Nederland, hetwelk zijn aanzijn aan zijne bewoners verschuldigd is; het

land, dat door vlijt, kunst en inspanning in wezen blijft; het land, dat

de beukende slagen van den Oceaan op eene wijd uitgestrekte lijn moet

verduren, dat dien vijand, die tallooze levens, die landen en millioenen

schats verslond, in zijn midden heeft, dat daarenboven magtige vloeden,

die verwoesting en verdelging met zich slepen, over zijn gebied ziet

heen stroomen, dat land is in staat, met inspanning van krachten,

dien vijand te verdrijven en zijn veroverd gebied te herwinnen, het

strijdperk te verkleinen, en honderd uren lange verdedigingswerken (de

dijken om de Zuiderzee) overbodig te maken, terwijl het zich van de

eilanden, als van sterkten, tot verwering kan bedienen.

Men zal de Zuiderzee, in eene welige landouw kunnen herscheppen, den

loop der rivieren verbeteren, de Hoofdstad weder tot zeehaven maken,

zeekanalen daarstellen, die aan verslibde havens, wier verkwijnende

steden, vermaard uit onzen heldhaftigen, het Spaansche juk afwerpenden

bevrijdingsoorlog, bekend staan, diepte en hernieuwd leven zullen geven,

en uitwateringen verzekeren, waardoor moerassen tot vruchtbare velden

gedijen kunnen.

Nederland, het land van den wereldhandel der vroegere eeuwen, dat zeeën

en volken beheerschte, is bij verzwakking zijner magt, de verslibbing

zijner havens, het verspoelen zijner gronden, het verlies van zoo vele

Koloniën, en bij de ontwikkeling van andere volken, het land niet meer,

wat het was, wat het zijn konde en moest; echter is het in staat, om,

door de hier voor te stellen middelen, deszelfs handel, scheepvaart en

landbouw te verheffen, en daaraan eenen langdurigen bloei te verzekeren.

Doordrongen van liefde tot ons Vaderland, vertrouwen wij, dat, met

den onwrikbaren wil, daarvoor te zijn, hetgeen men daarvoor zijn kan

en moet--bij de kennis der waterbouwkunde, dat edele vak, waarop wij

roem mogen dragen, een werk niet onuitgevoerd zal blijven, hetwelk

uitvoerbaar is. Daardoor zal voorspoed en heil voor ons land en volk

kunnen worden verworven. De geest des tijds en de behoeften werken

daartoe mede. Schatten, nu ongebruikt liggende, of aan vreemden ter leen

verstrekt, kunnen daartoe voordeelig en met zekerheid aangewend worden;

duizenden arbeidzame ingezetenen, nu vruchteloos werk zoekende, met

hunne oogen op vreemde gewesten gevestigd, zullen alsdan voor jaren

en eeuwen een onbezorgd bestaan kunnen vinden. Door onze, boven onze

voorzaten meerdere kunde en ondervinding, gepaard aan de stoomkracht

en verbeterde water-opvoerings-werktuigen, welke de zekerheid tot het

droogmaken en drooghouden verschaffen, is ons de magt gegeven, om

datgene daar te stellen, waartoe onze voorouders wel den wil, maar niet

de kunde en de middelen bezaten.--Bij gemis van welvaart en handel,

gelijk weleer, en bij de gedachte, wat er van onze zeevaart geworden is,

kwam ons de thans ellendige ligging van Amsterdam voor den geest. Wij

dachten aan een zeekanaal, langs Zandpoort door de duinen gegraven, tot

in de Noordzee, als uitwatering, zoo noodig voor de droogmaking van de

Zuiderzee en het Haarlemmer-meer, en daar verrees, als eene heldere zon,

een vernieuwde luister voor de stad Amsterdam en geheel het land! Wij

laten het Noord-Hollandsche kanaal, door welks gebruikmaking velerlei

tijd en kosten verspild worden, daar het voor de schepen een doortogt

van dagen en weken is, liggen, en scheppen den handelaar een kanaal,

waardoor zijn rijk beladen schip, zonder lastbreking, in weinige uren

tijds, uit de Noordzee voor Amsterdam ligt.

