„Mijn vriend zal dus reeds morgen naar St. Louis vertrekken en zorg
dragen dat hij een paar uren na uw brief voor mevrouw Daring aankomt.
Het is namelijk noodzakelijk, dat hij haar uiterlijk een weinig
bestudeert, want hij zal zooveel mogelijk op haar moeten lijken.”
„Maar dat jonge meisje heeft toch mijn vrouw nog nooit gezien,” riep de
geleerde uit.
„Dat is zoo, en dat is ook een gelukkige omstandigheid, professor, maar
er zijn te St. Louis waarschijnlijk zeer veel personen, die uw vrouw
wel kennen en wij moeten rekening houden met de mogelijkheid, dat die
haar, terwijl onze kleine comedie nog in vollen gang is, een bezoek
zullen komen brengen.”
„Denkt gij dan, dat het zoo lang zal duren?” vroeg de geleerde
eenigszins onrustig.
„Integendeel, ik vermoed, dat de bandieten, die u natuurlijk zullen
nareizen, zoo snel mogelijk hun slag zullen willen slaan. Maar een paar
dagen zullen er toch wel mee gemoeid zijn, want het meisje moet eerst
haar omgeving goed opnemen, zij is niet van degenen die over een nacht
ijs gaan.”
„En gij, mijnheer?”
„Ik zal u verlof vragen, morgen in den loop van den avond wanneer het
congres beëindigd is, u te bezoeken, teneinde uw uiterlijk zooveel
mogelijk natuurgetrouw te copiëren. Het is waar dat gij licht blauwe
oogen hebt en ik donkergrijze, maar dat is bij wit haar zeer moeilijk
te onderscheiden, en het geluk is ons in zoo verre dienstig dat Canny u
nog slechts bij kunstlicht gezien heeft. Het zal dus zaak zijn, er voor
te zorgen, dat gij morgenochtend reeds het hotel verlaten hebt, voor
zij u weder kan zien, laat bijvoorbeeld door een der kelners zeggen,
dat gij zeer vroeg een afspraak hadt met een collega en u dus bij haar
laat verontschuldigen. Gij behoeft niet te vreezen, dat zij het op een
loopen zal zetten, wat dat jonge meisje eenmaal in haar kleine sterke
handen heeft, dat laat zij zoo spoedig niet weder los. Kom dan zoo laat
mogelijk terug, wanneer het licht reeds weder is opgestoken.”
„Ik zal doen wat gij zegt, mijnheer, maar ik doe u opmerken, dat gij nu
zelf over „een jong meisje” spreekt.”
„Dat zeg ik slechts om u een genoegen te doen, professor,” hernam
Raffles glimlachend. „Maar ik verzeker u, dat zij het reeds lang niet
meer is. En nu zou ik u den raad willen geven, spoedig den brief aan uw
vrouw te schrijven en aan Margret Jefferson, zoolang gij met haar samen
zijt, zoo weinig mogelijk mededeelt over uw huiselijke omstandigheden,
des te minder vergissingen kunnen mijn vriend en ik maken, wanneer wij
daar ginds in uw plaats optreden.”
Professor Daring had Raffles de hand toegestoken en zeide nu, aan zijn
witten baard plukkend:
„Het was een zeer merkwaardige ontmoeting, mijnheer. Ik had nooit
gedacht dat het avontuurlijke nog ooit in mijn leven zou komen. Ik geef
u ten volle verlof om de proef te wagen, maar ik zeg u nogmaals, dat
gij bedrogen zult uitkomen.”
„Ik wilde dat het waar was, professor,” hernam Raffles ernstig. „Zorg
dat gij in ieder geval morgen om negen uur weder hier in het hotel
zijt, dan zal ik wel een middel vinden om mij met u in verbinding te
stellen, zonder dat Canny, ik wil zeggen Margret, het merkt. En nu
wensch ik u een goede nachtrust toe, professor.”
