LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 398 DUISTER NEW-YORK
DUISTER NEW-YORK.
HOOFDSTUK I.
DE ONVERWACHTE ONTMOETING.
Sedert eenige dagen hielden de Amerikaansche, naar vooral de
New-Yorksche bladen zich bijna uitsluitend bezig met het zonderlinge
geval van den heer Albert Clapham, den rijken, eenigszins excentrieken
effectenhandelaar, die in een der deftigste wijken van de wereldstad
een fraai huis bewoond had.
Bewoond had—want hij was sedert enkele dagen spoorloos verdwenen, en
men wist volstrekt niet, waar hij zich op dat oogenblik kon bevinden.
De zaak baarde zooveel opzien, dat men er zelfs de tamelijk gespannen
verhouding met Engeland en Japan bij ten achter stelde, en de menschen
op straat vochten als het ware om de extra-edities der bladen, waarmede
de krantenjongens luid gillend, als een troep woeste Indianen, uit de
verschillende dagbladdrukkerijen kwamen stormen.
Dan sloegen zij het eerst de pagina op, waar zij het verslag van de
zonderlinge zaak wisten te vinden, en begonnen ijverig te lezen.
Sedert eenige maanden was de criminaliteit in New-York tot een
ongekende hoogte gestegen, en de politie zat, zooals men dat noemt, met
de handen in het haar.
Weliswaar stelde zij alles in het werk om het gespuis, dat New-York
onveilig maakte, met alle middelen te bestrijden, en de
hoofdcommissaris van politie had reeds een lijstje gepubliceerd van
maatregelen, welke hij dacht te nemen, om den strijd tegen de bandieten
met goed succes te kunnen voeren, die zich in den laatsten tijd
veelvuldig van automobielen trachtten te bedienen bij het verrichten
van hun euveldaden—en in de meeste gevallen waren ook deze auto’s,
waaronder zeer kostbare exemplaren, van roof en diefstal afkomstig.
Maar dit alles scheen niet zeer veel uit te werken, tenminste van de
resultaten zag men niet veel, en het New-Yorksche publiek van de
laagste tot de hoogste standen begon zeer ongerust te worden, daar de
bandieten zich zelfs niet ontzagen, arbeidersvrouwen van hun bescheiden
sieraden te berooven, toen er eensklaps hulp kwam opdagen van een
zijde, waarvan men die het allerminst had verwacht.
Er was een geheimzinnig personage ten tooneele verschenen, die,
waarschijnlijk met de hulp van een tweetal makkers, mede den strijd
tegen het geboefte scheen te hebben aangebonden, en na eenigen tijd
wist de politie, wie dit personage was—niemand anders dan de Groote
Onbekende, de langgezochte Londensche Gentleman-Inbreker, John Raffles.
Ja, hij moest in New-York zijn, de stoutmoedige avonturier, het kon
niet anders.
Alle verschijnselen wezen er op.
Zijn onvindbaarheid, de ongeloofelijke snelheid, waarmede hij zich
scheen te kunnen verplaatsen, de weergalooze vlugheid, waarmede hij
handelend optrad,—dat alles kenmerkte den man, die reeds zoovele jaren
vruchteloos gezocht werd door Scotland Yard.
In weinige dagen tijds had John Raffles kans gezien om niet minder dan
een vijftiental bandieten van de ergste soort in handen van de politie
over te leveren—ofschoon hieraan dadelijk moet worden toegevoegd, dat
meer dan de helft van dit aantal aanstonds naar het ziekenhuis vervoerd
had moeten worden, en dat twee hunner slechts als lijken werden
gevonden, met revolverschoten door het hoofd.
En nu stonden de bladen vol van het geval ten huize van den zooeven
genoemden Clapham, waar de politie, na een geheimzinnige telefonische
boodschap, negen mannen had gevonden, de meesten deerlijk toegetakeld
en buiten kennis, allen stevig geboeid en als het ware opeengestapeld
in den hoek van een vertrek, dat een ongeloofelijke verwarring
vertoonde, en waar uit alles bleek, dat er een hevige worsteling had
plaats gehad—men vond er een kostbaar porselein eetservies totaal in
scherven gevallen, een zware tafel, die wel tachtig kilo woog, waarvan
twee der pooten gebroken waren, en verder twee eiken stoelen, waaraan
letterlijk niets meer heel was.
Overal op het tapijt vond men bloedsporen—maar van den heer des huizes
was niets te bespeuren.
En hoe het kwam dat die negen mannen daar geboeid bijeen waren, zou wel
altijd een raadsel zijn gebleven, als een hunner, een ontvlucht
moordenaar, die uit de gevangenis had weten te breken, een week voor
hij op den electrischen stoel terecht zou worden gesteld, niet was gaan
„doorslaan”, zooals de vakterm luidt, wellicht in de hoop, dat hem dit
het leven kon redden, en verklaard had, dat men zich daar in het
prachtige huis van Clapham had bevonden, ten einde zich er meester te
maken van de beide helpers van John Raffles, die men in de val had
weten te lokken.
Men kan zich de consternatie van de New-Yorkers voorstellen, toen zij
op deze wijze te weten kwamen, dat Clapham, die toegang had tot de
deftigste kringen, de vriend en medeplichtige was geweest van niemand
anders dan Black Pete, de man die met het befaamde „Meisje met de
Madonna-Oogen”, een bende misdadigers aanvoerde.
En toch kon er niet aan getwijfeld worden—het moest zoo zijn, want een
andere oplossing was ondenkbaar.
Met eindelooze moeite had men, met behulp van tolken, den Russischen
butler en den Chineeschen bediende van Clapham kunnen ondervragen, en
dezen hadden gezegd, dat hun meester hen op dien bewusten avond vrijaf
had gegeven, zoodat zij volstrekt niets wisten van wat er was
voorgevallen.
