op de garens. Zij hebben het verbeterde engelsche fabrikaat voor oogen,
en evenwel blijft men kammen zoo als voor eeuwen. Menig bemiddelde onder
hen, die kinderen heeft, is te beangst, om hen uit het vaderlijke oog te
laten gaan, of het komt in zijne gedachte niet op, hen naar Engeland te
zenden, om onderzoek te doen naar de wijze, waarop de Engelschen werken,
en betere artikelen kunnen leveren. Wij zouden nog eene reeks van
voorbeelden van gelijken aard kunnen bijbrengen, om te bewijzen, dat het
niet raadzaam is, om door verhoogde regten fabrijken te bevoorregten;
maar wel dat de wetenschappen aangekweekt en onder het volk verspreid
moeten worden, waardoor wij zullen worden in staat gesteld, om met
andere natiën te kunnen concurreren.
Men wordt hier met den vinger nagewezen, als men iets, zoogenaamd
nieuws, onderneemt, dat veelal jaren achtereen in andere landen bij
ondervinding is gebleken goed te zijn.
Waarom lijden sommige dier ondernemingen bij ons schipbreuk? Deels door
de traagheid der natie, welke eene afkeer schijnt te hebben van al wat
nieuw is; deels door eigenbelang; deels door gebrek aan behoorlijk
onderzoek en aan de noodige kunde van den ondernemer, om zelf te
oordeelen, zelf een wakend oog te houden op de werkzaamheden: deels
door te goed vertrouwen op de vreemden, waarvan sommige wel de noodige
bekwaamheden bezitten, doch ook vaak met ondeugden behebt zijn, om
welke zij hun eigen land, met betere inkomsten, hebben moeten verlaten;
deels, omdat bij ons werkvolk de ondersteuning, de bekwaamheid en de
lust ontbreekt, om de behulpzame hand te bieden.
Nog zeer kort geleden hoorden wij eenen thans overleden, met
ondernemingsgeest bezielden baron, die groote bekwaamheden had, laken,
om de (zoogenaamde zotte) nieuwigheden, die hij bij zijnen landbouw
had willen invoeren, zoo als verbeterde wijze van ploegen, zaaijen,
enz. De verdienstelijke overledene had zich vele verbeterde werktuigen
aangeschaft; maar alles bleef meest ongebruikt, omdat zijn volk dezelve
deels met vooroordeel, deels met tegenzin hanteerde.
Een onzer huishoudkundigen bezocht onlangs Engeland, en doorreisde
vooral zulke streken, waar de grond met de zijne niet verschilde. Hij
moest erkennen, dat men er ons verre vooruit was; maar had geene der
dáár met voordeel gebruikt wordende werktuigen mede gebragt, omdat zijn
volk er niet mede wist om te gaan, en hij, zoo doende, vergeefsche
kosten zoude hebben gemaakt.
Wilde men met voordeel op engelsche wijze, en met engelsche werktuigen
werken, dan zoude men eerst eenige jongelieden uit den boerenstand, daar
henen moeten zenden, om, onder eene verstandige leiding, in het werken,
en door te werken, onderrigt te genieten, waarvan dan hier voordeel
zoude kunnen worden getrokken. Dit zoude meer afdoen, dan het beschouwen
van de werktuigen, welke in onze landhuishoudkundige kabinetten voor
staatsie staan, en alle jaren eens voor de tentoonstelling worden
opgepoetst. Het naar Engeland zenden van jonge lieden, uit den
boerenstand, zoude thans aan niet veel zwarigheid onderhevig zijn,
sedert de engelsche nieuwsbladen ons berigten, dat, ten gevolge van
het aanleggen van zoovele spoorwegen, daar gebrek aan handen voor den
landbouw ontstaat. Het ware dus maar hoofdzakelijk de reiskosten; het
engelsch spreken leert men spoedig genoeg, voor zooverre het noodig is.
