"Wij stellen ons een kanaal voor met groote sluizen, zoo gro

+----------------------------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |

| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |

| moderniseren. |

| |

| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |

| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn |

| verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. |

| |

| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |

| _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als |

| ~uitgespatieerd~. |

| |

| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |

| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. |

| |

| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |

| aangebrachte correcties. |

| |

+----------------------------------------------------------------+

HET EERSTE ONTWERP VOOR DE BEDIJKING

DER ZUIDERZEE

1848

DOOR

J. KLOPPENBURG EN P. FADDEGON Pz.

MET EEN INLEIDING VAN

W. H. KLOPPENBURG

CIV.-INGENIEUR

GEDRUKT BIJ

W. J. THIEME & CIE TE ZUTPHEN

Voorwoord.

Op het Ingenieurs-congres tijdens de internationale tentoonstelling

te Amsterdam in 1883 was aan den ingenieur J. W. Welcker, lid van het

Koninklijk Instituut van Ingenieurs, door den Raad van Bestuur de

eervolle taak opgedragen een overzicht te geven van de voornaamste

ontwerpen, welke achtereenvolgens voor de droogmaking van de Zuiderzee

zijn openbaar gemaakt. Inmiddels zijn wij de 20ste eeuw ingegaan. Als

uitnemend kenner van zijne landgenooten nopens de bedachtzaamheid

waarmee in Nederland dergelijke grootsche ontwerpen worden behandeld,

sprak hij de volgende merkwaardige woorden, die nu reeds bewaarheid

zijn: "Doch al zullen, indien ik mij niet bedrieg, slechts de jongsten

onzer, zooals wij hier vergaderd zijn, wellicht eenmaal op gevorderden

leeftijd den dag zien aanbreken, waarop met de droogmaking wordt

begonnen," enz.

Intusschen brengt ook die bedachtzaamheid zijne voordeelen mee.

Dertig jaar later, in 1913, weerklonken in 's lands vergaderzaal de

bemoedigende woorden van de troonrede, dat nu de tijd was aangebroken om

een daadwerkelijk begin te maken met de bedijking en de droogmaking der

Zuiderzee.

In hetzelfde jaar was ook een nieuw ministerie opgetreden, waarbij

aan het hoofd van het Departement van Waterstaat benoemd werd Dr.

C. Lely, c. i., die als adviseur van de Zuiderzee-vereeniging in 8

achtereenvolgende nota's het grootsche ontwerp op grondige wijze had

bestudeerd.

Een betere introductie van deze plannen bij den Waterstaat dan door

dezen minister kan men zich bezwaarlijk denken. Nu de koninklijke

boodschap het Nederlandsche volk heeft bereikt en wij het werk veilig

zien in handen waarin het behoort, de welgeprezen Hollandschen

Waterstaat, wachten wij met gepasten eerbied geleidelijke afwikkeling

der zaken af.

Denk echter niet, geachte lezer, dat het publiek zich onbetuigd heeft

gelaten zijne belangstelling te toonen bij het Zuiderzee-vraagstuk,

reeds lang voor 1913. Om dit te illustreeren, laten wij hier volgen, wat

in het Algemeen Handelsblad van 31 October 1885 staat te lezen:

"Het is opmerkelijk, hoe vaak de eerste gedachte tot een groot openbaar

werk door niet-ingenieurs wordt aangegeven en dan blijkt het soms later

dat het, door den niet met technische kennis gewapenden man aangeprezen

denkbeeld, veel practischer en voor de uitvoering veel beter geschikt

is, dan de door technici gewenschte wijze. Deze bewering klinkt vreemd

en toch ondervindt men in de dagelijks voorkomende gevallen er vaak de

waarheid van.--Een eigenaardig sprekend geval in deze is, dat van den

aanleg van het Noord-Hollandsche kanaal, dat door de ingenieurswereld is

doorgedreven, terwijl op de ontwerp-kaart van dat kanaal Koning Willem I

een potloodstreep trok, in de richting, waar men later ter vervanging

van het Noord-Hollandsch kanaal het kanaal door Holland op zijn Smalst

heeft moeten graven, terwijl Z. M. bij het plaatsen van die streep moet

gezegd hebben: "Ik meen dat het hier moet komen."

"Met de afsluiting en droogmaking der _geheele_ Zuiderzee verkeeren wij

thans eenigermate in hetzelfde geval. In ons eerste opstel vermeldden

wij, dat de ingenieur van den waterstaat Welcker in eene lezing te

Amsterdam dat werk voor eene onmogelijkheid heeft verklaard en dat

de ingenieurs Stieltjes en Caland er van hebben gezegd: dat het

denkbeeld geen 5 minuten ernstig onderzoek waard was. En thans ziet

men de heeren Buma en van Diggelen, beide mannen geheel buiten het vak

van den ingenieur, met den meesten ijver aan het werk, om het grootsche

denkbeeld nader te doen onderzoeken voor te bereiden en zoo mogelijk te

doen uitvoeren.

"Het eerste werkje, dat over de droogmaking der Zuiderzee in 1848 het

licht zag, was hoofdzakelijk van niet deskundigen, I. Kloppenburg en

P. Faddegon Pz. De eerste was een groot voorstander van droogmakerij en

heeft voornamelijk tot de droogmaking van het IJ, vele ijverige pogingen

in het werk gesteld, doch was in het geheel niet met technische kennis

toegerust. Faddegon evenwel stond niet geheel buiten het vak, hij is

bekend als de uitvinder van een nieuw wateropvoeringswerktuig, destijds

de Waterbraker genaamd; hij was een practisch waterbouwkundige, doch

niet de man met die technische wetenschappen toegerust, waardoor men een

zaak, als de droogmaking der Zuiderzee degelijk kan overzien. Maar het

is niet meer te loochenen, dat evengoed als Leeghwater het eerst schreef

over de droogmaking van de Haarlemmermeer, de heeren Kloppenburg en

Faddegon de voorloopers waren van het spoedig daarop in 1849 gevolgde,

meer doorwrochte werk van den ingenieur B. P. G. van Diggelen over de

droogmaking der geheele Zuiderzee en der Wadden. Van Diggelen evenwel

heeft het denkbeeld niet van Kloppenburg en Faddegon overgenomen, doch

was reeds druk aan het werk van zijn plan, toen het eerste werkje het

licht zag.

"In "de Gids" van 1849 zegt professor Vissering daarvan: "Terwijl

Kloppenburg en Faddegon hunnen arbeid lieten drukken, zond de heer van

Diggelen den zijnen ter perse."

"Doch het gebeurt meer, dat een zelfde gedachte op een zelfde oogenblik,

op verschillende plaatsen ontstaat.

