Er zijn nog zeer vele zaken, die wij zouden kunnen bijbrengen, om de

noodzakelijkheid te betoogen, dat men ons ontwerp in overweging behoort

te nemen, en, na de beschouwing der voor- en nadeelen, bevindende, dat

de schaal, ten voordeele daarvan doorslaat, alsdan tot de uitvoering

met vereende krachten over te gaan; doch wij vreezen, den lezer

te doen uitroepen: Houdt men nog niet op, met het betoogen van de

noodzakelijkheid!--Wij willen later hier het een en ander aanstippen,

over de gewenschte gevolgen, welke uit de voltooijing van dit werk

zullen voortvloeijen; doch vooraf onze denkbeelden over deszelfs

uitvoerbaarheid ontwikkelen.

Men heeft thans veel het woord _reuzenwerk_ in den mond, en wij zouden

vreezen, dat, als men ook deze voorgestelde onderneming met dien naam

bestempelde, er al aanstonds eene soort van vreesachtigheid aangejaagd

zou worden, die ons zeer ongevallig zoude zijn; wij moeten geene

vreesachtigen hebben, wij wenschen vooringenomenen, die door overtuiging

tot medewerken gezind zijn.

Reuzenwerk!--daarin ligt de gedachte aan een werk, hetwelk door wezens

met sterker physiek gestel, doch met minder genie, dan dat, waarop

wij trotsch mogen zijn, ten uitvoer gebragt werd, en waarbij minder

het nuttige, dan wel het monsterachtige, het gedrogtelijk-groote

in aanmerking komt. De bouw der pyramiden, het opdelven van groote

rotsstukken, eertijds door de Germanen tot eene soort van offeraltaren

gebezigd, zijn naar ons begrip reuzenwerken.

De dijken door onze voorouders gelegd, zijn eerder monumenten,

ten bewijze strekkende, dat zij vastberaden, met taai geduld, de

verwoestingen der natuur zochten tegen te gaan, om met onbeperkte

vrijheid in een land, dat genoegzaam hunne eigene schepping was,

vreedzaam te leven.

Het stadhuis (nu Z. M. paleis) te Amsterdam, getuigt van eene edele

liefde voor grootheid en van smaak in kunsten en wetenschappen. Zulk

een gebouw zou door geene andere kunnen worden daargesteld, dan door

hen, bij wie de geestkracht tot werken ontwikkeld was, die door stoute

ondernemingsgeest waren bezield, bij wie evenveel eerzucht heerschte als

zucht, om zich door groote handelsoperatiën vele en groote rijkdommen te

verschaffen. Het getuigt van den milden geest des handelaars, die, in

grootsche ondernemingen geslaagd, altoos grootheid en welvaart om zich

heen verspreidt.

Wij beschouwen ons ontwerp uitvoerbaar, terwijl alle middelen daartoe

voorhanden zijn, zoo wij slechts volharden in den wil, hetzelve daar te

stellen; wij stellen een meer dan gewoon plan voor, hetwelk meer dan

gewone werkzaamheden in menigte in zich omvat, maar dat alles vroeger

meer stuksgewijze gedaan is.

Wij willen eene uitwatering in de Noordzee daargesteld hebben,--dit is

reeds met goed gevolg bij Katwijk geschiedt.

Wij willen verschillende groote, breede en diepe kanalen, genoegzaam

nieuwe rivieren daarstellen,--het Voornsche en het Noord-Hollandsche

kanaal zijn dáár, om de mogelijkheid te bewijzen.

Wij willen in zee aandijken,--dit hebben onze voorouders gedaan, en dit

doen wij nog dagelijks.

Er ligt in Noord-Holland alleen eene bedijking van honderd uren: de eene

houdt weinig duizend, de andere slechts eenige honderd bunders binnen

haren omtrek; door het geringe bundergetal, binnen die bedijkingen,

werden die dijken veelal te ligt aangelegd, omdat de geringe oppervlakte

de kosten der bedijking niet konde goed maken. Vaak braken die dijken

door, en men moest, om te behouden wat men had, op nieuw bedijken en

verzwaren, en--men legde er geld bij.