Daar het volkomen ondenkbaar was, dat de beide helpers van Raffles
benevens de negen bandieten daar in huis waren geweest, zonder
toestemming van Clapham, zoo stond zijn medeplichtigheid buiten twijfel
vast, en hij had er zijn zaak niet beter op gemaakt, door de vlucht te
nemen.
Hoe het ook zij—de twee vrienden van Raffles hadden een hevigen strijd
geleverd met de negen boeven, en volgens de verklaringen van den ter
dood veroordeelde, een glansrijke overwinning bevochten, zonder zelven
iets meer dan een paar schrammen op te loopen.
De man voegde er als het ware tot zijn verontschuldiging bij, dat een
hunner twee tegenstanders een man was geweest van buitengewone
lichaamskracht, een ware reus, die een zwaren eikenhouten stoel
gehanteerd had, zooals een ander een licht wandelstokje deed, terwijl
zijn makker maar al te goed met zijn revolver bleek te kunnen omgaan.
Hij gaf verder als zijn vermoeden te kennen, dat de beide vrienden van
Raffles, nadat zij er in geslaagd waren, uit het huis te ontvluchten,
waar men hen had willen dooden, zich hoogst waarschijnlijk zoo snel zij
konden begeven hadden naar een tamelijk afgelegen villa, waar op dat
zelfde oogenblik John Raffles zich in de macht bevond van een paar
dozijn bandieten, onder aanvoering van Black Pete en het „Meisje met de
Madonna-Oogen,” waar men hem op langzame wijze ter dood had willen
brengen.
De man duidde het huis ook aan, de politie stelde er onmiddellijk een
onderzoek in, maar zij vond het nest verlaten, zij vond er slechts twee
lijken van lang gezochte misdadigers, die beide eenige zeer zware
misdaden op hun geweten hadden.
Men ontdekte ook velerlei aanwijzingen, dat er in huis gevochten was,
kogelgaten in de zijwanden van een gang, bloedsporen op den vloer, en
verder een klein vertrekje, waar slechts een groote houten brits was
geplaatst, ongeveer boven het midden van die brits hing aan een dunnen
staaldraad een zwaar gewicht, waaronder in het midden het heft was
bevestigd van een vlijmscherp geslepen slagersmes.
Bij nader onderzoek bleek, dat men dit gewicht door middel van een
uurwerk in het aangrenzende vertrek zeer langzaam kon laten dalen, en
het doel er van was maar al te duidelijk geweest.
De ter dood veroordeelde bleek dus waarheid te hebben gesproken, maar
van de misdadigers kon men geen spoor meer ontdekken, evenmin trouwens
als van Raffles zelf, die blijkbaar bijtijds door zijn beide trouwe
helpers gered was.
Het behoeft geen betoog, dat er over een en ander ellenlange berichten
in de New-Yorksche bladen verschenen, voorzien van vetgedrukte
opzienbarende opschriften.
Alle bladen gaven hun meening over het geval te kennen, en er waren er
niet weinigen onder, die ronduit te kennen gaven, dat men een man als
John Raffles straffeloosheid moest waarborgen, en moest trachten, hem
over te halen, voor goed dienst te nemen in de gelederen van de
politie, want het bleek maar al te duidelijk, dat hij in weinige dagen
wist te bereiken, waartoe het geheele politiecorps met al zijn
voortreffelijke hulpmiddelen maandenlang niet in staat bleek te zijn
geweest.
Als men Raffles maar eens zijn gang liet gaan, dan zou hij zeker
slechts een paar maanden behoeven, om alle misdadigers van New-York tot
den laatsten man uit te roeien.
Raffles zelf kon slechts glimlachen om deze naïeve raadgevingen van de
bewuste bladen.
Op het oogenblik dat ons verhaal een aanvang neemt, bevond hij zich in
gezelschap van zijn trouwen vriend Charly Brand in de conversatiezaal
van het Astor-Hotel.
De beide mannen waren, daar het uur van het diner reeds voorbij was, in
avondtoilet gestoken, en zagen er uit als lieden, die zich een weinig
verveelden.
Maar Raffles verveelde zich in het geheel niet.
Hij was integendeel in volle actie, met alle zenuwen en spieren
gespannen, want hij bevond zich nog altijd midden in den strijd tegen
de misdadigers van duister New-York.
Hij had gedurende eenige dagen met Charly Brand en zijn trouwen
chauffeur James Henderson de rol vervuld van werkelooze arbeiders uit
Chicago, teneinde op deze wijze in aanraking te komen met de lieden,
die hij zocht, en dit was hem ook voortreffelijk gelukt, maar
voorloopig zou hij zich weder in een ander karakter moeten vertoonen,
want de bandieten zouden in den eersten tijd waarschijnlijk met diep
wantrouwen bezield zijn jegens alles wat werkeloos heette.
Met veel moeite was Raffles er in geslaagd, niet ver van het
Astor-Hotel een tamelijk ruim zoldervertrek te huren, waar hij, als het
noodig was, met Charly en Henderson kon slapen, maar dat hij had
gehuurd onder voorwendsel, een thuiswerkend kleermaker te zijn.
Het was een goed verzinsel, want op deze wijze was hij in staat heel
wat kleederen hier heen te brengen, die hem naderhand konden dienen,
als hij zich weder zou moeten vermommen.
Maar op dit oogenblik zaten Raffles en Charly tegenover elkaar,
onberispelijk gekleed, en bliezen kleine wolkjes uit hun fijne
sigaretten.
„Ik zou wel eens willen weten,” begon Charly na eenigen tijd op zachten
toon, „hoe het met Black Pete is afgeloopen.”
„Hij heeft zich natuurlijk met de anderen zoo snel als hij kon uit de
voeten gemaakt, daar hij wel begrepen zal hebben, dat wij na uit dat
vervloekte huis ontvlucht te zijn, ons zouden haasten, bij de eerste de
beste gelegenheid de politie te telefoneeren, en hun op het dak te
sturen.”
