„Neen, gelukkig. Ik heb haar natuurlijk niet op de hoogte gebracht,

daar je mij daartoe geen verlof had gegeven. Zij scheen wel erg

nieuwsgierig te zijn, maar ik heb haar afgescheept met de verklaring,

dat wij particuliere detectives waren, die veel meer van de zaak

afwisten dan de officieele politie. En je moet weten dat ik wat een

moeite heb gehad, om haar te bewegen, het huis te verlaten, want het

liefst was zij er bij tegenwoordig geweest om die „Duivelin”, het waren

haar eigen woorden, te ontmaskeren. Zij zag echter wel in dat dat

volstrekt onmogelijk zou zijn, en zij verklaarde, dat zij al onze

wenken zou opvolgen, en zich naar een klein landgoed zou begeven,

hetwelk haar man dicht bij de kust op ongeveer een uur sporens

hiervandaan bezit.”

„Lijk je op haar?”

„Voldoende voor ons doel. Maar ik zal er toch goed aan doen, om dezer

dagen weinig vrienden te ontvangen, want je moet weten, dat mevrouw

Daring bijna een half hoofd grooter is dan ik. Zij is een vrouw met

haar op de tanden, zooals men dat noemt, maar zij schijnt zielsveel van

haar lobbes van een man te houden.”

„Hoe staat het met het goud, het zilver, het aanwezige geld, de

juweelen?”

„Alles is het huis uit. Mevrouw Daring wilde er eerst niet in toe

stemmen maar ik heb het doorgezet, en zelf den knoop doorgehakt, door

alles wat waarde had, zorgvuldig bijeen te pakken in een groot valies,

hetwelk door Jerry naar de zuster van de vrouw des huizes werd

gebracht, die daartoe in het geheim moest worden genomen.”

„Uitstekend. En het plaatsvervangend materiaal?”

„Het is zeker niet zoo fraai, Edward, als dat wat wij hier de eerste

maal gebruikt hebben, en waarmede wij het „Meisje met de Madonna-Oogen”

zoo deerlijk voor den mal hebben gehouden, maar wat ik hier kon

opschommelen bij handelaars in strass, en bij leveranciers van

tooneelbankbilletten, is toch naar ik hoop, voor ons doel wel

voldoende. Ik heb ook de hand weten te leggen op een paar pakken,

totaal waardelooze aandeelen, in een niet bestaande mijn, een

zwendelaffaire naar het schijnt, reeds eenige jaren geleden ontdekt en

ook gestraft. Die aandeelen zijn zelfs geen tien voor een dollarcent

waard, maar je begrijpt dat zij in een brandkast een schitterend effect

maken.”

„Je hebt, je kranig gehouden, Charly, vooral als ik in aanmerking neem,

dat de tijd van voorbereiding zoo kort was,” hernam Raffles. „En kom nu

maar eens mede, want ik zal je aan onze lieve beschermelinge

voorstellen.”

HOOFDSTUK V.

CANNY AAN HET WERK.

Charly keek nog eens in den spiegel, streek hier en daar een krulletje

terecht, wat onder het kleine kanten mutsje kwam uitgluren, wierp een

blik op de ringen met de valsche diamanten aan zijn vingers, en hij

mocht van zich zelf getuigen, dat hij inderdaad was wat hij wezen

moest, een oude, flinke dame, met veel gezag, juist de vrouw die een

man als professor Daring noodig had.

„Je ziet er prachtig uit,” zeide Raffles bewonderend. „Zooeven heb ik

waarlijk een oogenblik geaarzeld, of ik soms met de echte mevrouw

Daring te doen had.”

„Ik kan hetzelfde van jou zeggen, Raffles. Ik zou zweren met den

beroemden Asyroloog in persoon te spreken.”

„Je kent de inrichting van het huis zeker al goed?”

„Als ons huis in de Regent-Street te Londen.”

„Zijn de twee bedienden, Jerry en Blount, op de hoogte gesteld?”

„Zij weten er alles van, en zij gnuiven van de pret over den poets dien

wij de kleine feeks zullen bakken.”

