zeker wel ruimschoots voldoende zijn om de bezoekers hartelijk te
verwelkomen, en in verzekerde bewaring te nemen.”
„Canny toch zeker ditmaal incluis?”
„Natuurlijk. Je kunt wel begrijpen, dat ik er niet op gesteld ben, die
kleine duivelin, die mij gaarne met eigen hand zou hebben vermoord, op
vrije voeten te laten. Hoe eerder het caronje onschadelijk wordt
gemaakt, hoe beter het voor heel wat lieden is, en niet voor mij in de
laatste plaats.”
„Je hebt toch niets van je ware identiteit verraden?”
„Dat spreekt vanzelf. Zij denken met professor Daring te doen te
hebben. Ik heb eenvoudig laten voorkomen, alsof ik door een toeval op
de hoogte was gekomen van het complot, dat mij door een verrader van de
bende, die zich op den chef wilde wreken, was medegedeeld.”
„Zoodat wij niets anders te doen hebben dan rustig af te wachten, tot
de politie hier verschijnt?”
„Zoo is het.”
„Maar hoe komt zij binnen zonder dat Canny het merkt?”
„Maak je daaromtrent niet ongerust, zij vindt de tuinpoort geopend, en
kan daar binnen gaan.”
„Maar als Canny haar medeplichtigen wil binnenlaten, en die zelfde
poort gebruikt, dan zal zij de deur open vinden, en sluw als zij is,
zou dit haar wantrouwen wel eens kunnen gaande maken.”
„Maar Charly, denk je met een ezel te doen te hebben. Natuurlijk zal de
laatste agent de deur weder sluiten.”
„En Henderson?”
„Die is nu nog in zijn eigen kamertje, maar ik zal hem ergens op post
zetten, in den tuin bijvoorbeeld, of op een der balkons, vanwaar hij
een wakend oogje over de kleine comedie kan laten gaan, en den
bandieten den weg zal versperren, als zij ontijdig de lucht mochten
krijgen van wat hen hier te wachten staat.”
„Maar loopen wij dan zelf in het minst geen gevaar?”
„Ik kan niet inzien waarom. Canny twijfelt geen oogenblik of wij zijn
professor Daring en zijn vrouw, en zij zal niets anders denken of er is
verraad in het spel.”
„Wij moeten dus onze rol tot het laatste spelen?”
„Tot het bittere einde, Charly.”
Onder dit gesprek was de groote wijzer van de fraaie pendule op den
marmeren schoorsteenmantel langzaam voortgeschoven, en het was reeds
kwart over tienen, toen Raffles eindelijk opstond, en zeide:
„Zij zullen nu wel spoedig hier zijn. Ik heb hen gezegd, dat zij zoo
omzichtig mogelijk moesten naderen, want het zou kunnen zijn, dat Canny
nog niet sliep, en zij zal wel een goed ontwikkeld gehoor hebben, en
den hoorn van een politie-auto misschien van elke andere kunnen
onderscheiden, al zijn wij dan hier niet in haar geboortestad.”
„Zouden wij ons niet eens overtuigen, dat zij werkelijk slaapt?”
„Waartoe dat?” kwam Raffles verwonderd. „Zij zal zich in ieder geval
slapende houden. Werkelijk slapen doet zij natuurlijk niet, want zij
moet haar medeplichtigen binnenlaten, en dat zal wel niet veel later
dan een uur zijn, want al is de brandkast klein en ouderwetsch, zij
zullen er toch minstens een paar uur werk aan hebben, en om dezen tijd
is het reeds om zes uur klaar lichten dag.”
„Is de tuinpoort op dit oogenblik geopend?”
„Voor zoover ik weet, niet, tenminste wanneer Canny het al niet gedaan
heeft, wat ik echter niet waarschijnlijk acht, en daarom zou ik je wel
willen verzoeken, je daarvan even te gaan overtuigen, want over tien
minuten kunnen de politieagenten hier zijn.”
Charly deed onmiddellijk wat hem gevraagd werd.
Hij zette de pruik weder op, sloeg een wollen hoofddoek om, daalde de
trap af, verliet het huis door de achterdeur, sloop door den duisteren
tuin, en ging naar de kleine tuindeur.
Hij taste naar het slot, en bevond, toen hij den sleutel wilde
omdraaien, dat de deur reeds geopend was....