"Bijzondere oorzaken zijn hiertoe soms de aanleiding. Wij hebben wel

eens gedacht, dat het uitgeven van een kaart daartoe aanleiding zou

hebben kunnen geven, want is onze zienswijze juist geweest, dan heeft

het telkens beschouwen van de kaart van den bodem der Zuiderzee, die

op het bureau van een destijds jong ingenieur den heer Van Diggelen

dagelijks onder de oogen kwam en die hij daar menig oogenblik met ernst

bestudeerde, de grondgedachte van Van Diggelens groot werk gelegd.

"Doch laten wij eerst de denkbeelden van de heeren Kloppenburg en

Faddegon in herinnering brengen, want al mag hun werk op verre na

niet op volledigheid bogen, zijn toch hunne denkbeelden zoo geheel

verwerpelijk niet. Het in 1848 door hen aangegeven plan bestaat uit

3 deelen:

"1º. de droogmaking van het Y en het graven van het kanaal door

Holland op zijn smalst, 2º. afsluiten van de Zuiderzee langs de lijn

Enkhuizen-Stavoren en het droogmaken van dat gedeelte en 3º. het

aanhechten van de eilanden langs onze kust, zoowel onderling, als

met den Helder en Emden en de droogmaking van dat noordelijk deel.

"Dit derde perceel beschrijven die heeren evenwel minder uitvoerig en

wel voornamelijk, zoo mij later wel eens ter oore is gekomen, omdat ze

het denkbeeld koesteren dat noordelijk deel liever door opslibbing dan

wel door droogmaking tot land te maken. Zij beoogden toch de beperking

van den invloed der Noordzee door de aanhechting der eilanden, welke

beperking zeker tot een der eerste werken zouden behooren. Daar het

derde perceel als allerlaatste deel der uitvoering door de aanslibbing

dan alreeds zulke groote en voordeelige verandering zoude hebben

ondergaan, poogden zij niet, dienaangaande eene nadere ontwikkeling

hunner denkbeelden op papier te brengen en bleef dus dit deel van

landaanwinning in hun plan meer in de lucht hangen.

"Het denkbeeld tot afleiding van den IJsel werd door die heeren minder

volledig behandeld en zoude zeker naar hun plan niet kunnen geschieden.

"Ze stelden voor een kanaal te graven door de hooge Veluwegronden van

Westervoort tot Nijkerk, ze wilden den tegenwoordigen IJsel kanaliseeren

en den kop van de IJselrivier met een overlaat of regelaar bij hooge

rivierstanden beperken.

"Het water werd in een ringvaart om de drooggemaakte Zuiderzee geleid,

die met sluizen zoude afgesloten zijn."

De schrijver volgens mededeeling van de Directie van het Algemeen

Handelsblad aan de huidige Redactie onbekend, eindigt in dit nummer zijn

opstel, waarvan wij slechts de eerste helft hebben overgenomen met den

volzin:

"Al het thans meegedeelde moge er toe leiden, dat zij het plan der H.H.

Kloppenburg en Faddegon nog eens overwegen, die het hunne zullen moeten

bijdragen tot het nemen van initiatief tot het opmaken der ontwerpen

voor de afsluiting en droogmaking der Zuiderzee."

* * * * *

Ook op de vergadering, van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs op 16

Augustus 1883 is de eer van eerste ontwerpers te zijn, gegeven aan de

heeren Kloppenburg en Faddegon; er wordt echter dadelijk aan toegevoegd

dat hun werk in grondige bewerking niet de vergelijking kon doorstaan

met het hierboven vermelde één jaar later verschijnende plan van den

Ingenieur van 's Rijks Waterstaat B. P. G. van Diggelen.

Op bladzijde 146 van het boekje in 1848 verschenen, getiteld: De

indijking en droogmaking van de Zuiderzee en het Y, schrijven de heeren

Kloppenburg en Faddegon zelf er van:

"Vele geleerden zullen zich wellicht omtrent den inhoud bedrogen vinden,

dewijl ons geschrijf geen technisch betoog is, zooals men later wellicht

van een meer bekwame hand dan de onze zal kunnen verwachten doch dit

was ons doel niet. In zoodanige werken komen statistieke tabellen en

waterbouwkundige opgaven te pas, die zulk een werk zeer kostbaar en zeer

droog voor den lezer maken, waardoor de schrijver bij deskundigen veel

eer en roem verkrijgt, maar waarbij het algemeen minder belang heeft."

Deze verklaring door henzelve afgelegd, ontslaat mij van de moeite van

het leveren van nader commentaar op dit punt.

Hoe is het nu gesteld met de eer en roem die de deskundige collega

van den heer Welcker oogst in diens overzicht ten aanhoore van de

vergadering van het Instituut van Ingenieurs? Slaan wij weer de notulen

van de vergadering van 16 Augustus 1883 op. Nadat de heer Welcker het

ontwerp van Diggelen in korte trekken heeft geschetst zegt hij voorts:

"Dit is in hoofdzaak het ontwerp, dat voorzeker op den eersten aanblik

door zijne stoutheid verrast. Reeds in den weinig uitgewerkten toestand,

waarin het door den ontwerper is bekend gemaakt, lijdt het echter aan

kapitale gebreken, die het tot onuitvoerbaarheid veroordeelen."

Wat dunkt den lezer van zulk een kritiek? Met den eersten volzin stelt

hij zijn collega Van Diggelen met zijn doorwrocht voorstel op een

voetstuk, maar reeds heeft hij het zwaard gereed om hem te onthoofden.

Dat gelukt hem dan met den tweeden volzin als met één slag. Een

koppensneller kan er jaloersch op worden.

Maar dit is den heer Welcker niet voldoende en na de terechtstelling

gaat hij tot de sectie over en houdt als een professor een anatomische

les voor zijne toehoorders. Men leze verder en oordeele zelf:

"De aftapping van de bedijkte Zuiderzee door natuurlijke loozing tot

1,25 ÷ A.P. terwijl daarop het water van IJsel en Zwarte Water en tal

van andere riviertjes blijft afvloeien is een hersenschim; en toch

berust hierop de aanleg der stroombanen voor den IJsel en het behoud

van de tegenwoordige toestanden langs die rivier. Ook de aanleg dier

stroombanen is een denkbeeld dat voorwaar niet pleit voor Van Diggelens

rivierkundige kennis."

Zoo gaat de heer Welcker nog een veertigtal regels door, die ik den

lezer besparen zal, en geeft dan nog even de opinie van de bekende

ingenieurs Beijerinck en Stieltjes weer a. v.:

"Terecht gaven zoowel Beijerinck als Stieltjes in September 1865 aan

den Minister Rochussen terstond te kennen dat de afsluiting van den

IJsel het ontwerp Van Diggelen ten eenenmale onuitvoerbaar maakt, omdat

de droogmaking zou bezwaard worden met het water van ruim 8 millioen

hektaren. Dit zegt genoeg en het ontwerp is met betrekking tot de

uitvoering hiermee geoordeeld en veroordeeld. Geen deskundige heeft

het na den ontwerper zelven nog in beslissing genomen."

