Het is niet alleen in de hiervoren genoemde districten, maar over alle

gewesten, zoowel noordelijk als oostelijk, waar verbeterde afwatering,

zoo reikhalzend wordt verlangd hetwelk maar al te duidelijk uit de

provinciale verslagen blijkt, zoodat verbeterde afloop des waters

bijdragen zal, tot vermeerdering van 's Rijks welvaart en inkomsten.

Het is ook een gewigtige omstandigheid, dat de Rijks maritieme werf te

Amsterdam weder als vroeger zal kunnen worden gebruikt;--dat van dáár

volledig uitgeruste schepen van het zwaarste kaliber, binnen weinige

uren in de Noordzee zullen kunnen komen; maar dat ook de maritieme haven

van Amsterdam vatbaar voor een groote vloot wordt, welke veilig voor

elken vijandelijken aanval zal zijn, en behalve dit, daar wij thans maar

eene betrekkelijk gebrekkige haven, die aan het Nieuwe Diep, bezitten,

dat wij er alsdan 5 nieuwe bij zullen bekomen, welke allen van uit het

hart van het Rijk, van alles zullen kunnen worden voorzien. Niet alleen

zal dan het binnenloopen der schepen in tijden van oorlog gemakkelijk

worden gemaakt, maar ook door middel der ringvaarten zullen met den

meesten spoed van Amsterdam en elders, stoombooten naar alle zeehavens

kunnen worden afgezonden, om den vijand, die alsdan zes in stede van één

punt zoude te observeren hebben, te bestoken.

Uit een handels-politiek oogpunt beschouwd, is het voor de stad

Amsterdam van het grootste gewicht, dat dezelve door het zeekanaal, dan

eene zeehaven geworden, voordeeliger ligging verkrijgt dan de steden

Antwerpen, Hamburg en Bremen, en dat ook de andere, thans slechts

door schepen van minder diepen gang te naderen, handelsteden, zooals

Groningen, Harlingen, Zwol en Kampen, in betere gemeenschap zullen

geraken met Groot-Brittanje en de Oostzee; langs de kanalen van daar de

Duitsche grenzen bereikende, zullen de aan- en afvoeren door die steden

van en naar het noordelijke Duitschland, even goed als den Rijn op- en

afwaarts, spoediger, veiliger en minder kostbaar worden, dan thans over

Hamburg en Bremen.

Bij matiger regten, en bij een vrij granenstelsel, zal men Amsterdam

ook boven Hamburg en Bremen de voorkeur geven, daar de togt naar en

van Amsterdam, door het zeekanaal, korter, veiliger en minder kostbaar

wordt, dan in en uit de Noordzee, uit en in de Elbe en Wezer.

De groote hinderpaal voor Amsterdam, dat een groot schip in het Nieuwe

Diep moet lossen, om door het Noord-Hollandsche Kanaal te kunnen komen,

met welken doortogt gemiddeld 14 dagen zijn gemoeid, ware alsdan uit den

weg geruimd.

Vestigen wij het oog op den handel zelven, de heilrijke gevolgen

daarvoor, welke uit dit ontwerp zullen ontstaan, zijn niet te berekenen.

Mogt ook al vroeger menigeen het nut van een kanaal, door de duinen heen

tot in de Noordzee, ingezien hebben, niet slechts voor den handel, maar

ook voor de droogmaking van het Haarlemmer Meer,--men werd afgeschrikt,

niet om het onmogelijke der uitvoering, maar om de kosten. Van dit

bezwaar wordt men echter, door de winst aanbrengende indijking en

droogmaking van het IJ, ontheven, waartoe slechts een voorschot noodig

is, dat genoegzaam gerestitueerd zal worden.

Amsterdam zal Rotterdam zijnen stroom niet meer te benijden hebben,

daar het alsdan beter in gemeenschap met de zee zal komen. Het is geen

trek van wangunst, die ons deze zaak te berde doet brengen, het is

slechts om aan te toonen, hoe men dit bezwaar, hetwelk Amsterdam immer

heeft gevoeld, zou kunnen opheffen, dat wij zulks hier aanstippen.