Zonder dat hij zich juist kon verklaren waarom, maakte deze
omstandigheid een onaangenamen indruk op Charly Brand.
„Dat moet Canny gedaan hebben,” mompelde hij voor zich heen. „Maar voor
den drommel, waarom deed zij het zoo vroeg?”
Hij bleef nog even in gedachten staan, en aanvaardde toen den terugweg.
Toen hij een blik wierp naar het venster van het vertrek, dat aan Canny
als verblijfplaats was toegewezen, zag hij, dat het daarbinnen volkomen
duister was, de gordijnen waren echter terzijde getrokken.
Hij ging verder, opende de achterdeur, trad binnen, en sloot haar
zachtjes weder achter zich.
Toen hij de gang van het dienstpersoneel bijna geheel teneinde was,
stond hij opnieuw stil.
„Wat is dat nu weer?” bromde hij voor zich heen.
Zijn oor had een zacht gerucht opgevangen, het was, alsof zooeven de
voordeur zachtjes gesloten werd....
„Ik moet zekerheid hebben,” fluisterde hij half luid.
Zoo snel hij kon, maar zonder veel gerucht te maken, ijlde hij de gang
ten einde, bereikte de vestibule, stak haar snel over, en stond voor de
voordeur.
Bijna was hem een kreet ontsnapt.
De beide zware koperen grendels waren teruggeschoven, de dikke koperen
ketting was losgehaakt, en schommelde nog zachtjes heen en weder....
Er kon niet meer aan getwijfeld worden, zooeven had iemand het huis
verlaten.
Charly rukte de deur open, en keek naar buiten.
Er waren slechts weinig voorbijgangers te bespeuren in deze deftige
wijk, en er reden juist een paar auto’s voorbij, maar Charly kon
volstrekt niets verdachts zien.
Toch bleef hij nog eenige oogenblikken zoo staan kijken, en toen ging
hij langzaam weder in huis terug, sloot de deur weder, deed de grendels
en den ketting er weer op, en bleef in gedachten verzonken staan.
„Wie voor den drommel kan nu het huis verlaten hebben?” bromde hij
binnensmonds. „Wel natuurlijk, het kan niemand anders geweest zijn dan
die helleveeg, dan Canny. Maar, dan moet zij ook iets vermoed hebben,
erger nog, dan moet zij zekerheid hebben gehad. Maar als dat zoo is,
dan, dan loopt Raffles het grootste gevaar. Dan zou zij gelegenheid
hebben, om op haar beurt de politie te gaan waarschuwen, en dat zou in
de gegeven omstandigheden uiterst gevaarlijk zijn. Wij moeten ons
aanstonds gaan overtuigen of die vrouw nog in haar kamer is of niet.
Misschien heb ik mij nog vergist, misschien was het wel een van de
bedienden, die nog laat een boodschap is gaan doen. Maar laat ik eerst
Henderson gaan waarschuwen, die zich wel ergens in den tuin zal
bevinden, hij moet zich bij ons komen voegen, en als ik Raffles een
raad mag geven, dan verlaten wij hals over kop dit huis, want ik wil
mij laten kielhalen als er niet iets broeit.”
Charly aanvaardde dus den terugweg weder, opende opnieuw de tuindeur,
wilde naar buiten treden, en keek recht in den loop van een revolver,
die een zwaar gebouwde politieman hem voorhield.
„Niet zoo haastig, mevrouw,” zeide de agent op barschen toon. „Ga het
huis weer binnen als ik u verzoeken mag.”
„Te laat,” bromde Charly tusschen de tanden.
Daar hij evenwel zag, dat de agent door nog twee andere vergezeld was,
die beschikten over even afdoende argumenten als hijzelf in den vorm
van twee vervaarlijke revolvers, deed hij schouderophalend een stap
terug, maar voor de deur gesloten werd, liet hij het bekende
waarschuwingssein hooren, dat bedoeld was voor Henderson, die zich wel
in de buurt en nog in vrijheid zou bevinden.
En daarop viel de deur dicht, twee agenten namen Charly tusschen hen
in, een derde volgde hem op de hielen, en zoo begaven zij zich naar
boven, naar het vertrek, waar Charly den Gentleman-Inbreker zooeven had
achter gelaten.