Wij zullen voor onze lezers zoo duidelijk mogelijk ons ontwerp

toelichten. Men zoude in eens wel de Zuiderzee, van af den Helder

over de eilanden heen, kunnen indijken, doch dan ware de droogmaking

en drooghouding ondoenlijk. Er liggen vele steden en havens aan de

Zuiderzee, wier regten ongekrenkt moeten blijven; er stroomen rivieren,

riviertjes en beken in dezelve; zoo vele, hoewel veelal verlamde,

sluizen en afwateringen bestaan er, die allen voorziening behoeven,

zoodat er, alvorens met indijken te beginnen, voor de afwatering en het

onderhoud der watergemeenschap moet gezorgd worden. De eerste behoefte

bestaat in de daarstelling van eene krachtig werkende afwatering, en

dus een groot, wijd en diep kanaal van bij Amsterdam, loopende door

de duinen tot in de Noordzee, welks opening in de zee van stevige

hoofden moet worden voorzien. Omstreeks Zandpoort hebbe men eenige

groote sluizen te leggen, om het water te kunnen laten oploopen, of

zulks te kunnen keeren; tevens eene reserve zijnde, om het indringen van

het zeewater bij hooge vloeden te beletten. Dit kanaal, hetwelk wij het

eerste perceel der indijking noemen, zal zeer kostbaar zijn; doch om de

kosten daarvan te bestrijden, verbinden wij aan dat kanaal de indijking

van het IJ, beginnende van het Westerdok op het tolhek aan den dijk

te leggen. In dit af te dammen IJ zullen omstreeks 8000 bunders best

kleiland besloten liggen, en van Zaandam af kon, in de rigting van

halfweg Haarlem, een voldoend kanaal tot in het groote kanaal gegraven

worden; vervolgens een tweede kanaal van af Nauerna, in de rigting

van Spaarndam. Zoo werd voor alle verder bestaande uitwateringen en

watergemeenschap mede zorg gedragen. Die IJpolder werd, dus doende,

in drie polders verdeeld; men bleef met het groote kanaal op eenigen

afstand van de sluizen te Halfweg en te Spaarndam, die onmiddellijk

in het groote zeekanaal konden spuijen, en langs de te leggen dijken

ontstonden jaagpaden en rijwegen. Dit werk voltooid zijnde, zoude er

een begin met de eigentlijke indijking van een gedeelte der Zuiderzee

kunnen worden gemaakt. De voorloopige werkzaamheden zouden bestaan,

in de ringvaarten voor de noodige afwateringen en ten dienste der

scheepvaart, opdat die ongestoord konde blijven; terwijl in het vervolg

de dijk in zee, tusschen Enkhuizen en Laaksum of het Klift, in de

nabijheid van Staveren, over de ondiepten zoude komen te leggen, moesten

er ringvaarten, van af den later in het IJ te leggen dijk, tusschen

het Dijkgraaf-huis van Diemen en Durgerdam, van weêrszijden om de zee

gegraven worden. Men zoude dan een begin maken met het graven van

een kanaal of vaart, van af dien dijk bij Diemen op Muiden aan; deze

vervolgende buiten om Naarden heen, op den mond van den Eem aan; van

daar op de Steenenkamer boven Nijkerk, langs Harderwijk en Elburg; van

daar langs de Ketel of monding van den IJssel, op Genemuiden, of de

daaromstreeks daargesteld wordende werken van het Zwolsche diep, voorbij

Vollenhove, Blokzijl en de Kuindert, de Lemmer bereikende, van waar,

tot bij Laaksum, deze vaart met eene schutsluis zoude eindigen. Aan

de andere zijde werd van af de Willemssluis, de vaart op Monnikendam

gevolgd, voorts op Hoorn een kanaal gegraven tot bij Enkhuizen, alwaar

mede eene sluis moest worden gelegd. De meerder bestaande havens en

uitwateringen werden van beide zijden in de ringvaarten opgenomen,

waarbij de reeds nu grootelijks werkelooze sluizen een behoorlijk

spuijingsvermogen verkregen.