„En het „Meisje met de Madonna-Oogen”, die dochter des duivels beter
gezegd, die naast je brits gezeten was, om te kunnen genieten van je
laatste stuiptrekkingen?”
„Ik ben bang, dat Henderson haar een weinig hardhandig heeft
aangepakt,” antwoordde Raffles schouderophalend, „maar ook zij heeft
zich in ieder geval in veiligheid weten te stellen, anders zouden wij
wel van haar arrestatie in de bladen hebben gelezen.”
„Een lief kind,” hernam Charly schamper.
„Het is een pathologisch geval, Charly,” hernam Raffles bedaard. „Het
is een geval voor den psycholoog—ik ben overtuigd, dat dat schepsel met
haar uiterlijk van een engel zich op de grens van den waanzin bevindt.
Op een andere wijze valt het niet te verklaren, dat een vrouw er
behagen in kan scheppen, getuige te zijn van den doodstrijd van een
man, die haar alles welbeschouwd, nimmer eenig lichamelijk letsel had
toegebracht. Ik had haar vroeger eens honderd vijftig duizend dollar
afgenomen, het resultaat van heel wat zwaren arbeid van haar en haar
kornuiten, maar dit is toch geen afdoende reden om met genoegen toe te
zien, hoe een vlijmscherp mes langzaam maar onverbiddelijk daalt, en
even langzaam de borst van een levend wezen doorboort, en niet op de
plek waar het hart zit, maar juist daar waar de minst kwetsbare deelen
zich bevinden.”
„Ik geloof waarachtig, dat je haar nog tracht voor te spreken,” zeide
Charly verontwaardigd.
„Ik tracht te verklaren, Charly, dat is heel iets anders,” hernam
Raffles kalm. „Voor mij is het „Meisje met de Madonna-Oogen” niets
anders dan een hysterische, neurasthenische vrouw, wat natuurlijk niet
zeggen wil, dat mij dit belet, haar te vervolgen, zooals men schadelijk
wild vervolgt, want het nadeel dat zij de maatschappij kan berokkenen,
is onmetelijk.”
„Wat ben je nu eigenlijk van plan?” vroeg Charly weder.
„Om te beginnen zullen wij een dag uitrusten. Wij hebben een tamelijk
zwaren tijd achter den rug, en wij mogen wel eens vacantie nemen. Dan
zullen wij onze zolderkamer wat gemakkelijk inrichten met wat meubels,
en in het kleine kookhokje moet voor Henderson een fornuis geplaatst
worden, want niemand kan zeggen of het niet eens noodig zal zijn, daar
een toevlucht te zoeken. Wij zullen er ons hoofdkwartier vestigen, en
vandaar zullen wij het nieuwe offensief beginnen. Wij kennen nu reeds
heel wat bandieten van aanzien, wij kennen met name Black Pete, wij
weten waar hij zich pleegt op te houden, het is ons ook bekend, waar
hij en zijn trawanten plegen te vergaderen, en te zijnertijd zullen wij
met die wetenschap ons voordeel doen.”
Hij wilde nog iets zeggen, maar onder het spreken was zijn blik op de
deur gevallen, die uitkwam op de groote vestibule, en in zijn oogen was
iets te lezen, wat de opmerkzaamheid van Charly aanstonds trok.
De blik van Raffles was gevestigd op een tweetal personen, die zooeven
waren binnengetreden.
De eene was een eerwaardig, deftig gekleed heer, zeker een jaar of
zestig op zijn minst, met bijna wit haar en witte bakkebaarden, en de
andere een jong meisje, met kort geknipt zwart haar, à la page
opgemaakt, en zeer eenvoudig gekleed.
De oude heer had beschermend zijn arm om de schouders van het meisje
geslagen, dat de oogen op den grond gevestigd hield, en voerde haar,
terwijl hij haar zachtjes toesprak, naar een der talrijke rustbanken,
die in het vertrek verspreid stonden.
Het was waarlijk een aandoenlijk tooneeltje, zooals die oude,
eerwaardige heer daar behoedzaam voortschreed, het meisje half
ondersteunend, dat zeer uitgeput en vermoeid scheen te zijn.
„Waar kijk je zoo naar?” vroeg Charly nieuwsgierig.
„Naar dien ouden heer en dat jonge meisje, die zooeven zijn
binnengetreden. Ik wilde wel dat zij haar oogen eens opsloeg.”
„Waarom?” vroeg Charly verbaasd.
„Omdat....”
Raffles voltooide den zin niet, maar greep den arm van Charly, en de
jonge man voelde, dat de vingers van zijn vriend zich als stalen veeren
om zijn vleesch klemden.
Het jonge meisje had zooeven de oogen opgeslagen en een schuwen blik in
het rond geworpen, om de omgeving op te nemen die haar vreemd moest
zijn.
Toen zeide Raffles zachtjes, maar op vasten toon:
„Zij is het.”
„Wie?”
„Het „Meisje met de Madonna-Oogen”, de minnares van Black Pete. Canny,
ook wel Elise Maydrift geheeten.”
„Maar Edward, je moet je vergissen, dat meisje heeft kortgeknipt haar,
dat bovendien gitzwart is, en Canny heeft weelderig, lang blond haar.”
„Ik blijf bij wat ik gezegd heb,” hernam Raffles kortaf. „Ik zie niet
in waarom men zijn haar niet kan afknippen en verven. Ik ben zeker van
mijn zaak. Als men in het gezicht is van den dood, en het gelaat van de
vrouw, die ons dien dood gebracht heeft, bevindt zich slechts op
weinige centimeters van onze oogen, dan vergeet men zoo’n gelaat niet
zoo licht.”
„Maar, als je dan zoo zeker van je zaak bent, waarschuw dan
onmiddellijk de politie, en laat haar en haar medeplichtige
arresteeren.”
