finantiewezen is in eenen onvoordeeligen toestand. Bloedige offers
kostte ons de leeningswet, en wat heeft zij ons gebaat? Uitstel van
executie, hoe men de belastingen ook productief wil maken! Er moeten
onderdanen zijn, die de lasten dragen en betalen kunnen. Evenwel,
ondanks de verhoogingen, worden de belastingen minder productief, ieder
bekrimpt, bezuinigt, het aantal gegoeden vermindert; de armen nemen
toe; de bronnen van welvaart nemen af, en de tekorten bedreigen ons op
nieuw;--er is herstel voor die kwaal, en wel door de droogmaking van de
Zuiderzee! De droogmaking van de Zuiderzee zal handenarbeid verschaffen;
dit is van grooten invloed op 's Rijks inkomsten; zij zal handel en
vertier doen herleven, daardoor bloeit de middelstand, de hartader
van den Staat, door dezen moet de schatkist gestijfd worden, om een
staatsbankroet te voorkomen. Het middel is daar;--de noodzakelijkheid
gebiedt ook dáárom de droogmaking van de Zuiderzee.
De armoede demoraliseert den arbeider en den middelstand. Gene treedt
schaamteloos voor het huwelijksaltaar. Vraagt men hem, welke middelen
van bestaan hij heeft voor vrouw en toekomstig kroost? Even schaamteloos
matigt hij zich het regt op de armenkas aan, gelijk zoo velen vóór hem
deden. Men mag thans niet meer onderzoeken, hoedanig de behoeftige tot
den staat van behoefte is vervallen; genoeg is het, dat er behoefte is,
en dat daarin moet voorzien worden.
De redelijk denkende en achtingswaardige middelklasse ziet zich
gedwongen, van den huwelijken staat, 's menschen hoogste geluk op
aarde, af te zien. Een gezin om zich heen te scharen, zonder genoegzame
middelen van bestaan, is afgrijselijk. Moedwillig wil hij zich zulk leed
niet berokkenen, hij blijft ongehuwd, en de gevolgen zijn zedeloosheid
en misdaad. Het kwaad bestaat, maar ook de middelen tot herstel zijn
voorhanden door de indijking en droogmaking van de Zuiderzee.
Er moet een krachtig werkend middel worden aangewend, om de
landverhuizing te keeren. Dit kan niet door dwangmiddelen en
belemmeringen geschieden, ook niet door overreding; want noch door
dwang, noch door overreding kan men den nijveren, naar bedrijvigheid om
zich heen zoekenden werkeloozen burger brood en bestaan verschaffen. Ons
beste bloed wordt ons afgetapt; wij bezitten geene koloniën, (en men
schijnt er ook niet naar uit te zien, dezelve te verkrijgen) werwaarts
de landverhuizer zijne schreden kan wenden, om door wederkeerige
belangen aan ons verbonden te blijven, en die ons voedsel zouden geven,
terwijl zij in grootheid zoude toenemen.
Engeland ziet met vreugde velen der zijnen naar andere gewesten
vertrekken, omdat het later daardoor in voorspoed, invloed en magt
aanwint, terwijl de banden blijven bestaan; maar wij mogen bij het
afscheid nemen van onze landgenooten wel tranen storten. Er moge nog
weemoedig aandenken achter blijven, doch materieel worden zij voor ons
belangeloos en vreemd. Zij worden onderdanen van eenen staat, uit welker
handelsverkeer met ons weinig voordeel voor ons voortspruiten kan.
De nijvere burger, hij zij boer of ambachtsman, die met zijn huisgezin
vertrekt, is een groot verlies voor ons. Door hem in de gelegenheid te
stellen, vrijelijk de godsdienst, naar zijne begrippen, uit te oefenen
en hem vooruitzigten op een onbezorgd bestaan te geven, zullen wij hem
hier houden; want uit weelde of losbandigheid vertrekt hij niet. Het
is de bezadigde Hollander, die wel rijpelijk overwogen heeft, alvorens
te besluiten, en zeker moeten er zwaarwigtige redenen bestaan, die
hem kunnen nopen, gedeeltelijk zijn vermogen op te offeren, om naar
een ander land te gaan, waar op nieuw in alles moet worden voorzien,
alvorens weder tot een bestaan te kunnen komen. Het middel, om deze
verhuizing te weren, geeft de droogmaking van de Zuiderzee aan de hand!
Volgaarne zal menigeen van het landverhuizen afzien, om den dierbaren
grond te verlaten, waarop, bij eene droogmaking, duizende huisgezinnen
kunnen leven en tieren!