Er bleef nog een groot bezwaar in de voltooijing van dit werk: het

IJsselwater, dat langs Kampen heen afstroomt. Men zou den IJssel, door

het droog te maken terrein, op Enkhuizen aan dienen te verlengen, dat

evenwel met groote kosten zoude gepaard gaan; doch daarmede waren de

waterophoopingen in Gelderland en Overijssel niet gekeerd, en die dienen

in het belang dezer gewesten te verdwijnen, en de werking onzer rivieren

dient verbeterd te worden. Door boven aan den IJssel eene krib te

leggen, heeft men den Rijn het noodige water ontnomen, en verkrijgt de

IJssel nu meer water, dan langs zijne natuurlijke bedding kan afloopen,

zoodat de uiterwaarden niet alleen, maar ook vele bouwlanden, onder

staan, en bij hoogen stand der boven-rivieren, langen tijd in het

voorjaar onder blijven staan, waardoor onberekenbare schade wordt

geleden. De IJssel is dikwijls reeds bij Kampen op gewoon peil gedaald,

wanneer bouw- en weilanden, hooger op, nog onder staan. Met den IJssel

te verlengen, ware de kwaal niet genezen; er dient dus naar een ander

middel omgezien te worden, en dit zoude, onzes erachtens, volledig

bereikt worden, door een kanaal te graven, van af omstreeks een half uur

beneden het veer van Westervoort, bij Velp de hoogten doorsnijdende, om

in de rigting van de Steenenkamer in de ringvaart te komen; men zoude in

den IJssel zelven welligt drie schutsluizen dienen te leggen, om water

op denzelven te houden. Aan de monding van het kanaal moest eene sluis

worden gelegd, benevens nog twee andere tusschen beiden. Op 50 ellen

afstands van het kanaal zouden dijken of kaden dienen te liggen, om

bij hoogen stand van het water, als uiterwaarden, tot waterberging te

dienen. Afgescheiden van de sluis, beneden het veer van Westervoort,

moest aan weêrszijden van de sluis een overlaat gelegd worden, om

bij hoogen waterstand als regelaar te dienen, waardoor de dikwerf

gevaarlijke toestand van het land werd voorkomen. Dit kanaal tevens

behoorlijk breed, zou zeer dienstig zijn voor den handel van Amsterdam

naar den Rijn, als leverende niet alleen een korter traject op, maar het

ware ook beter te bevaren, dan langs Utrecht, het kanaal en den Rijn op,

of langs Gorkum in de Waal, stroomopwaarts.

Wij onthouden ons van het verder ontwerp hier ter neder te stellen. De

indijking van het overige gedeelte der Zuiderzee, door middel van dijken

de eilanden aan elkander te vereenigen, is doenlijk, alsmede kanalen

daar door te graven, van Harlingen af, naar de gaten van het Vlie

en van Terschelling en van Groningen door de Lauwerzee op Ameland,

benevens de benoodigde ringvaarten om de wederzijdsche kusten. De kosten

zouden daarvan minder over elk bunder bedragen dan over de twee eerste

perceelen; doch middelerwijl de twee eerste vakken voltooid en geschikt

voor de cultuur gemaakt werden, is er tijd genoeg om de aandacht op het

overige te vestigen. Men had dan door het daarstellen van de eerste

werken, meerdere ondervinding verkregen, om met meer zekeren kans op

voordeel het verdere door onze nazaten te laten voleindigen. De

oppervlakte van het in te dijken gedeelte van de Zuiderzee, van bij

Enkhuizen tot bij Stavoren, is omstreeks 260,000 bunders; het overige

om de eilanden en de Groninger kust heen tot in den Dollard, 540,000

bunders.