Bleef de natie in alles zich, als in hare zucht voor het oude, gelijk,
wij zouden dan vrij wat minder schatting aan de parijsche industrie
betalen, en de kosten der huishoudelijke ameubelementen en kleeding
zouden vrij wat geringer zijn; doch hierin is de zucht voor het oude
geenszins blijkbaar. Het zal eenmaal zoo ver komen, dat er geene
nationale kleederdragten in onze beschaafde wereld zullen bestaan; zoo
als men zich te Parijs kleedt, zal men zich op elk dorp ook moeten
kleeden. Wij zien het bewijs daarvan in de parijsche modeplaatjes, die
tot op de geringste dorpen toe voor de glazen prijken, waar maar een
kleêrmaker of artiste voor de dames woont. Dat men nu een winkelier,
madame, _tel et telle_ eert en acht, welke die modeartikelen, in groote
magazijnen, uit den vreemde ten toon spreiden, laten wij daar, maar dat
men den Hollander veracht, die door eigen vlijt onderneemt, om ook iets
nieuws daar te stellen, waardoor in die behoefte kan worden voorzien,
dit is onvergeeflijk.
Waren onze voorouders ook zoo aan het oude gehecht? Schuwden ook zij
de nationale uitvindingen, zoodat een uitvinder zich kwalijk, om
niet (impertinent) lastig te zijn, bij een groot heer durft te laten
aandienen? Haalde men bij hen ook voor een groot genie de schouders
op, die het een of ander durfde ondernemen? Van wáár dan die vele
ontdekkingen op het gebied van kunsten en wetenschappen, zoodat
zij de beste papierfabrikanten waren, de beste uurwerken en klokken
vervaardigden; hunne lakens boven andere de voorkeur hadden; niets hunne
bleeken evenaarde; dat zij de houtzaagmolens uitvonden, olieslagerijen,
lijnbanen, in de toenmalige hoogste volmaaktheid, bezaten, en het aan
ontdekkings-ondernemingen naar het Noorden en Zuiden niet ontbrak?
Van wáár, dat de trotsche, zich onoverwinnelijk wanende Spanjaard, als
hij den Hollander op zee ontmoette met de lont in de hand, liever in de
lucht willende springen, dan zich aan hem overgeven, om genade riep, en
zich, ofschoon eene groote overmagt hebbende, aan denzelven overgaf? Van
wáár, dat een CZAAR PETER DE GROOTE, naar ons land reisde, en er zijn
verblijf hield, om de scheepsbouwkunde te leeren?
Is het de regering, die de volksgeest niet weet te verheffen? of is het,
omdat het volk hoe langer hoe onverschilliger wordt, en denkt: het is
toch alles maar te vergeefs? Aan beide is het te wijten. De regering
acht zich veelal boven de voorstellen van den onderdaan verheven, en
de onderdanen handelen niet gemeenschappelijk, om hetgeen, wat nuttig
is en noodzakelijk wordt, voor te dragen en klem aan hare vertoogen te
geven, en die met vastberadenheid door te zetten. De regering stelt de
populariteit niet genoeg op prijs, verliest dezelve uit het oog, het
volk zwijgt, hetwelk verkeerdelijk als een blijk van goedkeuring wordt
voorgedragen; wat wonder, dat dus alles verachtert en het algemeen er
door lijdt?
Wordt er een of ander voorwerp of uitvinding aan het bestuur, tot
onderzoek, voorgedragen, en bereikt de daarbij belanghebbende zijn doel,
dat het door den Minister wordt aangenomen, zoo waant hij zich gered.
Hij dwaalt! De ambtenaar, aan wien nu de taak van het onderzoek wordt
opgedragen, is of traag, of bevreesd, dat hij, door het uitbrengen
van een op waarheid gegrond rapport, zich op de eene of andere wijze
compromiteeren zal, en stelt het in dier voege, dat er geen eigentlijk
besluit op genomen kan worden,--en de belanghebbenden ziet zijne poging
verijdeld! Vaak ook druischt eene uitvinding tegen wezentlijke of
vermeende belangen, van bij het bestuur aangestelden of magten in den
Staat en commissiën, aan; en dan, tenzij de uitvinder een man van gewigt
is, leiden de beste pogingen schipbreuk. Dat heeft men hier niet alleen
bij ondervinding, het schijnt overal het geval te zijn; vandaar dan ook,
dat vele uitvinders de vruchten van hun genie niet plukken.