Ook deze verklaringen zouden mij van nader commentaar over de

beoordeeling van het plan Van Diggelen ontslaan, ware het niet dat

degeen die de critiek leverde op diens ontwerp, zelve in zijne

absoluutheid te ver ware gegaan.

Meegesleept door de felheid waarmee deze laatste zich opponeerde tegen

elk plan dat de bedijking beoogde met insluiting van den IJsel, dus

benoorden de afsluitlijn Kampen-Enkhuizen, schreef de heer Welcker na

nog even het plan Buma geducht onder handen genomen te hebben:

"Alzoo nimmer de IJsel binnen de droogmakerij, luidt de uitspraak van

elk deskundige", (pag. 13 der Notulen).

N.B. Reeds in 1879 was het denkbeeld van een IJselmeer geopperd met

een verbinding daarvan met eene doorgraving van Holland op zijn Smalst,

de open doorgraving volgens de ideeën van wijlen ingenieur Huet! En nu

de oplossing van het Noordzeekanaal reeds zijn beslag heeft gekregen

volgens de ideeën van het eerste gedeelte der plannen Kloppenburg en

Faddegon met sluizen aan de Noordzee, eene oostelijke afdamming van het

IJ is nog in het laatste ontwerp van Minister Lely de IJsel binnen de

droogmaking genomen en ziet men daardoor hoe Welcker den bal missloeg,

omdat hij niet voldoende op de hoogte was van hetgeen anderen voor dien

datum hadden gepubliceerd.

Hoe geheel anders is het onderzoek geleid onder leiding en door den

Ingenieur Lely!

In het plan Kloppenburg-Faddegon zou de IJsel gekanaliseerd worden en

de aanmonding aan den Rijn afgesloten met behoud van een schutsluis

en boven den dam een overlaat waardoor water afgetapt kan worden voor

een scheepvaart kanaal dwars door de Veluwe naar de ringvaart van de

Zuiderzee-Polder. Het meerdere water dat niet benoodigd was voor dit

kanaal en den gekanaliseerden IJsel moest langs Waal en Neder-Rijn

worden afgevoerd hetgeen dienstig zou zijn voor de diephouding dezer

Rijnarmen.

De verbinding van Rijn met Amsterdam is nu sedert lang door het

Amsterdam-Merwede kanaal bewerkstelligd, dus het kanaal door de Veluwe

is thans niet meer noodig voor eene verbinding van Amsterdam met den

Rijn. Echter is degelijk onderzocht door Lely of met voordeel het

IJselwater bij Hoogwaterstanden langs de andere Rijnarmen kon worden

afgevoerd. Het resultaat van dit onderzoek was, dat op de eindsom van

de bedijking en droogmaking van de Zuiderzee als het IJselwater bij

Hoogwaterafvoer niet in de droogmaking werd opgenomen 8 millioen gulden

kon worden bespaard en voor die 8 millioen is dit IJselwater niet langs

andere rivieren af te leiden.

Ook is door Lely overwogen in plaats van de loozing op de sluizen bij

Wieringen de open doorgraving van Holland op zijn smalst daarvoor te

bezigen. Het zou wel mogelijk zijn, doch de scheepvaart zou last hebben

van veranderlijke waterstanden en sterke stroomingen zoodat de lossing

bij Wieringen beter is geacht.

Hier alzoo geen holle phrasen doch ernstig onderzoek!

Wij zien hier het groote onderscheid en wijzen er met nadruk op. Terwijl

Welcker de idee het IJselwater naar elders af te voeren verwerpt en

het andere voorstel om het over een te behouden IJselmeer en een open

doorgraving van Holland op zijn smalst in de Noordzee te loozen negeert,

zijn beide middelen door Lely deugdelijk onderzocht.

In de buitengewone vergadering van het Koninklijk Instituut van

Ingenieurs d.d. 2 October 1883 zeide het lid Huët:

"Indien het hem vergund ware een paar bladzijden voor te lezen--wat hij

echter niet doen zal--hij daartoe kiezen zou bladzijde 8 en 9 van het

geschrift zoo even aan het Instituut aangeboden en door Kloppenburg en

Faddegon samengesteld. (door J. G. Jäger, oud-concessionaris van het

Noordzee-kanaal).

"Men zou in die bladzijden eene reeks van werken vermeld zien, die

sedert de uitgave van dit werkje allen uitgevoerd zijn en daarin het

bewijs kunnen vinden, dat deze schrijvers volstrekt niet ondoordacht

geschreven maar inderdaad ernstigen arbeid geleverd hebben.

"Wat meer is, men zal daarin ook vinden de ringvaart Muiden-Kampen die

later door Beyerinck is opgenomen in zijn ontwerp tot droogmaking, en

door Stieltjes in het gewijzigd ontwerp is behouden. Hoe kan men dan nog

beweren dat dit ontwerp zulk eene geringe waarde had?"

Zooals ik boven memoreerde, het idee het IJselwater bij hoogwaterafvoer

langs Waal en Lek af te voeren is nog niet zoo hersenschimmig, anders

zou Lely zijne becijfering van 8 millioen onkosten niet gemaakt hebben.

Om den lezer eenig denkbeeld te geven hoe groote ontwerpen zooals nu

door Lely worden aangeboden geleidelijk tot ontwikkeling komen en hoe

het idee IJselmeer in de wereld kwam laten wij nog een extract uit de

notulen van de buitengewone vergadering van het Koninklijk Instituut van

Ingenieurs van 2 October 1883 volgen. Het lid Huët zegt:

"Wil men den IJsel buitensluiten dan is de droogmaking uit den aard der

zaak beperkt tot 'n klein deel van de Zuiderzee; wil men een grooter

deel droog maken, dan is men verplicht den IJsel door sluizen afleiding

te geven of hem door leidijken te verlengen; de bezwaren tegen het

eerste zijn te wel bekend om die opnieuw aan te wijzen en het laatste is

evenmin goed uitvoerbaar. Schijnbaar is er dus geen middel om uit dit

dilemma te geraken en de heer Welcker heeft in zijn voordracht ook den

indruk gegeven, dat er verder over dit hoofdpunt niets te zeggen viel.

"Nu is echter in 1879 in het Instituut een ontwerp gegeven, waarbij de

moeilijkheden van de beide zooevengenoemde oplossingen vermeden worden;

en die oplossing zooals toen ook werd aangewezen, is het eerst gegeven

door den onbekenden schrijver van 'n brochure getiteld: "Wat nu?"