Wij willen ook indijken, doch wij hebben weinig bedijking voor te

stellen, en winnen binnen deze bedijking 600,000 bunders land aan; eene

aanzienlijke hoeveelheid gronds meer, dan ééne onzer provinciën aan

bebouwden grond bevat. Slechts door eene kleine vier uren van Enkhuizen

op Stavoren aan te dijken, wordt ons reeds ruim 260,000 bunders land

bezorgd. Wij zullen hoofden in de zee uit te brengen hebben; welnu, wie

twijfelt aan de mogelijkheid?--aan het Nieuwe Diep is een hoofd, dat in

de diepte in eenen zwaren stroom is gelegd.

Wij zullen vele sluizen te bouwen hebben--de in lateren tijd

gebouwde getuigen, dat wij daarvoor, wat sierlijkheid, soliditeit en

doeltreffendheid aangaat, bij de vreemden geene les behoeven te nemen.

Ten opzigte van kanalen,--wij hebben slechts in de diepte te graven, wij

behoeven geene waterleidingen, zoo als de oude Romeinen legden, en er

in lateren tijd nog in Schotland zijn gemaakt, waar de schepen onder de

bruggen van het kanaal doorzeilen, terwijl honderde voeten hooge bogen

den eenen berg aan den anderen verbinden, om het kanaal over denzelven

heen te leiden; alzoo levert ook de bouw onzer kanalen geene stof tot

bezwaar op. Er zal menig duin, in de rigting van Zandpoort naar zee,

moeten worden weggeruimd; dit doet aan den nijveren daglooner veel

verdienen, doch is geene omstandigheid, welke de onderneming bedreigt.

Er zal geene geringe hoeveelheid water moeten uitvloeijen en uitgemalen

worden; ook zal het geene geringe hoeveelheid zijn, dat door dit kanaal

langs Amsterdam zal wegloopen; dit stelt tegelijk de gelegenheid daar,

om dat vuile, stinkende en verpestende water uit de stadsgrachten

(stilstaande modderpoelen) te loozen, waardoor alsdan het zilverwerk

enz., in goed geslotene kabinetten, voor aanslag gevrijwaard zal

blijven.

Toen LEEGHWATER de droogmaking van de Beemster begon, had hij slechts

windmolens met gebrekkig werkende schepraderen; thans zijn er vele

verbeteringen aan de molens en in de water-opvoerings-werktuigen

daargesteld, zoodat het droogmaken en drooghouden van meren en plassen

thans met beter gevolg, dan vroeger, kan ondernomen worden. Daar, waar

spoedige droogmaking een vereischte is, en de oppervlakte van het droog

te maken terrein groot is, wendt men met vrucht de stoom aan, omdat men

met stoomwerktuigen aanhoudend doorwerken kan; zoo dat, wat men vroeger

voor onuitvoerbaar achtte, thans veilig kan worden ondernomen. Wij zijn

er dan ook voor, om stoomwerktuigen in dezen te bezigen, ten einde de

water-opvoerings-werktuigen voor de droogmaking gestadig aan den gang te

houden, hetgeen met den ongestadigen wind alleen niet plaats kan hebben.

Wij zullen eens op eenige daadzaken in onze geschiedenis vervat, moeten

terug komen, om de uitvoerbaarheid van onze voorgestelde werken meer dan

door enkele redeneringen te bewijzen; en zwarigheden, die geopperd

worden, door voorbeelden op te lossen.

Men betwijfele de uitvoerbaarheid niet, om rivieren en kanalen te

graven, en hoofden in de zee uit te brengen. Men noemde het vroeger ook

een onuitvoerbaar reuzenplan, het maken van eene uitwatering bij Katwijk

aan zee; het zoude meende men terstond weder verzanden; men betwistte

het groote spuijingsvermogen, men haalde den vijand in het land;--doch

tot nog toe, nu 40 jaren geleden, is de uitwatering niet verzand, de

duurzaamheid is bewezen, de snelheid van uitspuijing heeft boven alle

verwachting aan het doel beantwoord, en men betreurt thans, dezelve niet

op grootscher schaal te hebben ondernomen, dat door de vrees van velen,

wegens nutteloos geblekene behoedzaamheid, werd verhinderd, daar anders

de gevolgen voor Rijnland aanmerkelijk voordeeliger zouden geweest zijn,

en nu de te kleine aanleg vroeg of laat zal moeten verholpen worden.