Tusschen de twee dijken in het IJ, van bij het Westerdok naar het

Tolhek en van Diemen op Durgerdam, behield men eene waterkom van

omstreeks 1200 bunders oppervlakte, eene schoone ruimte voor eene

haven voor Amsterdam, ruim genoeg om de grootste vloot van oorlog- en

koopvaardijschepen te bevatten; er bestond een groot verval van het IJ

in de Noordzee, waardoor het spuijingsvermogen der sluizen van de stad,

hetwelk nu zoo onvolledig is, krachtig bevorderd zou worden; zoodat

de grachten met zoet Vechtwater zouden verfrischt worden en de stank,

die nu jaarlijks, door het stilstaand water, toeneemt, zoude geheel

verdwijnen.

Wij zijn geene geleerden, gewoon om hunne lettervruchten aan het publiek

mede te deelen, maar diep doordacht en veel besproken is ons ontwerp;

enthusiasten mogen wij in de zaak zijn, doch wij maken desniettemin van

ons oordeel een bedaard gebruik. Evenwel zijn wij minder geschikt, om

bij het levendig gevoel, over de wenschelijkheid en noodzakelijkheid,

der ten uitvoerlegging van ons plan, hetzelve in dien stijl en zoo

regelmatig voor te dragen, als wij het wel zouden wenschen,--dit gelieve

de lezer in het oog te houden; hier wordt handelen en daarstellen

bedoeld--terwijl wij den landgenoot zoeken te overtuigen, dat er groote

behoefte bestaat, om de zaak in hare uitvoerbaarheid, wenschelijkheid

en nuttige strekking te overwegen, en handen aan het werk te slaan, om

hetzelve te volbrengen; eene zaak, die elken Nederlander ter harte moet

gaan, en die zoo ontzaggelijk veel tot herleving en bevordering van den

bloei en welvaart van ons vaderland zal en moet medewerken.

Vestigen wij ons oog op de noodzakelijkheid der droogmaking van de

Zuiderzee, zoo mogen wij het ons niet ontveinzen, dat wij door den

Belgischen opstand en het verlies van zoovele provinciën, met hare

inwoners, op een lager standpunt in de rij der volken zijn gedaald, dat

wij door den afval van _België_, in aantal van bevolking en in onze

financiën grootelijks zijn benadeeld geworden, dat ons daardoor hooge

schuldenlasten zijn opgelegd, die, men moge zeggen, dat ze dragelijk

zijn in voorspoed, echter bij onzen kwijnenden toestand een drukkende

last zijn geworden.

De middelen aan te wijzen en tevens aan te grijpen, om die te kunnen

torschen en te boven komen, is de pligt zoowel van den onderdaan als

van de regering: de onderdaan, de middelen aanwijzende, maakt zich

verdienstelijk aan den staat; de regering ware te laken, zoo zij die

niet behartigde, omdat het initiatief niet door haar was genomen.

Noodzakelijk voor het welzijn van de geheele Natie is dus de aanwinst

eener provincie, welke ons door geene politiek kan worden betwist.

De noodzakelijkheid gebiedt de indijking van de Zuiderzee, om de steeds

toenemende verspoeling onzer gronden, die den toestand van het land

gedurig benarder maakt; wij blijven er zorgeloos op staren, zien het

steeds aangroeijende gevaar over het hoofd en denken slechts dààr aan

herstellen, waar zigtbare schade aangerigt of waar het herstellen

onvermijdelijk is; maar wij bezigen, helaas! geene middelen, om de

herhaalde, ons steeds verzwakkende, aanvallen geheel krachteloos te

maken.

Is eenmaal de in- en uitstrooming van het water onzer zeegaten geweerd,

zoo zal de stroom, die nu langs de eilanden en de kust loopt en dezelve

ondermijnt, ophouden, en daardoor de verdere afspoeling niet meer plaats

hebben. Niet alleen zullen de ontzaggelijke daarmede gepaard gaande

uitgaven worden bespaard, maar er zal ook nog aanwinst van grond aan de

nu steeds afnemende kust ontstaan.

