons het

Bunschoterveld, omstreeks 4000 bunders groot. Elk stemt toe, bij

behoorlijk drooghouden, werd elke bunder honderde guldens meer waard.

Wij willen slechts f 100 per bunder schatten, zoodat het geheele veld

binnen kort f 400,000 meerder waarde zoude bezitten, behalve de

jaarlijksche meerdere inkomsten, daar de pacht meer dan verdubbelen

zoude. Met hoogstens tien molens, gezamentlijk f 60,000 kostende, ware

men gered.--Elk wenscht het, maar daar blijft het bij.--In Mastenbroek

is men reeds jaren achtereen aan het plannen maken, het eene voorstel

volgt het andere op, en--het blijft, zooals het was. In de omstreken van

Breukelen zijn landerijen, nu ter waarde van hoogstens f 300, die f 800

hebben gegolden. Toen waren het winstgevende vetweiderijen, doch door

zorgeloosheid en verkeerde bezuiniging van de polderbesturen, is het

daar zoo verre gekomen.--Wij zouden een boekdeel van soortgelijke

gevallen kunnen vol schrijven.

Is het niet bedroevend, dat er in ons klein landje met deszelfs

overbevolking gronden zijn, die aan het rijk vervallen, omdat zij de

polder- en grond-lasten niet kunnen goed maken; en, domein geworden,

het rijk met administratie kosten bezwaren, grooter dan de inkomsten

der geadministreerde gronden? waar, somwijlen door achteloosheid in

het bestuur, het land en daarmede de ingeland verarmt, terwijl dijk- en

heemraden en de polder-besturen hooge salarissen blijven genieten, en de

fabrijk de lasten zonder afdoende verbeteringen in wezen laat? waar de

renten perpetueel worden, op ter leen verstrekte kapitalen, die bij een

behoorlijk beheer konden worden afgelost?

Bij een bestuur, waarin de meeste leden stadbewoners waren, regters

enz., die nimmer in den polder kwamen, onkundig van de molens, werd een

ingeland ingekozen, die verklaarde, dat alles schandelijk verachterd

was, en die geen zitting wilde nemen, ten zij er aanzienlijke sommen

tot herstel besteed werden,--men zocht de eene bezuiniging bij zijne

begrooting voor en de andere na op. "Valt er dan niets meer te

bezuinigen?" vroeg een hunner.--"Ja, heeren," antwoordde de nieuw

ingekozene, "mij dunkt, wij konden onze traktementen wel eens een paar

jaren missen!"--Elk zweeg, er werd van geen bezuinigen meer gerept (de

salarissen, waar voor niets gedaan werd, bedroegen omstreeks f 600 's

jaars).

Dat de landbouw de hem ter dienste staande hulpmiddelen met onwrikbaren

wil te baat neme en behartige, om uit eenen kwijnenden toestand te

geraken, in stede van protectie te willen hebben, die hem niet baten

kan, en tot algemeenen ondergang leidt. Ook de landbouw heeft meer

wetenschappelijk onderrigt en kennis noodig. Het is laaghartig te

zeggen: de boer moet niet wijzer zijn, dan hij is. Wij zijn van oordeel:

hoe beschaafder de boer is, hoe beter onderrigt hij zal genoten hebben,

zoo veel meer zal hij tot de materiële welvaart des lands bijdragen. Hij

moet ook kennis genoeg hebben, om zelf, met gezond verstand, over den

aanleg van dijken, kaden en water-afleidingen en molens te oordeelen.

Wij zouden verscheidene voorbeelden kunnen aantoonen, waar zoowel

particulieren als polder-besturen, door gebrek aan oordeel en kunde

omtrent de water-opvoerings-werktuigen en de toepassing van de

stoomkracht daarop, door de doelloos gemaakte kosten, groote verliezen

hebben ondergaan. Hoe beter de landman in zijn vak onderrigt is, hoe

meer voordeel hij ook van zijn beroep zal trekken.