Nu is er te Katwijk slechts tijdelijke uitstrooming van water; bij

hevigen storm of hoogen watervloed in de Noordzee zijn de sluizen

gesloten, en niettegenstaande alsdan de golven met ontzettende kracht op

het strand aanloopen, blijft de uitwatering bestand en verzandt niet.

Wij zullen eenen stroom graven, die aan de monding 350 ellen wijdte zal

hebben; die een eindwegs in de Noordzee zal worden gelegd, waar geene

banken, die verzanding zouden kunnen veroorzaken, weg te ruimen zijn,

en daarenboven zal er, twee maal in de 24 uren, eene aanmerkelijke

hoeveelheid water (12 millioen kubiek ellen) uit- en instroomen, dat in

de diepte afloopt, en dus schuring geeft, om de diepte hoe langer hoe

meer te bevorderen. Ook maar bij wijze van voorzorg, om de bevreesden

gerust te stellen, zullen wij sluizen binnen de duinen te Zandpoort

leggen; terwijl de dijken aan het kanaal boven de hoogst bekende vloeden

zullen gelegd worden, zoodat, al drong het water binnen, er geene

overstroomingen te duchten zouden zijn. Grootendeels leggen wij die

sluizen ook, om, bij lagen waterstand, in de rivieren het zoete water

op een voldoend peil of hoogte te houden, ook voor de scheepvaart.

Het graven van het Noord-Hollandsche kanaal beschouwde men als een

werk, dat in geen menschenleeftijd te voleindigen was; van alle

zijden verhief men daarentegen den jammerkreet, dat men daardoor

het gewone spuijingsvermogen zoude verliezen (daarvan strekken de

Ulpen nog ten bewijze), men beweerde dat geen veestapel gezond zoude

blijven, wanneer er brak water in Noord-Hollands boezem vloeide,--de

ondervinding heeft niettemin geleerd, dat het spuijingsvermogen,

met het uitwateringsvermogen, aan het Nieuwe Diep aanmerkelijk zijn

verbeterd, en dat men die verbetering tot Zaandam toe kan bespeuren.

Alzoo een afdoend bewijs, dat de werking veel grooter door het zeekanaal

te Zandpoort zoude zijn, waardoor al de nu werkelooze sluizen in het IJ

een nimmer gekend vermogen zullen verkrijgen.

De jaarlijksche verslagen geven er getuigenis van, dat, sedert het

Noord-Hollandsche kanaal in wezen is, de alom geheerscht hebbende

ziekten onder het vee zigtbaar hebben afgenomen. Men betwijfelde de

mogelijkheid, om sluizen te kunnen leggen, die aan de zee weêrstand

bieden, en evenwel beantwoorden die sluizen ten volle aan de

verwachting. Men achtte het onmogelijk, om door veen, moerassen en

zandgronden een kanaal te kunnen graven van 6 ellen diep, daar die grond

onmiddellijk, of in korten tijd weder zou toezakken, doch van dit alles

is niets gebleken; men bejammert slechts, niet meer diepgang te hebben,

en dat geene stoomslepers op het te enge kanaal kunnen varen, om de

schepen, met mindere kosten en tijdverlies, voor de stad te stoomen.

Men twijfele dan ook niet, of men ons voor te stellen plan zal kunnen

ten uitvoer brengen en rivieren zal kunnen graven.

De natuur vormt rivieren en zeegaten, de kunst vermag dit ook; die door

de natuur zijn daargesteld, mogen bevaarbaar zijn of niet, de kunst

vormt dezelve naar de behoefte.