„Het kon toch wel eens iets ernstigers worden, dan louter een grapje,”

hernam Raffles hoofdschuddend. „Misschien hebben wij het bezoek van

minstens vier mannelijke medeplichtigen te wachten.”

„Dat is waar ook, Raffles, wat zullen wij met Henderson doen? Hij is

met mij meegereisd, zooals je gezegd had, en hij houdt zich nu in de

omstreken verborgen, omdat het wat al te gevaarlijk zou zijn, hem

opnieuw onder de oogen van het „Meisje met de Madonna-Oogen” te

brengen. Zij zal hem waarschijnlijk opnieuw herkennen, en dat zou ons

leelijk kunnen opbreken.”

„Hij mag zich dan ook niet vertoonen, tenzij wij hem roepen. Hij kan

immers telefonisch bereikt worden?”

„Ja, hij logeert in een klein logement, niet ver hier vandaan.”

„Prachtig. Kom dan nu mede.”

De beide mannen verlieten nu het vertrek, gingen weder over het

portaal, daalden de breede trap af, en traden het vertrek binnen, waar

Canny op denzelfden stoel, en in dezelfde houding nederig en bescheiden

zat te wachten.

Maar Raffles had een zeer scherp oog, en hij zag al zeer spoedig, dat

er eenige voorwerpen, een paar kostbare Sèvrevazen, een fraai bewerkte

kom van Japansch porselein, verzet waren sedert eenige minuten,

waarschijnlijk had de bedriegster, die verstand van dergelijke zaken

had, de onderzijde van die vazen willen bezichtigen, teneinde zich van

hun echtheid te overtuigen.

Canny was dadelijk opgestaan, toen zij Charly en Raffles zag

binnentreden, en stond daar nu als het toonbeeld van de onderworpen

onschuld.

Raffles was op haar toegetreden, en zeide op den gewonen, eenigszins

schutterigen toon van den professor:

„Dit is nu mijn vrouw, Margret, en ik hoop van harte, dat je goede

maatjes met haar zult worden. Wel lieve Susanna, hoe vindt je haar?”

De gewaande mevrouw Daring had de beschermelinge van haar man eenige

oogenblikken aandachtig opgenomen, trad nu op haar beurt naar voren, en

stak Canny de hand toe met de woorden:

„Wees welkom in ons huis, lief kind. Ik hoop, dat je je hier spoedig

thuis zult gevoelen. Mijn man heeft mij reeds alles van je verteld, en

ik ben het volkomen met hem eens, dat het onze plicht is, je vooruit te

helpen. Vergeet je troosteloos verleden, ik hoop dat je hier slechts

zonneschijn zal wachten.”

Canny stamelde eenige woorden van dank, terwijl zij zich over de haar

toegestoken hand heenboog, en Raffles moest erkennen, dat zij een

voortreffelijke comediante was, geen gebaar te veel of te weinig, geen

onechte klank in haar stem, maar alles juist geïntoneerd, alsof het

echt was, en regelrecht uit haar gemoed kwam.

Maar mevrouw Daring onttrok zich spoedig aan deze betuiging van

dankbaarheid, en zeide na een blik op de kleeding van het jonge meisje

te hebben geworpen:

„Ga nu maar eens spoedig met mij mee, kindlief, dan zal ik je je kamer

wijzen. Ik hoop, dat zij je zal bevallen. Zij heeft twee vensters, die

uitzien op den achtertuin, en alles staat op het oogenblik in vollen

bloei.”

Charly had zijn arm onder dien van het meisje gestoken, en voerde haar

nu met zich mede, terwijl Raffles het paar met een spottenden blik

nakeek, welke Canny heel wat zou hebben onthuld, indien zij hem slechts

had kunnen zien....

De minnares van Black Pete werd naar de tweede verdieping gebracht, en

een gezellig gemeubeld vertrek binnengeleid, dat voor een jong meisje,

een kind nog haast, als geknipt was.

Er waren twee groote ramen, uitzicht gevende op een balkon, en

uitziende op den fraaien achtertuin, die aan alle zijden door een niet

zoo hoogen muur omgeven was.

