Wij achten, op weinige bladzijden na, onze denkbeelden, omtrent de

droogmaking van de Zuiderzee zooveel noodig ontwikkeld te hebben. Vele

geleerden zullen zich welligt omtrent den inhoud bedrogen vinden, dewijl

ons geschrijf geenszins een technisch betoog is, zooals men later

welligt van eene meer bekwame hand dan de onze zal kunnen verwachten,

doch dit was ons doel niet. In zoodanige werken, komen statistieke

tabellen en waterbouwkundige opgaven te pas, die zulk een werk zeer

kostbaar en zeer droog voor den lezer maken, waardoor de schrijver bij

deskundigen veel eer en roem verkrijgt; maar waarbij het algemeen minder

belang heeft. Er is ook veel tijd toe noodig, benevens de toegang tot

bureaux en archieven, al hetwelk ons ontbroken heeft; en toch hopen wij

meer nut te stichten, dan anderen, met beter verstand en meerder moeite.

Wij hebben de voordeelen, welke uit de droogmaking van de Zuiderzee en

het IJ en de daar te stellen kanalisatiën zullen ontstaan, zoo kort

doenlijk voorgesteld. Alle provinciën, steden en dorpen, welke met de

voorgestelde onderneming in aanraking komen, zullen de meest gewenschte

verbeteringen en voordeelen kosteloos verkrijgen, waaraan wederom andere

voordeelen verbonden zijn. Tot de noodzakelijkheid der droogmaking toe,

en het te keer gaan van verdere verwoestingen en schaden, hebben wij

bewezen.

Wij hebben nu nog te betoogen, dat aan de voltooijing van een zoo

nuttig en wenschelijk werk geene moeijelijkheden in den weg gelegd,

noch dat hetzelve door nuttelooze vertragingen moet opgehouden worden.

Buitengewone omstandigheden vorderen buitengewone maatregelen, en waar

zulk een voorstel als dit te berde komt, zal men op middelen bedacht

moeten zijn, om buiten den gewonen vorm van den tragen gang der

administratiën in het behandelen van zaken, den spoed en de medewerking

van alle zijden in te roepen, om alle hulp aan de des benoemde

commissie van onderzoek te verleenen; waartoe mondeling, in stede van

schriftelijke antwoorden, meer bevorderlijk zullen kunnen zijn. Kleine

gekwetste belangen zullen zich om billijke vergoeding mogen aanmelden,

die hun ook zullen geworden; zij mogen staande het onderzoek echter

geene beletselen zijn.

Voor het algemeen belang gelooven wij te mogen beweren, dat er geene

nuttelooze bemoeijelijkingen in den weg gelegd zullen worden, noch dat

men vertragende belemmeringen in de werkzaamheden zal ondervinden.

Het is de onmiskenbare bedoeling van de hooge regering, dat

particulieren, zich tot uitgestrekte ondernemingen ten algemeenen nutte

vereenigen, en van daar de wet (het besluit) van den 6 Junij 1840, welke

aanmoedigen zoude, alles, wat wij voorstellen te ondernemen. Zij wilde

uitgestrekte woeste gronden ontgonnen hebben, zij wilde zeeën ingedijkt

en drooggemaakt zien, zij wilde dat stroomen verbeterd en verlegd en

nieuwe daargesteld werden,--nu komt een voorstel, dat dit alles omvat,

en waarvan de uitvoerbaarheid mogelijk is.

De departementen van financiën, oorlog, marine en binnenlandsche zaken;

provinciale, plaatselijke en polderbesturen; water- en heemraadschappen,

en kamers van koophandel zullen geene bezwaren kunnen opwerpen, die

niet kunnen opgelost worden.

Al deze ministeriëele departementen, hooge collegiën en achtbare

besturen, zullen een votum van goedkeuring kunnen uitbrengen, en de

hooge regering in staat stellen, hare bekrachtiging te verleenen,

aan een ontwerp, hetwelk zulk een alles omvattend, zulk een afdoend

redmiddel is, hetwelk strekken zal tot de physieke verbetering van ons

vaderland, en waardoor de welvaart der ingezetenen zoo krachtig zal

bevorderd worden.