Een land als Nederland, hetwelk een stip op de wereldkaart beslaat, dat
door magtige, volkrijke staten is omringd, die beurtelings, en ook
gezamentlijk beproefden, dat kleine land te overweldigen, en vaak
op het punt waren, had God het niet verhoed, hun oogmerk te bereiken,
waar nog daarenboven het naijverige oog op zijne zwak verdedigde
overzeesche bezittingen gevestigd is, om ook die, in spijt van gemaakte
overeenkomsten, gedeeltelijk in bezit te nemen,--zulk een land heeft
behoefte aan eene zware bevolking, welke goed toegerust, in staat is,
haar gebied te verdedigen, en van hare eigene bevolking kolonisten naar
hare bezittingen over te zenden, om daar door landzaten en niet door
vreemdelingen sterk te worden. Van daar, dat de landverhuizing harer
ingezetenen, een dubbel verlies voor haar is.
De behoefte aan land is groot; vele streken liggen nog onbebouwd, en
zijn der ontginning overwaardig; kapitalisten kunnen die ontginningen
met voordeelig gevolg ondernemen, omdat zij daardoor meerdere
interest, en op zekerder grondslag, dan op effecten, kunnen trekken;
doch dit kan de minder vermogende niet doen, die moet zich woning,
bouwgereedschappen en eene veestapel aanschaffen, welke laatste hem
daarenboven door gebrek aan genoegzaam hooi ondoenlijk wordt. Wij
hebben zelven groote behoefte aan hooi en evenwel haalt de vreemdeling
het ons van voor de oogen weg, tot prijzen, die de eigen bouwman
daarvoor kwalijk besteden kan. Uit verbeterde afwateringen zal spoedig
verbetering van land, geschikt voor den hooibouw, voortvloeijen en veel
grond in de Zuiderzee zal daartoe gereed liggen.
Gaat ons voorstel tot indijking van de Zuiderzee door, zoo zal het
vooruitzigt, om land te bekomen, menigeen, die nu weifelt, van de
verhuizing doen afzien; hier blijft hij onder eigene landgenooten,
zonder door vreemde taal, wetten en zeden belemmerd te worden, en hij
weet, hoe hier te handelen, hij zal zijn geheele leven niet in eene
woeste, onbebouwde streek behoeven te slijten, waar hij nog daarenboven
de ziekten, aan dat land eigen, veelal zonder geneeskundige hulp, moet
doorstaan, en wie waarborgt alsdan den vader, zoo onmisbaar voor zijn
huisgezin, het leven? Ook deze landverhuizing, zoo schadelijk voor het
land, toont ons de noodzakelijkheid aan, om de droogmaking van de
Zuiderzee niet onuitgevoerd te laten.
Het grootste gedeelte van onze huishoudelijke fabrijken kwijnt, en
daardoor is het dan ook, dat zoovele handwerkslieden ledig loopen,
zoodat, vóór dat de winter begint, reeds dikwerf duizenden buiten
bestaan zijn. Wie kan het leven en het vertier schetsen, die uit de
voorgestelde droogmaking van de Zuiderzee zullen voortspruiten, daar
steenbakkerijen, kalkovens, houtzaagmolens, smederijen, wagenmakers,
kleinschipperij, timmerlieden en metselaars in zoo vele behoeften te
voorzien zullen hebben. Den vlijtigen ambachtsman, die zoo gaarne wil
werkzaam zijn, en, nu geen werk vindende, zijn oog op vreemde gewesten
vestigt, hier te houden, is behoefte, en dit vordert de droogmaking van
de Zuiderzee!
Liggen nu de scheepstimmerwerven verlaten, omdat er geene schepen voor
de O. I. vaart in aanbouw zijn, verdwijnen onze scheepstimmerlieden,
staan lijnbanen, scheepssmederijen stil,--ook daar is leven te
verwachten, voor de alsdan herlevende binnen-scheepvaart,--dien
scheepstimmerman met alle andere, daarbij behoorende, ambachtslieden,
gebiedt ons de drang der noodzakelijkheid, hier te houden, en dààrvoor
zijn geene middelen te vinden, dan de indijking en droogmaking van de
Zuiderzee!