„Maak het je hier nu maar zoo gemakkelijk mogelijk, lief kind,” zeide

Charly, „en ga maar spoedig naar bed, want het is al laat. Morgen

zullen wij er dadelijk eens op uit gaan, teneinde kleederen voor je te

koopen. Goeden nacht, Margret. Tot morgen. Ik hoop, dat je goed zult

slapen in je nieuwe huis.”

Canny greep haastig de hand van de gewaande mevrouw Daring, drukte er

een kus op, en daarop verliet Charly het vertrek, sloot zachtjes de

deur, bleef een oogenblik zachtjes voor zich heen lachend staan, en

ging zich toen weder bij Raffles voegen, die reeds een kleinen

onderzoekingstocht door het huis was begonnen.

Hij vond den Gentleman-Inbreker in een vrij ruim vertrek, dat overdag

door drie groote vensters verlicht werd, maar waar zich geen andere

meubelen bevonden dan een zoogenaamde rotonde, in het midden van het

vertrek op den parketvloer geplaatst, en een rij toonkasten, langs de

vier wanden geplaatst, alle gelijkvormig, en zooals men ze ook wel

vindt in musea voor natuurlijke historie, om er insecten, fossielen,

schelpen, of iets dergelijks in te bewaren.

Raffles stond in gedachten verzonken voor een dier kasten, die van

glazen deksels voorzien waren, stil, en was verzonken in de

aanschouwing van een paar zeer schoone, en bijna geheel ongeschonden

Asyrische dolken, uit brons geslagen, en waarin nog eenige robijnen te

zien waren, kunstig in de greep ingelegd.

„Dit is de beroemde verzameling van professor Daring,” zeide Charly,

naderbij tredend. „Ik heb nog geen gelegenheid gehad, om haar grondig

te bezichtigen, maar ik geloof wel dat zij zeer veel waard is.”

„Op zijn minst een half millioen dollar, Charly,” zeide Raffles

bedaard.

„Wat! Zooveel?” riep Charly verbaasd uit.

„Op zijn minst, zeg ik je. Ik tref hier stukken bij aan, waarvan ik

zeker weet, dat er geen tweede exemplaar van bestaat, zooals die gouden

spangen daarginds, die bestemd waren om een koningsmantel dicht te

houden, geen ander mocht dergelijke versierselen dragen. Ik heb verder

reeds een paar hoogst zeldzame munten en amuletten gevonden, die alleen

reeds een burgermansfortuin waard zijn. En om je de waarheid te zeggen,

Charly, voel ik wel eenigszins de verantwoordelijkheid drukken, die op

mij rust voor het goede beheer van deze schatten. Ik zou het mijzelf

nooit vergeven, wanneer hier ook maar het minste of geringste van werd

ontvreemd. Een man als professor Daring is juist de eenige, die de

waarde van deze Asyrische kostbaarheden weet te schatten, en aan wien

zij het best zijn toevertrouwd. Hij is er voorts niet gierig op, maar

laat iedereen ze bezichtigen, die er zijn belangstelling voor te kennen

geeft. Ik voor mij zou hier dagen kunnen door brengen, zonder mij een

oogenblik te vervelen.”

„Maar zouden de bandieten het werkelijk op deze verzameling voorzien

hebben?” ging Charly voort.

„Dat behoeft je geenszins te verbazen. Bedenk wel, dat wij niet te doen

hebben met ordinaire ladelichters, maar dat er zich onder die schelmen

lieden bevinden, die een grondige studie van dergelijke dingen gemaakt

hebben, en die zelfs, hoe vreemd het ook moge klinken, in staat zouden

zijn, in een verzameling van oudheden het kostbare van het betrekkelijk

waardelooze te onderscheiden. Er zijn goed geschoolde

schilderijenkenners onder, wie men niet licht een copie voor een

origineel in de handen zal stoppen, en zoo vindt men onder hen

muntkenners, deskundigen op het gebied van oude, kostbare wapens, en

andere vaklieden. Ik erken dat het vervreemden van deze verzameling wel

met eenige moeite gepaard zou gaan, maar de dieven zullen wel de goede

adressen weten, waar zij zelfs deze wereldbekende, zeer zeldzame zaken

kunnen kwijt raken.”