— — — — — — — — — — — — — —
Den volgenden dag was Raffles weder zeer vroeg bij de hand, teneinde
een oogje in het zeil te houden.
Een oogenblik had hij de vrees gekoesterd, dat de vergeetachtige
geleerde de zaak bedorven zou hebben door zich te verspreken tegenover
het „Meisje met de Madonna-Oogen”, of dat hij de afspraak zou hebben
vergeten, zoo vroeg mogelijk het hotel te verlaten, voor hij met Canny
gesproken had.
Maar noch het een noch het ander bleek het geval te zijn geweest, want
de professor had reeds om acht uur het hotel verlaten, toen zijn
beschermelinge waarschijnlijk vanwege de ontroering, de uitputting en
andere naargeestige zaken, rustig sliep.
Om half elf begon de slotzitting van het congres en Raffles overtuigde
zich, dat die minstens tot vijf uur zou duren.
Dan had er een gemeenschappelijke maaltijd plaats in een der andere
groote hotels en het zou dus zeker volslagen donker zijn, voor Daring
terugkeerde.
Wat zijn beschermelinge betreft, Charly hield haar in het oog en hij
bemerkte dat zij, zeker om goed in haar rol te blijven, het hotel in
het geheel niet verliet, maar rustig in de conversatiezaal zat,
gewapend met een stapel tijdschriften.
Zoo werd het avond en omstreeks half tien keerde professor Daring van
het feestdiner terug.
Raffles was op zijn post en hij zag, half verborgen, achter een zware
pilaar, hoe de oude geleerde aanstonds iets aan een kelner vroeg, de
conversatiezaal binnenging en toen haastig toetrad op de zoogenaamde
Margret Jefferson.
Hij greep de beide handen van de jonge vrouw, die was opgestaan om hem
verlegen te begroeten en sprak eenige woorden met haar, waarop hij de
conversatiezaal weder verliet, waarschijnlijk om zich naar zijn kamer
te begeven.
HOOFDSTUK IV.
NAAR ST. LOUIS.
Maar op de eerste verdieping greep Raffles hem als het ware in de
vlucht en hield hem staande.
„Mag ik weten wat uw plannen zijn, professor?” vroeg hij glimlachend.
„Neem mij niet kwalijk, mijnheer, ik had u niet aanstonds herkend,”
kwam Daring op zijn gewone, verlegen en een weinig verschrikte manier.
„Ik hoop toch niet, dat gij alles weer vergeten zijt?” riep Raffles
uit. „Houd mij de opmerking ten goede, professor, maar dat zou zelfs
voor een verstrooiden geleerde wat kras zijn.”
„Neen, neen, ik weet alles nog heel goed.”
„Gij hebt dus aan uw vrouw geschreven?”
„Ja, en de brief werd nog gisterennacht gepost.”
„Uitstekend! En nu herhaal ik mijn vraag van zooeven, wat zijt gij
voornemens te doen?”
„Ik heb tegen het meisje gezegd dat wij nog iets zouden gebruiken in de
kleine eetzaal, en dan begeeft zij zich ter ruste.”
„Voortreffelijk. Dan zal ik zoo vrij zijn, professor, mij bij u aan te
melden, zoodra het caronje, u neemt mij niet kwalijk, ik wilde zeggen,
het lieve kind, van den vloer is. Want nu breekt het oogenblik aan,
professor, waarop wij van identiteit moeten veranderen, tenminste wat
mij betreft. En daar het zeer dwaas zou staan, als zich hier twee
volkomen op elkaar gelijkende professors Daring ophielden, zal ik
onmiddellijk daarna het hotel verlaten. Zooals gij weet, is mijn vriend
reeds naar St. Louis vertrokken. Morgenochtend om acht uur, of zoo
mogelijk nog vroeger, verlaat gij even het hotel, zoogenaamd om een
boodschap te doen en ik zal mij in de buurt verdekt opstellen, om even
later uw plaats in te nemen. Gij echter neemt aanstonds een auto, om u
naar het station te laten brengen en neemt den trein naar de stad, waar
gij uw vrouw zult treffen.”