Sedert ons hooi ook reeds buiten 's lands begeerd wordt, zoodat er vele

verzendingen, tot zelfs naar Algiers toe, plaats hebben, heeft men niet

te vreezen, dat wij daar te veel van kunnen aanwinnen. Het is in 't

geheel een verblijdend en bemoedigend vooruitzigt voor den landbouw en

voor de teelt van alle boom- en tuinvruchten, dat de vraag daarnaar voor

het buitenland zoo toeneemt. De teelt van boom- en tuinvruchten zal aan

menigen nijveren huisvader met zijn gezin, die geene middelen bezit, om

pachter van eene groote boerenhofstede te worden, en te veel kunde, om

slechts boerenknecht te blijven, een in zijnen kring redelijk bestaan

kunnen verschaffen. Dat er dan ook maar voor goede watergemeenschap

gezorgd worde, opdat hij zijne vruchten spoedig aan eene markt kunne

brengen, vanwaar dezelve naar buiten worden verzonden.

Door de ruime waterberging, waarvan voortdurend, en niet slechts

tijdelijk, gebruik zal kunnen gemaakt worden, moeten de uit- en

afwateringen van zelve verbeteren. Het gevolg daarvan zal zijn, dat de

lasten, die op eenen polder drukken, door de verbeteringen minder zwaar

zullen vallen, ja zelfs ook verminderd zullen kunnen worden. Het zijn de

grondlasten niet alleen, het zijn de polderlasten, met dijk-, kaai- en

molengelden, die het meeste drukken.

Zijn eenmaal vele der thans bestaande dijken overbodig geworden,--als de

afwateringen op eenen verbeterden voet zullen gebragt, en in het gebrek

van hooi voorzien zal zijn, dan zullen, naar ons inzien, nog minder

redenen bestaan, voor graan-protectie-wetten.

Naar onze wijze van zien, is het verkeerd gehandeld van grondeigenaren

en landbouwers, den invoer van vreemd graan te beletten; daardoor wordt

de uitvoer van vele onzer eigene voortbrengselen belemmerd; te meer,

daar er verschillende soorten van graan zijn, welke ongeschikt zijn, om

zonder vermenging met andere gebruikt te worden.

Vroeger voerde men Oost-Zeesche tarwe met Groninger koffen aan; het

Groninger product vond mede zijnen aftrek te Amsterdam; daar verstond

men de kunst, om geschikte meleringen voor de verschillende markten

te maken, en door dezelfde Koffen welke het vreemde graan aangevoerd

hadden, werd dit, met het inlandsche vermengd, weder uitgevoerd en de

schepen vonden retourladingen met wijn, olie, enz. Toen ten tijd bragt

de tarwe prijzen op, waarover de landbouwer zich niet beklaagde en niet

beweerde, dat hij ondersteuning behoefde.

Daarbij leert de ondervinding, dat de slechts producerende en niet

handeldrijvende landen in geenen deele bevoordeeld zijn. Zij staan

doorgaans te veel bloot aan den wisselvalligen aftrek hunner produkten,

en moeten dezelve somwijlen jaren achtereen op elkander gestapeld houden

liggen, wanneer de oogsten overal overvloedig zijn, en dan heerscht in

die slechts producerende landen armoede en nood. Polen en Oost-Pruissen

leveren geenszins de bewijzen op van grootere welvaart, ofschoon zij de

voorraadschuren van Europa waren.

Daarenboven mag men de geheele bevolking van een land, ter gunste van

weinigen niet dwingen, om een onsmakelijk voedsel te gebruiken, dat

de bestanddeelen van goed voedzaam brood (de eerste levensbehoefte)

mist, door dwang duur betaald moet worden, en waarop bovendien zware,

zoo Rijks- als stedelijke-accijnsen drukken, zoodat de reeds karige

genietingen van een groot gezin al meer en meer moeten verminderen.

