bedrijvig, onder hen bloeiden kunsten en wetenschappen, en, daarmede
vereenigd, tallooze fabrijken, hetwelk alles bijdroeg, om de natie groot
en magtig te maken, zooals later de Nederlanden, en heden ten dage
Engeland, Frankrijk en vele streken van Duitschland.
Toen hun echter het goud uit Amerika toevloeide, hetwelk de natie
weelderig, trotsch en onbedrijvig maakte, en de anders dankbare grond
onder die heerlijke luchtstreek onbebouwd bleef liggen, verviel het
rijk, ondanks al het toegevloeide goud, tot armoede en het werd, tot
zelfs voor de eerste dagelijksche behoeften, cijnsbaar aan deszelfs
vijanden. De ondernemingsgeest sluimerde in; de dwingelandij, welke
onwetendheid en bijgeloof aankweekt, droeg er het hare niet weinig toe
bij, om de geestkracht te ontzenuwen, en het rijk van Spanje werd uit de
rij der groote mogendheden geschrapt.
Even als Spanje hebben ook andere magtige rijken een tijdperk, van
hetwelk hun val dagteekent.
Onze eigene geschiedenis teekent mede eene vlek aan, die wij niet
willen ophalen, doch van af den tijd dier toen gepleegde ongeregtigheid
dagteekent ook het tanen van onzen voorspoed en onzer magt, omdat
er sedert eene scheidsmuur tusschen de regeering en het volk is
opgetrokken, die tot ons verderf is blijven bestaan, en die, hopen wij,
nu voor altijd omvergeworpen zal zijn.
De abt RAYNAL betoogde, voor bijkans eene eeuw, dat de Hollanders
schatten inoogstten door hunne leeningen aan vreemde mogendheden. Hij
heeft echter de verderfelijke gevolgen daarvan voor ons land, ondanks
zijne schranderheid, niet voorzien. Deze leeningen mogten voordeelen
opleveren, zoolang de mogendheden ter goeder trouw bleven handelen, en
wij te vele kapitalen hadden, om die aan eigene industrie te besteden;
maar thans leiden die vreemde fondsen ons ten verderve.
Die schatten, welke naar buiten 's lands gegaan en verloren zijn, waren
voor den handel, voor de industrie, voor den landbouw, voor ontginningen
en indijkingen behouden gebleven, en het geld, al ware er somwijlen ook
eenige schade geleden, zoude in ons land van de eene bedrijvige hand in
de andere zijn overgaan. Handel, industrie, landbouw en alles zouden
eene hoogere vlugt hebben genomen, terwijl het daardoor ontstane vertier
brood aan velen verschaft zoude hebben, dat wederom welvaart aanbragt.
Hoevelen telt men niet in Amsterdam, alleen van achtenswaardige
huisgezinnen, tot eenen staat van behoefte en armoede vervallen, welke,
aan handel en bedrijvigheid vaarwel gezegd hebbende, ook maar bij matig
spel in de fondsen hun vermogen hebben verloren. Anderen dachten, bij
het genot van renten, stil te leven en vertrokken naar Gelderland,
bouwden, zonder kennis daarvan te bezitten, op een stukje gronds, met
goud betaald, en welke grond geene vruchten aflegt, huizen, waar het
landleven met stads weelde gepaard gaat,--de fondsen zijn verdwenen, de
huizen, met hypotheek bezwaard, verstrekken den bezitters tot last!
Het fondsenspel en de leeningen verlamden den lust tot werkzaamheid,
middelerwijl de vreemden zich met onze kapitalen verrijkten, ons de
schrale interessen somwijlen niet eens betaalden, en in bedrijvigheid
met onze kapitalen woekeren.