Naar alle, om dit werk gelegene, markten zullen (hetzij dat de

uitgestrektheid in te dijken grond al of niet eene op zich zelve staande

en beheerde provincie zal worden) en van die gronden voortkomende

producten, welke millioenen guldens zullen bedragen, toevloeijen,

van die markten uit zal ook in de groote en vele behoeften, der nieuwe

provincie moeten worden voorzien. De omzettingen van zoovele millioenen,

zullen op al die markten, bloei en welvaart achterlaten. Bij den

daardoor ontstanen handel voegen zich voor de belendende provinciën en

steden de voor hun kosteloos daar te stellen verbeterde gemeenschap en

afwateringen, met nimmer gekende en hoogst verbeterde waterberging bij

hooge vloeden; herstel van havens met gewenschte diepgaande kanalen

tot in de Noordzee, behalve een aantal nieuwe veilige land- en

binnenwaterwegen, welke een onderling verkeer zullen openen, die het

vertier zullen vergemakkelijken, en waardoor alle provinciën, tot

elkander in ligging zullen verbeteren.

Geen stad, dorp of vlek, in de nabijheid van dit groote werk gelegen,

die niet hun wel begrepen belang er in zoude erkennen, en alzoo niet

mede zoude werken, om alles te bevorderen, wat tot de spoedige

daarstelling van de geheele onderneming kan strekken.

Geen polderbestuur, water- of heemraadschap, dat in zijne regten

bemoeijelijkt zal worden. Hunne thans vermenigvuldigende zorgen tot

bestrijding van steeds stijgende kosten zullen verminderen. Hunne

waterloozingen zullen door krachtig werkende sluizen spuijen. Door de

gedurig in de ringvaarten afloopende boezems zal geen molen meer tot

stilstand worden gedwongen, wanneer er aan malen behoefte is, terwijl

thans de wind vaak nutteloos door de hekken speelt.

Men zal geen overloop of doorbraak van dijken meer te vreezen hebben,

noch bezorgd behoeven te zijn voor verslibbing van de sluizen, van

havens en uitwateringen door de krachtig werkende verhangen in de

Noordzee, langs nieuwe en verlengde stroomen. De instandhouding der

veiligheid van alle werken aan dijken, havens en sluizen zal gewaarborgd

zijn. Al de thans kostbare en moeijelijk in goeden staat te houden

zeeweringen, worden in beschermingswerken voor den droog te houden grond

in de Zuiderzee veranderd. Grooter bewijs voor de alsdan te verkrijgen

veiligheid is wel niet te bedenken. De oude zeedijken, monumenten van

voorouderlijke vlijt en inspanning, zullen dan eene tegenovergestelde

dienst verrigten: zij zullen weelderige beemden beschermen, waar eens

menig rijmelaar kwinkeleren zal!

De kamers van koophandel zullen met levendige vreugde een ontwerp

omhelzen, dat door Nederlanders is ontworpen, en overwaardig, om ook

door Nederlanders te worden ten uitvoer gebragt; een ontwerp, hetwelk

eene levensvraag voor de financiën, den handel en de scheepvaart,

fabrijken en landbouw is. Wij laten gaarne aan betere beoordeelaars, dan

wij zijn, de taak over, al de voordeelen te berekenen en aan te wijzen,

welke de verwezentlijking van dit belangrijk ontwerp zal ten gevolge

hebben.