Vervolgen wij nu den loop onzer gedachten, hoe de handel, door de
instandbrenging van ons plan, gediend zal zijn.
Men vergunne ons, den lezer nog eens nader toe te lichten, welk nut uit
de indijking van een gedeelte van het IJ getrokken zal worden.
Het voordeel, door de indijking van 8000 bunders beste kleigrond in het
IJ te verkrijgen, in stede van een, kosten zonder voordeel aanbrengend,
water te behouden, valt van zelf in het oog.
Amsterdam wilde vroeger nimmer gedoogen, dat de Slaperdijk verhoogd
werd. Het regt van zelfbehoud waande, dat, wanneer de Slaperdijk
overliep, de stad alsdan gered ware, even alsof bij eenen, door de
Voorzienigheid gelukkig altoos afgewenden, aanhoudenden storm en hoogen
vloed, er niet meer water uit de Noordzee in de Zuiderzee had kunnen
dringen, dan Rijn- en Delfsland kunnen verzwelgen, en dat dan Amsterdam,
bij de indringing van dat water, ook niet zou hebben kunnen of moeten
onderloopen. Er zijn nu nog menschen in leven, die zich het overloopen
van den nu verhoogden Slaperdijk herinneren, en die de schrik en ellende
kunnen beschrijven, door dit overloopen veroorzaakt. Het is ook nog in
veler geheugen, welke schade en ongelukken, door den hoogen vloed van
1825 in Noord-Holland en alom in ons Rijk veroorzaakt zijn; alsmede in
welken angst men later nog te Spaarndam en te Amsterdam heeft verkeerd.
Er kunnen weder stormen en hooge vloeden komen, en is dan ons plan
voltooid, dan kunnen wij die zonder bezorgdheid te gemoet zien, daar,
bij den overvloed van specie uit de diep te graven kanalen, breedere
en hoogere dijken, dan nu bestaan, zullen kunnen gelegd worden.
Men verbeelde zich eens, het IJ ingedijkt, zoo als wij zulks
voorstellen.
Er zouden alsdan drie wegen van gemeenschap met Noord-Holland komen,
waar er nu geen enkele is: men kwam van het Wester-dok naar het Tolhek,
van Zaandam op Halfweg, en van Nauerna op Spaarndam, zoodat men bij
ijsgang geene overtogten, van 4 uren van de Nieuwe Stads-herberg naar
het Tolhek, te vreezen had. Behalve langs de geregelde vaarten van
uit de Zaan, zouden 's winters langs die wegen de toevoeren van de
Zaanlandsche fabrijken, van vee uit Noord-Holland, en van de behoeften
naar de Zaan en Noord-Holland, met geringe kosten kunnen geschieden,
hetwelk nu dikwerf voor weken en maanden niet geschieden kan; en
wanneer het al plaats kan hebben, dan nog slechts met groote bezwaren,
vele kosten en oponthoud. Gelijk deze gemeenschap met Amsterdam
zoude verbeteren, vond zulks ook met Haarlem plaats; en is eenmaal
de droogmaking van het Haarlemmer-meer voltooid, dan worden daardoor
wederkeerige behoeften geboren, welke den weg en de vaart, van de Zaan
op Halfweg, van het grootste gewigt zoude doen worden, en Halfweg tot
eene plaats van levendig vertier maken, iets, dat voorheen niemand in de
gedachten kwam.