Welke schatten zijn er niet van ons naar Amerika gegaan, waar woest
liggende gronden, zoo als wij er bij duizende bundertallen in alle
Provinciën verwaarloosd hebben liggen, mede zijn ontgonnen,--en ten
slotte wenden de Staten bankbreuk voor, terwijl de ingezetenen aldaar
in voorspoed leven, en die zelfde Staten weigerachtig blijven, om hunne
onderdanen ook maar eene matige belasting op te leggen, om ons onze
gelden te rembourseren? Daarhenen vloeiden onze schatten, die ons nimmer
terug betaald zullen worden, om kanalen en middelen van vervoer daar te
stellen, terwijl wij zulke kanalen bleven ontberen.
Daarheen vloeit ons geld in bank-actiën, waarvan men de instelling hier
te lande afkeurt; en nog zijn wij door schade niet wijzer, terwijl
het ons aan geld blijft ontbreken, om, midden in ons rijk, kanalen te
graven, om indijkingen te bewerkstelligen, verveeningen te doen, polders
droog te maken, landerijen te verbeteren, veestapels aan te kweeken,
hooi en bemesting te verkrijgen en heidegronden te ontginnen, welke
evenveel waarde zouden hebben als de Amerikaansche, maar waarbij de
ingezetenen niet onder zoo vele en zoo zware lasten gebukt gaan.
Er is geen geld, zegt een prolongant, terwijl hij eenige honderde in
prolongatie genomen _Portugesche_ obligatiën natelt; waarborgen op de
goede trouw van het _Portugesche_ gouvernement, waarvan wij onlangs
nog een schoon blijk hebben gezien, door maar met eene pennestreek 20%
van de geconditioneerde rente af te houden. Zijn die _Portugezen_ een
betere waarborg, dan de uit de Zuiderzee te herrijzen grond, welke
aan dagloonen enz., door den eigen landgenoot, den broeder en vriend
verdiend, slechts f 300 tot f 350 per bunder zal kosten, en die f 1000
en welligt aanzienlijk meerdere waarde verkrijgen kan, terwijl de
interest door de verpachtingen gewaarborgd wordt en blijft?
Leveren de effecten van _Spanje_, sedert jaren renteloos, met
hunne, naar fijn berekende agiotage, nu eens brave Ministers op
het papier hebbende dan eens weder verontrustende tijdingen, om
op de ligtgeloovigheid en vreesachtigheid der Amsterdammers te
speculeren,--leveren die _Spaansche_, of welke andere effecten ook,
meerdere innerlijke waarde op, dan een ingedijkt bunder eigen land?
Wilde het Gouvernement ons maar bevrijden van lastige en kostbare
formaliteiten, zoo van registratie als hypotheken en die omtrent de
onteigening, daar door 's Rijks administratief tijdroovend onderzoek
en deszelfs bemoeijingen, dikwerf de beste plannen tot ontginningen
en indijkingen aan banden worden gelegd. Wij zwijgen nog van de
voorwaarden, om zich voor zee en water vooruit te laten betalen, wanneer
somwijlen de kansen op welslagen nog door onvoorziene evenementen van
storm en hooge vloeden twijfelachtig worden, de wezentlijke bedoelingen
der wet (van den zesden Junij 1840) tot aanmoediging door haar werkeloos
gemaakt wordt, en een Minister het zich bij de kamer en de natie, als
een verdienste aanrekent, den lande eenige duizende guldens bevoordeeld
te hebben. Bij deze wet wilde men het indijken aanmoedigen; er is in die
wet hoegenaamd geene sprake van, om aan het Rijk vooraf het uit te malen
water te betalen, dat haar jaarlijks schatten voor de beteugeling kost,
terwijl bovendien door den aanleg van nieuwe dijken, het in stand houden
der ouden, met de daaraan verbondene kosten, wordt overbodig gemaakt.