De waterstaat zal hare zorgen verligt vinden, omtrent zoo vele

belemmerde afwateringen, in de bestrijding van kosten tot jaarlijks

onderhoud aan slechts ten halve werkende middelen van zeeweringen, ter

voorkoming van afspoelingen en verplaatsingen van land, welke thans

zoo vele bekommeringen opleveren, en die alsdan van zelf ophouden te

bestaan. Ook die waterstaat zal gaarne een plan bevorderen, waar de

waterbouwkunde tot volksgeluk zal bijdragen. In den roem, dit werk te

hebben helpen voltooijen, zal dit ligchaam deelen, terwijl het door ons

altijd voor wenschelijk wordt gehouden, dat uit haar midden ons een

commissaris worde toegevoegd, die, door zijne kunde en zijn beleid veel

zal bijdragen tot bevordering van het doel, en tevens alle bestaande

regten en belangen zal kunnen voorstaan, waar het zaak is, het goede met

het nuttige te verbinden. Het is niet te betwijfelen, of dit ligchaam

zal volijverig willen medewerken, om deszelfs alouden roem in de geheele

wereld te blijven handhaven.

Het ministerie van binnenlandsche zaken zal zich verheugen, dat het

overal de thans bestaande zorgen ziet wijken, die door de steeds

toenemende armoede worden verwekt. De aan hetzelve gerigte rapporten

van provinciale staten, zullen dan van alle kanten te gewagen hebben

van bedrijvigheid en neringen, van trafijken en fabrijken.

Het ministerie van oorlog zal zijnen werkkring doelmatig uitgebreid

zien, door den aanleg van verdedigingswerken aan nieuwe havens, die tot

roem van de landmagt zullen kunnen verstrekken, waar de kunde onzer

Genie, zonder belemmeringen, zal kunnen uitmunten in hare keuze van

terrein voor vestingwerken op te werpen, waar zij blijken kan geven,

eenen COEHOORN te overtreffen.

De marine zal in het bezit worden gesteld van meerdere en diepere

havens, met eene onaantastbare zeehaven voor de stad Amsterdam, waar

daarenboven de groote werf, thans genoegzaam slechts tuighuis en door

verslibbing ontoegankelijk, weder in hare behoeften, als vroeger, zal

kunnen voorzien.

Van voor de stad Amsterdam zal het grootste linieschip, onbekommerd

omtrent diepgang, toegerust, gewapend en bemand, zee kunnen kiezen.

De marine zal ook hare medewerking niet ontzeggen; bij toenemende

scheepvaart wakkert ook de marine aan, daar, in tijden van gevaar,

de eerste de steun voor de laatste wordt, om haar wederkeerig te

beschermen.

Door voorspoed en vermeerderden handel vermenigvuldigt de koopvaardij en

groeit de marine aan. Hare thans karige budgetten zullen onbekrompen

kunnen worden. Door meerdere koopvaardij- en meerdere oorlogschepen zal

de schoone hollandsche vlag zich alom in verwijderde zeeën en havens

ontrollen en golven.

De tijden kunnen komen, dat wij weder mannen als DE RUITER en TROMP

noodig hebben tot verdediging van onzen handel en van onze koloniën,

en dan zijn zoo veel onaantastbare havens een eerste vereischte; dit

bewijzen ons de schatten, welke door onze naburen met verkwistende

handen daaraan besteed worden, en die, door verwezentlijking van ons

plan, voor onze marine kosteloos zullen worden verkregen.

De inkomsten van het departement van financiën zullen door spoedig

vermeerderende opbrengsten, door den meerderen omloop van geld, door

handenarbeid verkregen, en door de gevolgen der indijking worden

vermenigvuldigd.

Het crediet van den Staat vindt eene grootere waarborg in de

vermeerdering van het nationaal vermogen, in de meerdere welvaart en

weelde, die de onafscheidbare trawanten van bedrijvigheid zijn.

Het departement van financiën kan eene bron in de zee, welke zoo mild

voor hetzelve zal vloeijen, niet willen verstoppen.

Al deze staatsmagten, elk hunner afzonderlijk voor hare belangen naar

één doel strevende, vormen een geheel, hetwelk de Hooge Regering

gunstig zal doen stemmen voor een ontwerp, hetwelk onafzienbaar, zoo in

dadelijke voordeelen als in de gevolgen, voor haar is. Voorzeker eene

bemoediging in den druk van dure tijden, tijden van werkeloosheid en

verslagenheid voor velen, eene reden van verstomming voor hen, die de

krachten van het volk anders zouden willen aanwenden, dan tot werkdadige

verbeteringen,--verbeteringen, te groot en te veel, daadwerkelijk en in

de gevolgen, om door den grootsten staatsman in eens te kunnen omvat en

omschreven worden, die in eene betere toekomst voor onze natie liggen

verborgen.