„Dat hebt gij goed bedacht, mijnheer,” riep de professor bewonderend
uit. „Ik heb wel eens gehoord dat men somtijds een weinig laag neerziet
op de politiebeambten, vooral op de rechercheurs, maar daarin heeft men
groot ongelijk. Zij geven soms blijken van groote schranderheid en
doorzicht.”
„Ik dank u voor dit compliment, professor, en ik zal u thans niet
langer ophouden. Over anderhalf uur zal ik mij in uw kamer bevinden.”
En met deze woorden verdween Raffles en wachtte rustig het uur om te
handelen af, in de conversatiezaal gezeten, waar hij zich den tijd aan
de leestafel zoo goed mogelijk kortte.
Anderhalf uur later, het was toen bij half twaalf, betrad Raffles de
gang, waaraan de kamer van den ouden geleerde gelegen was.
Hij overtuigde zich, dat er niemand in de nabijheid was, trad haastig
op de deur toe en ging er binnen zonder aan te kloppen, want hij wist,
dat Canny slechts een paar kamers verder sliep, en buitengewoon goede
ooren had.
De professor was reeds bezig zijn valies te pakken.
Hij keek van zijn werk op en vroeg op zijn gewone schutterige wijze:
„Wat is er, mijnheer? Wat wilt gij? Kunt gij niet behoorlijk
aankloppen?”
„Neem mij niet kwalijk, professor, ik wilde liever zoo weinig mogelijk
leven maken,” antwoordde Raffles glimlachend. „Herkent gij mij?”
„Ah zoo, zijt gij het, mijnheer? Verschoon mij, mijn oogen worden een
weinig zwak. Gij komt om, ja juist, ik weet het alweder. Neem daar
plaats, als ik u verzoeken mag, gij zult zeker wel een spiegel noodig
hebben?”
En hij wees Raffles op de marmeren waschtafel, waarboven een groote,
fijn geslepen spiegel van Venetiaansch glas was aangebracht.
Raffles ontdeed zich van zijn rok, boord en das, knoopte een schoonen
handdoek om en begon zich te grimeeren met behulp van de
kleurmiddeltjes, welke hij daartoe in een klein lederen étui had
medegebracht.
„Gij neemt mij niet kwalijk, mijnheer, dat ik intusschen verder ga met
het pakken van mijn koffer?” vroeg de geleerde.
„Volstrekt niet, professor,” antwoordde Raffles glimlachend. „Doe alsof
ik er niet was, wat ik u verzoeken mag.”
Nu en dan een blik werpend op het eerwaardige, bleeke gelaat van den
geleerde, begon Raffles zijn gezicht een grondige verandering te doen
ondergaan.
De zwarte wenkbrauwen verdwenen en maakte plaats voor witte, de
eenigszins gebruinde gelaatskleur werd veranderd in een ivoormatte,
naast de oogen werden met een fijne doezelaar, die in een lichtrood
getinte vloeistof werd gedompeld, zeer fijne lijntjes getrokken,
„kraaienpootjes” noemt men ze gemeenlijk. Naast den neus, die volstrekt
niet veranderd behoefde te worden, werden een paar fijne rimpels
aangebracht en daarop haalde Raffles een van die uitmuntend
vervaardigde pruiken te voorschijn, die zelfs het scherpste oog niet
vermocht te onderscheiden van echt haar.
Hij veranderde er een weinig aan met behulp van een schaar, frizeertang
en kam, zette haar op en ging nu over tot het aanplakken van den baard,
dien hij reeds in den loop van den dag had gefatsoeneerd naar dien van
den ouden professor.
Na ongeveer een half uur was hij gereed, en tevreden over zijn werk,
dat hij voltooid had, door een gouden bril, met groote, ongeslepen
glazen op zijn neus te plaatsen.