Z. M. Koning Willem I maakte eene wet, waarvan de bedoeling goed
was, doch de gevolgen allerschadelijkst waren. Z. M. wilde vreemde
geldleeningen weren, omdat hij inzag, dat het geld, in eigene
ondernemingen gestoken, meer voordeel moest opleveren. Doch hij heeft
door zijn bevelschrift het beleggen van gelden in vreemde fondsen niet
geweerd, hij heeft slechts de groote voordeelen op die leeningen aan
onze bankiers ontnomen, zoo als de provisiën op de negotiatiën en op
de jaarlijksche rentebetalingen en den lande het voordeel van een
matig zegelregt op elke obligatie,--dit alles ging door eene enkele
pennestreek verloren,--en evenwel blijft de beurs overstroomd van vreemd
papier.
Het bleek hieruit, dat de Regering, zoo als ook uit andere voorhanden
zijnde daden blijkt, de behoefte van land en handel niet kende.
In stede van die verbodswet (een dood paard aan eenen boom gebonden!),
had zij trapsgewijze, door meerdere handelsvrijheid, de ondernemingen
moeten aanwakkeren.
Zoo smeedde de Minister VAN TETS eene wet, die den standaard van onze
munt besnoeide; een fictieve bezuinigings-maatregel, waardoor de natie
jaarlijks millioenen derft.
De _Rus_ c. s. ontving van ons oude wigtige guldens voor zijne aangegane
leeningen; maar zendt ons nu, door die ministeriële maatregel, daarvoor
minder zilver, om guldens van mindere waarde te maken, om daarmede
kapitaal af te lossen en rente te betalen.
Handelt het Russische, Oostenrijksche of Napolitaansche gouvernement
loijaler, terwijl het de eene leening door de andere aflost, dan eigene
ingezetenen, die geld zoeken, om een ontwerp ten uitvoer te brengen, dat
algemeen nuttig en wenschelijk geacht wordt?
En thans, welke schromelijke gevolgen hebben wij niet te betreuren, die
uit nuttige hervormingen in de staatsbesturen ontstaan.--Elke Staat
is met grooter schuldenlast bezwaard, dan dat de ingezetenen er de
interessen van zouden kunnen opbrengen.--Allerwege zal men zich wapenen,
en allerwege ontbreekt het aan geld--geen wonder, dat de fondsen
eene geweldige daling ondergaan, en er jaren zullen verloopen eer de
geledene verliezen in de kapitalen, zich eeniger mate zullen kunnen
herstellen--inmiddels zijn er vele tot den bedelstaf gebragt--die
dobbelden om groote fortuinen; welke, waren zij aan nuttige
bedrijvigheid gewoon geweest, hun vermogen niet aan onvoorziene
evenementen prijs zouden gegeven hebben.
Met ons geld, dat door kansen op loterij-winsten tot rembours ons uit de
handen gespeeld wordt, legt men in vreemde landen spoorwegen aan. Bij
ons laat men voordeelige ondernemingen, zoo als gasverlichting enz. door
vreemde exploiteren en dan de actiën voor schralen interest beleenen.
Waarom heeft het wantrouwen in onze eigene ondernemingen de plaats
van het vertrouwen ingenomen? Waar is die ondernemingsgeest, waarvan
Amsterdam nog, in zijne paleizen, prachtige gebouwen en in zijne thans
ongebruikt staande pakhuizen, voorraadschuren enz., als zoo vele
Monumenten van deszelfs vroegere grootheid, de herinnering opwekt?
De geschiedenis heeft opgeteekend, dat CORNELIS HOUTMAN, Hollandsch
koopman, in Lissabon om schulden gegijzeld werd. Hij schreef toen naar
Amsterdam aan kooplieden: "Ik heb de sleutel naar de Oost-Indiën; zendt
geld, om mij huiswaarts te doen keeren." Heden ten dage zoude men op de
ontvangst van zoodanig schrijven zeggen: is de kerel gek? Geld zenden,
om hem uit het hok te halen, en nog als een plannenmaker daarenboven?