De gunstige gevolgen nagaande, welke wij met zekerheid door het indijken

en droogmaken van de Zuiderzee in derzelver geheelen omvang, door het

daarstellen van zoo veel kanalen, door den aanbouw der gronden in die

zee zullen verkrijgen, hebben ons den tegenwoordigen toestand van ons

Land meer leeren kennen en doen overwegen.

Nederland is dat niet meer, wat het vroeger was, wat het nog zijn

kon en zijn moest. Dat, wat de wangunst van vreemden beoogde, wat de

mededinging van andere volken zocht te bewerken, is schier bereikt. Onze

ontzaginboezemende magt is verdwenen; onze grootheid en invloed naar

buiten zijn te niet; vele onzer koloniën zijn ons ontnomen; weg zijn

onze wereldhandels-vloten, met oorlogsmagt bemand; weg is die stoute

ondernemingsgeest van vroeger, die in 1814 nog eens weder herleefde; weg

is onze voordeelige ligging aan de zee, waarin weleer zich rivieren

loosden, welke men thans ontberen wil, en vroeger niet ontberen kon,

dewijl zij door verslibbing harer beddingen en mondingen onbruikbaar

worden, en door tijd en kosten verslindende kanalen zijn vervangen. Wij

staan ten achteren met onze wegen van vertier--en te laat vatten wij den

stoom aan, die wegen baant, zonder afstanden te kennen.

Wat moet er van Nederland worden, bij de mededinging, en bij die betere

wegen van vervoer onzer naburen?

Nederland, overvleugeld door magt, bedreigd door zeeën en rivieren,

doorweven van kostbare waterkeeringswerken, zoo naar binnen als naar

buiten bezaaid met sluizen en wateropvoerings-werktuigen, welke in

ligging, aanleg en onderhoud te kostbaar, en in uitwerking te kort

schietend bevonden worden, waardoor zij hun doel misten; de gronden

verachteren, en de landbouw, met de lasten daarvan bezwaard, tegen meer

bevoordeelden magteloos zich zoekt te verheffen; waar ontoereikende

middelen ter verbetering der hydrauliek aangewend, waar kosten tot

herstel ontzien worden, en de physieke toestand niet verbetert.

Het komt ons thans meer dan immer te pas, het goed bevonden voorbeeld

onzer voorouders na te volgen, en den grond aan de Zuiderzee te

ontwoekeren, dien deze ons ontnam,--ja zelfs meer dan zij ons ontnam, en

den herwonnen, ons ontroofd geweest zijnde grond, tot een schoone parel

aan onze kroon te maken, kostelijker dan die, welke haar thans omringen.

Op dien grond, zoo vruchtbaar, zoo edel, zal onze overbevolking gedijen,

die nu een last, maar dan eenen zegen wordt. Onze kinderen zullen het

vaderland niet verlaten, om te vergeten, dat zij Nederlanders waren.

Door aanwinst van land zullen wij onzen landbouw verbeteren, of door

afwatering verrijken. De landbouw zal alsdan de middelen verschaffen,

waardoor de fabrijken op vertier naar buiten kunnen werken, en met

vreemden zullen kunnen concurreren, zoo doende zullen landbouw en

fabrijken, geschraagd door handel en scheepvaart, wederkeerig handel en

scheepvaart schragen.

Door onze verbeterde gemeenschap met de zee- en handelskanalen, door

verbeterden landbouw, door bloei van op onzen grond te huis behoorende

fabrijken, die geene behoeftige bevolking aankweeken, en door

bloeijenden handel, zullen wij ons voor andere volken onmisbaar maken,

en door het belang dat zij bij ons hebben, hen tot onze vrienden maken,

en tot hunnen spijt blijven bestaan, die den ons zoo dierbaren grond

gaarne zagen verslinden, om van Keulen af den Oceaan te kunnen bevaren.