Hij stond op en bootste op voortreffelijke wijze de eenigszins
omfloerste stem van Daring na, toen hij zeide:
„Mag ik mij even aan u voorstellen, Jerome Daring, professor in de
Aziatische talen, Asyroloog te Saint Louis.”
De oude geleerde had zijn valies juist van de tafel genomen, maar bij
de aanschouwing van zijn dubbelganger liet hij het zware voorwerp uit
zijn handen vallen en keek Raffles geruimen tijd met open mond en wijd
opengesperde oogen aan.
Toen begon hij heftig aan zijn bril te rukken en sputterde:
„Dat is niet te gelooven, dat grenst aan het wonderbaarlijke. Het is of
ik mijzelf in een spiegel zie, mijnheer, gij zijt bepaald geen gewone
detective, gij hebt het zeer ver gebracht in uw vak. Ik ben overtuigd,
dat gij als acteur grooten naam zoudt kunnen verwerven.”
„Dank u, professor,” hernam Raffles glimlachend. „Gij zijt dus
tevreden? Gelijk ik op u?”
„Maar mijn goede hemel, gij zoudt mijn tweelingbroeder kunnen zijn,
mijnheer,” riep de oude geleerde uit. „Eigenlijk gezegd, is het een
weinig huiveringwekkend. Ik had nooit gedacht dat zooiets bestaan kon.”
„Dan is het goed zoo, professor. Er blijft mij dan niets anders meer te
doen, dan spoedig dit vertrek en vervolgens het hotel te verlaten. Ik
zal natuurlijk mijn best doen, dat niemand mij ziet, maar daar de
mogelijkheid niet is buitengesloten, dat toch iemand van het personeel
mij ziet heengaan, zou ik u op het hart willen drukken, onder geen
beding uw kamer meer te verlaten en u zoo spoedig mogelijk ter ruste te
begeven. Neem alles mede van waarde en laat uw valiezen en koffers
hier, ik zal wel zorgen, dat zij veilig in uw huis te St. Louis
aankomen. Ik hoop, dat ik u niet grief door u voor te stellen u duizend
dollar ter hand te stellen als zekerheid voor de goede overkomst?”
„Ja, zeker, mijnheer, daar grieft gij mij wel degelijk mee,” hernam
Daring. „Ik wil u toonen, dat ik u volkomen vertrouw, ik neem geen cent
van u aan.”
„Dat pleit alweder voor u, professor,” hernam Raffles.
Hij stak den geleerde de hand toe, trok zijn overjas aan, zette zijn
hoed op en zeide, met de kruk van de deur reeds in zijn hand:
„Ik bedenk daar, professor, dat ik ook noodzakelijk de kleeren van u
moet hebben, die gij hier gedragen hebt, trek die dus morgenochtend aan
als gij het hotel verlaat, dan zullen wij van overgoed verwisselen, wij
zijn gelukkig van dezelfde grootte.”
En met deze woorden vertrok Raffles, sloot de deur zachtjes achter
zich, sloop de gang ten einde, daalde de trap af, bereikte ongezien de
vestibule en sloeg, daargekomen, zijn kraag op, om zich zooveel
mogelijk onkenbaar te maken.
Er waren slechts weinige personen, die hem gezien hadden.
Buitengekomen riep hij een huurauto aan en liet zich naar het
Manhattan-Hotel brengen, waar hij reeds denzelfden morgen een kamer had
besteld.
Hij ontdeed er zich van pruik en baard, sliep voortreffelijk in het
zachte ruime bed, en was den volgenden morgen om zeven uur reeds op de
been.
Hij gebruikte haastig het ontbijt in de groote eetzaal, betaalde wat
hij schuldig was, liet weder een huurauto voorkomen en gaf den
chauffeur bevel, hem tot op eenigen afstand van het Astor-Hotel te
rijden, en schuin tegenover den ingang post te vatten.
Daar gekomen behoefde hij slechts tien minuten te wachten, alvorens
professor Daring naar buiten trad.
Hij zag, hoe hij een huurauto wenkte en instapte, waarop het voertuig
wegreed.