Zoo dacht men vroeger niet.--Zijn wensch werd vervuld, en korten tijd
daarna stevende HOUTMAN naar de Oost-Indiën, en baande den weg voor
stoute en voorspoedige ondernemingen, welke ons gedurende eenige eeuwen
verrijkten; er verliepen geene maanden, geene jaren, om te beraadslagen,
en de eene zwarigheid voor en de andere na te opperen, waardoor de
ontvlamde geest eindelijk wordt uitgedoofd;--goed ingezien en kort
beraad! was de tijdleus van die dagen. Wij willen het ons evenwel niet
ontveinzen; er bestaan hier en daar soms redenen voor wantrouwen en
omzigtigheid. Zoowel hier als elders, heeft men nuttige ondernemingen
voorgedragen, en het vertrouwen misbruikt, zich als directeuren en
commissarissen opgeworpen, den buit onderling deelende, voordat nog de
voordeelen aanwezig waren. Het nadeel, daardoor veroorzaakt, behalve het
steeds klimmende wantrouwen, is, dat nuttige en groote ondernemingen
onuitgevoerd blijven, en de oude ondernemingsgeest verflauwt en
ontaardt.
Stelt men iets goeds voor, het is aanleiding tot een gesprek op de
beurs, waar men toch maar uit gewoonte moet verschijnen; het is eene
schoone gelegenheid, om een' ander in het koffijhuis, door het vertellen
van het nieuws van den dag, eene partij domino te doen verliezen. Deze
haalt er de schouders voor op; gene lacht er een ander om uit. Men houdt
zich bij Russen!
Alles blijft bij het oude; doch de bewoner van een huis klage niet over
ongemak van het oude huis, zoo hij niet de noodige herstellingen wil
doen, om de oude gebreken op te ruimen.
Het blijft evenwel in alles niet bij het oude. In den tijd onzer
voorvaderen, toen onze bloei en welvaart aanwakkerden, waren onze
voorouders mannen, welke geringe bezwaren over het hoofd zagen, met moed
en inspanning van krachten te werk gingen, en datgene verwezentlijkten,
hetwelk wij nu nog bewonderen.
Wakkeren wij nu dien ingesluimerden geest weder op, dan zullen wij ook
zaken kunnen volbrengen, welke de vreemdeling zal bewonderen, en die hem
zullen beletten, met dien toon van minachting over ons te spreken, zoo
als hij zich heden ten dage veroorlooft.
Zoo als in het dagelijksche leven met den mensch, gaat het ook met eenen
Staat. Al ligt slaat een huisvader, die in verachterde omstandigheden
verkeert, tot mismoedigheid over; het is of de lust tot werken bij hem
verlamt. Dezelfde geest grijpt ook eenen achteruitgaanden en zinkenden
Staat aan, en zulks vooral, wanneer de regeering, bij dien stand van
zaken, de staatslasten niet alleen niet vermindert, maar vermeerdert en
van stationair spreekt, hetwelk achteruitgang is; ja, van welvaart rept,
wanneer de barometer (de accijnsen) steeds dalende blijft. Straalt er
eenige hoop op herstel door, wie ziet dan niet de activiteit van den
huisvader verdubbelen; ook zoo zal het met de gezamentlijke inwoners van
den Staat gaan, en eene regering, die de impulsie daartoe niet gegeven
heeft, volgt van zelven.
Menig jong mensch gaat van zijne renten leven, die op de school goed
geleerd heeft, en in het ouderlijke huis, waarin vroeger gewerkt werd,
maar thans de lessenaars verlaten staan, weelderig opgevoed is. Waaraan
zal hij zich toewijden, terwijl hij in die jaren, waarin men den handel,
even zoowel als een ambacht, leeren moet, niets daaraan gedaan heeft?