Ook het oponthoud, hetwelk onze binnenlandsche handel en scheepvaart
zoo vaak ondervinden, dat men, om oosten-wind en gebrek aan water, niet
van Spaarndam, noch van de Zaan weg kan komen, of dat men dikwijls dagen
achtereen moet blijven liggen, wanneer door hoogen waterstand niet
geschut kan worden, zou niet meer plaats hebben. Door al zulke nu zoo
veelvuldig in het najaar en in den winter plaats hebbende stoornissen
in de vaart, wordt zeer veel verlies geleden, dat, alhoewel niet
algemeen bekend, door de belanghebbenden, die het ondervinden, maar al
te goed kan beoordeeld worden, zoodat men met vreugde middelen zal zien
aanwenden, om zulk ongerief, waaraan groote verliezen verbonden zijn,
uit den weg te ruimen.
Men veronderstelle eens, alles bestond reeds, gelijk wij het hier
voorgesteld hebben. Nu kwam men op het denkbeeld, om, voor Amsterdam
eene waterberging behoevende (even als Rijnland het jaren lang heeft
doen voorkomen, daartoe het Haarlemmer-meer te behoeven, 1/3 van
Rijnlands geheele oppervlakte), die 8000 bunders schoone, vruchtbare
velden in water te veranderen, en dat men om dien boezem dijken moest
aanleggen met kostbare sluizen;--zoude men dan niet eene algemeene kreet
hooren opgaan? 8000 bunders best land aan de zee ter prooi te geven!
Dijken te moeten bekostigen, in aanleg en onderhoud bezwarende! De zoo
noodige land- en veilige watergemeenschap op te breken! De geregelde
drooghouding der landerijen binnen die dijken te beletten. Daardoor
duizende bunders land in moerassen te veranderen, dat toch het gevolg
moet worden, aangezien de boezem, na verloop van tijd, onvermijdelijk
zou moeten verslibben! Amstelland ook van geregelde spuijing te
berooven, en de stads-grachten, steeds van versch en goed drinkwater
voorzien, in zoo vele stinkpoelen te veranderen, waardoor men schuiten
water van elders zou moeten laten komen, en er sprake zou moeten zijn,
om kostbare waterleidingen te maken, die toch op de gewone wijze, met
veel overleggingen en veel praten, niet tot stand zouden komen!
Verbeeld u al deze niet overdrevene nadeelen,--welke te verhelpen zijn,
als men slechts wil,--die thans bestaan en van jaar tot jaar toenemen.
In het tot dus verre afgehandelde is er van zelf reeds veel sprake
geweest van de verbeteringen voor den landbouw, welke uit de exploitatie
van ons ontwerp zullen ontstaan; doch die landbouw is te gewigtig, en te
velen hebben er belang bij, om niet nog eenige bijzonderheden daarover
op te teekenen, waarbij de verbeterde waterloozing, door hare
wenschelijke gevolgen, den eersten rang bekleedt.
Wat men nimmer bevroedde, en waarvan men alzoo nimmer de gewenschte
gevolgen berekend heeft, is, dat door den krachtigen stroom, met grooten
diepgang en waterboezem voor de stad Amsterdam, geheel Noord-Holland
en Amstelland op Rijnlands-peil zullen worden gebragt. Wat weldaad
zulks voor Noord-Holland zoude zijn, zullen, onder meer anderen, de
Heer-hugowaard, de Schagerwaard en het district van Ierswoerde weten
te waarderen, welke alle afgesloten liggen van het Noord-Hollandsche
Amstel-peil, waardoor de Heer-hugowaard en de Schermer zooveel boezems
en strijkgemaal behoeven, die dikwerf niets baten.
Er moeten duizendtallen bunders op boezems uitmalen, welke ½ el lager
liggen dan het Noord-Hollandsche Kanaal. De nadeelen, welke daaruit
ontstaan, zijn niet te berekenen.
Hoe schrikkelijk werd men in de Heer-hugowaard, in het natte jaar
1841, geteisterd door gebrek aan uitwatering. Eens moest men tien
achtereenvolgende dagen den stevigen wind door de hekken laten waaijen,
daar de boezem boven peil stond, en men dus door de lagere ligging
niets kon ontlasten. De ellende in die polder steeg ten top; het water
stond er op eene el hoogte, zoodat die waard naar eene zee geleek.