Kwijnen alle fabrijken en trafijken, welke leven in den staat moesten
bewerken, zoo is er ook geen vertier in den klein-handel, en wie maar
eenigszins, met den handel bekend is, weet zeker den benarden toestand
van zoo vele winkeliers, hetzij in manufacturen, kruidenierswaren,
komenijen en allen, die door behoefte en kleine weelde van den
ambachtsman, bestaan--deze allen, die, hoe langer hoe meer door de
zucht tot landverhuizing worden aangestoken, en wel velen, uit de
gegronde oorzaak, dat zij hier geen bestaan meer kunnen vinden,
eischen voorziening in hun lot. De wet der noodzakelijkheid gebiedt de
droogmaking van de Zuiderzee, opdat uit bebouwing van- en aanbouw in de
Zuiderzee meerder vertier voortspruite.[1]
[1] Wenschelijk beschouwen ook wij, eene meerdere bevolking van de
kolonie Suriname door landgenooten, doch eigene ondervinding, heeft
ons ook geleerd, dat wel de man daar met genoegen leven zal, doch
dat de physieke staat der vrouw daartegen pleit. Jonge mannen, met
frissche kracht, en van onbedorven zeden kunnen het klimaat daar
weêrstaan, en bij matigen veldarbeid gezond blijven; zij weten zich
boven kleine ongewone ongemakken te verheffen; maar de vrouwen
minder, en die gevoelen zich daardoor ongelukkig. Ook is er aldaar
geen gebrek aan blanke vrouwen, zoo als in Oost-Indiën, zoodat de
trouwlustige aldaar, ampele keuze vindt, en gelukkiger met eene
aldaar geborene zijn zal, dan met eene gade, welke uit haren gewonen
werkkring verplaatst wordt. Naar de Oost-Indiën is het vertrekken
van huisgezinnen beter aan te bevelen, ook daar is het klimaat zoo
verwoestende niet voor de gezondheid, en leveren de hooger liggende,
goed te bebouwen velden, een aangenaam verblijf op. Mogt de
landverhuizer ook inzien, hoewel hij minder geld voor den overtogt
naar Amerika geeft, dan naar de Oost-Indiën, deze overtogt hem
nagenoeg evenveel kosten zal, omdat hij nog honderde uren in het
binnenland te reizen heeft, alvorens de plaats zijner bestemming
naar de westelijke grenzen bereikt is.
Onze handel en scheepvaart vorderen de indijking van de Zuiderzee, omdat
daardoor veiliger, dieper en betere havens zullen ontstaan, waardoor
het vervoer over en door ons grondgebied, en langs onze waterwegen
verkieselijk boven dat onzer naburen wordt. Algemeen is het erkend, dat
wij door handel en scheepvaart onzen voorspoed moeten behouden; landbouw
en nijverheid plukken daarvan de vruchten. Die handel en scheepvaart
kunnen vermeerderd worden. Amsterdam zou te verkiezen zijn boven
Antwerpen, door deszelfs nadere ligging aan de Noordzee; maar het is
Amsterdam alléén niet, waarop wij ons oog gevestigd hebben. Zullen ook
niet Groningen, Harlingen, Zwol en Kampen juichen, schepen van meerderen
diepgang te kunnen hebben? Het is onverschillig, naar welke onzer steden
de toevoeren om de Oost, Noord en West komen, zoo dezelve ons niet
voorbij gaan en de vreemdeling maar meer voordeel tot inkoopen bij ons
vindt, dan elders.
Het is onze pligt te zorgen, dat de vreemde onze havens moet kiezen
uit eigenbelang. Van hier moeten de toevoeren uit zee gemakkelijker
naar boven te verzenden zijn, dan van elders. Wil men in het vervolg
verder zien, dat men dan ook kanalisere; men snijde van beneden
Nijmegen uit de Waal in de Maas omstreeks Grave, en gerust mogen wij
dan de concurrentie van België met ons aanzien. Wij zullen den zeer
belangrijken handel op de Oostzee, voor Amsterdam, Kampen, Zwol,
Vriesland en Groningen, voor ons behouden, behalve dat het meerdere
vertier van onze eigene produkten, veeteelt, hooigewassen, enz., de
vreemdelingen herwaarts lokken zal. Men zal dan niet hebben te klagen,
waarin en op hoedanige wijze men met voordeel zijn geld besteden kan.
Men ziet naar middelen om; wij wijzen die aan! en wie zal het niet
als een verzuim moeten beschouwen, dezelve ongebruikt te laten? Wij
beschouwen het voor drogredenen, te beweren: Amsterdam ligt nu aan de
zee; het is waar, ook Kampen, Zwol en Groningen liggen nu aan de zee,
maar allen liggen aan halve modderpoelen, waar ondiepe kanalen, welke
men steeds uitdiepen moet, den toegang tot de zee beletten.