„Wie zegt je dat die oude heer haar medeplichtige is?” hernam Raffles,
die tersluiks het paar in het oog hield. „Hij kan haar slachtoffer wel
zijn.”
„Om het even. Waarschuw in ieder geval de politie. Wil ik even
telefoneeren?”
Charly maakte reeds een beweging om op te staan, maar Raffles drukte
hem weer op zijn stoel neer, en antwoordde bedaard:
„Blijf zitten. Wij verliezen er niets mee als wij wachten. Ik wil eens
zien, in welke verhouding die twee tot elkaar staan. Die man ziet er
uit als de beschermer van dat lieve kind.”
„En hoe wil je dat ontdekken?”
„Door er hem naar te vragen, Charly,” antwoordde Raffles lakoniek.
HOOFDSTUK II.
CANNY IN EEN NIEUWE ROL.
Raffles zou niet lang behoeven te wachten, alvorens zijn
nieuwsgierigheid voldaan zou worden.
De oude heer met het witte haar had een kelner gewenkt, en een
oogenblik later stonden er een paar schotels en een bord voor het jonge
meisje, dat haastig, maar blijkbaar zeer verlegen begon te eten,
terwijl haar beschermer glimlachend toekeek.
Charly volgde aandachtig haar bewegingen, en zeide na eenigen tijd:
„Als zij het is, Edward, dan speelt zij haar rol in ieder geval
voortreffelijk. Zij ziet er juist uit als zoo’n onschuldig, verlegen
verschoppelingetje, dat thuis meer slaag dan eten krijgt, en dat nog
nooit in zulk een deftig hotel als dit geweest is. Hoe het zij, zij is
toch werkelijk bijzonder mooi.”
„Dat is een ratelslang in haar soort ook, Charly. En zie eens naar den
tijger. Een en al sierlijkheid, kracht en gratie, er is bijna geen
schooner dier ter wereld. Maar de slang zoowel als de tijger zijn
gevaarlijk, en men doet het best, hen te bestrijden, waar men hen
ontmoet.”
Het jonge meisje had nu en dan schichtig rondgekeken, en haar oogen
waren ook een paar maal afgedwaald in de richting van Raffles en
Charly, maar zij herkende hen niet, dat was duidelijk.
Na eenigen tijd had zij den maaltijd beëindigd, en zij scheen nu den
ouden heer verlegen met een paar woorden te bedanken, die haar goedig
toeknikte, op zijn horloge keek en opnieuw den kelner wenkte.
De man trad naderbij, de oude heer sprak eenige woorden tot hem, het
meisje stond op, scheen de hand van den grijsaard te willen kussen,
hetgeen deze haastig belette, en verliet daarop met den kelner de
conversatiezaal en menige blik keek het fraaie, lenige figuurtje van
het meisje na.
Dat deden ook Charly Brand en Raffles, maar zij waren met eenigszins
andere gevoelens bezield als de heeren, die zoo vol bewondering hun oog
op het fraaie figuurtje hadden laten rusten.
De grijsaard had een rumgrog besteld, en dronk er met langzame teugjes
van, terwijl hij nu en dan in gedachten verzonken, meewarig het hoofd
schudde.
Toen de kelner de schalen en het bord weder had weggenomen, de oude
heer moest wel zeer rijk zijn, en goede fooien geven, want in de
conversatiezaal werd nooit gegeten, gaf Raffles Charly Brand een wenk,
en zeide zacht:
„Ga mee, wij zullen dien ouden man eens trachten uit te hooren.”
„Hij ziet er nog al goedig uit.”
„Om niet te zeggen een weinig onnoozel, Charly,” merkte Raffles op.
De beide vrienden waren opgestaan, en richtten langzaam hun schreden
naar de sofa, waarop de grijsaard gezeten was, die hun nadering niet
eens scheen op te merken.
Pas toen Raffles en Charly aan den anderen kant van het kleine tafeltje
stonden, keek hij op, verschoof zenuwachtig zijn gouden bril, en
Raffles keek in een paar klare, kinderlijke blauwe oogen, met den
goedigen blik van een volkomen evenwichtig mensch.
De oude heer had een fijn, wat bleek gelaat met een hoog voorhoofd, het
gelaat van den geleerde of van den kunstenaar.
„Een oudheidkenner, een Egyptoloog waarschijnlijk,” mompelde Raffles in
zichzelf.
Toen boog hij hoffelijk voor den ouden heer, en zeide op zachten toon,
opdat men hem aan de naburige tafeltjes niet zou verstaan:
„Ik vraag u verschooning mijnheer, en om verlof mijzelf en dezen heer
aan u voor te stellen. Ik ben graaf Crasham en dit is mijn secretaris,
Oliver Brown.”
„Heel aangenaam, heel aangenaam, heeren,” hernam de oude heer, terwijl
hij halverwege opstond, en Raffles een fijne, witte hand toestak,
terwijl hij voor Charly Brandy een buiging maakte. „Mijn naam is Jerome
Daring, uit Saint Louis. Mag ik weten...?”
„Dat zult gij aanstonds hooren, mijnheer Daring,” antwoordde Raffles
glimlachend. „Wilt gij ons toestaan om even plaats te nemen? Wat wij u
te zeggen of liever te vragen hebben is van tamelijk groot gewicht.”
„Maar dat spreekt toch vanzelf, mijne heeren,” riep de grijsaard
haastig uit. „Neem plaats wat ik u verzoeken mag.”
Charly en Raffles gingen zitten.
Om hen heen begonnen de bezoekers van de conversatiezaal reeds in
aantal te minderen.
Het was omstreeks half elf in den avond.
Raffles keek nog eenige oogenblikken zwijgend naar het gelaat van den
ouden heer, dat eenige verbaasde afwachting vertoonde, en hernam toen:
„Ik zou voor alles ter wereld niet willen, mijnheer Daring, dat gij mij
voor een onbescheiden man zoudt houden, die zich mengt in de
aangelegenheden van personen, die hem nog weinige minuten geleden
geheel vreemd waren.”