„Dan mogen wij wel een oog in het zeil houden,” zeide Charly, een

weinig ongerust. „Het is immers volstrekt niet onmogelijk, dat zij

vannacht al willen beginnen?”

„Dat betwijfel ik sterk, want in ieder geval moet Canny haar vallen nog

uitzetten, maar daar het toch niet geheel en al onmogelijk is, zullen

wij er misschien verstandig aan doen, als wij Henderson waarschuwen. Ik

zou echter niet van de huistelefoon gebruik maken, want dat sluwe

creatuur hier boven ons zou wel eens op de een of andere wijze kunnen

meeluisteren, maar bij een drogist gaan telefoneeren. Zeg Henderson,

dat hij zich aanstonds naar de tuinpoort begeeft, die ik zooeven heb

meenen te zien, en zorg dat die geopend is. Hij moet echter goed zijn

oogen open zetten, opdat hij niet gezien wordt, want niemand kan

zeggen, of de medeplichtigen van Canny niet reeds in de buurt zijn, om

het huis te bespioneeren.”

Charly liet geen tijd verloren gaan, maar gaf aanstonds aan Jerry last,

bij den dichtst bijzijnden drogist, of anders in een hulppostkantoor,

te telefoneeren.

De oude bediende keerde spoedig terug van zijn boodschap, en Charly

ging tersluiks de kleine tuinpoort openen, en liet tien minuten later

Henderson binnen, waarop hij de stevige deur weder goed sloot.

Het was zoo volkomen donker in den tuin, dat er van hun beider

gestalten zeker volstrekt niets te zien zou zijn, zelfs al mocht Canny

het in het hoofd hebben gekregen een weinig uit het raam te kijken.

Vol verbazing zag Jerry den reus binnentreden, nog nimmer had hij een

man van die grootte en dien lichaamsomvang gezien.

Henderson werd aanstonds door Charly naar de museumzaal gebracht, waar

Raffles nog steeds verzonken was in de aanschouwing van alles wat daar

ten toon gesteld was, en hier werd hij door zijn meester met een

handdruk verwelkomd.

De beide bedienden werden nu ook geroepen, en kregen instructies voor

dien nacht.

Zij sliepen op de bovenste verdieping, en Raffles dacht er niet aan,

hen van hun nachtrust te berooven.

Met zijn beide metgezellen zou hij het zelf wel afkunnen, indien er

reeds dien zelfden nacht werkelijk iets mocht voorvallen.

En zoo klommen Blount en Jerry naar hun kamertjes, maar beiden hadden

zich stellig voorgenomen, de toestemming om te gaan slapen, in den wind

te slaan, en veeleer een oogje in het zeil te houden, om zoo noodig ter

hulp te kunnen snellen.

Men zou niet ongestraft de hand uitsteken naar de kostbare verzameling

van hun meester, waarvoor zij beiden een bijna heiligen eerbied

koesterden.

En nu hielden de drie mannen op zachten toon krijgsraad.

De gordijnen van de drie ramen in de museumzaal waren reeds gesloten,

en door den schakelaar van het electrische licht om te draaien, werd

het groote vertrek in duisternis gedompeld.

De deur van deze zaal, de eenige in het vertrek, kwam uit op een zeer

ruim portaal op de eerste verdieping aan den achterkant van het groote

huis gelegen, en zij bevond zich bijna recht tegenover een vrij breede

trap, die naar een gang voerde, welke eveneens met de vestibule in

verbinding stond.

Trap en gang werden bijna uitsluitend door de bedienden gebruikt, want

het werkvertrek van den geleerde bevond zich op dezelfde verdieping, en

hij behoefde slechts enkele stappen te doen, om zijn heiligdom te

kunnen betreden.

Charly had Raffles reeds medegedeeld, dat de beide echtelieden ieder

een afzonderlijke slaapkamer in gebruik hadden, welke door een

tusschendeur met elkander in verbinding stonden.

De oude geleerde was namelijk gewend, vaak tot diep in den nacht te

werken, als een of ander onderwerp hem medesleepte.