De afstanden tot de zee zullen verminderen. Even als de groote schepen
uit de Noordzee door stoomslepers, in weinige uren, Amsterdam zullen
kunnen naderen, zullen ook de schepen uit de zee in de ringvaarten en
kanalen, Kampen, Zwol, Harlingen en Groningen kunnen bereiken. De van
5 tot 7 el diepe en van 30 tot 200 el breede kanalen en stroomen, zijn
wel geschikt voor stoomslepers, waardoor wij de concurrentie met de
spoorwegen zullen kunnen volhouden.
Hoe komen wij uit onzen schuldenlast, die steeds ondragelijker wordt?
Ook dáárvoor moet men middelen zoeken, die meer productief zijn. Wordt
dit woord nu in eenen ongelukkigen zin opgevat, en noemt men afpersen
productief maken.--O laat ons den Algoede loven, dat de opbrengsten door
voorspoed, productief zullen worden.
Engeland strekke tot voorbeeld, om te bewijzen, van welken invloed de
arbeid op de accijnsen is. Ook hier, waar millioenen door handen arbeid
zullen circuleren, zullen millioenen in 's Rijks schatkist vloeijen,
waarop men met meer zekerheid zal kunnen rekenen, dan op de batige
saldo's uit de Oost-Indiën, die eigenlijk tot verbetering aan onze O. I.
bezittingen moesten besteed worden. De drang der geldmiddelen, om aan
het moederland een hoog batig slot te kunnen uitkeeren, stelt onze
bezittingen in Oost-Indië in gevaar. Waren wij op Borneo behoorlijk
vertegenwoordigd geweest, (dat welligt, om kosten te besparen, verzuimd
wordt) dan hadden de Engelschen er zich niet, met schending van
tractaten, kunnen nestelen. Thans moeten wij, voor overmagt zwichtende,
het als een fait accompli aanzien, en er de wrange vruchten van
plukken.
Voor den burger, de vader van een groot huisgezin is de droogmaking van
de Zuiderzee eene noodzakelijkheid, om voor zijne kinderen middelen van
bestaan te vinden. Hij is geen bezitter van middelen, om zijne kinderen
op kostbare Rijksscholen onderwijs te doen genieten, en die Rijksscholen
toch leveren alleen het vooruitzigt op bevordering bij de regering.
Terwijl vroeger de held in de kazerne opgevoed, en op het slagveld
door ondervinding gevormd werd, leerde hij de behoefte van den soldaat
kennen; moed en beleid bezielden den eergierige, welke hem den weg
baanden, om zelfs tot den graad van Generaal te kunnen opklimmen;--thans
kunnen alléén de poorten van Breda, aanspraak op de epauletten geven.
Pruissen kleefde vroeger ook dit systema aan, slechts de Adel gaf
regt op de porte d'épée; men weet, wat daarvan de gevolgen waren.
In de bevrijdingsoorlog van 1813 en 1814 geboden eene duur gekochte
ondervinding en de drang der omstandigheden, van dit stelsel af te
zien, en de officier, uit burgerlijk bloed gesproten, met moed en
vaderlandsliefde bezield, trotseerde vuur en zwaard, en herwon de
vrijheid.
De Hollandsche jongen mag nu niet meer, in de hoop van bevordering, naar
de Hollandsche zeedienst omzien. Geen jongen uit de lijnbaan, die vuur
bezit, kan meer in de voetstappen van DE RUITER treden.
De Burgerweesjongen, die het praalgraf van VAN SPEYK aanschouwt;
zijne moedige zelfopoffering, om de schoone Hollandsche vlag ongeschonden
te bewaren, bewondert, kan niet meer in de gelegenheid komen, zijn
heldenmoedig voorbeeld te volgen. Nog heden telt de marine menig
verdienstelijk zee-officier onder haar korps, die in de kweekschool
voor de zeevaart te Amsterdam of aan boord is opgevoed, en Vorst en
Vaderland, door zeemanschap, kunde, moed en beleid, met eere dient. Het
is nu echter Medemblik alléén, dat onze marine tot steun en eer zal
verstrekken.