Wantrouwend gemaakt, onttrekt hij ook het geld aan den eerlijken en
ijverigen bediende, die ondervinding genoeg bezit, om door zijn beleid
geld met geld te verdienen. Doch neen: hij wil rentenieren; hij houdt
zijn kapitaal bijeen, maar blijft voortleven in dien rang en staat,
waarin hij opgevoed is; hij huwt, en krijgt een groot huisgezin met
kinderen. Doch nu veranderen de zaken! Hij wordt het ongeluk dier
kinderen, daar ook zij dezelfde zorgvuldige en weelderige opvoeding
ontvangen, dezelfde behoeften hebben leeren kennen, en nu zich niet
kunnen verminderen. Het ouderlijk vermogen wordt verdeeld, en het
ongeluk is daar! Zijn er dan familie-betrekkingen, zoo is er nog hoop op
eenen post; doch--reeds is het getal van postenbejagers legio!
Gene onttrekt zich, uit gebrek aan kennis van handel, van schei- en
werktuigkunde, aan het maatschappelijk leven, en koopt duur, zonder
vooruitzigt op winst bij den verkoop, grond en boerderij, waarop de
boer, zelf ploegende en zwoegende, zijn bestaan heeft, levende als
boer, met de kennis van eenen boer toegerust--en dáárop zal een heer,
met de mindere verdiensten van eenen boer, die zelf zonder huurlingen
werkt, als heer leven! Men studeert, men leert en bevlijtigt zich,
het voorbeeld van andere natiën te volgen, en men vindt een'
wederstrevenden landbouwer, die niets goedkeurt, hetwelk zijne
voorouders niet deden, en zoo komt men niet verder. Men beroept zich op
landhuishoudkundige boeken, maar het is theorie zonder praktijk; terwijl
de nuttige wenken, in die boeken vervat, door deskundigen moeten worden
toegepast en opgevolgd. Men kiest kiezelmerg, kalk en guano, waar
men den grond en de melleringen niet kent, en deze meststoffen, duur
aangekocht, blijven zonder uitwerking. Alvorens door ondervinding van
jaren ingelicht te zijn, heeft men reeds een afkeer van de zaken
gekregen, en aanmerkelijk ingeboerd en ingeteerd. (Ontginningen in het
groot aangelegd, keuren wij daarom evenwel niet af.)
Ziedaar nu den gang van zaken met onzen vroegeren Amsterdamschen
handelaar; terwijl, goed ingezien, voor hem alles moest medewerken,
om zich weder uit den verachterden stand van zaken op te heffen, daar
die anders in meer verval moeten geraken, zoo als de omstandigheden
reeds aanduiden. Want de stad Amsterdam ligt van de zee afgescheiden,
en het is genoegzaam alleen de Oost en eigene behoeften, die aan hare
bevolking, daardoor veel te groot, onderhoud verschaft. Laat Amsterdam
het beseffen, of eigen behoud haar niet dwingt, om het zeekanaal daar te
stellen, al lagen er in het IJ geene gronden, waardoor de kosten van dat
kanaal goedgemaakt zullen worden?
Rotterdam en Dordrecht bloeijen door transito, en uitvoer naar elders,
van inlandsche producten. Wat in de rigting van Amsterdam moest
vloeijen, vloeit daarheen, om hare gemakkelijke water-gemeenschap met
Engeland. Wat Noord-Holland naar Amsterdam voeren moest, gaat naar het
Nieuwe Diep. Wat Deventer, Kampen en Zwol haar anders uit Overijssel
en Gelderland toevoerden, wordt nu door eigene reederijen, wel nog
gebrekkig, maar steeds verbeterend, vervoerd. Niet dat wij der kleine
havens en steden den buitenlandschen handel willen onttrekken; maar
datgene wat, het kanaal daar zijnde, aan Amsterdam zoude toevloeijen,
wordt Amsterdam nu onttrokken.
Het zijn ook de belangrijke steden, dorpen en vlekken, die te Amsterdam
moeten markten; waar Amsterdam het vertier voor openen moet; welk
vertier ontstaan zal uit directe gemeenschap, door het kanaal, over zee
met andere volken.