Dadelijk gelastte hij den chauffeur den wagen achterna te rijden.
Na een rit van ongeveer twintig minuten bereikte de eerste auto het
station en Raffles zag den professor uitstappen, zijn chauffeur betalen
en het stationsgebouw binnengaan.
Hij stapte op zijn beurt uit, betaalde den chauffeur, maar gelastte hem
op hem te wachten en ging op zijn beurt het station binnen.
Professor Daring kocht juist zijn kaartje aan een der loketten.
Hij had zijn overjas los over zijn arm, dezelfde jas, welke hij steeds
gedragen had.
Raffles kocht een perronkaartje, ging den professor na, toen deze de
breede trappen beklom en zag, hoe hij het breede perron op en neer
begon te wandelen.
Aan het einde daarvan was het zeer stil en er bevonden zich slechts
weinig personen.
Raffles wachtte een gunstig tijdstip af, haalde den professor in, nam
hem zonder plichtplegingen de geruite overjas en slappen grijzen hoed
af, verruilde die tegen zijn eigen kleedingstukken en maakte het
volgende oogenblik weder rechtsomkeert, zonder dat er een woord
tusschen de beide mannen gewisseld was.
Het was zeer wel mogelijk, dat sommige beambten het kleine tooneeltje
hadden opgemerkt, maar dat kwam er al heel weinig op aan, het was al
weinig waarschijnlijk, dat een hunner ook maar in de verte begreep, wat
er eigenlijk geschiedde.
Raffles verliet haastig het station weder, stapte in de auto, die hem
wachtte en liet zich naar het Astor-Hotel terugrijden, waar hij juist
op tijd voor het ontbijt terug was.
En hij zag al dadelijk, dat zijn vermomming voortreffelijk geslaagd
was, want de portier nam diep zijn pet voor hem af, zooals hij het
reeds eenige malen tevoren voor den ouden geleerde had zien doen.
Raffles begaf zich aanstonds naar de eetzaal en nauwelijks had hij daar
een tafeltje uitgezocht, of Canny trad binnen.
Het gevaarlijke oogenblik was aangebroken.
De volgende minuten zouden beslissen over het welslagen van zijn
gewaagd plan.
De jonge vrouw speelde haar rol uitstekend en keek bedeesd en verlegen
rond, totdat zij den gewaanden geleerde aan zijn tafeltje zag zitten en
aanstonds op hem toekwam.
Raffles bestudeerde haar gelaat met de grootste aandacht, maar hij was
spoedig gerustgesteld, Canny had haar weldoener nog slechts te weinig
gezien, en dan nog alleen maar bij kunstlicht, om de verandering te
bespeuren.
Het is overigens een bekend verschijnsel, dat oogen die overdag grijs
zijn, des avonds vaak een blauwe kleur vertoonen.
Zij stak Raffles bedeesd de hand toe en de Groote Onbekende was
dadelijk in zijn rol en zeide op hartelijken toon:
„Ga zitten, kindlief. Eet maar flink, want wij hebben vanmiddag een
tamelijk lange reis voor de boeg. Je hebt toch geen berouw? Je wilt
toch wel met mij medegaan?”
„O, zoo graag, mijnheer,” antwoordde Canny, met neergeslagen oogen. „Ik
ben u zoo dankbaar, dat u mij weghaalt uit dit verschrikkelijk leven.”
„Daar spreken wij niet over, Margret,” hernam Raffles. „Vergeet maar
zoo spoedig mogelijk, wat je hier beleefd hebt, want er wacht je een
groote toekomst. Ik ben zeker, dat wij een echte jonge dame van je
maken en dan zullen er spoedig genoeg jongelui komen opdagen, die om je
handje komen vragen.”
Margret kreeg een kleur van verlegenheid bij deze woorden en gaf geen
antwoord.
De kelner kwam met zijn schalen en ook hij twijfelde geen oogenblik, of
hij had met den waren professor Daring te doen.