„Gij maakt mij werkelijk nieuwsgierig, mijnheer,” zeide Jerome Daring
verwonderd. „Wat kunt gij mij toch wel te zeggen hebben?”
„Gij zult het aanstonds vernemen, laat mij beginnen met u een vraag te
stellen.”
„Ik luister, mijnheer.”
„Wilt gij mij zeggen, wie het jonge meisje was, die zooeven hier in uw
gezelschap een klein souper heeft gebruikt?”
„Als gij haar naam wilt weten, dan kan ik u dien mededeelen, mijnheer,
maar voor het overige is mij nog slechts zeer weinig van het
ongelukkige meisje bekend.”
„Ei zoo? En hoe luidt haar naam?”
„Zij heet Margret Jefferson,” antwoordde Daring. „Zoudt gij haar soms
kennen?”
„Dat geloof ik haast wel, mijnheer Daring, al is het dan juist niet
onder dien naam.”
„Niet onder dien naam!” herhaalde Daring, wiens verbazing toenam. „Wat
wilt gij daar in ’s hemelsnaam mede zeggen?”
„Gij zult spoedig genoeg de bedoeling van mijn opmerking begrijpen,
mijnheer Daring,” hernam Raffles. „Hebt gij er niets op tegen om ons
mede te deelen, op welke wijze en sedert wanneer gij met.. Margret
Jefferson in kennis zijt gekomen?”
„Ik moet bekennen, mijnheer, dat uw vragen mij wel eenigszins
verrassen,” hernam de oude man, terwijl zijn fijn geteekende
wenkbrauwen zich lichtelijk fronsten, „maar ik neem aan dat gij een
bepaalde reden hebt om ze mij te stellen, en ik behoef er ook volstrekt
geen geheim van te maken. Ik ken het jonge meisje pas sedert eenige
uren, en ik maakte kennis met haar vlak voor het Olympic Theater, waar
ik de voorstelling had willen bijwonen. Maar ik wil het u gaarne
vertellen, de ernst van uw gelaat, en de aard van uw vragen boezemen
mij eenige ongerustheid in. Toch kan ik mij volstrekt niet voorstellen,
wat ik mij wel te verwijten zou hebben.”
„Van u is in het geheel geen sprake, mijnheer Daring,” hernam Raffles
glimlachend, en met een blik in de lichtblauwe, eerlijke oogen van den
man die tegenover hem zat.
„Nu dan, ik ben hier met mijn eigen auto sedert een week, om deel te
nemen aan het Internationale Congres van Asyrologen, dat nog tot morgen
zal duren. Om u de waarheid te zeggen, ben ik geen oprecht
congresganger, maar er werden eenige onderwerpen behandeld, waarin ik
juist bijzonder veel belang stel.”
„Dan heb ik dus de eer en het voorrecht, te spreken met den befaamden
oudheidkenner Daring?” riep Raffles uit. „Laat mij u dan zeggen,
professor, dat uw roem tot—tot zeer ver is doorgedrongen.”
Daring keek zoo verlegen als een schooljongen, die ten aanhoore van de
geheele klasse geprezen wordt, en mompelde:
„Ik ben blij het te vernemen, mijnheer, toch ben ik maar een bescheiden
werker, half en half een amateur. Gelukkig ben ik zeer rijk, en het is
misschien verkeerd, maar een zeer groot gedeelte van mijn fortuin heb
ik besteed, en besteed ik nog altijd aan onderzoekingen van de
Asyrische oudheid.”
„Men kan zijn geld wel op slechtere wijze besteden, professor Daring,”
gaf Raffles te kennen.
„Ik zelf leef tamelijk bescheiden, en ik gebruik slechts mijn auto,
omdat het mij heel wat goedkooper uitkomt, bij het doel van mijn
talrijke reizen, wanneer ik naar allerlei steden trek, om daar de
gemeentelijke bibliotheken en particuliere verzamelingen te gaan
bestudeeren. Maar laat ik thans mijn verhaal vervolgen.”
Daring trok weer eenige malen zenuwachtig aan zijn gouden bril, plukte
aan zijn spitsen, witten baard, en hernam:
„Mijn chauffeur Buster, die allang in mijn dienst is, had mij dus met
mijn eigen auto naar het Olympic Theater gebracht. Laat ik u zeggen,
dat ik in dit hotel logeer. Ik was juist uitgestegen, en zeide iets
tegen Buster, toen ik een kleine hand op mijn arm voelde. Ik keek
verbaasd om, en zag een zeer bleek meisje, een kind nog bijna, dat
blijkbaar op het punt stond in zwijm te vallen, en steun bij mij scheen
te hebben gezocht. En voor ik haar kon grijpen, was zij langs mij neer
gegleden, en viel languit op straat.
„Ik bukte mij over haar heen, door medelijden aangegrepen, en dadelijk
verzamelden zich eenige nieuwsgierigen om ons heen. En hier en daar
hoorde ik de opmerking maken: „Van honger flauw gevallen.””
Het scheelde weinig, of de oude professor had tranen in de oogen
gekregen bij de herdenking van het droevige geval.
Hij speelde met het lepeltje in zijn half geledigd glas grog, en
hernam:
„Ik aarzelde geen oogenblik, maar besloot dadelijk, mij over het arme
schepseltje te ontfermen, dat ellendig gekleed was, veel te dun voor
den tijd van het jaar. Ik beval Buster haar voorzichtig in de auto te
zetten, en gaf er de voorstelling aan, teneinde mij met mijn kleine
beschermelinge te kunnen bemoeien. Tijdens den rit trachtte ik met alle
middelen, het arme kind weder tot bewustzijn te brengen. Ik had
gelukkig wat eau de cologne bij mij, waarvan ik wat op mijn zakdoek
uitstortte, en hiermede bette ik haar slapen. Na ongeveer vijf minuten
sloeg zij de oogen weder op, en keek verwilderd om zich heen. En weet
gij wat het eerste woord was wat zij sprak, mijnheer?”