"Daarin werd voorgesteld de open doorgraving door spreker steeds

verdedigd, in verband te brengen met eene afsluiting der Zuiderzee

tusschen Enkhuizen en Stavoren. De IJsel loost dan in de afgesloten

kom en die kom loost door Holland op zijn Smalst in de Noordzee. Het

merkwaardige in deze oplossing, waarbij de uitloozing van den IJsel

ongestoord blijft, is--hoewel dit door den schrijver der brochure niet

op den voorgrond is gesteld--hierin gelegen, dat de Zuiderzee dan voor

deze rivier dezelfde rol gaat vervullen als bijvoorbeeld het meer van

Constanz voor den Rijn en het meer van Genève voor den Rhône. Zulk een

meer vormt in het lengteprofil der rivier een nagenoeg horizontaal

gedeelte, dat anders uit den aard der zaak in het lengteprofil eener

rivier nimmer kan voorkomen en neemt alzoo het bezwaar weg, dat bij een

verlenging van de rivier tusschen leidammen over grooter afstand zou

worden ontmoet."

Het IJselmeer door wijlen Professor Huet als een trouvaille beschreven

is inderdaad het middel geworden, waarbij het probleem van het

waterbezwaar van het stroomgebied van den IJsel tot de huidige oplossing

is gebracht.

De aanleiding, dat de heer Huet hier ter sprake is gebracht zijn de

waardeerende woorden gewijd aan het boek in 1848 door Kloppenburg en

Faddegon geschreven en tegen den prijs van f 1.50 bij den uitgever G. M.

P. Londonck te Amsterdam verkrijgbaar gesteld.

In verband met de huidige door Minister Lely aanhangig gemaakte

voorstellen heeft het geen nut den heer Huet verder in zijn betoog te

volgen. Er is na rijp beraad afgezien van een open doorgraving van

Holland op zijn Smalst.

Ook omtrent dit punt schreef de heer I. Kloppenburg het navolgende in

het Amsterdamsch Handelsblad.

"Ik eer elk streven en ieders gevoelen, het doel zijnde, om tot

het algemeen welzijn bij te dragen, al kan ik mij ook niet met de

voorgestelde richting vereenigen. Er is veel aanlokkelijks in de

voorstellen van den heer Huet; de theorie van een diepen breeden stroom

is goed, doch de practijk leert, dat rivieren die voordeelen voor de

scheepvaart niet opleveren als de kanalen; maar men dient zich bij het

voordragen dier theoriën toch ook aan de waarheid te houden en die niet

te verkrachten. Ik weet niet of de heer Huet het ergens heeft gezegd,

maar de heer R. G. B. de Vaijnes van Brakel laat den heer Huet, in zijne

brochure te Arnhem uitgegeven, eene rivier of open zeegat door Holland

op zijn Smalst maken, waar de eb en vloed regelmatig, zooals op andere

rivieren loopt; dit druischt tegen de waarheid in, zoo men onderstellen

mag, dat de waarnemingen juist zijn, welke gedaan zijn door en onder

toezicht van den hoofd-ingenieur van den Waterstaat in 1851 belast

geweest door de Stad Amsterdam om de mogelijkheid der doorgraving te

onderzoeken. Nu leest men in het desbetreffend verslag op pag. 7

"b. Dat het te Durgerdam ongeveer 2 uren vroeger hoog water is, dan te

Spaarndam.

"c. Dat het hoog water te Wijk aan Zee drie minuten vroeger invalt dan

te Spaarndam.

"Hieruit blijkt nu immers duidelijk, dat in de te scheppen rivier of

Noordzee voor Amsterdam, nimmer een regelmatige eb en vloed, zooals op

gewone rivieren plaats heeft, zal kunnen bestaan; dat de beide vloeden

op een of ander punt in dat open gat tegen elkaar zouden botsen, en ook

de ebben zouden scheiden zoodat ook nimmer een regelmatige stroom zou

kunnen ontstaan, waardoor verslibbing of verzanding in dat open gat werd

gekeerd.

"Het is wel geene zaak van overwegend belang, die waren er overigens

geene bezwaren tegen de Noordzee voor Amsterdam, daarom voldoenden

grond zou opleveren, om geheel van zoodanige onderneming af te zien,

maar zeker is het toch, dat de paalworm veel gevaarlijker voor de

waterkeeringswerken in het Y zou worden, dan hij thans is, daar de worm

beter in het zuivere, zoutere water van de Noordzee tiert, dan in het

slibberige, zoetere water van het Y."

Dit schreef hij in Juli 1862, dus tijdens dergelijke vragen ter

behandeling in het Koninklijk Instituut werden genomen. Behalve in

artikelen van het Amsterdamsch Handelsblad, zijn nog twee brochures van

den heer I. Kloppenburg gepubliceerd:

"Het kanaal van Amsterdam tot in de Noordzee met eene indijking van

het Y, beschouwd in het belang van de stad en het gewest, voor 40 cent

verkrijgbaar gesteld bij G. M. P. Londonck te Amsterdam in het jaar

1854."

Het standpunt, waarop zich de schrijver bij het publiceeren van dit

werkje gesteld heeft, blijkt uit de volgende zinsnede aan deze brochure

ontleend:

"Ik geloof te mogen zeggen, dat de enkel technische bedrevene, de

waterbouwkundige, de ingenieur, dient ingelicht te worden door dezulken,

welke met de behoefte van de scheepvaart, den handel, de industrie

en den landbouw beter bekend zijn; genen toch hebben hunnen tijd

moeten besteden aan de studie der hoogst belangrijke waterbouw en

waterbouw-werktuigkundige aangelegenheden, en zonder daarom hunne

talenten min te achten, mag men evenwel veronderstellen, dat zij met

andere, zooals met de hierboven vermelde vakken en wetenschappen, minder

bekend zullen zijn, wat dan ook niet meer als natuurlijk is."

In deze brochure wordt een nauwkeurige beschrijving gegeven van zijn

plan voor het Noordzeekanaal en om dit aan te toonen acht ik het noodig

enkele regels er van aan te halen:

"Wij stellen ons een kanaal voor met groote sluizen, zoo groot als de

kunst ze maar immer maken kan, behoudens de noodige veiligheid voor het

binnenland. Die sluizen aan zee, om de zee te weren, meenen wij, moesten

niet in de onmiddellijke nabijheid van het strand liggen, maar minstens

op een kwartier afstands daarvan, binnen in de duinen gelegen zijn. Wij

zeggen sluizen, zoo wijd en diep en lang, als de kunst ze, verbonden

aan veiligheid, kan daarstellen, want lengte, breedte en diepgang van

schepen, gelijk die thans in het buitenland gebouwd worden, zoude men

voor eenige jaren als fabelachtig beschouwd hebben; doch zij behooren

thans tot de werkelijkheid en zooveel doenlijk moet toegang, door de

sluizen, aan die groote schepen en stoomkasteelen verleend worden.