Noodzakelijk wordt de indijking der Zuiderzee gevorderd om de jaarlijks

plaats hebbende dijkbreuken en de daardoor veroorzaakt wordende

inundatiën te keeren. De provinciën toch worden in hunne financiën te

onmagtig, de kosten van herstel alleen te dragen en de te korten in 's

lands kas jagen te veel schrik aan, om rijks-subsidiën te gedoogen,

terwijl men al tevreden moet schijnen, de dijken in dien toestand

te kunnen houden, waarin zij zijn, als de middelen ontbreken, om de

gewenschte versterkingen daaraan te bewerkstelligen.

Noodzakelijk wordt de indijking, om door een beter te verkrijgen afloop

van water, in en door de ringvaarten en kanalen, de plaats vindende

overstroomingen, zoo door winden, als door gebrek aan afloop van rivier-

en regenwater te keeren. Er kan aan geene verbetering van gronden door

bemesting en bebouwing worden gedacht, wanneer onvruchtbaar regenwater

maanden lang achtereen op de velden blijft staan, wanneer de stand der

zee te hoog is of het spuijingsvermogen aan de sluizen ontbreekt, om de

gewenschte afwatering te kunnen bewerkstelligen, al is het water ook

laag in de Noordzee. Voor millioenen nadeel is daardoor aan onzen grond

berokkend: gronden, die waarde bezaten, zijn tot moerassen geworden,

waar de opbrengst der landen de polderlasten niet meer kan goedmaken.

Het is waar, men gewent er zich aan, zulks met onverschilligheid aan te

zien, zonder de krachten in te spannen, dit te keeren en te verbeteren.

De regering, zoo als in vele andere zaken, kent de behoeften niet,

is niet op de hoogte en dikwijls niet bij magte om datgene daar te

stellen, wat wenschelijk en noodig is. Provinciale en plaatselijke

belangen, worden door tegen elkander schijnbaar indruischende belangen

gedwarsboomd en alles is en blijft in eenen verachterden en nog steeds

meer verslimmerenden toestand liggen.

Der Genie werd voor omstreeks drie jaren belast, om de linie van

defensie, van af de Grebbe tot bij Amersfoort, op te nemen; en die

verwaarloosd liggende verdedigingswerken (hoofdzakelijk tot inundatie)

te herstellen. Jammerlijk is het gesteld met de afwatering van de

Veluwe. Men verlangde tegelijk met de vernieuwing der defensie-kanalen,

een kanaal tot afwatering; plannen en bestekken werden gemaakt, de

plaatselijke besturen werden opgeroepen, er werd veel gesproken,--maar

niets besloten. Alles blijft dus in status quo, en de genie gaat

nu voort, alleen voor hare defensiewerken te zorgen, zonder dat er

iets hoegenaamd, voor het welzijn der provincie uit voortvloeit. In

Gelderland moet er aan gedacht worden, om voor die provincie alleen

eenige verbeteringen aan de afwateringen daar te stellen, alsof

Gelderland niet, even als Utrecht, een gedeelte van het geheel ware.

Door vermindering van welvaart in de Veluwe moeten zeer natuurlijk de

opbrengsten van alle rijkslasten aldaar verminderen; dit minder beloop

moet door alle anderen gezamentlijk vergoed worden, zoodat het Algemeen

belang heeft bij de welvaart van de Veluwe, en zoo is het er overal mede

gelegen.

Geen Overijssel moest in verschil zijn met Drenthe over kanalen, en de

vraag moest maar zijn of het Algemeen er voordeel van trekt?--de hooge

regering moest dit punt beslissen.

Hoevele nuttige ondernemingen blijven niet, door zoogenaamde

plaatselijke belangen, onuitgevoerd, daar geene der partijen toegeven

wil, en het aan een oppergezag ontbreekt, om, eenzijdige en kortzigtige

plaatselijke belangen ter zijde stellende, den knoop door te hakken?

Alles hier te lande verlamt daardoor. Vestigt men het oog op België,

hetwelk sedert deszelfs opstand dit stelsel heeft laten varen, welke

verbeteringen zijn daar niet in vergelijking met hier, sedert dien tijd

daargesteld? Geene tollen meer op algemeene rijkswegen, en een algemeen

spoorwegstelsel aangenomen, dat algemeen en niet eenzijdig werkt.