„Moeder, waar ben ik?” antwoordde Raffles, zonder een spier van zijn
gelaat te vertrekken.
De oude professor gaf een woesten ruk aan zijn bril, zoodat hij hem
bijna van zijn neus getrokken had, en kwam op boozen toon:
„Hoe komt gij daarbij, mijnheer? Gij houdt mij toch niet voor den gek?
Waarom denkt gij dat zij zooiets geroepen zou hebben?”
„O, in alle comediestukken wordt dat steeds door de heldin onder
dergelijke omstandigheden uitgeroepen, professor,” antwoordde Raffles
kalm.
„Maar mijnheer, die vergelijking gaat toch mank,” riep Daring
verontwaardigd uit. „Hoe kunt gij een tooneelspeelster op één lijn
stellen met dat beklagenswaardige, verlaten schepseltje?”
„Misschien blijkt dat naderhand wel, professor. Laat ons ter zake
komen. Wat riep zij dan wel?”
„Honger! Dat riep zij, mijnheer, is het niet vreeselijk?”
„Het zou inderdaad zeer erg geweest zijn, professor, als die uitroep
oprecht gemeend was.”
„Twijfelt gij daar dan aan?” riep de oude professor kwaad uit. „Zijt
gij een menschenhater? Wantrouwt gij iedereen? Kunt gij alleen het
slechte en het verkeerde in de menschen zien?”
„Ik erken, professor, dat een langjarige ervaring mij niet bepaald tot
een optimist heeft gemaakt,” antwoordde Raffles ernstig. „Maar ga eerst
door wat ik u verzoeken mag, dadelijk zal u wel blijken waarom ik die
opmerking maakte.”
„De uitroep van het arme kind trof mij diep, mijnheer, en ik stelde
haar dadelijk eenige vragen. Ik kon mij volstrekt niet begrijpen, dat
zulk een bevallig jong meisje door haar ouders zoo slecht werd
behandeld. Maar toen ik naar hen vroeg, moest zij mij antwoorden, dat
zij nog slechts een stiefvader had, die haar bitter slecht behandelde,
haar liet bedelen, ja, haar daarvoor van de school had genomen, en haar
erbarmelijk sloeg. Zij liet mij als bewijs daarvan blauwe plekken zien
boven haar pols, het arme kind.”
„Aan den linkerpols?” vroeg Raffles op levendigen toon.
„Zoo is het, mijnheer,” antwoordde Daring verbaasd. „Waarom vraagt gij
dat?”
„Omdat ik weet, professor, wie haar die blauwe plekken heeft bezorgd,
maar ik verzeker u op mijn woord als gentleman, dat het niet haar
stiefvader was. Gij ziet mij verbaasd en verschrikt aan, en dat kan ik
mij zeer goed begrijpen. Maar beëindig eerst uw verhaal, wat ik u
verzoeken mag.”
„Wel, mijnheer, er valt weinig meer aan toe te voegen,” hernam de oude
geleerde. „Zij hing mij een droevig verhaal op van haar bestaan, zij
snikte en zij zwoer, dat zij tot geen enkelen prijs weder naar den
ellendeling wilde terug keeren, die haar iederen dag sloeg, bij wien
zij honger leed, en die zelfs eenmaal getracht had, de nietswaardige
schurk, zijn stiefdochter, een kind van nog geen vijftien jaren, geweld
aan te doen. Haar verhaal maakte diepen indruk op mij, en ik vroeg mij
af, wat nu mijn plicht was. Lang behoefde ik niet met mijzelf te rade
te gaan, ik begreep, dat ik slechts een ding kon doen, dat meisje tot
mij nemen, en te trachten, haar eenmaal begonnen opvoeding, die zij aan
haar lieve moeder te danken had, te voltooien.”
„En zij nam het aanbod dankbaar aan?”
„Dat kunt gij u wel voorstellen,” riep Daring uit. „Zij barstte in
snikken uit, en zeide, dat zij het mij later zou vergelden.”
„O, dat zal zij ook wel doen, maar op eenigszins andere wijze,
professor, dan gij u voorstelt,” kwam Raffles sarcastisch. „En dus
slaapt het lieve kind hedennacht in dit hotel, en morgen, na de
beëindiging van het congres voert gij haar naar Saint Louis?”
„Ja, mijnheer, dat is mijn voornemen.”
„Mag ik vragen of gij getrouwd zijt?”
„Ja, mijnheer, met de beste vrouw ter wereld, die zonder eenigen
twijfel aanstonds zal goedkeuren, wat ik deed.”
Raffles leunde eenigen tijd in zijn stoel achterover, en keek den ouden
geleerde aandachtig aan.
Een warm gevoel van diep medelijden met dezen kinderlijken geleerde,
dezen naïeven onbekende met het werkelijke leven, steeg in hem op.
En toch begreep hij, dat hij geen oogenblik mocht aarzelen, om Daring
van zijn waan te genezen.
Deed hij het niet, dan viel er niet aan te twijfelen of er hing hem een
groot ongeluk boven het hoofd.
En als dat ongeluk eenmaal geschied was, zou de oude man immers toch en
dan zeer plotseling vernemen, naar wie hij de beschermende hand had
uitgestoken.
En zoo begon hij op zachten toon:
„Mag ik u vragen, professor, of gij iets dergelijks wel eens meer
gedaan hebt?”
„Eenige keeren, ja, inderdaad,” antwoordde de geleerde aarzelend.
„En zeg mij eens eerlijk, heeft u dat nimmer berouwd?”