De afstand der sluizen van de zee achten wij raadzaam, tot meerdere

zekerheid voor die sluizen, bij een eventueel vijandelijken aanval,

gedeeltelijk tot het daarstellen van eene ruime buitenhaven, welke

alsdan het kanaal zal vormen, deels voor schepen, die niet voor de

sluizen blijven liggen, bij het doorschutten en het oponthoud daardoor

veroorzaakt, een gunstig hoog tij zouden kunnen missen. Wij stellen ons

voor om aan het begin van het kanaal, bij de stad geene sluis of sluizen

te leggen. Wij achten dit overbodig bij eene afdamming van het Y,

beoosten de stad, waarover wij straks zullen spreken" enz.

Over deze afdamming van het Y beoosten de stad is in die tijden een

hevige strijd gevoerd.

Nadat de schrijver nog een tiental bladzijden voortgaat met de

beschrijving van zijn plan begint hij de voordeelen er van op te sommen

en is dan eerst recht op dreef. Hij is de groote enthousiast voor de

verbetering van de haventoestanden van Amsterdam.

In 1862 schreef hij op ruim zeventig jarigen leeftijd nog een brochure

getiteld "Wordt Amsterdam alleen gebaat door de doorgraving van Holland

op zijn smalst?" Op het exemplaar dat voor mij ligt staat: uitgegeven

bij P. D. van Es 1862 te Amsterdam (Tweede druk). Dit geschrift vond

blijkbaar veel aftrek bij zijne stadgenooten.

De handel van Amsterdam had dringend behoefte aan hulp ten einde

voor nog meer verval behoed te worden. Het protectiestelsel tijdens

onze vereeniging met België had Amsterdam benadeeld en Hamburg als

concurrent doen bloeien. Rotterdam was in opkomst en dreigde de

hoofdstad van het Land de loef af te steken. Voor den aanleg van

spoorwegen werd door de vertegenwoordigers in de Staten-Generaal voor

de andere provinciën belangrijke sommen gevorderd, ja zelfs voor de

verbetering van het Noord-Hollandsch Kanaal naar den Helder waren mannen

van invloed in de weer, die een gunstige beschikking voor het kortere

Noordzee-kanaal tegenwerkten. Om aan de rivaliteit van Amsterdam en

Rotterdam tegemoet te komen was o.a. door de heeren C. Verloop & Zoon,

Architect-Ingenieurs, eene aanvrage om concessie ingediend voor een

zeekanaal uit de Noordzee tusschen Noordwijk en Zandvoort en vandaar met

twee kanalen naar Amsterdam en Rotterdam. In een ouden boekentrommel

vond ik niet minder dan 20 geschriften van allerlei personen betreffende

de verbinding van Amsterdam met de Noordzee alle gedateerd voor 1864,

het jaar waarin aan den heer J. G. Jäger concessie werd verleend voor

het Noordzeekanaal van Holland op zijn Smalst n.m. bij de wet van den

11den Juni 1864, Staatsblad No. 72.

Met den heer Jäger stond de heer Kloppenburg in goede relatie. Deze

laatste had de aandacht getrokken door een artikel in het Handels

en Effectenblad onder den titel van: "Hoe staan wij thans met de

doorgraving van Holland op zijn smalst? een vraag in Maart 1861." De

heer Kloppenburg werd uitgenoodigd bij den heer J. Heemskerk Az. te

komen waar hij nog de heeren van Heukelom en Cool ontmoette, alle

Raadsleden van Amsterdam. Ook met den toenmaligen vertegenwoordiger

van Deventer den heer Thorbecke had hij te voren een onderhoud die hem

aanraadde zich te wenden tot den generaal Delprat en hem aanmoedigde

zijn geschrift in druk te doen verschijnen. In bovenvermeld geschrift

een 24 bladzijden druks vullende was aangedrongen op den afsluitdam

beoosten het Y met een gekoppelde schutsluis en was er de aandacht op

gevestigd dat een kanaalplan in verband met eene betere taxatie der in

te dijken Ypolders de basis voor eene concessie-aanvrage zou worden met

eene rentegarantie door den Staat.

Dank zij den invloed van den heer Thorbecke in den Staten-Generaal werd

ten slotte aan den heer Jäger eene voorloopige concessie verleend.

De heer Jäger betuigde zijn erkentelijkheid voor de bemoeiïngen van den

heer Kloppenburg in deze door hem op den feestdag, toen heel Amsterdam

jubelde om de verleende concessie, een album in rood marokijn aan te

bieden waarop met gouden letters gedrukt stond:

"Het kanaal door Holland op zijn Smalst". Voorin prijkte eene keurige

fotografie van den heer I. Kloppenburg, waaronder met eigen hand van den

donateur stond geschreven:

Amsterdam 1848-1863. Souvenir van J. G. Jäger, daarachter het uitgegeven

plan van het Kanaal door Holland op zijn Smalst en de daarbij ontworpen

landaanwinning met de daarbij gevoegde Nederlandsche en Fransche

uitlegging. Ook ontving hij de toezegging van een meer honoraire dan

effectieve betrekking van adviseur bij de Kanaalwerken.

Deze bijzonderheden zijn ontleend aan een schrijven van den heer

I. Kloppenburg aan den heer I. Dirks, Directeur der Amsterdamsche

Kanaal Maatschappij, dd. 25 Maart 1865, waarin de schrijver zich met

waardeering uitliet over den heer J. G. Jäger, die inmiddels zijne

concessie had overgedragen aan de Amsterdamsche Kanaal Maatschappij. Bij

die overdracht werd tevens de verplichting overgenomen, om den heer I.

Kloppenburg een bedrag van vierduizend gulden uit te keeren voor zijne

adviezen voor het ontwerp, hetgeen ook na eenig geschrijf is uitbetaald.

De gezondheidstoestand van den toen vijf en zeventig jaar ouden

heer Kloppenburg sloot een daadwerkelijke verdere bemoeiïng met de

werkzaamheden van de uitvoering van het grootsche plan uit. Voor een

onpartijdig lezer blijkt uit de medegedeelde feiten dat voor die

tijden een bedrag van vier duizend gulden een stoffelijk bewijs van

erkentelijkheid is, dat niet onbelangrijk kan worden genoemd. In ieder

geval zal het voor den grooten enthousiast eene groote voldoening

zijn geweest het begin van de vurig gewenschte verbetering van de

Amsterdamsche haventoestanden nog te hebben mogen beleven.