Wij herhalen het, Nederland kan door inspanning van krachten, een

gelukkig land worden. Het is voor hetzelve eene levensvraag, behalve

de aanwinst van eene rijke provincie, verkorte gemeenschap met de zee

daar te stellen, welke door mindere kosten, af- en aanvoer aanwakkeren

zullen. Het is eene levensvraag om aan den gezonken handel, scheepvaart

en landbouw, nieuwe bronnen van welvaart te verschaffen, daarbij den

bloei van fabrijken verzekerende.

De aanwinst eener schoone en kostelijke provincie ligt in ons bereik,

over welker in bezitneming, wij met geene vreemde mogendheden zullen

hebben te onderhandelen; waartoe slechts de wil noodig is, om ze de onze

te maken.

Deze schoone taak op ons nemende, dat grootsche werk voltooijende,

daarvoor worden de inspanning van krachten en de gemaakte kosten

rijkelijk vergoed, het late nageslacht zal er ons voor zegenen.

Het zal aan onze verguisde natie achting en ontzag hergeven.

De invloed zal moreel en physiek zijn: moreel omdat onze werkzame geest

stof tot werk zal vinden; physiek daar onze gesteldheid alom zal

verbeteren.

Wij dragen met vertrouwen op de uitvoerbaarheid een ontwerp voor, dat

reeds vroeger had moeten verwezentlijkt zijn, dat door zijne gevolgen

reeds nu zijnen zegen over ons land had moeten verspreiden.

Waande eens NAPOLEON den Helder tot eene oorlogs- en zeehandelshaven te

kunnen verheffen, hij zag de reeds lang gebouwde wereldstad over het

hoofd, waaraan alleen het Zeekanaal ontbrak, om hare veilige en

onaantastbare haven te naderen, van waar zegen en voorspoed alom

verspreid werd, en wederom zal kunnen verspreid worden.

Eenmaal zal alsdan door de stad, welke thans ontvloden wordt, wegens

gebrek aan versche lucht, aan water en aan vertier, de Rijn kunnen

stroomen, en zal hare sluimerende grootheid weder ontwaken.

Wien het geluk van Nederland ter harte gaat, en gelooft meerder voor

hetzelve te kunnen verrigten, wijze iets beters aan, dan de droogmaking

der van ouds genoemde Goudzee met zeehavens en kanalen, zoo onmisbaar

voor landbouw, fabrijken, handel en scheepvaart, een spoorslag en

ontwikkeling gevende, waardoor Neerlands crediet, roem en eer

gewaarborgd worden en LEEGHWATERS spreekwoord bewaarheid:

_Als het water is aan kant,

Is de vijand uit ons land._

BIJLAGE I.

ONTWERP

VAN

INDIJKING EN DROOGMAKING

VAN EEN GEDEELTE

DER

ZUIDERZEE

VANAF ENKHUIZEN TOT STAVOREN

EN

INDIJKING EN DROOGMAKING

VAN

HET IJ

EN

ZEEKANAAL VAN AMSTERDAM TOT IN DE NOORDZEE.

Korte omschrijving.

De bedoeling is voorhands een gedeelte van de Zuiderzee in te dijken

en daaraan is vooral in het belang van de Stad Amsterdam van daar een

kanaal, langs Zandpoort tot in de Noordzee lopende, verbonden, waardoor

schepen van grooten diepgang, met ongebroken last binnen weinige uren de

Stad zullen kunnen naderen.

Men zoude beginnen met het Zeekanaal dat eenen aanvang nam bij het

Westerdok, in eene regte lijn binnen- en buitendijks op Halfweg

aanlopende, en van daar langs Spaarndam op Zandpoort, op 500 ellen

afstand van het kasteel van Bredenrode; hier werden schutsluizen gelegd,

met nog overlaten ter weerzijde, van valraketten voorzien, om bij magtig

opperwater eenen geregelden afloop daarvan te verzekeren, voorts worde

van af die sluis in eene regte lijn door de duinen heen doorgegraven tot

in zee, in de richting van mijlpaal No. 57.