Het is voor beide steden van het grootste belang, dat de handel

van beide worde uitgebreid; en wordt de handel op de eene plaats

verlevendigd, zoo blijft dit niet zonder invloed op de andere, terwijl

het verkeer tusschen beide zoo gemakkelijk is. Boeit men slechts den

handel niet, dan zal de drukte en bedrijvigheid grooter worden dan

immer. Door PEELS stelsel, door den toenemenden handel en de behoefte in

de Rijn-provinciën, de uitbreiding daarvan in Zwitserland en in het

oostelijk gedeelte van Frankrijk, zal men bij ons thans reeds meer

vrijgevig handelsstelsel, en daardoor van alles meer voorziene havens,

de voorkeur geven boven de Belgische, waar men, gedwongen, slechts eenen

vrijen vervoerweg geeft, en baatzuchtig en kortziende, alle vreemde

fabrikaten in eigen gebruik van de hand wijst.

Alle andere moeijelijkheden daarlatende, die den doortogt door het

Noord-Hollandsche kanaal belemmeren, blijft de ongeschiktheid van

hetzelve voor stoomboot- en stoomsleepdienst het groote bezwaar. Alle

voorgestelde kanalen en ringvaarten, zullen daarvoor geschikt zijn. Welk

vertier door de verkorte gemeenschap van de zee, met al de havens aan de

Zuiderzee geboren zal worden, is moeijelijk te berekenen en te

beschrijven.

Er zullen van Amsterdam directe stoombootdiensten kunnen geopend worden,

op vele der Engelsche havens en op die van Frankrijk, en zij zullen

kunnen worden uitgebreid op de West-Indiën en op Amerika. Is de handel

van vee, groenten en vruchten van Rotterdam, Harlingen en het Nieuwe

Diep zoo belangrijk geworden, hoeveel belangrijker zal dit niet kunnen

worden, door de aanwinst van zooveel meer grond, als nu in het IJ en

in de Zuiderzee ligt, en door de verbetering der nu door gebrek aan

afwatering gedurig achteruitgaande landerijen, waar onder er, zoo als

om de Zaan heen, zijn, die voor warmoezierderij van de edelste soort

geschikt zijn, die van het Westland evenarende; dan liggen er ook nog de

deels uitgeveende, deels niet uitgeveende Loosdrechten, Breukelerveen

enz., waar, als het water slechts uitgemalen is, beste gronden gereed

zullen zijn.

Door de vermeerdering van weilanden, van vee, hooi, boter en kaas,

allerhande vruchten, zullen wij, wanneer onze akkerbouw, welke, zoo als

PEEL zelfs omtrent Engeland zegt, nu nog in hare kindschheid is,

meerdere ontwikkeling verkrijgt, in uitvoer van levensmiddelen, zoo naar

Engeland als naar Oost- en West-Indië, met Noord-Amerika kunnen

concurreren.

Zijn de kanalen in Over-IJssel en Drenthe gereed, zoo vinden wij

eene spoedige en goedkoope gemeenschap met Hannover en Westphalen,

en dan zijn de afstanden, uit onze eigene provinciën, door de beter

daargestelde gemeenschappen verkort, zoodat dan ook alle andere mindere

voortbrengselen van den lande meerdere waarde verkrijgen, zooals zulks

om Nijmegen, overal langs de Maas, de Waal en de Rijn door de snellere

gemeenschap met stoombooten plaats vindt.

Verwerpen wij eene betere gemeenschap, met de hoofdstad van ons rijk

niet, vooral wanneer zich daarmede buitenlandsche handel paart.

Rotterdam, door hare betere gemeenschap langs de rivieren met het

buitenland, dankt daaraan gedeeltelijk haar bestaan.