Men vraagt zich wellicht af hoe een particulier al op gevorderden

leeftijd er toe kwam zich zoo geheel te wijden aan een dergelijken

levenstaak. Eene korte levensbeschrijving moge hier volgen:

Zijn vader Wilcke Kloppenburg, in 1751 te Colmar in Oldenburg geboren,

vestigde zich in 1781 als poorter te Amsterdam, waar hij huwde met

Anna Maria Lentz. In de familie Kloppenburg was het eerstgeboorterecht

van kracht, zoodat het groot-grondbezit in Oldenburg overging op zijn

broeder, wiens afstammelingen ook thans nog zich mogen verheugen in het

bezit van de gronden sinds eeuwen her het familie-goed vormende. Deze

landgoederen zijn daar te lande bekend onder den naam van "De Twaalf

Apostelen", groote boerderijen.

Bij een bezoek ter plaatse toonde men mij in een kerk een groot orgel,

waarop met gulden letters was vermeld dat dit kerkorgel een geschenk was

van Wilcke Kloppenburg. Ook een reusachtige grafzerk met gebeeldhouwd

familiewapen uit de 17de eeuw werd mij getoond. De familie Kloppenburg,

waarvan deze I. Kloppenburg afstamde, was dus van Duitschen oorsprong.

Men heeft in Oldenburg ook een kleine stad Kloppenburg en de familie is

sedert eeuwen her daar te lande bekend als zeer welgesteld.

Door zijn vader, die te Amsterdam Chef eener reederij was, werd I.

Kloppenburg in den handel opgeleid. Van zijn 14den tot zijn 20ste jaar

bracht hij door in Engeland en was later als cargadoor werkzaam te

Amsterdam, en reisde als super-carga eenige malen naar Amerika en terug,

woonde afwisselend ook te Leiden, te Rotterdam en vestigde zich als

zeepfabrikant te Amersfoort.

Daar kwam hij in aanraking met Faddegon, een werktuigkundige, met

wien hij te zamen in 1848 het eerste plan voor de drooglegging van de

Zuiderzee uitgaf. Als ramingssom wordt in dit werk genoemd ruim negentig

millioen gulden. Inderdaad vond ik ook eene gedetailleerde raming met

een eindsom van ruim 92 millioen gulden, betrekking hebbende op het

gedeelte van het werk zooals het op den omslag is geschetst, dus

niet inbegrepen is hierbij: het gedeelte benoorden den afsluitdijk

Enkhuizen-Stavoren. De raming en beperkte omschrijving hebben als

curiositeit eenige waarde en zijn als bijlagen achterin opgenomen.

De liefhebbers die zich gaarne in details verdiepen worden naar de

raming verwezen. Daarentegen kunnen zij die weinig lust gevoelen het

ouderwetsche boek te lezen, volstaan met het lezen van de beknopte

omschrijving als aanhangsel bijgevoegd.

In den tekst van het oude boek zijn geen wijzigingen gebracht wat

betreft de ouderwetsche spelling. Evenmin als een antiquaar een bronzen

vaatwerk zal oppoetsen heb ik gemeend aan den oorspronkelijken tekst

iets te moeten wijzigen of te schrappen.

Het geheel lijkt mij wel de moeite waard, om aan de vergetelheid

ontrukt te worden. Mocht ooit besloten worden een museum op te richten

betrekking hebbende op curiosa betreffende de Zuiderzee, dan moge dit

boekje daarin een bescheiden plaats innemen als souvenir aan den grooten

enthousiast.

Geboren te Amsterdam op 16 December 1790 overleed hij te Haarlem op 23

December 1868. Dank zij de zorgen van zijne zoons I. Kloppenburg en H.

C. Kloppenburg genoot hij nog een betrekkelijk gelukkigen ouden dag,

want door zijn verwanten werd hem vaak verweten dat hij zijne eigen

belangen heeft opgeofferd aan het algemeen welzijn, in 't bijzonder aan

zijn geboortestad Amsterdam.

Apeldoorn, 31 Maart 1916.

W. H. KLOPPENBURG, c. i.

DE

INDIJKING EN DROOGMAKING

VAN

DE ZUIDERZEE

EN

HET IJ,

MET KANALEN

VAN AF DEN IJSSEL BIJ ARNHEM,

LANGS AMSTERDAM TOT IN DE NOORDZEE;

VOORGESTELD EN AANGEPREZEN

ALS EEN KRACHTIG MIDDEL TOT VERHEFFING

VAN

HANDEL, SCHEEPVAART, EN LANDBOUW

IN NEDERLAND.

TE AMSTERDAM, BIJ

G. M. P. LONDONCK.

1848.

VOORBERIGT.

_Nimmer is er grootscher ontwerp aan de Nederlandsche natie

voorgedragen, dan hetwelk wij haar thans ter overweging en ter

uitvoering aanbieden; maar ook nimmer was de tijd daarvoor zoo gunstig,

nimmer bestond daarvoor zulke dringende noodzakelijkheid, nimmer

gevoelde het algemeen zulk eene wezentlijke behoefte aan vruchtdragende

bedrijvigheid, dan juist nu. De nood, hoe hoog dikwerf hier te lande

ook in menigen oorlog geklommen, werd altoos nog door hoop op vrede

gelenigd en de vrede bragt dan ook uitkomst en redding aan; maar thans,

na jaren van vrede, verkeeren wij in eenen toestand, welke, hoe wij

het ook willen verbloemen, elken regtschapen Nederlander met levendige

bezorgdheid vervult. Wie staart niet weemoedig op vervlogene grootheid,

eer en aanzien bij onzen kwijnenden toestand en toenemend verval

van handel? Wie let niet op de vooruitgang en bedrijvigheid der ons

omringende volkeren, en betreurt niet den achteruitgang van ons in

vele opzigten stiefmoederlijk bedeeld Nederland, waar tot hiertoe een

heilloos stelsel van behoud, van het Hooge Bestuur af tot het nietigste

dorpsbestuur toe den scepter zwaaide; waar te ver gedreven zucht tot

behoud der voorvaderlijke instellingen (terwijl die voorvaderen evenwel

de bakens naar de getijden verzetten) allen voortuitgang weert, en

waardoor wij bij hoogere vlugt van vreemden nietiger, zwak en arm

worden. Zie, ten bewijze, op onze grootboeken van de nationale schuld,

op de begrootingen van uitgaven, waaraan geëvenredigde inkomsten

ontbreken, bij eene bevolking, die de lasten niet torschen kan, die

haar hoop bouwt op eene, geen onderstand behoevende, kolonie, maar

welke hare middelen tot zelfbehoud behoeft en hare beste sappen in een

twijfelachtig batig slot aan ons verliest. Zie op onze marine, te zwak

in evenredigheid van de behoefte. Zie op ons gebrek aan middelen om eene

strijdkracht te lande te onderhouden tot waarborg voor ons bestaan in

de rij der volken. Staar de steden aan, die jaarlijks in bevolking van

gegoeden afnemen, in bevolking van diegenen, die den middelstand en den

arbeider door hunnen handel en bedrijven voedden; onze steden, waar

weleer fabrijken bloeiden, die thans kwijnende, den werkman een loon

toedeelen, waardoor levens gerekt worden, maar 't welk dan ook een leven

is, waarbij de veerkracht verlamd, de geest verdoofd en alle edele

gevoelens verstikt worden, terwijl de schaars voorziene armenkassen als

het eigendom aller schamelen beschouwd wordt. Gave de Voorzienigheid,

dat het anders ware! Die wensch tot verbetering van onzen toestand kan,

onder Gods zegen, door ons vervulling erlangen, en de middelen daartoe

meenen wij in ons ontworpen plan aan te wijzen! Het is waar, niet allen

juichen toe, wat grootsch is, wat inspanning van krachten vereischt;