„Een enkelen keer bleek ik met een ondankbare te doen te hebben gehad,
mijnheer, maar alle uitzonderingen bevestigen immers den regel. De
anderen hebben het voor hem dubbel en dwars goed gemaakt. En zeg mij nu
toch eens eindelijk, waarom gij mij dit alles hebt gevraagd?”
„Dat zal ik u zeggen, professor,” antwoordde Raffles. „Gij leest
natuurlijk de bladen?”
„Vluchtig, mijnheer, heel vluchtig. Bijna uitsluitend politieke en
wetenschappelijke berichten.”
Raffles glimlachte.
Hoe had hij ook anders kunnen verwachten van dit groote kind, dat
alleen maar belangstelling scheen te koesteren voor zijn geliefde
wetenschap.
„Dan hebt gij zeker nooit gelezen van het „Meisje met de
Madonna-Oogen?””
Daring schoof zijn gouden bril weder eenige malen met zijn fijne witte
vingers heen en weer, en keek Raffles aan of hij te doen had met een
wezen uit een andere wereld.
Toen stotterde hij:
„Wat is dat voor een zonderlinge naam? Neen, mijnheer, daar heb ik
nooit van gehoord. Wie is dat?”
„Dat is het meisje, professor, dat gij van de straat hebt opgeraapt, en
dat hier zooeven gesoupeerd heeft,” antwoordde Raffles kortaf.
Daring keek hem met open mond aan, en vroeg toen:
„Is dat een bijnaam van haar?”
„Zoo is het inderdaad, professor,” antwoordde Raffles. „Als gij de
bladen eens goed hadt nagelezen in de laatste maand, dan zoudt gij haar
haam herhaaldelijk hebben aangetroffen.”
„Zij is dus algemeen bekend?” hernam de oude geleerde.
„Dat is zij, professor, vooral bij de politie. Zij is een van de
gevaarlijkste, en tevens sluwste misdadigsters van New-York, misschien
wel van geheel Amerika.”
Daring staarde Raffles sprakeloos aan.
Toen fronste hij opnieuw zijn wenkbrauwen, en zeide op scherpen toon:
„Gij vergist u, mijnheer, als gij denkt dat ik uw zottepraat nog langer
zou aanhooren. Meent gij, dat ik die lasterlijke aantijgingen geloof
schenk? Een kind van nog geen vijftien jaar, zooals zij mij zelf gezegd
heeft!”
„Ik ontken niet dat zij het gezegd heeft, professor, maar ik ontken dat
zij inderdaad vijftien jaar is. Zij moet thans haar achttiende jaar
reeds bereikt hebben.”
„Maar zij is een kind, mijnheer, een lief onschuldig kind,” riep Daring
wanhopig uit.
„Neen, professor, zij is de minnares van een bandiet, en zij is een
gevaarlijke comediante. Zij heeft u eenvoudig iets op de mouw gespeld.”
„Dus, haar ineenzinken voor mijn voeten zou slechts comedie zijn
geweest,” riep de oude professor uit, terwijl zijn lippen begonnen te
beven.
„Daaraan twijfel ik geen seconde. En de lieden die riepen, dat zij van
honger was ineengezakt, waren in het complot. Maar stil, hier heb ik
een avondblad van de „New-York Globe” in mijn zak. Lees dit eens met
groote aandacht, professor. Het is wel is waar geen wetenschappelijk
bericht, en evenmin is het politiek, maar ik ben er zeker van dat het u
zal interesseeren.”
Raffles had onder het spreken het blad uit zijn zak gehaald, en stak
het toen opgevouwen aan Daring toe, die een oogenblik scheen te
aarzelen, maar het toen Raffles bijna uit de handen trok, en haastig
het bericht begon te lezen, dat Raffles hem had aangewezen.
Het verhaal betrof het laatste avontuur van Raffles, hetwelk onzen
lezers reeds bekend is, en waarbij Canny, de minnares van Black Pete,
zulk een groote rol had vervuld.
Toen professor Daring het bericht gelezen had, van de eerste tot de
laatste letter, legde hij de krant neder, zette met bevende vingers
zijn bril af, begon de glazen schoon te poetsen, ofschoon er geen
smetje op te bespeuren viel, zette het instrument weder op, en barstte
toen uit:
„Ik moet bewijs hebben, bewijzen, verstaat gij. Ik laat mij niet alles
wijsmaken. Gij kunt gemakkelijk zeggen, dat mijn kleine beschermelinge
en dat misdadige schepsel een en dezelfde persoon zijn, maar met die
mededeeling alleen behoef ik geen genoegen te nemen. Ik zeg u nog eens,
dat ik bewijzen moet hebben.”
„Die zijn niet zoo heel gemakkelijk te leveren, professor,” antwoordde
Raffles op zachten toon. „Het creatuur heeft haar blonde haren
opgeofferd, ze kort afgeknipt, en ze geverfd. Maar als gij nog slechts
enkele dagen wacht, zal zij zelf u een bewijs leveren, zoo afdoende,
dat gij het u jaren lang zult heugen. Want ik zeg u, dat zij zich
slechts bij u heeft ingedrongen om u te bestelen. Haar medeplichtigen
hebben natuurlijk van u gehoord, zij weten dat gij zeer rijk zijt, en
zijn van oordeel, dat een geleerde als gij, van wiens weldadigheid zij
natuurlijk wel vernomen hebben, een uitstekend sujet is, om grondig te
worden geplunderd. Zij hebben zeker in lang niet zulk een gewillig
slachtoffer gehad, en gij kunt er zeker van zijn, dat geen hunner
twijfelt of de zaak zal op rolletjes loopen.”
„En wilt gij mij nu eens zeggen, mijnheer, hoe gij wel tot de
ontdekking zijt gekomen, dat mijn beschermelinge dezelfde persoon is,
als.... die afschuwelijke misdadigster?” vroeg Daring, en er lag nu een
heesche klank in zijn stem.