Provinciën en steden, die nader bij Amsterdam liggen en Amsterdam

zouden kiezen, zijn door hare gebrekkige ligging aan de zee, buiten

aanraking met haar.

Het grootste gedeelte van Gelderland, tot aan de Pruisische grenzen,

vervoert deszelfs produkten naar Rotterdam, omdat het vervoer bij eenen

veiligen watertogt langs de rivieren daarheen gemakkelijk is, en vandaar

een gereede aftrek op Engeland enz. bestaat, al hetwelk thans te

Amsterdam niet het geval is.

De concurrentie dwingt tot bezuiniging van kosten en daarom zal het voor

Noord-Holland van belang worden, zijne eigene voortbrengselen, ook langs

eigene kanalen, over zee te zenden, en geene omwegen, over het Nieuwe

Diep of Rotterdam te moeten kiezen.

Alle bestaande stoomboot-diensten, zooals op Zaandam, Harlingen, Zwol

en Kampen, zullen langs de ringvaarten behouden blijven, derzelver

ondernemers, zullen het zich niet voor schade aanrekenen, dat zij hunne

kostbare zeebooten voor binnen- of rivierbooten kunnen verruilen. Deze

en alle andere overzeesche schippers, zoo vaak door laag en door hoog

water, door storm en tegenwinden, door gevaarlijke togten op zee tegen

gehouden, zullen gaarne, gaande weg, hunne thans in aanbouw zijnde en

door onderhoud kostbaarder zeeschepen voor trekbooten ruilen, waaraan

het wisselvallige der zeetogten niet is verbonden.

Wordt de moeijelijkheid voor de vaart, met onze aan de Zuiderzee

gelegene steden en havens uit den weg geruimd, van niet minder gewigt

zal het verkorte traject, van uit de Noordzee langs Zandpoort naar

Amsterdam zijn, tegen dat van naar het Nieuwe Diep, en van daar door

het Noord-Hollandsche kanaal naar Amsterdam, voor onze handelaren en

reederijen en voor vreemden, welke vermeenen, dat een schip te Antwerpen

gelost en geladen, en weder zee gekozen heeft, alvorens een ander van

het Nieuwe Diep voor Amsterdam kan komen.

Bovendien, welk nadeel ons een vroeg invallende, lang aanhoudende winter

berokkent, dat heeft ons die van 1844 en 45 bewezen. Wij zouden, bij

het voorgestelde zeekanaal, geene vier maanden van alle gemeenschap met

andere landen en werelddeelen verstoken zijn; onze producten zouden

hunne waarde niet verliezen, door maanden lang gebrek aan gelegenheid,

om die te kunnen verzenden naar alle plaatsen en landen, welke gewoon

zijn, onze toevoeren te ontvangen. Op die plaatsen, en in die gewesten

ontstond alsdan wel gebrek aan onze voortbrengselen, doch daarin

werd voorzien door anderen, en wij misten de gelegenheid, onze

voortbrengselen te verkoopen, en alzoo kwam het nadeel op ons neder.

Ware er de behoefte niet, om in den winter eene geschikte zeehaven te

hebben, men zoude geene plannen gevormd hebben, om zoodanige haven bij

Scheveningen aan te leggen.

In vier maanden geene toevoer van provisiën uit Nederland naar deszelfs

eigene koloniën; ook daarin moest door andere natiën worden voorzien, en

daarenboven trokken deze de voor ons bestemde retouren en waarden, en

wij zelven hadden geen debouché. Vier maanden lang moesten de reederijen

(zoo al niet de schepen, omdat zij het Nieuwe Diep niet binnen konden

komen, in Engelands havens bleven liggen!) het equipagie-loon en de

levensmiddelen geven, waardoor dikwijls eene, anders winstgevende,

vracht verlies berokkende; vier maanden lang bleef een assuradeur risico

loopen, waarvan hij in weinige uren bevrijd konde zijn; vier maanden

lang derfde de handelaar zijne goederen, en moest zich schadelijke, zijn

crediet niet verheffende, maatregelen getroosten,--dit alles zoude

vervallen.