Zij behoefde dus voor het oogenblik niets anders te doen, dan die

slaapkamers te betrekken, en rustig af te wachten, wat de sluwe

dievegge van plan was.

Het meest waarschijnlijke was wel, dat zij, evenals zij onder andere

omstandigheden niet lang geleden gedaan had, eerst het huis eens te

onderzoeken ten einde zich op de hoogte te stellen van zijn inrichting.

Pas wanneer zij deze goed kende, zou zij, zonder gevaar te loopen, een

vergissing te begaan, haar medeplichtigen kunnen toelaten.

Wat Henderson betreft, hij moest bij de hand blijven, en zou daarom

slapen op een matras, op den vloer neergelegd, en die Raffles hem uit

het reusachtige bed van den ouden geleerde afstond, benevens een deken.

Op deze wijze was men op alle gebeurlijkheden voorbereid, want terwijl

de slaapkamer van Raffles met twee ramen uitzag op straat, kon men

vanuit de vensters van het slaapvertrek van Charly den tuin overzien.

Nadat dit alles geregeld was, werden de lichten gedoofd, en nu was het

geheele huis in duisternis gehuld, behalve dat hier en daar, in de

vestibule en op het groote portaal een klein electrisch lampje flauw

licht verspreidde.

De gordijnen voor de ramen in de beide slaapkamers werden op een kier

geopend, zoodat de beide mannen de omgeving konden overzien, zonder dat

zij zelven werden opgemerkt.

Er werd slechts zeer weinig gesproken, en dat weinige werd nog op

fluisterenden toon gezegd.

Het was bijna half een in den nacht, toen het scherpe oor van Raffles

een licht gerucht op de gang opving.

Hij sloop behoedzaam naar de deur en luisterde, terwijl hij zijn

wijsvinger op de lippen legde.

Het gerucht kwam nader en het werd veroorzaakt door iemand, die zoo

zacht mogelijk, op de teenen sluipend, door de gang liep.

Toen hield het gerucht op.

Blijkbaar stond de persoon aan den anderen kant van de deur stil, om te

luisteren.

De drie mannen verroerden zich niet, en hielden zelfs hun adem in, uit

vrees, dat die rondsluipende persoon daarbuiten zou bemerken dat zij

nog niet naar bed waren gegaan.

„Als zij het grapje maar niet herhaald om stikgas in de kamer te

spuiten,” bromde Charly bij zichzelf. „Wij hebben thans geen maskers

bij ons, en als wij de ramen openen, dan zal zij het zeker hooren,

dadelijk begrijpend dat er iets niet in orde is, en aan den haal gaan.”

Maar reeds gingen de voetstappen verder, zachtjes en sluipend, en na

eenigen tijd hoorden de drie mannen heel voorzichtig aan het einde van

de gang een raam openen, dat uitzicht gaf op de straat.

Raffles begaf zich aanstonds naar zijn uitkijkpost, en na eenigen tijd

vruchteloos te hebben rondgetuurd, ontwaarde hij een tweetal mannen,

die in de schaduw van een zwaren boom stilstonden, en hun blikken op

het huis gevestigd hielden.

Blijkbaar gaf Canny seinen aan haar medeplichtigen, want nu zag Raffles

snel achter elkaar het licht van een gewone fietslantaarn schijnen en

weder verdwijnen, met ongelijke tusschenpoozen, hetgeen waarschijnlijk

veroorzaakt werd, doordat de man, die de seinen gaf, gedurende korten

of langen tijd de lichtstralen van de lamp met zijn hand onderschepte.

Het seingesprek duurde slechts zeer kort, en het werd waarschijnlijk

niet volgens de gewone Morse-teekens gevoerd, want Raffles begreep er

niets van.

Maar Charly, die achter hem had gestaan, tikte hem op den schouder, en

zeide op zacht fluisterenden toon:

„Ik heb het al ontdekt. Je weet dat ik een studie heb gemaakt van een

menigte geheime seinstelsels, en het hunne is al bijzonder eenvoudig.