Men stelt voor aan het geheele kanaal eene diepte van zeven ellen

beneden Amstelpeil te geven, wordende hetzelve buiten bij de sluizen

beginnende 300 ellen wijd en in de in zee te leggen hoofden 350

ellen, waarbij 100 ellen voor overlaat, 50 ellen aan weerszijde.

Het binnenkanaal worde boven 300 ellen wijd, latende daarvan aan

weerszijden 50 ellen breedte, als uiterwaarden, dienende om bij hoogen

binnenwaterstand als waterberging en meerdere ruimte tot afloop van

water te verstrekken, blijvende het eigentlijke kanaal alzoo 200 ellen

wijd.

Wanneer dit werk voltooid is, wordt er een afdammingsdijk gelegd in

het IJ, van af het Westerdok in rigting op de Willemssluis van het

Noordhollandsche kanaal. De geheele uitgestrektheid van het IJ, aldus

ingesloten, stelt men voor droogtemaken, en daarin twee kanalen te

graven, waarvan er een bestemd is voor de vaart van af Nauerna op

Spaarndam 15 ellen wijd en een van Zaandam op Halfweg aan, wijd 50

ellen, terwijl er tevens eene ringvaart gemaakt wordt van af te

Beverwijk op Spaarndam aan, daar en voorts overal om het IJ alle

bestaande regten en uitwateringen opnemende.

Men blijve met het kanaal op eenen afstand van 500 ellen van de sluizen

van Rijnland te Halfweg en Spaarndam, die als dan zoo werkeloos als

thans niet zouden blijven, daar men het verhang bij gewoon getijde van

Amsterdam tot in de Noordzee bij Mijlpaal No. 57 op minstens eene el

berekenen kan en dat van het grootste gewigt voor Amstelland, de stad,

Noordholland en de droog te maken Haarlemmermeer en Rijnland is.

Na de daarstelling van bovengenoemde werken, welke eene oppervlakte

na de droogmaking van ruim 8000 bunders zoude beslaan, allen van de

vruchtbaarste slibgronden, als mede, hier niet onder begrepen, eene

strook der allodiale gronden in de duinen, langs het kanaal op ½ uur

breedte ter wederzijde ter bebouwing aangekocht hebbende, worde er

met de voorbereidende maatregelen voor de indijking der Zuiderzee

begonnen. Deze bestaan in het daarstellen van ringvaarten om de geheele

uitgestrektheid der kust, zoo Westvriesche tot Enkhuizen, als om de

andere zijde, langs alle de aan zee gelegene steden, tot aan Laaksum,

een gehugt in de nabijheid van Stavoren.

Deze ringvaarten die meerendeels binnen de bestaande dijken aangelegd

zouden worden, om buitendijks voor de havens uit te komen, dienden

om de gemeenschap met die havens van uit de Zuiderzee open te

houden, voorziende die ringvaarten bij Enkhuizen en bij Stavoren

van schutsluizen. Behalve het onderhouden der watergemeenschappen

werden de ringvaarten ook dienstig om alle de uitwateringen der

stroomen, rivieren, beeken enz. op te nemen, wier afloop verzekerd

wordt door die ringvaarten op het zeekanaal en ook naar gelang der

winden, door de sluizen, die bij Enkhuizen en Stavoren zullen worden

gelegd. Daar er door het Noordhollandsche kanaal en verder door tot

Edam eene voldoende vaart bestaat, zoo is er geene behoefte daar eene

ringvaart te graven. Er worde dan eerst eene vaart gemaakt ter wijdte

van 30 ellen en 5 ellen diep, buitendijks van af Edam langs Oosthuizen

tot aan het Galgenwater bij Hoorn, van daar binnendijks tot voor Hoorn

buitendijks, met een basin of kom voor de scheepvaart voor die stad,

om te Enkhuizen te eindigen. De ringvaart die om de oost van de Zee

gelegd worde, kreeg tot aan de Steenenkamer boven Nijkerk, eene breedte

van 200 ellen, met inbegrip van 100 ellen overlaat of uiterwaarden met

5 ellen diepte en zoude van bij het polderhuis van Diemen beginnen, om

binnendijks doorgegraven, buitendijks voor Muiden uittekomen, van daar

worde voor Naarden heen op de Eem, voorbij Spakenburg en Nijkerk tot op

de hoogte van de Steenenkamer de rigting van het kanaal of ringvaart

gevolgd.