De eb en vloed, bij het grooter verval en de diepte van het zeekanaal,

zouden den nieuwen stroom van af de sluizen tot in de zee openhouden,

de uitijzing, wanneer gevorderd, zoude geene weeken lange vruchtelooze

onderhandelingen behoeven, de vaart tusschen Amsterdam tot Zandpoort

ware open te houden door af- en toevarende stoomslepers.

En legt de doorvoer-handel niet alle voordeelen van eigen

commissie-handel af; het is dan toch voordeeliger, door het binnen komen

en uitgaan der schepen, door hun lossen en laden enz., terwijl al die

schepen zekere behoeften hebben, waarin moet worden voorzien, iets te

verdienen, dan ook dit aan anderen over te laten.[6]

[6] Het gouvernement stelde in 1815 en 1816 een transitoregt van

3%, met 13 opcenten, op katoenen garens. Een huis te Amsterdam

had met een huis te Londen eene overeenkomst getroffen. Het

londensche huis had zijne agenten te Liverpool en Manchester, en

stond in relatiën met alle katoenspinners, en wilde 100,000 pond st.

bezigen, om de geschikste sorteringen, twisten of gesponnene garens,

voor de duitsche en zwitsersche markten te koopen, en te zorgen, dat

daarvan ten allen tijde ruimen voorraad te Amsterdam zoude zijn.

Duitschland en Zwitserland hadden slechts de nommers op te geven,

en er kon te Amsterdam terstond in hunne behoeften worden voorzien;

er circuleerden reeds eenige tonnen gouds. De concept-wet bij de

Staten-Generaal ingediend zijnde, vond zich het amsterdamsche huis

verpligt, het londensche daarvan te verwittigen. Een bekende uit

Hamburg was te Londen bij de ontvangst van dezen brief tegenwoordig.

Men sprak er over: de Hamburger beweerde, "de doorvoerregten in

Holland waren te hoog. Wat te Amsterdam niet meer kon plaats hebben,

kon nu even geschikt te Hamburg geschieden." Den Hamburger werd

de zaak toevertrouwd, en de zich deswege geëtabliseerd hebbende

Duitscher reed, binnen weinige jaren, in eene elegante calèche met

vier paarden.

De Amsterdammer bezocht weinig tijds daarna eenen vriend in den

Haag, eerste commies bij het Ministerie van Financiën. Men dutste

zich, zooals de Duitscher zegt, en het volgende gesprek viel voor:

De AMSTERDAMMER. Zoo, JAAP! hoe heb je het?

De HAGENAAR. Wél, KO! Maar hoe zie jij er zoo bedrukt uit?

De A. Dat is jou schuld, JAAP!

De H. Mijn schuld--dat begrijp ik niet.

De A. Gij hebt 3½% transito regt op de twisten gelegd, en die

gaan nu over Hamburg voor ½%; dit maakt mij in Amsterdam eene

misrekening van f 235,000, waarvan mij jaarlijks ruim f 100,000

zouden zijn toegekomen.

De H. Maak mij die rekening eens, KO!

De A. Hoor! 100,000 pond st. is f 1,200,000, gemiddeld die som,

drie maal in een jaar omgezet, maakt eene som van f 3,600,000.

daarop het land ½% f  18,000

provisie en delcrediere 3% " 108,000

courtage 1% " 36,000

duitsche commissionair 1½% " 54,000

registratie voor remises en traites 2 o/oo " 7,200

wissel-courtage 1 o/oo " 3,600

onkosten " 9,000

---------

dit zijn f 235,800

door een enkel huis in één jaar.

De H. Ik heb niet geweten, dat daar zulke sommen mede gemoeid zijn.

De A. Dan hadt gij eerst de zaken moeten onderzoeken, alvorens zulke

ruïneuze wetten te maken.