Soortgelijke rampen waren voor immer geweerd en voorgekomen. De
noodzakelijkheid, om het Noord-Hollandsche Kanaal altijd op deszelfs
tegenwoordig peil te houden, verviel, daaraan was geene behoefte meer,
dewijl de groote en diepgaande schepen het Kanaal niet meer zouden
passeren, enkele gevallen uitgezonderd. Door het ontstane lagere peil
werd eene geheele streek van Noord-Holland, van Zandpoort af tot aan het
Buitenveld toe, van bemaling ontslagen.
Het is bekend, dat de sluizen van het Noord-Hollandsche Kanaal, aan het
Nieuwe Diep, vermogender zijn, dan al de andere sluizen in Noord-Holland
te zamen genomen. Hieruit nu mag men afleiden, dat de uitwatering door
het Zeekanaal in de Noordzee, die 14 à 15 uren nader aan den hoek van
Holland ligt, veel krachtiger zal worden, dan die aan het Nieuwe Diep,
terwijl ook nog dit nieuwe kanaal breeder en dieper wordt, en zich in
een magtiger buitenverhang verliest.
Bij den bloei van den groothandel, van de zeevaart en van de tallooze
fabrijken van vroegere dagen, lette men niet op den rijkdom van grond
aan de Zaan, even min als in vele andere provinciën van ons Rijk. Thans,
daar vele bronnen van welvaart aldaar verdwenen zijn, en daardoor de
armoede schrikwekkend toeneemt, zal men, bij eene verbeterde afwatering,
veel van die armoede kunnen keeren, en den last en druk daarvan kunnen
lenigen.
Genoegzaam kosteloos en onopgemerkt, zullen de nu moerassige landen
alsdan daar droog blijven. Die gronden zijn bij uitstek geschikt voor de
teelt van groenten en vruchten. Het is eene uitgestrektheid van duizende
bunders, en die uitgestrektheid wordt van zelf grooter, doordien men het
groote aantal van slooten en slootjes zal kunnen ontberen, hetwelk men
daar thans heeft.
Bij de daar te stellen scheepsgelegenheden naar buiten'slands, kan
men op eenen geregelden aftrek van allerlei vruchten, groenten,
gevogelte, eijeren, enz. rekenen. Met weinig moeite en kosten ware
alsdan veel te verbeteren. De polders van den Oost- en West-zaner-ban
zouden gevoegelijk, door de stoombemaling van den nieuw te scheppen
Midden-IJ-polder, kunnen worden geholpen, wanneer er soms nog behoefte
aan bemaling mogt bestaan, na alvorens alle fabrijken aan de overzijde
van den Zaanstroom, alsmede die van Westzanen, behoorlijk met kaden
buiten gedijkt te hebben, en wel zoodanig, dat de hoofd- en dwarsvaarten
tot gemeenschap in wezen bleven; van de elf binnensluizen, zouden er ook
verscheidene kunnen vervallen; thans kan de Westzaner-sluis alleen bij
een dood getij spuijen, en zij zal, met een veel grooter verhang, op
de binnenvaarten van den nieuw te scheppen IJpolder kunnen werken. Het
is onnoodig, de alsdan aldaar te verkrijgen voordeelen verder toe te
lichten.
Het uitgestrekte gebied der Ilpen is, bij den aanleg van het
Noord-Hollandsche Kanaal, door onkunde en vooringenomenheid van deszelfs
toenmalige bestuurders, tegen betere inzigten van den Waterstaat,
in slechter toestand geraakt, dan immer te voren. Door aanhoudenden
toevoer van honderde kubieke ellen ziltig water, bij elke schutting van
de sluizen, op zijne reeds drassige landen, verviel zijn toestand van
erger tot erger. Uithoofde der tegenkanting van dit bestuur, moest er te
Purmerend eene kostbare sluis gelegd worden, met dat ongelukkig gevolg,
dat de Willemssluis niet in het IJ kan spuijen, en al haar water nu over
hooger liggende gronden, zoo als die van het Zand of Koegras, naar het
Nieuwe Diep moet geloosd worden.