Nu echter moet men eene voldoende afwatering aan den Gelderschen

IJssel verschaffen, die bij gewoonen waterstand langs Kampen door

de ringvaart zoude kunnen loozen, doch bij hoogen waterstand in den

winter en voorjaarstijden ware dit ongenoegzaam en er dienen andere

voorzorgsmaatregelen genomen te worden. Het heeft zijne groote bezwaren

om den IJssel na de droogmaking der Zuiderzee daardoor te leiden,

daardoor werd ook niet in de thans bestaande behoefte voorzien. Men

heeft zich voorgesteld door meerderen afloop van water langs den IJssel,

meerdere schuuring aan de Ketel bij Kampen te bezorgen, dit is ook door

de bekribbing aan de monding boven, ontstaan, maar met welke noodlottige

gevolgen? dat men aan de Waal en aan den Rijn het voor hun zoo nodige

water tot instandhouding dier rivieren onttrekt en er te veel water op

den IJssel komt, zoo dat de uiterwaarden en de bouwlanden in Gelderland

en in Overijssel dikwerf laat in het voorjaar nog onderstaan, wanneer de

rivier bij Kampen reeds op eenen lagen stand gekomen is en de afloop

niet spoedig genoeg geschieden kan, om de schadelijke gevolgen der

overstrooming te voorkomen.

Men stelt voor om op nader aan te wijzen punten drie keersluizen in dien

IJssel te leggen met valraketten voorzien, om het nodige water voor de

scheepvaart op de rivier te behouden en winterdag de uiterwaarden met

slibwater te kunnen inunderen; de IJssel behield zoodoende zijne nodige

toevoeren van water en men gaf aan den Rijn en Waal hunne gekrenkte

regten terug; doch om de geheele Betuwe en de waarden benedenwaarts te

sekureren bij eventueele ijsverstopping bij hooge voorjaarsvloeden,

wordt er een regtlijnig kanaal vereischt, om als regelaar te dienen,

dit kanaal met zijne overlaten 200 ellen wijd van drie sluizen met

raketten voorzien, zoude beginnen op omstreeks een half uur beneden

Westervoort, door de bergen van Gelderland en de Veluwe in de rigting

van de Steenenkamer, om aldaar in de tweede ringvaart uit te wateren.

Het kanaal werd voor den Amsterdamschen Rijnvaarthandel zeer dienstig,

de Veluwe werd meer bebouwd en de gesteldheid onzer hoofdrivieren, die

zoo dringend voorziening behoeven werd verbeterd.

Na dit kanaal daargesteld te hebben of ook tijdens dien, worde de

ringvaart van 30 ellen breedte langs Harderwijk, Elburg, de Ketel,

Genemuiden op de Lemmer aan tot bij Laaksum in de nabijheid van Stavoren

vervolgd, voor alle de steden vrij verkeer en onbelemmerde afwatering

latende. Dit alles voltooid zijnde, worde de afdammingsdijk tusschen

Enkhuizen en Laaksum, over de ondiepten heen, die daar in de zee

menigvuldig zijn, gelegd en deze tot stand gebragt, worde de Zee

afgesloten door den dijk tusschen Durgerdam en het polderhuis van

Diemen, latende aldus in het IJ eene kom van omstreeks 1200 Bunders,

gelegen voor Amsterdam, die als maritime en koopvaardij haven eene der

veiligste, schoonste en ruimste in het Heelal werd.

Het eerste ontwerp voor de bedijking der Zuiderzee, 1848 · 第 11 / 13 段