Geen burger, door aangeboren genie en studie zich tot ingenieur
bekwamende, en bereid den Staat, hetzij hier te lande of in deszelfs
koloniën, te dienen, kan nu meer hoop voeden op eene aanstelling. Door
middel van stelselmatige begrippen gevormd, en na eenigen tijd te Delft
doorgebragt te hebben, wordt de baan tot aanstelling geopend, die den
burger te kostbaar wordt gemaakt, om haar te kunnen betreden.[2]
[2] Men heeft te Delft eenen verkeerden weg ingeslagen; door slechts
modellen te aanschouwen, wordt men geen kundig praktisch geoefend
werktuigkundige, de theorie alléén is niet voldoende. Engeland heeft
zijne grootste werktuigkundige ingenieurs te danken, aan dezulken,
die in de groote werktuigenfabrijken, zoo van stoomwerktuigen als
anderzins hebben geleerd en gewerkt. Dáár staat de toekomstige
ingenieur, aan een aambeeld of draaibank te werken, en leert de
metalen kennen; daar leert hij door ondervinding wat theorie is,
geschikt om in praktijk gebragt te worden; terwijl het hem er ook
niet aan wetenschappelijk onderwijs ontbreekt. Berlijn heeft ook
zoodanige school, die reeds vele bekwame personen heeft opgeleverd.
Even zoo moest ons Rijk eene eigene werktuigenfabrijk bezitten,
waaruit meer nut zoude worden getrokken, dan van modellen te
bestuderen. Wij zouden alsdan zoovele wangedrochten in onze publieke
werken niet hebben, welke in de theorie hoog worden opgevijzeld,
maar helaas! in de praktijk niet aan de verwachting beantwoorden.
Algemeene kennis weert achteruitgang; door vermeerdering der kennis
bevordert men vooruitgang. Wat wij, door in kunsten en wetenschappen,
in natuur-, schei- en werktuigkunde stationnair te blijven,
achteruitgingen, blijkt uit het prospectus der te Amsterdam opgerigte
industrieschool. Onze hoogescholen hebben wel natuurkundige kabinetten,
aan enkelen is scheikundig onderzoek verbonden, even als zoo vele
physica's bij de Maatschappij tot Nut van het Algemeen. De voorlezingen,
daar gehouden, missen algemeen hun doel, omdat die bij ons niet door de
geleerden in het daadwerkelijke leven worden toegepast, zoo als zulks in
Engeland en Frankrijk geschiedt, waar de gehoorzalen voor den fabrikant
en den gezel toegankelijk zijn. Wij klagen te regt daarover, dat wij met
andere volken niet kunnen concurreren, niet omdat het hier aan geld
ontbreekt, maar alleen door gemis aan activiteit en kunde. Het zijn ook
voornamelijk de rampzalige fondsen, welke dit eenerzijds bewijzen, en
anderzijds de werkloosheid, waarin wij verkeeren.
Het ontbreekt ons evenmin aan geestvermogens, als andere volken; zij
behoeven slechts ontwikkeld en dienstbaar gemaakt te worden tot de
bedrijven. Waarom zouden wij niet gelijken tred kunnen houden met andere
natiën, die ons, wel is waar, nu in vele zaken zijn vooruitgestreefd?
Zeker zijn daaraan veel standvastigheid, beradenheid, opofferingen,
moeiten en zorgen verbonden, om het verzuimde weder in te halen,--doch
het is doenlijk! En verheft zich Amsterdam uit die lethargie (hoogst
nadeelige onbedrijvigheid), elke stad in ons land heeft evenzeer in zich
genoegzaam de middelen, hoewel niet op zoo groote schaal, om de kennis
in de natuur-, schei-, wis- en werktuigkunde te vermeerderen. Vele
plaatsen hebben bij ons ook nog hunne eigenaardige bedrijven, die bij
hen te huis behooren, waar onderwijs in die vakken zeer bevorderlijk
zoude zijn, tot verbetering en bloei hunner fabrijken, wier fabrikaten
dikwijls geheel van scheikundigen aard zijn, zonder dat de eigenaren
dier fabrijken somwijlen weten, wat wel het woord scheikunde beteekent.