Geld moet er gevonden worden!--en gelukkig voor de welvaart van de stad,
dat het gevonden kan worden, terwijl de bodem van het IJ den grond voor
de hypotheek aanbiedt. Men mag de stad vergelijken bij een huis; het
huis wordt door gebrek aan herstellingen al meer en meer onbewoonbaar;
de eigenaar, van deszelfs inkomen levende, moet, wil hij daarvoor
huurders vinden, laten repareren;--en wien is het nader, het geld te
schieten, dan hun, die er het meeste belang bij hebben?
Als men eens alles overziet, wat door die reparatie gewonnen kan
worden: het herstel van gemeenschap met de Noordzee, en dit nog
wel langs eenen verkorten en veiligen weg, zal men zich dan nog
verwonderen over de woorden, welke een onzer geachtste gezagvoerders
van eenen Oost-Indiënvaarder, in verrukking, bij het vernemen van dit
ontwerp, uitriep: "Ik wenschte, dat ik het reeds zag!" Door betere
gemeenschap met de zee, zou Amsterdam levendige stoomvaart, handel met
uitvoer-artikelen, in menigte verkrijgen; als haven eene voordeeligere
ligging, dan de andere, die haar in dit opzigt thans allen vooruit zijn:
men zoude bij het nu vrijgeviger handelsstelsel hare haven verkiezen
boven de Schelde met hare banken, boven Hamburg, wier gemeenschap met de
zee moeijelijker, gevaarlijker en langzamer is. Amsterdam verkreeg eene
breede, ruime en onaantastbare haven, waarin eene oorlogsvloot veilig
zou kunnen liggen, waarin voor aanbouw en herstel dier vloot de beste
gelegenheid zou gevonden worden, waar nu ongebruikte tuighuizen en
werven der marine weder ter dienste zouden zijn, en van waar, in tijd
van oorlog, langs ringvaarten, naar vijf verschillende havens, tegen
thans één, oorlogschepen en booten verzonden zouden kunnen worden.
Welke hoogere waarde verkregen hare huizen en pakhuizen niet? En
was eene belegging in actiën, op de droogmaking van de Zuiderzee,
alsdan niet voor elk, die iets te beleggen heeft, de voordeeligste
geldbelegging? Is het niet eene geoorloofde, eene winst aanbiedende
speculatie van een' eigenaar van een huis, om de waarde van zijn huis
te verhoogen, daarop hypotheek te nemen, en zoo, door de dus verkregene
gelden bij te dragen, om aandeelen in de droogmaking van de Zuiderzee te
nemen, er toe bij, tot meerdere waarde van zijn eigen goed?
Verschillende plannen zijn er gevormd, het eene min het andere meer
kostbaar en onuitvoerbaar, om de stad van versch drinkwater te voorzien,
welke plannen overbodig zouden worden, daar al de stads grachten alsdan
drinkbaar water zouden opleveren, dat thans met schuiten van de Vecht
moet aangebragt worden. De gelden, welke men ter verwezentlijking van
de plannen tot het aanleggen van waterleidingen wilde bezigen, waren
nuttiger aan de droogmaking der Zuiderzee besteed.
Beschouwen zoovele ingezetenen der stad het nuttig, om deze zaak tot
stand te brengen, en alzoo hunne belangen te bevorderen, en dragen
zij daartoe door ruime inschrijvingen bij,--zoude dan eene stedelijke
regeering werkeloos mogen blijven, of zoude zij niet, door het crediet,
hetwelk zij bezit, tot eene leening bij moeten dragen, om aandeelen te
nemen, tot herkrijging en bevordering van de grootheid en het aanzien,
dat der stad jaren lang ontbreekt, en dat, in dezen stand van zaken,
jaarlijks verminderen moet?
Het heeft der stad Amsterdam nimmer aan crediet ontbroken, en het zal
haar, om negotiatiën te doen, daaraan nooit ontbreken, zoo lang zij hare
verbindtenissen naleeft.