Wij hebben in de duinen, bij het graven van een buitengewoon breed en

diep zeekanaal, geene moerassen, waarmede men bij het graven van het

Noord-Hollandsche kanaal te worstelen had; vermoedelijk zal men wel

vaste kleilagen vinden, welke klei zeer wel te stade zal komen bij de

bedijking, die buiten aan de zee moet plaats hebben; veel van het uit

te graven overtollige zand, is voor de te luwen aan de hoofden uiterst

dienstig, welke, met even flaauwe helling als het strand, het geweld der

golven zullen kunnen verduren.

Wij hebben misschien ten onregte een denkbeeld gevormd, dat de dijken

beter te leggen waren in stroomend water, dan op de thans gebruikelijke

wijze. Het is niet te ontkennen, dat men soms plempwerken beproeft,

die geheel mislukken; dat er bij het storten der specie vaak zeer

veel verspoelt, en daardoor de raming van de hoeveelheid te gebruiken

specie faalt; dat bij opkomenden storm en vloeden soms geheele vakken

aanzienlijk beschadigd worden, waarvan het herstel nog meer kosten

veroorzaakt, dan die van den eersten aanleg; doch meer gevaar van zulke

tegenspoeden bestaat er, wanneer de geldelijke staat den eersten aanleg

van zware dijken verhindert, hetwelk hier geenszins plaats hebben zal.

Doch om ons nu over die wijze van dijken leggen te verklaren, achten wij

overbodig; komt het tot de verwezentlijking van ons plan, zoo bestaat er

gelegenheid, bij het daarstellen van het eerste perceel, daarvan eene

behoorlijke proef te nemen, om, bij welslagen, er later partij van te

trekken.

Wij hebben in onze dagen meer kunde verkregen, gepaard met de

ondervinding van ingenieurs en aannemers, dan onze voorouders bezaten,

terwijl thans met behulp van de stroom en tijdelijk te leggen sporen, de

aanvoer van specie gemakkelijker is.

Thans zoude een aandijking van Wieringen niet zoo ondoenlijk geacht

worden, als vroeger, zoo als blijkt uit een advies, hetwelk destijds de

Staten van Holland aan die van Westvriesland uitbrachten. Men voerde

tot reden van afwijzend advies aan: wenschelijk, doch ondoenlijk; een

reuzenplan, door zijne grootheid onmogelijk; al hadde men er het geld

voor, waar vond men dan de handen, de specie en schepen om dezelve aan

te voeren? Het is te duchten, dat hetgeen men in den zomer daarstelt, in

het najaar, door eenen stormwind, of in den winter weder verdwijnt (men

zie hierover de Medemblikker kronijk)[4].

[4] Eertijds loofde men, met het bezit van den grond, twee tonnen

gouds uit aan dengene, die het Koegras wilde indijken--dat werk is

volbragt! LEEGHWATER wilde vóór twee eeuwen het Haarlemmer-meer

droogmaken; men hield het voor eene hersenschim--nu dit meer zoo

veel grooter en dieper geworden is, zal men het ondernemen!

Onnoemelijk zijn nu ook, of zullen de tegenwerpingen worden, die, hier

door onkunde, ginds door vooroordeel, daar door verouderde begrippen,

en wel voornamelijk door vuig eigenbelang, zullen worden opgeworpen,

waartegen men te kampen zal hebben, maar waar boven men zich zal moeten

weten te verheffen, wil men iets grootsch en van algemeen nut tot stand

brengen.

De diepten en stroomen zijn geene niet te boven te komen hinderpalen.