En is die weinige doorvoerhandel, dien wij thans nog maar bezitten,

niet voor een groot gedeelte het gevolg van gebrek aan ondernemingen

van onze zijde, welke eensdeels werden gestaakt door hooge in- en

doorvoerregten, anderdeels door gebrek aan eigene medewerking? Vroeger

wist de duitsche fabrikant geen ander debouché, dan door verkoop aan

ons; wij kochten hem zijne artikelen af, en verscheepten die, voor

eigene rekening naar elders, en bragten van elders de retouren mede.

Door ons prohibitief stelsel werden vele, zoo niet alle, fabrikanten

genoodzaakt, andere middelen te beproeven, om hunne goederen te

verkoopen; de goederen werden nu naar Hamburg verzonden; men ontving

eenige voorschotten, en verscheepte de goederen, voor duitsche rekening,

naar andere werelddeelen; Hamburg ontving en verkocht de daarvoor

teruggezondene producten en genoot daarvan de winsten.

Door dit alles werd de Duitscher ingelicht, en van dáár dat die thans

betere handelsbetrekkingen heeft dan wij, omdat de eigen broeder,

zoon of landgenoot, in Noord-Amerika, Brazilië enz. gevestigd, hem van

daar met den stand van zaken bekend maakt, tot zelfs uit onze eigene

koloniën, daar Duitsche natuurkundigen volledige berigten over Java naar

hun land zenden, die wij verminkt na jaar en dag in de mengelwerken

onzer tijdschriften en dagbladen terug vinden. Wij staan den vrijen

handel voor: met een zeer matig gelijk werkend tarief, zou de Staat, wat

zij aan de eene zijde aan revenuën op in- en doorvoerregten derfde;

anderzijds door meerdere welvaart der ingezetenen terug bekomen.

Door welvaart van den handel vermeerderen 's Rijks magt, aanzien

en middelen, dit leert ons onze eigene geschiedenis. Het waren de

Handeldrijvende provinciën Holland en Zeeland, die vroeger het land

en tijden van gevaar, met volk, met schepen en geld te gemoet snelden.

Hoe vleide men zich in 1814 en 1815 met herstel van vroegeren

handel, en reeds begon dezelve te ontluiken, toen een rampzalig

fabrijk-protectiestelsel ons de blijde toekomst vernielde, de

ondernemingsgeest uitdoofde, vooruitgang en wetenschappen in en de

toepassing daarvan op de fabrijken, en de kennis van handeldrijvende

volken belette, voor immer den handel in duitsche linnens, en zoovele

niet op onzen grond te huis behoorende fabrijkaten uit het land

verbande, waardoor de retouren uit dien handel met Noord-Amerika,

Brazilië en West-Indië gekeerd, en daarmede den uitvoerhandel van

onze eigene voortbrengselen, van den eigen grond, boter, kaas enz.

stremmende, de ondernemingen op den Stillen Oceaan en de Zuidzee

stuitte, waarheen Bremen ons met vloten beschaamt, de aan scheepvaart

eigene verbonden fabrijken werkeloos maakte, zoodat de werven hier

gesloopt, maar in Hamburg en Bremen aangebouwd werden.

De graanhandel werd verdreven, en daardoor het middel van de hand

gewezen, om onze eigene granen (mindere soort, met betere vermengd)

af te zetten. De pakhuizen voor linnens en koornschuren, die Europa

voorzagen, waardeloos gemaakt, duizenden, die door inspanning van geest-

en ligchaamskrachten den middelstand deden bloeijen, werkeloos, en tot

den bedelstaf gebragt[7].

[7] Men berekent het op f 100 per last graan, ons uit den vreemde

toegevoerd, dat er aan vracht, assurantie, lossen, opdragen,

verschieten, meetloon, afdragen, pakhuishuur, courtage en

provisieloonen is in handen gekomen, behalve de winst en vracht

bij den weder-uitvoer.