Reeds op de gang had Charly Brand opnieuw den snerpenden
waarschuwingskreet laten hooren, die door de agenten slechts door een
medelijdend schouderophalen werd beantwoord, en toen hij binnentrad
begreep hij de beteekenis van dien spot, daar stond Raffles, met een
flauwen glimlach om de lippen, koel en onbewogen, maar omringd door een
zestal agenten van politie, aangevoerd door een commissaris.
Deze ambtenaar had klaarblijkelijk reeds eenigen tijd met korte stappen
het vertrek op en neer geloopen, en stond pas stil, toen Charly door de
drie agenten werd binnengeleid.
Hij wachtte tot de deur zorgvuldig gesloten was, en begon toen, zich
tot Raffles wendende:
„Pardon, professor, het is uiterst onaangenaam voor mij, maar ik ben
wel genoodzaakt om mijn plicht te doen. Berust wat wij nu doen
werkelijk op een vergissing, dan zal ik de eerste zijn, die u daarvoor
mijn oprechte verontschuldigingen aanbied, maar wij hebben informatie
ontvangen, die mij dwingt, hier een zeer grondig onderzoek in te
stellen. Gij zult dus wel zoo goed zijn, zonder omwegen te antwoordden
op de vragen, die ik u zal stellen.”
„Ga u gang, commissaris,” antwoordde Raffles kalm.
„Waart gij het, die ons hedenmiddag hebt verzocht, hier te verschijnen
met een tiental agenten, teneinde ons meester te maken van een aantal
bandieten en van Canny Macleod, die zich onder een valsch voorgeven bij
u zou hebben ingedrongen?”
„Zoo is het, mijnheer.”
„Gij komt van New-York?”
„Ja, ik nam daar deel aan het oudheidkundig internationaal congres.”
„Weet gij zeker dat Canny Macleod zich hier nog in huis bevindt?”
„Ik zou niet inzien, waarom zij het zou hebben kunnen verlaten.”
„Wij zullen er ons aanstonds van overtuigen. Maar stil, daar zijn uw
bedienden reeds, die wij hebben laten halen.”
Inderdaad waren Jerry en Blount een oogenblik te voren binnengetreden,
en zij staarden vol verbaasde verontwaardiging naar de groep midden in
het vertrek.
De commissaris wendde zich tot Jerry, en vroeg:
„Hoe heet gij, goede vriend?”
„Jerry, mijnheer. Maar mag ik weten....”
„Het is niet aan u, maar aan mij om vragen te stellen,” viel de
commissaris hem streng in de reden. „Herkent gij dezen heer als uw
meester?”
„Als dat een grap moet verbeelden, mijnheer...” viel Jerry woedend uit.
„Bedenk tegen wien je spreekt, man, en antwoord mij zonder omwegen,”
riep de commissaris op barschen toon. „Is deze man professor Daring, ja
of neen?”
„Natuurlijk is hij het,” antwoordde Jerry woedend. „Wat beteekent die
onzinnige vraag?”
De commissaris legde hem met een gebaar het stilzwijgen op, en
vervolgde kortaf:
„Weet gij, waar.... het jonge meisje slaapt, dat professor Daring onder
zijn bescherming heeft genomen?”
„Ja, mijnheer,” antwoordde Jerry, die van verbazing niet wist of hij
waakte of droomde.
„Ga u dan dadelijk overtuigen of zij er nog is. Haast u wat.”
Jerry verdween, en gedurende den korten tijd van zijn afwezigheid werd
er in het vertrek geen woord gesproken.
Toen hij terugkwam, vroeg de commissaris onmiddellijk:
„Welnu?”
„Zij is er niet, mijnheer.”
„Was het bed beslapen?”
„Het was niet aangeroerd.”
„Dat pleit in ieder geval niet in uw voordeel... professor,” hernam de
commissaris, langzaam zijn hoofd in de richting van Raffles wendend,
die een weinig bleek was geworden onder het dunne laagje schmink, dat
zijn gelaat bedekte, maar overigens volkomen kalm was gebleven.
Hij doorzag nu alles, en hij verwenschte zijn onvoorzichtigheid, en die
van Charly Brand, want het was nu maar al te duidelijk, dat de jonge
man wel degelijk goed had gehoord, toen hij meende, in de gang eenig
gerucht te hooren, en dat Canny een gedeelte van hun gesprek had
afgeluisterd, misschien wel door het sleutelgat had gegluurd, gehoor
gevend aan haar eeuwigdurend wantrouwen, en daarbij de gewaande mevrouw
Daring met een sigaar in den mond, zonder pruik, en met de voeten op
het tafelblad had waargenomen.