De scheepsbouw en scheepvaart geven brood in het Groningerland aan eene

aanzienlijke menigte ambachtslieden en varensgezellen, en deze hebben

ook regten, die geëerbiedigd moeten worden, zoowel als de graanhandel,

waarmede het bestaan van duizenden gemoeid is. Handel en scheepvaart

moeten vooral in ons beperkt land, dat met zulken enorm grooten

schuldenlast bezwaard is, den landbouw schragen, terwijl door dezen

den aftrek der produkten bevorderd moet worden, en de stadbewoner, die

het grootste gedeelte der opbrengsten betaalt, heeft van regtswege

aanspraak, dat men hem dus ook de middelen niet ontneme, waardoor hij

de lasten kan betalen.

Treurig genoeg ziet men bij onze verminderde scheepvaart een

verschijnsel, dat het ontegensprekelijk bewijs is, hoe alles ten onzen

nadeele omgekeerd is. Bij de aanzienlijke hoeveelheden spek, die ons

Groningen, Overijssel, Drenthe en Gelderland leverden, hadden wij nog

behoefte aan toevoer uit Westphalen en Pruissen, doch thans leveren

ons die gewesten dit niet meer. Bij den meer levendigen handel van

Hamburg en Bremen, en de aldaar steeds toenemende scheepvaart, gaan de

verzendingen van spek enz. daar heen. Rijn-Pruissen, dat ons vroeger

gaarne voor zag, trekt nu, bij meerdere welvaart aldaar, het spek uit

onze provinciën, hetwelk wij vroeger voor onze eigene scheepvaart niet

konden ontberen. Het moge den landbouwer onverschillig zijn, waar zijne

producten blijven, wanneer hij maar gelegenheid heeft, dezelve te kunnen

verkoopen; doch zoodanige verschijnselen, welke ten duidelijkste eene

geheele ommekeer van zaken doen blijken, behoort de hooge regering met

geen onverschillig oog te blijven aanzien. Het levert de onbetwistbare

bewijzen op, hoe ten onzen nadeele de zaken veranderd zijn, en welke

treurige gevolgen dit moet hebben; zoodat alle middelen dienen te worden

aangewend, om het kwaad zooveel mogelijk te keeren.

Een punt, dat betrekking heeft op al de bij de uitwateringen te

Zandpoort belang hebbende districten, is, dat de sluizen aldaar niet

alleen zouden gelegd worden, om het buitenwater bij hoogen vloed te

keeren, maar te gelijker tijd, om ook het rivierwater op te kunnen

houden, opdat er niet te veel van afloope. Zoo kan het ook dienstig

zijn, in drooge zomers, wanneer er gebrek aan water in Noord-Holland is,

om het van boven afloopende zoete water, in de sluizen te leiden, alwaar

men anders wel genoodzaakt is, zich met zout water te behelpen, dat

allernadeeligst is voor de kaasmakerij.

De ringvaarten zullen van onberekenbare dienst worden, voor onze kleine

steden met hare onbruikbaar gewordene havens; het zijn niet alleen de

West-Vriesche steden, die door het verslibben harer havens haren handel

en hare welvaart zagen verdwijnen, maar ook de ingang van de Eem zal

verbeterd worden, als ook de havens van Harderwijk, Elburg, Vollenhoven,

en eenige meer, waar lokale omstandigheden en gebrek aan middelen

beletselen zijn.

Zeer dikwijls liggen zoovele landen om den Eem, op het Kamper eiland, om

de geheele kust en binnen de provincie Overijssel, bij hooge vloeden,

tot laat in het voorjaar onder water; dan dringt de zee langs den

kronkelenden IJssel en het Zwolsche Diep, tot ver landwaarts in,

benadeelt den hooibouw, en rigt wijd en zijd ontzettende verwoestingen

aan, hetwelk door onze voorgestelde bedijkingen voor immer gekeerd

wordt. Die vloeden, door opstoppende winden veroorzaakt, zullen geene

schade meer kunnen toebrengen en de verwachtingen van den landman op

eenen goeden oogst niet meer bedreigen.