Op de Ligthelmstone, eene in de zware branding liggende rots, werd een

vuurtoren om de haven van Plymouth binnen te komen, gebouwd, waar een

zwaar stroomgetij uit eene holle zee op- en afvloeit. Er verliepen

dagen en jaren, alvorens de ingenieurs het behoorlijke cement voor de

metselwerken gevonden en op den toets gesteld hadden, en dat cement

wordt thans ook hier te lande gemaakt, en behoeft in deugdelijkheid niet

voor het vreemde te wijken, (men zie hierover de verhandeling van den

verdienstelijken heer ROSEN, Stads-Architect te Rotterdam). In Frankrijk

en Engeland heeft men aan vele havens op de kust hoofden in zee, die

nu door beton-werken, minder moeijelijk, en meer duurzaam zijn; en dat

wel op plaatsen, waar men vervaarlijke stroomen en bij ons onbekende

vloeden, somwijlen van 20 à 40 voet in een getij, heeft. Duchten wij

N. W. stormen, de zeetijdingen berigten ons, dat ook menig schip op

Albions kusten vergaat, waar de zee gramstorig hare offers eischt, en

waar nogtans de daargestelde werken tegen de zeeën bestand blijven. De

werkzaamheden, om dijken te leggen, het groote, hoewel korte, kanaal

tot in de Noordzee daar te stellen, die vele, een geheel uitmakende,

ringvaarten en de afwatering van den IJssel, door de hooge gronden van

Gelderland zijn menigvuldig, doch uitvoerbaar. Wij willen nu den lezer

onze zienswijze omtrent de droogmaking mededeelen: die wegens het IJ

komt naauwelijks in aanmerking bij hare ondiepte en in vergelijk bij

de uitgestrektheid van dat gedeelte der Zuiderzee, hetwelk ons eerste

doel is, tot eene bewoonbare provincie te maken; de droogmaking

van het IJ zal ons de gelegenheid verschaffen, om onze stoom- en

wateropvoerings-werktuigen op den toets te stellen, om tot meer bepaalde

resultaten ter droogmaking van den grooten plas te komen.

Oppervlakkig het oog vestigende op de Zuiderzee, zoude men het schier

ondoenlijk achten, zulk eene uitgestrektheid droog te maken, en

desniettemin gelooven wij, dat dit minder zwarigheid zal in hebben, dan

de droogmaking van het Haarlemmermeer, zoo als die nu ondernomen wordt.

De indijking en droogmaking van de geheele Zuiderzee zoude bij gedeelten

worden ondernomen; en wij houden het er voor, dat de droogmaking van

het eerste gedeelte, eene oppervlakte van 260,200 bunders, in omstreeks

denzelfden, zoo niet in minder, tijd dan het Haarlemmer-meer, dat maar

één twaalfde gedeelte van de oppervlakte der voorloopig in te dijken

Zuiderzee beslaat, zal uit te malen zijn.

De Zuiderzee levert minder bezwaren tegen het droogmaken, en de daaraan

verknochte werken op, dan het Haarlemmer-meer.

Het Haarlemmer-meer ligt doorgaans dieper dan de Zuiderzee, waar men

stellig het krachtig toevloeijende welwater zal hebben te overwinnen,

waarvoor de Zuiderzee door eene ondoordringbare laag klei wordt

beveiligd. Doorzijpeling van belendende meren en plassen, heeft men aan

de Zuiderzee niet te verwachten, vermits er in derzelver nabijheid geene

zijn; de daar te stellen ringvaarten, welke eene onbelemmerde afwatering

zullen hebben, zullen op meerdere diepte worden gegraven, dan de bodem

der zee is, en grootendeels komen die vaarten achter de oude zeedijken

te liggen, welke door jaren liggens beklonken zijn, waar mitsdien geene

doorzijpeling plaats kan hebben, en zulks te meer niet, dewijl die

vaarten niet onmiddelijk aan de dijken, maar op behoorlijken afstand

van dezelve worden gelegd. Deze dijken zijn bestand gebleven tegen hoog

oploopende vloeden die tot aan derzelver kruinen reikten, welke hoogte

het water in de ringvaarten nimmer zal bereiken.

Het Haarlemmer-meer daarentegen heeft dijken van derrie met plempwerken

doorweven, welke op derrie-gronden rusten. Deze van derrie gemaakte

dijken zullen aan meren en plassen tegenstand moeten bieden, terwijl nog

daarenboven de ringvaarten onmiddelijk aan die dijken verbonden zijn.