In 1817 werden er alleen 80,000 last tarwe aangevoerd, daaraan

waren dus f 8,000,000 verdiend; rogge werd in gelijke verhouding

aangebragt. Laten nu de voorstanders der graanwetten ons de

verdiensten van den landbouw, tegen die schade opwegende, aanwijzen.

Een koopman betaalt milde loonen; een koorndrager kan van f 1,50 tot

f 2 daags verdienen, en in den winter wordt door den landbouwers in

de Betuwe 15 cents daags betaald.

Dit alles danken wij der protectie, aan den landbouw en de fabrijken

verleend; halve maatregelen, hoog opgevoerde schaalregten en

transito-regten, die den doorvoer verboden, waardoor millioenen, die

door onze handen hadden moeten gaan, met de verdiensten daarop uit het

land zijn geweerd, en aan anderen werden prijs gegeven.

Men beschuldige ons niet, dat wij den landbouw willen verwaarloosd zien;

deze kan zich zelven helpen; zulks heeft, voor weinige jaren, nog een

Zeeuw, een groot landhuishoudkundige beweerd. De landbouw heeft zich

immer zelf geholpen, en wij hebben kostelijke weiden voor de veeteelt,

zoo wij slechts ons beestenras verbeteren, en zorgen dat de boter en

kaas niet, na ouden slendriaan, half bedorven worden vervoerd, terwijl

de onkundige waant, dat geen ander product het zijne kan evenaren, en de

gegoede Engelschman ze niet op zijne tafel zien wil, daar zij bij hem

slechts kost voor de minderen, en tot voorziening van armengestichten

en werkhuizen is.

De grondeigenaar betaalt den grond buiten verhouding hoog, waardoor hij

zich zelven benadeelt. Door het meer dan benoodigde getal boeren, die

naar eene hofstede dingen, worden de huurprijzen zoo hoog opgedreven,

dat de huurder, bij den minsten tegenspoed, dezelve niet kan opbrengen;

en dit wil men nu door graan-protectie-wetten verhelpen, waardoor de

Staat al meer en meer wordt te gronde gerigt!

Dat de landbouw uit de geschiedenis de bewijzen bijbrenge, dat hij

gelijke diensten als de handel aan den Staat bewees; welke door zijn

gezag, door zijnen invloed en magt, en door zijne ruime offers aan het

land voorkwam, dat het niet reeds voor langen tijd geheel of ten deele

een wingewest van eenen anderen Staat geworden is.

De handel kwijnt ook wel door deze of gene gebeurtenis, maar schreeuwt

dan niet om bijstand ten koste van allen. Wordt het algemeen door rijke

oogsten gezegend, zoo kunnen geene protectie-wetten de graanprijzen doen

stijgen, en elke gulden protectieregt is eene belasting op het algemeen,

ten gunste van eenige weinigen, terwijl de landbouw bij schaarste door

hooge prijzen wordt schadeloos gesteld.

Eenerzijds juicht men Albions vrijgevig stelsel toe en men is verblijd,

daardoor zijne haver tot voordeelige prijzen te kunnen verkoopen,

en anderzijds zal men ons beletten gelijke voordeelen, door even

vrijen invoer te genieten. Men verlieze nimmer uit het oog, dat wij

graanhandelaren behoeven, die gegoed en ondernemend moeten zijn, die bij

dreigend gebrek kapitalen moeten bezitten en den moed hebben, die te

wagen, om door ruime aanvoeren het gebrek te voorkomen, men beseffe dat

het de graanhandel is, die in tijden van overvloed hare schuren opent,

en speculerende, den landbouwer zijnen overtolligen voorraad afkoopt,

welke anders alle waarde zoude verliezen.