Het is ook niet Amsterdam alléén, dat zoo aanzienlijk zal bevoordeeld
worden. Vestigen wij ons oog, voor eene poos, op de omstreken der stad;
hoevele steden, vlekken en dorpen vinden wij daar niet, die allen in
even kwijnenden toestand zijn, zoo in handel als in akkerbouw; die allen
het grootste belang hebben bij het tot stand brengen onzer ontwerpen,
en waar (dank zij den hemel!), even als in Amsterdam, nog aanzienlijke
schatten zijn, welke met vrucht ter bevordering van eigene welvaart
kunnen worden aangewend; waar ook de vraag gedaan wordt: "hoe besteed ik
mijn geld het voordeeligste? en welke middelen zijn toch de beste, om
ook voor mijne kinderen een toekomstig bestaan te vinden?" Die middelen
liggen ook voor u in de droogmaking der Zuiderzee, en ook gij kunt de
uitvoerbaarheid mogelijk maken door uwe bijdragen.
Even zoo als Amsterdam, zullen ook alle zaanlandsche dorpen verkorte
gemeenschap met de zee verkrijgen, en ook van dáár zullen directe aan-
en afvoeren van en naar alle landen geschieden kunnen. Eveneens als
nu, van uit het Nieuwe Diep, van Rotterdam en van Harlingen, het vee,
de eigene producten, vervoerd worden, eveneens zal dit van uit de
zaanlandsche dorpen plaats hebben. De ligging der fabrijken werd
gunstiger, het vertier aan de molens, en van zoovele door den handel
bestaande bedrijven, werden daardoor verlevendigd, en op nieuw tot
bedrijvigheid gebragt. Dat men zich maar de moeite wille geven, dit
alles goed in te zien, en daarnaar te handelen. Thans moeten u,
Zaankanters! uwe groenten, uwe levensmiddelen van Broek op Langendijk,
van over Amsterdam aangevoerd worden, terwijl uw nu moerassige en
drabbige grond, door eene voldoende, zonder kosten te verkrijgen
afwatering, door uwe thans werkelooze sluizen, alsdan droog blijft
liggen, en in kostelijke warmoezeniers en tuingronden zal herschapen
worden, waarop zoovelen, die nu ledigloopen en uit de armenkassen,
onvoldoende, om de dringende behoefte te leenigen, trekken, werk zullen
vinden en alsdan zelfs zullen kunnen bijdragen, om die kassen te helpen
schragen, opdat zij tot hulp verstrekken voor diegenen, waarvoor dezelve
oorspronkelijk bestemd waren, voor de ouden van dagen, voor door
ziekelijkheid verachterden, en voor weduwen en wezen.
Het Departement der maatschappij: tot Nut van 't Algemeen aan de Zaan,
kan deszelfs prijsvraag, tot wering van de steeds toenemende armoede,
alsdan intrekken;--het tijdelijk plaats gehad hebbende gebrek, zal eene
gebeurtenis in de geschiedenis worden, welke opgehouden zal hebben te
bestaan!
Er zijn zekere ongeriefelijkheden, waarop men, van zijne jeugd af er aan
gewoon, naauwelijks meer let, of gevoelt, dat ze bestaan. Wie denkt er
aan de Zaan aan, dat het een ongerief is om, naauwelijks uit het huis
komende, gevaar te loopen van in het water te stappen? Verkrijgt men
eens eene verbeterde afwatering, zoodat de landerijen droog blijven,
waardoor men zonder klompen droogvoets kan loopen dan zal men erkennen,
van eenen grooten last ontslagen te zijn, dien men nu naauwelijks meer
opmerkt.
Doch niet alléén, dat het eigenaardig zoogenaamde Waterland een droog
land zal worden, maar daardoor zal het ook tot alle kultuur geschikt
worden, en alzoo zal de waarde der landerijen niet alleen verhoogen,
maar ook de bouw en verkoop der produkten zal toenemen, en daardoor meer
arbeid en welvaart geboren worden.