Tegen die dijken zal bij het uitmalen eene persing van water van 4 tot 5

ellen ontstaan, en die persing zal nog belangrijker worden, door de nog

dieper te graven slooten en weteringen, wanneer de drooggemaakte grond

geslecht en bekaveld is.

Wij beschouwen de persing van die hoeveelheid water, tegen dijken van

zulk allooi, als de behoorlijke droogmaking en drooghouding bedreigende,

en daarvan heeft men aan de Zuiderzee op geen punt hoegenaamd iets te

duchten; zullende men altoos op bijzondere punten buitengewone middelen

tot afwering en voorkoming kunnen bezigen, wanneer die zich mogten

voordoen.

Men zal met ons toestemmen, dat het bovenstaande, ten opzigte van de

zekerheid der droogmaking en drooghouding, alsmede van het beter bestand

zijn der dijken, voor de veiligheid der droog te maken Zuiderzee pleit.

De doorloopende diepte der Zuiderzee kan men op omstreeks 4 ellen

aannemen. Wij spreken van dat gedeelte, waarvan wij de indijking

beoogen, van af Enkhuizen en Stavoren en dan zal 4 ellen nog wel te veel

bevonden worden; iets meer of mindere diepte komt in geene aanmerking.

Wanneer eenmaal de dijk tusschen Enkhuizen en Stavoren gelegd, en dit

gedeelte van de zee afgesloten is, zal er door het Noordzee-kanaal,

voorbij Amsterdam, minstens eene el hoogte van het water der ingedijkte

Zee, vrijelijk afloopen of afgetapt kunnen worden, doordien de

waterstand in de Noordzee, bij Zandpoort, tegen dien van het IJ, veel

meer dan eene el lager is bij gewoon getijde; het gevolg daarvan is, dat

er geene 4 el, maar 3 el waterhoogte zal behoeven uitgemalen te worden.

Wij willen ons oordeel opschorten over de werktuigen, die tot de

droogmaking zullen moeten worden gebezigd. Gedurende den tijd, dat de

voorbereidende werken daargesteld worden, kunnen er behoorlijke proeven

genomen worden, om de keuze der beste werktuigen te bepalen--maar de

middelen zijn voorhanden, om spoedig droog te maken, en dit is een

hoofdvereischte; want even veel gewigt als wij aan eene spoedige

daarstelling der dijken hechten, omdat men alsdan van dezelve minder

gevaar te duchten heeft, door opkomende stormen en hooge vloeden groote

schade te lijden, wier herstel veelal met nog meerdere kosten gepaard

is, dan die der eerste daarstelling; even veel gewigt hechten wij er

aan, om, wanneer alles tot de droogmaking gereed is, de droogmaking met

spoed te voltooijen.

Bij eene spoedige droogmaking worden de wellen minder schadelijk; deze

hebben daardoor minder tijd tot toevloeijen; zij kunnen zich minder

ontwikkelen, en zullen daardoor in belangrijkheid afnemen.

Bij eene spoedige droogmaking heeft men minder regenwater uit te malen.

Bij eene spoedige droogmaking is men eerder in het genot van den grond;

daarom zouden wij ook nimmer buitengewoon zware werktuigen willen

hebben, omdat derzelver aanleg meerder tijd vordert, en men bij een

voorkomend defekt, waaraan men, ondanks alle mogelijke voorzorgen

van hechtheid en sterkte, blootstaat, te veel tijd verliest bij de

herstelling van zulk een groot werktuig. Men rekent, dat een kloeke

watermolen 20 paardenkrachten bezit, zoodat 25 molens gelijk staan aan

een stoomwerktuig van 500 paardenkrachten: bij het minste defekt nu aan

de machinerie van dit werktuig worden er zoo veel als 25 molens tot

werkeloosheid gebragt, en daardoor wordt het nadeel altoos betrekkelijk

nog grooter, dan het voordeel van eenige bezuinigingen, welke men bij

het daarstellen van een groot geheel meent te verkrijgen.