niet allen bezielt de zucht om 't geen veel omvattend is, te helpen

daarstellen. Men werpt nietige bezwaren op, die vertraging aanbrengen,

die de uitvoering belemmeren en dikwerf schipbreuk doen lijden. Men

vindt er, die juichen bij den ondergang van nieuwe ondernemingen,

welke bij welslagen meerdere vruchten zouden dragen dan het in stand

houden van inrigtingen, die op oude stellingen gegrond zijn, waarbij

de toepassing der nieuwere wetenschap ontbreekt. Wij zien er ook maar

al te veel, die, ofschoon niet tegenstrevende, moedeloos en werkeloos

blijven, en daardoor meerder nadeel berokkenen, dan zij zich voorstellen

te doen. Er zullen er zijn, die van projectenmakerij gewagen, doch

deze allen zullen de noodzakelijkheid der uitvoering onzer ontwerpen

niet ontzenuwen. Heeft een LEEGHWATER zijn geliefkoosd ontwerp, de

droogmaking van het Haarlemmer-meer zien bespotten, de naneef zet hem

thans de kroon op het hoofd!_

_In eenen tijd, dat de Koning en de Natie tot vooruitgang zijn gestemd;

in eenen tijd, waarin men op geheele opheffing van alle belemmeringen

van den handel, den grootsten steunpilaar van ons bestaan, aandringt,

en tot deszelfs algeheele vrijheid moet blijven aandringen; in eenen

tijd, waarin de verderfelijke handel in fondsen den val van duizenden

berokkende, van agiotage nog zedeloozer dan het lottospel; in eenen

tijd, waarin men doorziet, dat de meergegoeden de lasten moeten dragen,

en het volk moet ontlast worden,--in zulk eenen tijd kan ons ontwerp

althans niet ontijdig geacht worden. Wij dragen het daarom ook aan

den Koning en aan de Natie op, met het bewustzijn van liefde tot ons

vaderland, voor het voor alle volkeren steeds open gestaan hebbende

verblijf, hetwelk de zetel was van kunsten en wetenschappen, van handel

en nijverheid, waar vrijheid van geweten en godsdienst troonde, alle

zoo vele oorzaken om dit land tot een voorbeeld van anderen te doen

verstrekken, deszelfs luister te verhoogen en het tot eene zon ter

verlichting van de geheele wereld te doen zijn._

_De tijd, dien wij beleven, is vruchtdragende in ontwikkeling

van denkbeelden, die men weleer als gedrogten van een verhit brein

beschouwde. Europa verkeert in eenen staat van opgewondenheid en

overspanning, waarin de grootste kalmte van geest vereischt wordt. Goed

zal daaruit zekerlijk ontstaan; doch aan dien toestand is spanning

verbonden, die handel en vertier aan banden legt, wantrouwen doet

ontstaan en het verkeer belemmert, van daar ophooping van goederen,

bij steeds dalende waarde in alle landen, wegens gebrek aan geld en

werk voor de industrie, waartoe het onmisbaar is; het geld is uit den

omloop verdwenen, en het nadeel, daardoor aan handel en bedrijvigheid

toegebragt, is onberekenbaar, en werkt nadeelig op den finantiëelen

toestand van alle natiën terug, terwijl den volken de middelen benomen

worden, om 's lands kassen door verdiensten te stijven._

_Het geld is nog voorhanden, ook hier te lande; en is er vooruitzigt

op secure belegging, dan zal het ook wel uit zijne niet rentegevende

rustplaatsen te voorschijn komen. Er ontstond op het woord van

tijdelijken waarborg door Koning WILLEM I hier te lande eene

handelsmaatschappij, waaraan meer dan de gevraagde kapitalen aangeboden

werden, eene uit den aard der zaak kostbare maatschappij. Hoezeer

deze zich zekere voordeelen toebedeeld ziet, blijft zij echter een

ligchaam, welks fonds door onvoorziene evenementen aan wisselvallige

tijdsomstandigheden onderworpen is, waardoor de vermeende waarden,

waarop zij bouwde, waardeloos kunnen worden. Kwam nu zulk eene

onderneming door inschrijvingen tot stand, hoeveel te minder moet dan

de door ons voorgestelde, die aan het rijk als een afdoend redmiddel

in zijnen benarden toestand wordt aangeboden, wegens geldelijk bezwaar

onuitgevoerd blijven! Is het niet een ontwerp, dat bij een vrijgevig

handelsstelsel de stad Amsterdam, bij eene verbeterde ligging aan

de zee, tot een wereld-entrepôt zal verheffen; een ontwerp, waarbij

voor de uitvoerbaarheid geene natuurlijke hinderpalen in den weg

staan; een ontwerp, dat aan den middelstand en aan de arbeidende

klassen jaren, ja eeuwen achtereen voedsel zal geven; een ontwerp,

hetwelk den geldschieter in den drooggemaakten vruchtbaren grond een

waarborg met ruimen interest aanbiedt; een ontwerp, dat onder en bij

deszelfs voltooijing den toestand van het geheele rijk zal helpen

verbeteren?!--Voor het uitvoeren van zulk een ontwerp zijn alle tijden

geschikt, maar nu is de tijd gebiedend! Toonen wij der wereld, dat de

Hollander, eenen stuurman gelijk, in de stormen het hoofd moedig omhoog

heft, en door kloek beleid het ranke schip behouden binnen lootst._

_Onze beschouwing omtrent het ontwerp van de droogmaking der Zuiderzee

met de daaraan verbondene kanalisatiën is slechts kort, het onderwerp is

te veel omvattend, om in weinige bladen ontwikkeld te worden; vele

punten zijn min toegelicht, om het werkje niet te omslagtig en zoo veel

doenlijk voor het algemeen bevattelijk te maken. Wilde men naar eisch

over zulk een gewigtig onderwerp schrijven en alles behandelen, het

zoude een werk van verscheidene boekdeelen worden; tot de overweging

daarvan behoorde mede een geheel overzigt omtrent den toestand van het

Rijk, in betrekking tot deszelfs kusten en zeeweringen, over den loop

der rivieren alsmede de af- en uitwateringen van alle om de Zuiderzee en

het IJ gelegene landen en polders, terwijl men voor deze op verandering

van wetten van beheer aandringt, die voor het algemeen welzijn

bevorderlijk geacht worden._

_Mogt de aandacht der Regeering en van de Natie door onze beschouwing,

in deze bladen vervat, op het gewigtig onderwerp gevestigd worden, dan

werd onze wensch vervuld, en weldadig zouden de gevolgen daarvan op het

algemeen terugwerken._

INLEIDING.