Het ware voor Noord-Holland voordeeliger geweest, wanneer het geheele
kanaal op Amstel-peil ware gelegd. Nu die Ilpen door dure ondervinding
van het bederf hunner landerijen ingelicht zijn, mogen zij aanzoek
doen bij het Hooge Bestuur, om hunnen misslag hersteld te krijgen, en
de vroegere plannen van den Waterstaat in wezen te roepen, maar zeer
waarschijnlijk lijdt hun wensch schipbreuk om de daarmede gepaard gaande
groote kosten. Met ons plan zouden de Ilpen ook gered zijn.
Door de steeds aangroeijende verslibbing van het IJ, wordt de
uitwatering van Amstelland meer en meer belemmerd, zoodat Amsterdam er
ook den last van ondervindt; door het Noordzee-Kanaal zal de uitwatering
hersteld en een voldoend spuijingsvermogen verkregen worden.
Het is bekend, dat Rijnland een groot half el meer verval door de
Katwijkersluizen in de Noordzee heeft, dan door hare sluizen in het IJ,
en die sluizen van het Haarlemmer-meer aan Halfweg en Spaarndam liggen
reeds 3 palmen lager, dan die van Amstelland, zoo dat Amstelland
vermoedelijk een el meer verval zal krijgen, dan het nu bezit.
Het is ligt na te gaan, welk voordeel dit meerdere verval van water
der stad Amsterdam zal aanbrengen, daar de stads-grachten en hare
singels schoon gehouden en van versch en drinkbaar Vechtwater zullen
voorzien worden, alsmede de Overtoom, de Weteringen en de buiten- en
binnen-Amstel. Bijzonder zal zulks voor de gezondheid der ingezetenen
zeer bevorderlijk zijn. De verlegenheid, waarin men zich dikwerf
bevindt, om drinkbaar water te krijgen; het genoegelijker verblijf voor
ingezetenen en vreemdelingen, welke zich niet aan de onaangename lucht
aldaar gewennen kunnen; de voorziening van vele fabrijken, welke met
bezwaarde kosten schuiten voor water moeten aanhouden,--dit alles zijn
voordeelen, die buiten het handelsbelang wel in aanmerking dienen te
komen, en waarbij nog bovendien de in Amstelland gelegene gronden
aanmerkelijk zullen verbeteren.
Het polderwater, hetwelk nu eene wezentlijke last is voor de stad, zal
haar alsdan tot eenen zegen verstrekken; want hoe sterker, de aandrang
daarvan naar de stad zal zijn, hoe zuiverder de grachten zullen kunnen
worden gehouden. Wij gelooven, dat het spuijingsvermogen zoo aanzienlijk
zal worden, dat men het wenschelijk zal oordeelen, dat de Vecht en
Rijnland met het waterschap van Woerden zich van de stad zullen willen
bedienen, voor welke laatste het eene groote weldaad zal zijn.
Heeft men het geopperd ontwerp nog niet geheel ter zijde gesteld,
om water uit het IJ in de grachten te laten loopen, en hetzelve
daarvan door water-opvoerings-werktuigen, door stoom bewogen, weder te
ontlasten, om zoodoende de grachten eenigermate te zuiveren,--bij ons
plan zoude dit ontwerp vervallen.
Onopgemerkt zal het voor de onkundigen gebleven zijn, dat de sluizen der
stad aan het IJ, en die van Rijnland aan Halfweg en te Spaarndam, maar
ten halve werken, daar de laag slib, die voor de sluizen ligt, hooger
is dan de drempel dier sluizen, waardoor de afloop van water belemmerd
en vertraagd wordt. Door het daarstellen der twee zoogenaamde dokken
heeft men wel eene aanzienlijke schuring in den stroom verkregen, zoodat
daardoor voor de stad eene meer dan benoodigde diepte is ontstaan;
maar ook door het laten bestaan van die ruimte, tusschen de dijken der
twee dokken, waardoor eene inham is gevormd, heeft het door den stroom
opgestuwd wordende troebele water tijd om te bezakken. De ondiepte neemt
aldaar dus bestendig toe, en de moddermolens, moeten gestadig werkzaam
blijven, zonder dat dit een gewenscht gevolg oplevert. Hadde men in
eene bedijking, van het eene dok naar het andere gelegd, en dan de
uitwatering der sluizen, tot aan den stroom, die met eb en vloed, uit en
in het IJ vloeit, gelegd, dan ware er beter spuijings-vermogen aan de
sluizen gebragt.