Door de ringvaarten, die voorbij Amsterdam op het Zeekanaal uitloopen,

zal de IJssel zelf, tot bij Kampen, een beter verhang tot in de Noordzee

verkrijgen en wel van vijf duim op elk uur gaans, welk verhang gelijk

is aan dat bij de brug voor Kampen; en bovendien zullen de sluizen in

de ringvaart, bij Stavoren en Enkhuizen van groot nut zijn, voor den

IJssel. Het Zwolsche-Diep en het waterrijk Drenthe, tot aan de Vriesche

kust toe, zoo ver de eerste indijking zoude strekken, wordt ook daardoor

voor overstrooming beveiligd.

Eene ramp, zoo als men die in het jaar 1825 beleefd heeft, toen het

water omtrent 2 ellen hoog binnen de stad Meppel, en in hare omstreken

stond en deze alsmede genoegzaam geheel Overijssel eene verwoesting

ondergingen, waarvoor jaren benoodigd waren, om de geledene schade te

kunnen herstellen, had men niet meer te duchten.

Ware eenmaal de indijking van Enkhuizen op Stavoren volbragt (het

daarbij te laten berusten, ware maar half werk), dan konde men aan

de niet minder gewigtige indijking van het overige gedeelte van de

Zuiderzee en de Wadden beginnen, dat met minder kostbaren aanleg even

goede uitkomsten zouden opleveren, Vriesland werd daardoor tot op

eenen aanmerkelijken afstand van de Zee verwijderd, en hare op vele

plaatsen thans zorgwekkende dijken, werden dan geheel overbodig. Het

onderhoud daarvan verviel, hare beemden voor veeteelt, koolzaad en vlas

werden aanzienlijk uitgestrekt, en zij genoot, even als alle andere

districten, al de weldaden, welke door verbeterde afwateringen en

watergemeenschappen te verkrijgen zijn. Vele harer uitgestrekte veenen,

waren met beter gevolg dan nu te bewerken, en vele van derzelve meren,

en plassen, zouden alsdan met voordeel droog gemaakt kunnen worden,

waardoor hare toenemende bevolking mede gelegenheid vond, om een ruim

bestaan te verwerven.

Wij zouden vreezen, door eene herhaalde opsomming van aldaar te

verkrijgen voordeelen, den geachten lezer te vermoeijen; maar wij

moeten er thans op wijzen en dringen er op aan, dat men de zaak ook in

Vriesland en op de Eilanden in rijpe overweging neme. Wij twijfelen

geenszins, van ook daar vele warme voorstanders te zullen vinden, welke

het niet bij overlegging zullen laten, maar mede helpen bijdragen tot

derzelver verwezentlijking.

Ook de daar te graven ringvaarten en kanalen zullen volledige

waterberging geven, die 13,000,000 kwadraat-ellen beloopen; wij kregen

alsdan daarvoor een geheel van 3600 bunders oppervlakte, dat den meest

bezorgden daarover reden tot tevredenheid kan geven, ofschoon wij

gelooven, dat, na volbragte droogmaking, de ringvaarten en kanalen,

als eigentlijke boezems overbodig zullen zijn; terwijl de verhangen,

naar gelang der winden, zoo krachtdadig om het noorden, het westen en

zuidwesten zullen kunnen werken, dat er altijd van de eene of andere

zijde, zoo niet overal te gelijker tijd, genoegzame afloop van water

zal plaats hebben, waarvan al de belendende provinciën partij zullen

trekken.

De IJssel was altoos, en blijft bij gewonen waterstand op de rivieren de

Waal en Rijn, de oorzaak van groot verlies van water op dezelve.

Alle waterbouwkundigen begeerden veel water op den Rijn en op de Waal,

om daardoor meerdere schuring en mindere aanslibbing te bekomen.

Overijssel verlangde zulks mede voor den IJssel en heeft dat dan ook ten

koste der hoofdrivieren verkregen of genomen, en wel door middel van

eenen scheppenden arm of kribwerk boven aan den monding van den IJssel

te leggen. Door die bekribbing echter werd de laatste doodsteek aan Rijn

en Waal gegeven, en Gelderland en Overijssel veel schade, door te veel

toevoer van water, toegebragt.

Het eerste ontwerp voor de bedijking der Zuiderzee, 1848 · 第 9 / 13 段