Te Amersfoort bestaat eene Arrondissements-regtbank, en het ontbreekt

in het Arrondissement aan wegen, om der regtbank te naderen. Een weg

van Wijk bij Duurstede naar Amersfoort wordt allerdringendst gevorderd;

de handel in vruchten uit de Betuwe naar Vriesland en Groningen

zoude daardoor zeer toenemen. De stad Amersfoort legde, ingevolge

mondelingsche overeenkomst, op eigene kosten een gedeelte van dien weg

tot aan Leusden aan, en bij de provinciale staten er op aandringende,

dat de weg zoude worden verlengd, vond men, dat niets daarvan in de

Protocollen was opgeteekend.

Sedert twee jaren zijn er door twee verschillende partijen aanvragen

gedaan, om eenen weg te maken van Woudenberg naar het station van den

Rijn-spoorweg te Maarsbergen, en van daar op Leersum; jaren bleef

dit punt onbeslist, ofschoon de stad Tiel met de omliggende Betuwe,

Amerongen, Woudenberg enz. als ook de Rijn-spoorweg er het grootste

belang bij hebben. Zoo is het doorgaans in het geheele Rijk gesteld.

Niet alleen dat eene betere afloop van water hoogst noodig is, er is ook

behoefte aan waterberging. Is de Zuiderzee hoog, dan is er ook geene

gelegenheid, de sluizen te openen en in dezelve het tot ons nadeel

verstrekkende water te lozen;--daaraan hebben Noord-Holland, Utrecht,

Gelderland, Overijssel, Drenthe, Vriesland en Groningen behoefte.

Onze ringvaarten kunnen tot waterberging dienen, en te gelijkertijd is

door de noordelijke en westelijke uitgangen, nu door den eenen, dan door

den anderen, gelegenheid tot afloop. Thans is er bij eenen noordelijken,

dus opstoppenden, wind geene gelegenheid water te lozen, dat alsdan

door het krachtig werkend zeekanaal van Amsterdam naar de Noordzee zal

kunnen geschieden, en van zegenrijken invloed op vele provinciën zijn.

Zoolang men in eenen toestand verkeert, die drukkend is, en waarvoor

geene uitkomst denkbaar schijnt, moet men in dien toestand blijven

verkeeren; wordt er echter een middel aangewezen, dien toestand te

verhelpen, zoo is het plichtmatig, dit middel aan te wenden. Als

redelijke wezens rust op ons die verpligting, en te regt zouden wij

worden beschuldigd, onze dierbaarste belangen te hebben verwaarloosd,

als wij de middelen, om onzen toestand te verbeteren, niet aanwendden.

Het grootste gedeelte van Noord-Holland, Amsterdam, Amstelland en een

gedeelte van Rijnland lijden in hooge mate door de aanslibbing van het

IJ; de sluizen worden daardoor werkeloos; de staat der landerijen is

verachterend; daar, waar welige weiden, vruchtbare moesgronden, (die

men bij vroegeren voorspoed van vele fabrijken, aan handel en zeevaart

verbonden, ontberen kon) zouden zijn, vindt men thans moerassen, die

steeds aangroeijen. Deze steeds verslimmerenden toestand schijnt te

verhelpen; doch door het voorgestelde kanaal, dat een verval van water

van een el zal geven in de Noordzee, zal het spuijingsvermogen kunnen

hersteld worden, en nu gebiedt de noodzakelijkheid, dit redmiddel niet

van de hand te wijzen. Al onze noordelijke provinciën hebben gebrek aan

waterlozing, de dijken vorderen voorziening, en--het middel tot herstel,

de indijking van de Zuiderzee, is daar, de pligt gebiedt dus dit werk te

ondernemen.