Men heeft groote ontginningen, waarvan sommige met gebrek aan kunde

en doorzigt ondernomen, die zelf bij vrijdom van grond-lasten geene

rekening geven; wel spreken de afgevaardigden uit de provinciën

waar die ontginningen werden ondernomen, luide voor schaalregten om

hunne speculatiën te schragen, terwijl den vrijen graanhandel en den

handelaren, door hen overstemd, geene vergoeding wordt gegeven voor het

groote nadeel, dat hun, met die duizenden, die door den graanhandel

leven, berokkend wordt. Daarbij begint het gezond verstand overal de

bovenhand te verkrijgen, dat, ofschoon belasting op het gemaal moge

geheven worden, het algemeen niet meer cijnsbaar mag worden gemaakt, aan

een reeds te lang bevoorregte klasse. Zochten grondbezitters rondom het

Haarlemmer-meer, de droogmaking daarvan te keeren, uit vrees dat hunne

eigendommen daardoor in waarde zoude verminderen, wij vreezen dan ook,

dat dezen door hunnen baatzucht, ten koste van de welvaart der geheele

natie, wel weder de grootste tegenstanders van ons ontwerp zullen zijn.

Wij staan den vrijen handel voor, omdat wij meenen, dat juist de

fabrijken, welke hoog beschermende regten genieten, daardoor wel

oogenschijnlijk bevoordeeld, echter wezentlijk benadeeld worden. Vóór

het verbod van uitvoer van lompen, en vóór dat er hooge regten op het

papier werden gelegd, bloeiden onze papier-fabrijken, en overal wilde

men hollandsch papier. De fabrikant, steeds begeerig, verlangde verbod

van uitvoer van lompen, en geen invoer van papier; maar welk gevolg

heeft dit gehad? Hij gaf zich geene moeite meer, sluimerde in, tot dat

hij zijn debiet geheel verloren had, en nu blijkt het, bij onderzoek,

dat hem andere natiën op het gebied van schei- en werktuigkunde verre

zijn vooruitgestreefd. Ware de concurrentie blijven bestaan, dan zou

de vrees voor eigen behoud hem op de hoogte gehouden hebben dier

wetenschappen, welke onafscheidbaar aan zijne fabrijk verbonden zijn.

Nu derven onze papier-fabrijken hun debiet, en wij worden overstroomd

met vreemd fabrikaat; eene reeks van jaren heeft men hier eenen

hoogst aanzienlijken handel in lompen geweerd, terwijl niet meer

werd ingevoerd, dan voor eigen behoefte benoodigd was.

In Engeland is, sedert den vrijen invoer van wol, de schapenteelt

niet achteruit gegaan; sedert het opheffen van het verbod van uitvoer

der wol, zijn ook dáár de laken-fabrijken niet verachterd en door

den vrijen aanvoer van wol uit alle landen, is de fabrikant niet

meer zoo beperkt, in de keuze van zijne grondstoffen. En wat is er

van onze laken-fabrijken geworden? COCQUERIL DE OUDE, boodt zijne

nieuwe wijze van fabriceren te Leiden aan; die stad was beroemd om

hare laken-fabrijken, en waande zich dus verheven boven de anderen;

COCQUERIL dáár afgewezen, wendde zijne schreden naar Verviers, waar men,

schranderder dan te Leiden, den inventeur van iets nieuws met open armen

ontving. Verviers voorziet thans alle werelddeelen van laken, en Leiden

bezit geene fabrijk meer.

De handel biedt aan de wetenschappen de hand, en van daar voorspoed;

terwijl kleingeestige begrippen verdwijnen, en de ondernemingsgeest

aangewakkerd wordt.

Gouda klaagt over verval harer pijpen-fabrijken; maar geen inboorling

van Gouda, die weet, dat er in Amerika en in Engeland vele pijpen van

slechter allooi en fatsoen gebruikt worden, zal er heen gaan, om zelf

onderzoek te doen, en een beter fabrikaat aan te bieden;--dit ligt niet

in zijnen aard. De Commissiën op de pijpen moeten hem, als weleer, op

geregelde tijden geworden;--dit nu niet geschiedende, wordt er over

verval geklaagd; op wie rust de blaam?

Het eerste ontwerp voor de bedijking der Zuiderzee, 1848 · 第 7 / 13 段