De natuur is, schoon langzaam en voor het menschelijk oog naauw

merkbaar, niettemin onafgebroken werkzaam om de gedaante der aarde te

veranderen, en met de afwisselende gedaante van den grond gaat ook die

van de zee gepaard. Bestaan er vermoedens, gegrond op de overleveringen,

omtrent een land, weleer in den Oceaan, bewesten de zuilen van Herkules,

de straat van Gibraltar, gelegen, meer gegrond zijn onze vermoedens

omtrent een land, dat zich in de Noordzee, in de nabijheid van onze

kusten bevonden heeft, of dat zelfs daaraan verbonden is geweest; een

land, welligt grooter in uitgestrektheid dan ons land thans is, hetwelk

later eene prooi der golven werd. Als de overblijfselen van dat gewest

kan men de nog bestaande, doch steeds afnemende, bank de Breeveertien

beschouwen, waarvan de vroeger zich verder in de zee uitgestrekt

hebbende Haaksen mede een overblijfsel zijn. Daar, waar nu het oog

slechts zee ontwaart, lagen nog voor eene eeuw, omstreeks Huisduinen

en Petten, veruitgestrekte gronden, waarvan in den zomer aanzienlijke

hoeveelheden hooi gehaald werden; en toont de oude vervallene Pettensche

Sluis niet aan, dat hare vroegere uitwatering verder, waar het thans

zee is, geloopen heeft? Moet het Huis te Britten niet door landerijen

omgeven zijn geweest? En wáár zijn die gronden gebleven? Zijn er niet

nog onder ons ouden van dagen, die zich een huis herinneren, dat op

dezelfde plaats gestaan heeft, waar voor omstreeks het vierde eener

eeuw de _Wassenaar_ bleef, welligt op dezelfde plaats, waarover

vroegere WASSENAARS hunnen scepter zwaaiden?

De gedaanteverwisselingen, verwoestingen van land en water, houden aan;

soms zijn die naauwelijks te bespeuren, soms verdwijnen uitgestrekte

landen in eens, zoo als onze latere schrijvers den ondergang van

verscheidene steden en dorpen in de Zuiderzee geboekt hebben, en

langzamerhand, door even dreigende en vernielende stroomen en golven,

onze steeds zwakker wordende bolwerken, de duinen, langs Noord- en

Zuid-Holland. Met geweld tracht zich de zee meester van ons grondgebied

te maken, zoo als kortelings bij Ter-heide bleek, waar de zee diep

landwaarts in drong, Delfsland en zelfs den Haag bedreigende.

De Zuiderzee was vroeger diep; de toegang tot de havens van onze aan

die zee gelegene steden, waaraan Neêrlands roem verbonden was, was

vrij. Thans zijn die havens verslibt en met de trapsgewijze verslibbing

verdween de scheepvaart--en met haar de welvaart. De verslibbing van de

Zuiderzee werd en wordt nog bewerkt door de Breeveertien. De millioenen

kubieke ellen water, welke tweemaal daags in en uit onze zeegaten

stroomen, vloeijen over de Breeveertien heen, schuren hare kleilaag

af, en verplaatsen die klei in ons midden, om ons de gelegenheid te

verschaffen, een nieuw gebied daar te stellen, welke de schoonste parel

aan Neêrlands kroon kan worden. De Hollander heeft zich vroeger tegen

de gangen der natuur verzet, en is de schepper van de Nederlanden. Hij

verbinde thans den Helder aan Texel en keere, door aandijking der

eilanden tot bij Emden, den stroom uit de Zuiderzee, en alsdan zal ook

de verwoesting aan de duinen en kusten ophouden, terwijl de stroom van

om de Oost, alsdan den weg naar de diepte en het kanaal zoeken en onze

hol rondende kusten verlaten zal, die niet meer af- maar zullen en

moeten toenemen.

Gelijk de Zuiderzee met hare onbruikbaar gewordene havens, zoo zuchten

ook de rivieren over het haar sinds eeuwen aangedaan geweld, waaromtrent

elk zich tot op dagen toe vermeet, haren loop te bemoeijelijken en te

bederven. Voor eene eeuw waarschuwde hiertegen een VAN VELZEN, toen een

profeet in de woestijn, zijn stem werd niet gehoord, en nog, ofschoon

de voorzeggingen bewaarheid zijn, veronachtzaamt men zijne stem. Het

eigenbelang van ééne stad (Kampen) doet den IJssel een groot gedeelte

van Gelderland en Overijssel overstroomen, en tapt het water van den

Rijn, zijnen natuurlijken loop, af. Langs zijn geheelen loop, tot aan

Rotterdam toe en verder, wordt die schadelijke bekribbing van boven

gevoeld en worden de beneden-rivieren bedorven. Het werpt eene smet op

Nederland, dat van zijne landgrenzen af tot in de zee met zoodanig groot

verval is begunstigd door matige rivieren, dat men die zoo wanstaltig

heeft gemaakt en ze dus schadelijk, tot ons verderf, laat bestaan.

Ons drukt de geesel van provincialismus, van Baronnismus, van dijk-

en polderbesturen, waarbij weleer elk voor zich zelven zorgde en

dit nog doet; waarbij alles de kenmerken draagt, dat het algemeen

belang verwaarloosd wordt, en de zorg voor eigene belangen alles doet

verachteren en bederven. Wat baten ons onze waterbouwkundigen, zoo hun

werkkring tot een enkel gewest beperkt wordt, en waar gemis aan een

doortastend algemeen Waterstaats-bestuur is, hetwelk het algemeen belang

moest overzien en behartigen? Er is meer dan behoefte aan een alles

omvattend Bestuur van Waterstaat, te zamengesteld uit onpartijdige

deskundige mannen, in staat om grootsche plannen te vormen en te

beoordeelen; maar ook hier verlamt alles bij den tijdvernielenden

administrativen gang van zaken, waarbij veel geschreven wordt, maar

niets wezentlijks tot stand komt.

Het eerste ontwerp voor de bedijking der Zuiderzee, 1848 · 第 1 / 13 段