Daar Raffles thans moeielijk meer een voorwendsel kon vinden om zich te
verwijderen, was hij wel verplicht den geheelen morgen door te brengen
in gezelschap van de vrouw, die hem naar het leven gestaan had en die
met duivelsch welbehagen getuige had willen zijn van zijn laatste
oogenblikken.
En hij moest toegeven, dat zij haar rol op waarlijk bedriegelijke wijze
vervulde, geen enkel valsch accent, geen enkele onverwachte oogopslag,
niets dan nederigheid, dankbaarheid en verlegenheid.
Raffles nam haar mee naar een kleedingmagazijn en daar werd Canny in
behoorlijke kleederen gestoken, die de plaats innamen van de havelooze
vodden welke zij gedragen had, toen de comedie een aanvang nam voor het
„Olympic-Theater”.
Daarna lunchte het zonderlinge paar en vervolgens reden zij naar het
station en stegen daar in den trein, die over een kwartier naar St.
Louis zou vertrekken.
Ook Raffles viel geen oogenblik uit zijn rol en hij deed alle gebaren,
welke hij bij Daring had opgemerkt, verrassend juist na, zoodat de
zoogenaamde beschermelinge geen oogenblik kon twijfelen, of zij had met
denzelfden man te doen, die haar in bewusteloozen toestand letterlijk
van de straat had opgeraapt.
Langzamerhand scheen zij een weinig bij te trekken en toen de trein
eenmaal het station verlaten had, begon zij opgewekt te babbelen en
verhaalde Raffles verschillende episodes uit haar leven in het huis van
haar stiefvader, van A tot Z gelogen, zooals Raffles zeer goed wist,
maar die werden voorgedragen op een wijze, die aan de waarheid er van
bijna niet kon doen twijfelen, en waaraan de goede oude geleerde dan
ook zeker geen oogenblik getwijfeld zou hebben.
De trein was om twee uur in den middag vertrokken, om bij twaalven in
den nacht kwam hij te St. Louis aan.
Raffles en Canny stapten uit de coupé, en de eerste wenkte een kruier
om voor zijn bagage te zorgen.
Voor het reusachtige stationsgebouw stond een groot aantal huurauto’s
en de gewaande geleerde slaagde er in, er een machtig te worden.
Hij gaf den chauffeur een adres op in de Washington Avenue, hielp Canny
instappen, en nam naast haar plaats, waarop de auto zich aanstonds in
beweging stelde.
Raffles kende Saint Louis slechts oppervlakkig, en hij keek dus goed
uit zijn oogen, nu en dan een paar woorden tot de vrouw naast zich
richtende.
Na een rit van ongeveer vijf en twintig minuten stond de auto stil voor
een fraai heerenhuis, op een tiental meters van den weg gelegen en
daarvan gescheiden door een lommerrijken tuin.
Eenige vensters waren nog verlicht. Mevrouw wachtte haar echtgenoot
blijkbaar af.
Raffles hielp Canny weder uitstappen, betaalde den chauffeur, liep op
de huisdeur toe, juist als iemand die daar thuis behoort, en belde aan.
De deur werd geopend door een van die ouderwetsche bedienden, die
blijkbaar snel aan het uitsterven zijn.
Het was een man van een jaar of zestig met een openhartig, rood gelaat
dat getuigde van gezondheid en een opgewekt humeur.
Hij keek zijn gewaanden meester slechts een oogenblik doordringend aan,
en Raffles zag bliksemsnel een trek van groote verrassing op zijn
gelaat verschijnen en weer verdwijnen.
„Alles wel, Jerry?” vroeg Raffles, terwijl hij den ouden bediende op
den schouder klopte.
„Zoo goed als het maar wezen kan, mijnheer,” antwoordde Jerry, en hij
richtte een vragenden blik op Canny, die bescheiden bij de deur was
blijven staan, met de oogen naar den grond geslagen.
„Ja, Jerry, ik breng een verrassing voor jullie mee,” riep de gewaande
geleerde uit. „Wat zeg je er wel van? Wij krijgen een logétje, en ik
hoop dat zij lang, heel lang bij ons zal blijven.”