Men hecht zich aan het oude, en bevroedt eerst dan, dat er verbeteringen
mogelijk zijn, wanneer het verbeterde fabrikaat ons door vreemden te
koop wordt aangeboden tot prijzen, waarvoor de inheemsche fabrikant, uit
gebrek aan hedendaagsche kunde, niet kan werken. Zoodanig is veelal
onze toestand; de verkrijging van algemeene kennis, moest door de hooge
regeering, de gouverneurs en de stedelijke besturen worden aangewakkerd,
en het algemeen worden ingelicht, opdat er geene gepreviligeerde kasten
ontstaan, die over eene onwetende natie heerschen.[3]
[3] Te Amersfoort heeft men een Gymnasium met eenen rector, eenen
conrector, benevens eenen lector in de wis- en natuurkunde, hetwelk
bezocht wordt door de studenten van het seminarium van het college
der R. C. Cleresie, alsmede door eenige weinigen, welke meesters in
de beide regten willen worden, door enkele toekomstige godgeleerden,
Med. Art. Obstr. doctoren en apothekers. In Frankrijk en in Amerika,
begint men het voor tijdverkwisting te houden, Latijn en Grieksch te
leeren, zoo dat men in de fransche en engelsche talen doceert. Men
laat de studie der oude talen over aan hen, die wetenschappen der
oudheid bestuderen, en verspreidt overal licht over natuur-, wis-,
schei- en werktuigkunde; men is er trotsch op, dat daardoor, zooveel
voorspoed in fabrijken en handel heerscht. Niet zoo is het te
Amersfoort, daar mag men aan het Gymnasium, de lessen in de wis-
en natuurkunde niet bijwonen (waarvan de fabrikant, de verwer, de
bleeker enz. konden partij trekken) ten zij ook de latijnsche en
grieksche talen geleerd worden. Te Amersfoort bestaat ook van wege
de Maatschappij: tot Nut van het Algemeen eene industrie-school voor
handwerkslieden; ook daar wordt volgens de statuten den toegang aan
den fatsoenlijken burgerzoon geweigerd, omdat hij geen jongen is,
die op een ambacht gaat. De stad, waar spinnerijen, weverijen,
verwerijen en bleekerijen zonder welvaart bestaan, moet blijven
kwijnen, niet uit gebrek aan fondsen, want het Gymnasium kost der
burgerij duizende guldens jaarlijks, maar alleen om de ondoelmatige
aanwending. Eene verstandige hervorming van het Gymnasium en van de
statuten der industrie-school ware wenschelijk en nuttig.
Zoo menig ambt, emplooi en betrekking, vroeger met kunde en beleid door
den burger bediend, wordt nu den gepromoveerden meester toebedeeld,
zelfs de post van klerk ter Griffie, vroeger een bestaan voor een burger
jong mensch, wordt thans door een heer en meester bekleedt, ten einde
maar eenen voet in den stijgbeugel te hebben, om later hooger op te
klimmen.
Ontvangersposten op dorpen, worden door jonkheeren en baronnen
bediend, die in nabijgelegen steden meer aan huishuur verwonen, dan de
perceptie-loonen en het tractement bedragen; accumulatiën van posten en
exeptiën op wetten bij de vleet, zoo dat ook hier alle vooruitzigten
voor den burger verdwijnen. Het ware ook veel beter voor den burger, een
onafhankelijk lid in den staat te zijn, dan ambtenaar te worden, die,
door instructiën geboeid, eigen verstand, oordeel, en meêwarigheid geen
gehoor mag geven. Trouwens, hij, die weet, wat zoogenaamde administratie
is, dankt den hemel, dat hij op eene of andere wijze gelegenheid
gevonden heeft, er niet meer mede in aanraking te zijn.
Burgers! die den staat dient, door uwe nijverheid 's Rijks schatkist in
hare behoefte helpt voorzien, bejaagt geene ambten voor u en de uwen,
blijft onafhankelijk en streeft naar beter bestaan; de middelen liggen
voor u en uw kroost in de Zuiderzee. Hare omschepping in een bloeijend
gewest zal u die middelen verschaffen. Weldenkenden en barmhartigen,
die honderde en duizende guldens en somwijlen meer, elk naar zijn
vermogen, jaarlijks, niet alléén aan de armbezorgers van verschillende
kerkgenootschappen, maar ook aan individuën en genootschappen tot
leeniging van anders vlijtige, maar door gebrek aan werk behoeftige,
landgenooten besteedt; gij, die vruchteloos peinst en denkt op middelen,
hoe dien kanker uit onze maatschappij te verbannen, en uren en dagen
daaraan opoffert,--u zij eene taak van weldadigheid, die zegenrijke
gevolgen kan hebben, opgedragen; besteedt eenigen tijd tot onderzoek van
ons plan in zijne wenschelijkheid, noodzakelijkheid en uitvoerbaarheid;
wikt en weegt en, na bedaard onderzoek de zaak goed bevonden hebbende,
zet dan uwe schouders onder de zuilen van dit weldadig gebouw, stelt u
als mede-directeuren zonder postenbejag op den voorgrond, en uw naam zal
bij den laten naneef in gezegend en roemvol aandenken blijven.