Zij springen eenvoudig telkens een enkele letter van het alphabet over,

als zij een woord seinen, en melden bijvoorbeeld inplaats van het

woordje „dat” iets geheel anders en dat volstrekt geen zin heeft,

namelijk „ebu”. Degeen die de seinen ontvangt, behoeft dus niets anders

te doen, dan een letter terug te gaan, en hij is klaar.”

„Prachtig, Charly. En je weet dus wat die twee kerels daar zooeven

geantwoord hebben aan ons lief logétje?”

„Ja. Het was even kort als duidelijk, zij hebben zooeven teruggeseind:

„Wij komen morgennacht!”

HOOFDSTUK VI.

IN DE KOOI.

Dien nacht sliepen Raffles en Charly, na voor alle zekerheid nog een

half uur te hebben gewacht, en zich toen, door een blik door het

sleutelgat van de kamer van Canny, zich te hebben overtuigd, dat zij

vast sliep, zoo rustig als zij in langen tijd niet gedaan hadden, want

zij konden er nu wel zeker van zijn, dat er althans dien nacht niets

meer zou geschieden.

Canny maakte blijkbaar volstrekt geen haast, hetgeen ook niet noodig

was, en zij had den geheelen volgenden dag voor zich, om het huis goed

te bestudeeren, en af te neuzen, waar de goede oude geleerde zijn geld,

en zijn vrouw haar kostbaarheden bewaarde.

Den volgenden morgen waren zij echter vroeg weder op de been, Charly in

zijn vrouwenkleedij, Raffles als de gewaande geleerde.

Er was echter volstrekt geen ruchtbaarheid gegeven aan zijn terugkomst,

en zoo bleven de bezoekers dan ook schaars in aantal, en zij vertrokken

zeer spoedig weder, nadat Raffles zich wegens zware hoofdpijn had

geëxcuseerd.

Wat Canny betreft, zij vertoonde zich omstreeks negen uur in het

eenvoudige kleedje, dat professor Daring voorloopig voor haar gekocht

had te New-York, in de fraai ingerichte eetzaal, waar het ontbijt

gereed stond.

En weder moest Raffles eerlijk erkennen, dat zij haar rol op

onverbeterlijke wijze vervulde.

Zij at, en hanteerde haar mes en vork, met de verlegen onhandigheid,

die men van een meisje in haar omstandigheden moest verwachten.

Zij durfde bijna niet opzien van haar bord, en zij keek schuw en

tersluiks af, hoe haar beide weldoeners de moeilijke kunst van het

behoorlijk eten uitoefenden.

Na het ontbijt ging mevrouw Daring met haar kleine beschermelinge een

autorit maken, en kocht hier en daar eenige kleinigheden, maar niet al

te veel, want Charly vond, niet ten onrechte, dat dit slechts geld

weggooien was.

Maar de beide dames waren voor den lunch reeds lang weder terug, en

Margret vroeg en kreeg verlof, het huis eens te gaan bekijken, dat vond

zij zoo prettig, zooals zij verzekerde.

Glimlachend liet mevrouw Daring het jonge ding haar gang gaan, en nu

huppelde Canny vroolijk door het huis, stak overal haar neusje in, als

een opgewonden bakvischje, babbelde met de beide bedienden, die de

grootste moeite hadden in hun rol te blijven, wandelde wat in den tuin,

en keerde toen in huis terug, juist tegen den tijd van den lunch, en

verzekerde, dat zij het huis „prachtig en verrukkelijk” vond.

Maar zij zeide er niet bij, dat zij zich zeer nauwkeurig overtuigd had

van de plaatsing van de verschillende huistelefoons, van de inrichting

van het slot van de kleine tuinpoort, van de veiligheidsverzekering van

de voordeur, en andere wetenswaardige zaken.

Zij verzweeg ook, dat zij de kleine brandkast van den ouden geleerde

nauwkeurig had bezichtigd, en daarna verachtelijk haar neus had

opgetrokken, en in het boudoir van de vrouw des huizes een kijkje was

gaan nemen, waar zij verschillende laden haastig had opengetrokken, en

vluchtig den inhoud had geïnspecteerd.

Maar al vertelde zij het niet, Raffles wist het daarom niet minder

goed, want al mocht Canny slim zijn, zij moest het tegen de slimheid

van John Raffles niettemin afleggen.