Denkt men er wel aan, welke noodlottige gevolgen eene inbreuk aan den

Westvrieschen-Dijk bij Hoorn voor twee jaren had kunnen hebben, indien

niet de Voorzienigheid er voor gewaakt had, dat het nog dag was, zoodat

men dus nog reddingsmiddelen kon bijbrengen? Welke jammeren waren er

ontstaan, hoevele menschenlevens er verloren, hoeveel vee en hooi

vernield, indien zulks in den nacht ware geschied, gelijk als in 1825!

Dit kan in het vervolg worden voorkomen, en de pligt gebiedt, daartoe

mede te werken.

De noodzakelijkheid gebiedt de droogmaking van de Zuiderzee; om

ontginningen van uitgestrekte heidegronden met goed gevolg te kunnen

ondernemen, is er behoefte aan mest, dat door eenen veestapel moet

verkregen worden; het vee moet hooi hebben en dat is er niet genoegzaam

voorhanden, maar zal in de drooggemaakte Zuiderzee kunnen gewonnen

worden--thans zijn er duizende nijvere bouwlieden, die vruchteloos

naar land ter bebouwing zoeken, het gevolg daarvan is, dat de pachten

derwijze hoog opgedreven worden, dat de huren niet kunnen worden

betaald, dat de boer verarmt, en de grondeigenaar ten slotte verliest;

daarenboven bestaat er eene overbevolking ten platte lande, waardoor de

concurrentie naar werk zoo groot wordt, en de arbeidsloonen dusdanig

verminderen, dat de arbeider met zijn gezin gebrek lijdt--tot voor 15

centen per dag werkt men in den winter. Die toestand zal verbeteren door

de voorgestelde droogmaking, en men mag dezelve dus niet onuitgevoerd

laten.

De middelstand kwijnt, en alles duidt stilstand aan, hetwelk

achteruitgang, en alzoo geene verbetering is. Dat de veeteelt hier te

lande een beter resultaat oplevert, is aan de mildere beginselen van

eenen PEEL te danken. Brengt zij echter aan de eene zijde voordeel aan,

aan de andere zijde lijdt de middelstand daardoor, en wel bijzonder die

in de steden. Door meerdere aanfokking van vee zullen de prijzen matiger

en het evenwigt hersteld worden, doch dit kan niet geschieden, tenzij de

droogmaking der Zuiderzee ons daarvoor den grond oplevere; ook daarom

bijzonder is er behoefte aan deze indijking.

De middelstand kwijnt, omdat er gebrek is aan vertier door handel en

onderling verkeer. Handelsvrijheid moet er zijn, daarop moet de Natie

bij de Staten-Generaal aandringen, en daartoe de besluitelooze regeering

aanzetten; doch welke voordeelen wij ons ook van vrijen handel mogen

voorstellen, men geloove nimmer aan die hooge verdiensten en schatten,

welke wij verkregen, tijdens andere natiën niet zoo waren ingelicht,

zoo als zij thans zijn. Evenwel zullen wij meer handel krijgen door een

vrijgeviger stelsel, maar nog meer door handel in eigen producten, welke

mede een vertier oplevert, waardoor elk ambachtsman, elk neringdoende

en elk koopman tot leven en bedrijvigheid zal geraken. De nijvere

ambachtsman, die nu vruchteloos werk zoekt, zal werk hebben; den

neringdoende en handelaar zal het niet aan vertier ontbreken. Het zijn

niet alleen de millioenen, welke aan dagloonen zullen worden uitgegeven,

die ons zullen verrijken, het zijn de millioenen, die voorts tot aanbouw

en kultuur zullen strekken; het zijn de millioenen, welke door de

producten van de gronden der ingedijkte Zuiderzee, zullen gewonnen

worden, en waardoor wederom vertier van millioenen zal ontstaan. Het

middel is daar, om stilstand en achteruitgang te weren. En uit dien

toestand, welke ons meer en meer verzwakt, kunnen wij geraken door de

droogmaking van de Zuiderzee. De middelen zijn voorhanden, en de

noodzakelijkheid gebiedt daarvan gebruik te maken.

Het eerste ontwerp voor de bedijking der Zuiderzee, 1848 · 第 2 / 13 段