Tijd is geld!--dit is ook hier eene waarheid. Elk jaar toevens berooft

ons van groote voordeelen of inkomsten. De pacht van 260,000 bunders

land, tegen f 50 per bunder in het jaar, bedraagt f 13,000,000, dat

waarlijk eene aanwinst is, die ons moet aansporen, om alle krachten in

te spannen, en met spoed eene droogmaking te bewerkstelligen, die zulk

eene aanzienlijke som kan opleveren.

Het plan van droogmaking der Zuiderzee, verdeeld in drie perceelen,

houden wij verre weg de voorkeur te verdienen, boven dat, hetwelk het

algemeen Handelsblad, in een hoofdartikel, in het najaar van 1845

voorstond.

Het verklaarde zich voor eene droogmaking, die trapsgewijze,

stuksgewijze, van lieverlede moest plaats hebben, waarbij de omtrek van

de Zuiderzee al meer en meer verkleind werd.

Hier is eene coalitie bezig, om dit stukje te bedijken, ginds een

andere, om een ander stuk. Men zoekt de beste mootjes van den zalm voor

zich te behouden, en ten slotte wordt de algemeene toestand van geheel

ons land verslimmerd. Het is natuurlijk, dat elk ten dien opzigte maar

op eigenbelang en voordeel ziet.

Heeft eene vereeniging het oogmerk bereikt, van vijf duizend bunders

land te hebben ingedijkt, dan gaat er een galm op van de voordeelen voor

het algemeen, en juist het algemeen lijdt nadeel.

De achter een nieuw ingedijkte polder liggende polder wordt niet beter

gemaakt; het is waar, deszelfs sluizen zijn veelal nu reeds werkeloos,

doch die worden alsdan nog werkeloozer gemaakt, uit hoofde van den

verlengden afloop van het water door den nieuw ingedijkten grond.

Door dit partiëel indijken blijven de minst voordeel aanbiedende stukken

liggen, en het onvermijdelijk gevolg daarvan zoude zijn, dat er na

verloop van tijd een menigte van meren en meertjes in de Zuiderzee

overbleven, middelerwijl de westelijke kust van Noord-Holland

allengskens meer en meer verdween, zoo niet al vroeger de Noordzee

groote verwoestingen daaraan hadde toegebragt, zoo als te Petten en

te Ter Heyde voor Delfsland te duchten staat. De nazaat zoude, onze

geschiedenis lezende, dan kunnen zeggen: betreurenswaardig zijn de

schrikbarende verwoestingen, een smet kleeft op onze voorvaderen, welke

die verwoestingen zouden hebben kunnen voorkomen, door de Zuiderzee

geheel in te dijken.

Bij gedeeltelijke indijking denkt ieder aan zich zelven, maar dat

is niet het geval hier. De onderneming zal voor het individueel nut

van elke stad, elke haven en elke afwatering zorg dragen. Elk hunner

verkrijgt die verbetering voor zich kosteloos, zonder noodig te hebben

voor het onderhoud, dier kosteloos daargestelde verbeteringen, immer

eene bijdrage te doen.

De daar te stellen ringvaarten blijven ten laste van de onderneming; zoo

mede het onderhoud aan dezelve, en door deze ringvaarten wordt aan een

ieder eene onbelemmerde af-, in- en uitwatering bezorgd, behalve dat elk

plaatsje, hoe gering het ook zij, een verlevendigd vertier, door af- en

aanvoer naar en van den nieuwen grond, verkrijgen zal; daargelaten nog

de dadelijke voordeelen, welke voortspruiten uit de dagloonen, welke in

hunne nabijheid, door al het graven en bouwen in hun midden, in aller

handen moeten komen.

Men wendt tegen de uitvoerbaarheid aan, dat er gebrek aan geld is.

De geschiedenis geeft ons lessen, welke, vertrouwen wij, den lezer

zullen overtuigen, dat hij, door het helpen tot stand brengen dezer

onderneming, zich zelven zal bevoordeelen, en daar mede de algemeene

welvaart, zal helpen bevorderen.

Het eerste ontwerp voor de bedijking der Zuiderzee, 1848 · 第 4 / 13 段