Daar Raffles niet zoo wreed wilde zijn, de sluwe bedriegster den

geheelen dag in het gezelschap van Charly Brand te laten, nam hij des

middags zijn taak over, liet het meisje bij zich komen, en begon haar

te onderrichten in de eerste beginselen van de Engelsche taal.

En het was wel een zonderlinge gebeurtenis, de Gentleman-Inbreker, die

daar met grooten ernst les gaf aan een vrouw, die nog slechts weinige

dagen geleden de behulpzame hand geboden om hem te vermoorden en van

zijn laatste oogenblikken getuige had willen zijn.

En toch verried niets in hem, dat hij niet degene was, voor wien hij

zich uitgaf, en het ligt dus in den aard der zaak, dat de misdadigster

zich, zooals men dat noemt, deerlijk zat te vervelen, en dit toch

onmogelijk kon laten merken, om iederen schijn van achterdocht te

vermijden.

Men dineerde thuis, de oude professor ging een tukje doen, mevrouw trok

met Canny naar haar boudoir, deze laatste speelde een weinig zeer

slecht piano, ook al geheel in den toon, en om tien uur kreeg zij een

zachten wenk, dat het tijd zou zijn, om zich ter ruste te begeven.

Zoo verdween Canny weder uit den gezichtskring der beide mannen, die op

dat oogenblik in de groote gezellige huiskamer bijeen waren, en

elkander nu met een veelzeggenden glimlach aanzagen.

„Daar vliegt het onschuldige duifje heen,” zeide Charly sarcastisch.

„Als je wist hoe ik haar den geheelen dag verwenscht heb. De oude

mevrouw Daring kon toch moeielijk een zware sigaar opsteken, nietwaar?”

„Dat had inderdaad zijn bezwaren, Charly,” antwoordde Raffles lachend.

„En een pijp ging nog veel minder.”

„Ik geloof zelfs dat een sigaret tusschen de lippen van de oude,

eerwaardige dame zou hebben misstaan,” hernam Raffles. „Maar als je

wilt kun je nu je schade inhalen.”

„Ik dank je voor die toestemming, en ik zal er aanstonds gebruik van

maken,” riep Charly uit, en hij snelde het vertrek uit, en keerde

terug, een zware Havannah tusschen de lippen geklemd, hetgeen in

verband met zijn eerbiedwaardig uiterlijk van deftige, oude dame, een

eigenaardig schouwspel opleverde.

Hij maakte het zich gemakkelijk, zette de drukkende pruik af, legde

zijn beenen voor zich op tafel, en slaakte een zucht van welbehagen.

„Je weet, Edward, dat ik maar zelden spijt heb gehad, mij aan je te

hebben verbonden, en aan de meeste van je avonturen deel te nemen, maar

toch, als ik vooruit had kunnen weten, dat je mij ooit zou dwingen, de

rol van een vrouw te vervullen, dan—”

„Dan zou er van onze samenwerking niets gekomen zijn?”

„Dan zou ik mij in ieder geval er nog eens op beslapen hebben,” hernam

Charly lachend.

In eens hield hij op, en vestigde het oog op de deur.

„Wat was dat?” vroeg hij op zachten toon.

„Wat meen je?”

„Ik dacht dat ik iets hoorde in de gang, ik zal het mij verbeeld

hebben.”

Raffles was met een paar stappen bij de deur, rukte haar open, en keek

naar buiten, in de half duistere gang, maar er was volstrekt niets te

bespeuren. Hij liep snel tot aan de trap, keek naar boven en naar

beneden, en keerde gerustgesteld terug, Charly had zich natuurlijk

vergist, de gebeurtenissen van dien dag hadden hem een weinig

zenuwachtig gemaakt.

„Er is niets, je bent een weinig overspannen, mijn waarde,” zeide

Raffles nadat hij het vertrek weder was binnengetreden.

„Dat ontken ik niet. En zeg mij nu eens, is de politie al

gewaarschuwd?”

Lord Lister No. 0398: Duister New-York · 第 3 / 4 段