Zij had zeker tot het allerlaatste oogenblik gewacht, na zelf de
politie te hebben gewaarschuwd, door middel van een der telefoons in
huis, had zich nog overtuigd, dat de politie-auto kwam aanrijden, en
vervolgens de vlucht genomen.
Daaraan was nu niets meer te veranderen, en Raffles zou rekening moeten
houden met geheel veranderde omstandigheden, omstandigheden, die zeer
in zijn nadeel waren gewijzigd sedert eenige oogenblikken.
Na de woorden van den commissaris bleef het even stil in het vertrek.
Toen vervolgde de politiebeambte op drogen, bevelenden toon, die reeds
niet meer hoffelijk klonk: „Ik zal u moeten verzoeken, professor, mij
toestemming te geven, om mij persoonlijk te overtuigen, of.... uw
hoofdhaar en uw baard echt zijn.”
Daar Raffles wel begreep, dat een grondig onderzoek binnen enkele
oogenblikken het bedrog aan het licht moest brengen, antwoordde hij
rustig:
„Gij kunt u die moeite besparen, mijnheer, het een zoowel als het ander
is valsch.”
„Ah. Ik vermoedde zoo iets. En die dame?”
„Mijn vrouw is, als ik het zoo mag uitdrukken, commissaris, eveneens
valsch,” antwoordde Raffles rustig.
En hij wendde zich tot Charly, en zeide, op een toon, die aanstonds de
opmerkzaamheid van den jongen man had:
„Trek je rokken en de rest maar uit, vrouwtje, zij mochten je eens in
je bewegingen belemmeren.”
In een oogwenk had Charly de vrouwenkleeren afgeworpen, de pruik
afgedaan, en daar stond nu een krachtig gebouwde jongeman, met een oud
gerimpeld gelaat.
De commissaris had snel een kreet van verbazing en zegepraal
onderdrukt, en zeide:
„Ik weet wat ik weten wil, die kleine duivelin heeft dus toch gelijk
gehad, wij missen haar en haar mannen, maar ik geloof niet, dat ik
spijt behoef te hebben van de ruil. Mannen, maakt u van deze twee
bedriegers meester.”
Nauwelijks had de commissaris deze woorden gesproken, of rinkelend
vloog de groote balkondeur in scherven, en een doordringende stem, een
goed bekende stem riep:
„Hierheen, uwe Lordschap. Hierheen. In den boom. In den boom.”
Sneller dan de gedachte sloeg Raffles met twee meesterlijke kinstooten
de twee dichtst bijstaande agenten terneder, en Charly wierp een zwaren
stoel naar de beenen van een paar anderen, die er over heen tuimelden,
en in de aldus gevormde geul stortten zich de beide vrienden en
stormden vlug als de wind naar het openstaande balkonraam.
Daar zagen zij een wonderlijk schouwspel.
Op een afstand van ongeveer vijf meter van het balkon verhief zich een
populier, en in den top daarvan zat James Henderson.
Met behulp van een sterk touw had hij, eenmaal in de boom geklommen
zijnde, een lus weten te slaan om een der zware knoppen van de
balkonleuning en daarop had hij met reuzekrachten, door aan het touw te
trekken, den top van den boom tot over het balkon kunnen brengen,
waarop hij het touw aan een der dikste takken had vastgemaakt, zoodat
de boom in denzelfden stand bleef, gespannen als een geweldige boog,
met het touw, waarvan het andere einde tot op den grond afhing, als
koord.
Terwijl achter hen een luid geschreeuw van woede weerklonk, sprongen
Raffles en Charly tegelijk, vlug als acrobaten schrijlings op een paar
dikke takken, en met een enkelen slag van zijn sterk mes knapte
Henderson het als een snaar gespannen touw door, zoodat de populier
terugzwiepte....
Bijna waren de mannen door de hevige beweging uit den kruin van den
boom geslingerd, maar zij hielden zich stevig vast, en lieten zich snel
als het weerlicht aan het dikke touw op den grond glijden, juist toen
de eerste agenten op het balkon verschenen, en als razenden in den
blinde begonnen te vuren.
De drie mannen stormden door den tuin, wipten over den muur, daar de
kleine poort gesloten bleek, en waren eenige minuten later in
veiligheid.