Hij had zijn arm om de schouders van de bedriegster geslagen, en daar
hij zich door professor Daring zeer nauwkeurig had laten inlichten,
omtrent de ligging der verschillende vertrekken, behoefde hij geen
oogenblik te aarzelen toen hij haar naar een deur geleidde, dicht bij
de monumentale trap, die naar de hooger gelegen verdieping voerde, en
deze opende met de woorden:
„Ga hier zoo lang binnen, mijn kind. Ik ga even mijn lieve vrouw
begroeten, en haar een weinig voorbereiden, ik breng je aanstonds bij
haar.”
Een snelle blik had Raffles overtuigd, dat hij zich in een soort
ontvangkamer bevond, waarin slechts weinige maar zeer fraaie, een
weinig ouderwetsche meubels stonden, terwijl er eenige prachtige
Rembrandt-copieën aan den wand hingen.
Raffles had Canny naar een stoel geleid, knikte haar nog eens
vriendelijk toe, en herhaalde, reeds op den drempel van de deur:
„Ik kom je dadelijk weder halen, mijn kind. Een oogenblikje geduld
slechts.”
Daarop verliet hij het vertrek, sloot de deur achter zich, stak de
vestibule over, en besteeg de trap.
Nauwelijks had hij het breede portaal bereikt, hetgeen een soort
gaanderij vormde, die langs den achterkant van de vestibule liep, of er
werd voorzichtig een deur geopend, en een oude dame, de oogen bewapend
met een schildpadden lorgnet, grijs van haar, maar met nog een blozende
gelaatskleur, stak het hoofd om den hoek.
Raffles trad aanstonds op de dame toe, scheen slechts een oogenblik te
aarzelen, duwde haar toen zonder omslag het vertrek binnen, sloot de
deur achter zich, liet zich op een stoel vallen, en zeide op zachten
toon:
„Oef. Dat is tenminste achter den rug. Het dierbare wicht is hier in
huis, en ik ben er zoo goed als zeker van, dat wij met denzelfden trein
zijn gevolgd door eenige schelmen, wier gelaat ik mij maar al te goed
meen te herinneren. Hoe staat het leven hier, Charly?”
„Alles is van een leien dakje geloopen,” antwoordde de jonge man, want
de oude dame was inderdaad niemand anders. „De oude mevrouw Daring is
een heel vriendelijke dame, maar ik geloof, heel wat energieker dan
haar man. Toen ik haar alles mededeelde was zij uiterst verontwaardigd,
en zij liet mij den brief van haar echtgenoot lezen, die nog maar
altijd niet kan gelooven, Edward, dat wij het bij het rechte einde
hebben.”
„Wat zeide hij dan in dien brief?”
„Hij schreef, dat hij zich wel wilde leenen tot de proefneming, maar
alleen om jou te overtuigen, dat je een pessimistische menschenhater
was.”
„Werkelijk een zeer merkwaardig man,” zeide Raffles hoofdschuddend.
„Hij is een groot kind, hij vormt wel een groote uitzondering, in dezen
tijd van onderling wantrouwen en onderlingen haat. En wat zeide mevrouw
er wel van?”
„Natuurlijk geloofde zij niet à priori, dat je gelijk zoudt hebben,
maar ze achtte het toch zeer wel mogelijk, en zelfs waarschijnlijk. Het
moet namelijk al eens meer zijn voorgekomen, en vaker dan professor
Daring bekende, dat hij deerlijk bij den neus is genomen door lieden,
die op laaghartige wijze misbruik maakten van zijn goedgeloovigheid en
zijn blind vertrouwen in zijn medemenschen. En zij was er dan ook
dadelijk voor te vinden, om de proef te nemen. Zij leest wel kranten,
dat verzeker ik je, en zij wist alles van de zaak af.”
„Vermoedde zij in het geheel niet, wie je kon zijn?”