Voor Amsterdam is dezelfde fout begaan, als voor het Nieuwe Diep, alwaar
men de groote sluis voor de marine, binnen in den bogt heeft gelegd,
die, ondanks al het baggeren, onbruikbaar blijft.
Door den voor de stad te vormen boezem of de haven, of dit gedeelte van
het IJ, hetwelk daartoe bestemd blijft, en dat omstreeks 1200 bunders of
12,000,000 kwadraat ellen zal beslaan, zal er met het meerdere verhang
tot in de Noordzee, en wel van bijna 2 el bij hoog tij, tweemaal 's
daags een aan- en afvoer van 24,000,000 kubiek ellen water ontstaan; de
werking, die daardoor op de sluizen voor de stad zal worden verwekt,
die alsdan op halve diepte van het kanaal zullen liggen, zal daaraan
geëvenredigd groot zijn, en nimmer zal er zulk een groot vermogen
bestaan hebben.
De vraag zal dan niet meer behoeven geopperd te worden, daar die van
zelve opgelost zal zijn: of het IJ, in zijn geheel voor waterberging,
tot na geëindigde droogmaking van het Haarlemmer-meer, in wezen zal
moeten blijven?
Het Zeekanaal, de boezem voor de stad Amsterdam, de ringvaarten tot
Enkhuizen, en die langs Muiden tot Stavoren, allen begrepen in de
indijking van Enkhuizen op Stavoren aan, leveren eene oppervlakte van
omstreeks 30,000,000 [white square] el voor waterberging op.
Bij het tijdig afsluiten van de sluizen te Zandpoort en te Enkhuizen en
Stavoren, zal men in een regenachtig seizoen, bij eenen opstoppenden
wind, een dubbel getal, en dus 60,000,000 kub. el water in dat kanaal,
dien boezem en die ringvaarten kunnen bergen, zoodat deze gezamentlijk
een zeer aanzienlijke boezem uitmaken. Dusdanige gelegenheid van
buiten-waterberging bestaat er thans niet; want bij eenen opstoppenden
wind belet de hooge waterstand in de Zuiderzee, den afloop van het
water uit onze sluizen en afwateringen; hij doet nog meer: het water
der Zuiderzee dringt door de rivieren, door opene, niet bedijkte, en
niet afgeslotene afwateringen, tot ver het land in, en zoolang het
binnengestuwde water niet weder afgeloopen is, kan het overtollige
polder- en binnenwater ook niet ontlast worden. Dit schadelijke
binnendringen van zeewater wordt vooreerst belet, en daarenboven is er
dan nog gelegenheid gemaakt, dat het overtollige binnenwater ook tijdig
weg kan.
Dat dit van het grootste belang voor vijf provinciën is, welke allen
behoefte aan deze verbetering hebben, is klaarblijkelijk, en zal door
den landman naar waarde geschat worden. De gelegenheid, dit water te
kunnen bergen, wanneer het gevorderd wordt, is ook van gewigt, tijdens
het droogmaken van de Zuiderzee en van het Haarlemmer-meer, omdat men
daardoor in staat gesteld is, onafgebroken te kunnen blijven doorwerken.
Het hier ter nedergestelde is een afdoend bewijs, dat het daarstellen
van het kanaal zeer bevordelijk zal zijn aan de droogmaking van het
Haarlemmer-meer, en van het wenschelijke, dat het zeekanaal bestond,
alvorens men met de uitmaling van het Haarlemmer-meer eenen aanvang
maakte.