„Het antwoord kan zeer eenvoudig luiden, ik heb haar herkend,
professor, ondanks het kunstje met heur haar. En wat de blauwe plekken
op haar linker pols betreft, een van mijn eigen vrienden heeft die
plekken veroorzaakt, toen hij wel genoodzaakt was, haar uit zelfbehoud
wat onzacht aan te grijpen.”
Professor Daring had zwijgend toegeluisterd.
Hij was zeer bleek geworden en de woorden van Raffles schenen een
diepen indruk op hem te hebben gemaakt.
Eensklaps hief hij het hoofd weder op en zeide op vasten toon:
„Als gij de waarheid hebt gezegd, mijnheer, of liever, daar ik hieraan
niet wil twijfelen, als het blijkt, dat gij u niet hebt vergist, dan
zal ik u toonen, dat ik toch niet de onnoozele hals ben, waarvoor men
mij wellicht wel eens aanziet. Ik huiver bij de gedachte, dat ik dat
schepsel in mijn huis had willen brengen. En om aan alle onzekerheid
een einde te maken, zal ik eenvoudig de politie laten roepen. Is het
kind inderdaad onschuldig en heeft zij met deze zaak niets uit staande,
dan zal ik die noodlottige vergissing later dubbel en dwars aan haar
goed maken. Heeft zij dat echter wel, en is zij degene voor wie gij
haar houdt, dan wil ik geen medelijden toonen voor die ontaarde
bedriegster, dan is haar lot spoedig bezegeld.”
„Als gij mijn raad wilt aannemen, professor,” hernam Raffles, „dan
nemen wij niet aanstonds de politie in den arm. Ik twijfel geen
oogenblik, of een schrander detective zou spoedig genoeg ontdekt hebben
wat voor vleesch hij in de kuip had, ondanks de zwarte verf. Maar het
„Meisje met de Madonna-Oogen” treedt zeker niet voor eigen rekening op,
zij moet medeplichtigen hebben, en het zou mij heel wat waard zijn, als
de politie tevens de andere bandieten kon vangen.”
„Maar als gij gelijk hebt, mijnheer, dan durf ik dat meisje niet
meenemen,” riep de professor uit. „Bedenk toch eens, dat ik een oud man
ben, dat ik terugschrik voor alles wat gewelddadig is, en dat ik mijn
lieve vrouw in geen geval mag blootstellen aan gelijksoortige gevaren,
als hier in dit bericht worden afgeschilderd. Ik wist werkelijk niet,
dat zoo iets bestond.”
„Dan zijt gij een gelukkig man, professor,” hernam Raffles. „Gij leeft
als het ware te midden der oude Assyriërs, en de hedendaagsche
Amerikanen hebben uw belangstelling maar in zeer geringe mate. En toch
is het van groot belang, dat de politie niet alleen deze misdadigster,
maar ook haar medeplichtigen, zoo mogelijk op heeterdaad betrapt. Ik
erken echter de onmogelijkheid om u in deze zaak een werkzaam aandeel
te laten nemen, en daarom doe ik u het voorstel, slechts passief uw
hulp te verleenen bij de ontmaskering en het onschadelijk-maken van dit
zeer gevaarlijke schepsel.”
„Maar hoe zou ik dat kunnen, mijnheer?” kwam professor Daring op
wanhopigen toon.
„Zeer eenvoudig, professor, door mij toe te staan, uw uiterlijk aan te
nemen en uw rol te vervullen,” antwoordde Raffles, zoo bedaard alsof
het de eenvoudigste zaak van de wereld was.
HOOFDSTUK III.
DE MIJNEN GELEGD.
Deze mededeeling scheen professor Daring ten zeerste te verrassen,
hetgeen hij uitte door opnieuw zijn bril een geheel onnoodige
reinigingskuur te laten ondergaan.
De beteekenis van Raffles’ woorden scheen ook slechts geleidelijk tot
hem door te dringen.
Maar toen dit eindelijk het geval was, riep hij uit:
„Dat kunt gij toch niet meenen? Gij neemt een loopje met mij! Gij zoudt
in mijn plaats....?”
„Stil, niet zoo luid! Het is volstrekt niet noodig, dat een van de
kelners u hoort, professor! Men kan tegenwoordig niet te voorzichtig
zijn, onder het bedienend personeel bevinden zich helaas meer
medeplichtigen van een of andere bandietenbende, dan gij in uw
naiveteit wel vermoedt.”
„Wat wilt gij doen?” hernam Daring op zachten toon. „Maar voor gij mij
die vraag beantwoordt, zeg mij eerst wie gij zijt! Spreek ik soms met
een particulieren detective?”
„Laten wij het daar voorloopig maar op houden, professor,” antwoordde
Raffles glimlachend.
„En wat is uw voorstel?”
„Ik stel u voor in uw plaats met het jonge meisje naar Saint Louis te
gaan!”
„Maar dat is immers onmogelijk, mijnheer,” zeide de oude geleerde
verbluft. „Iedereen kent mij daar!”
„Ik zal zoo zeer op u gelijken, professor, dat iedereen mij voor u zal
aanzien.”
„Maar mijn vrouw, denkt gij, dat zij u ook niet zou herkennen?”
„Gij moet uw vrouw telegrafisch waarschuwen, en haar zeggen, dat zij
zich hier bij u komt voegen, of in welke stad gij maar wilt, als het
maar niet in Saint Louis is.”
„En gij wilt in mijn huis trekken, mijn bedienden bevelen, kortom,
alles doen wat ik placht te verrichten?”
„Ik erken, professor, dat daartoe heel wat vertrouwen in mijn persoon
noodig is, veel meer dan een u geheel onbekend man van u mag
verlangen,” hernam Raffles glimlachend.
„De zaak is....” stotterde Daring.
„De zaak is, professor, dat gij in staat zoudt zijn, mij zonder meer
alles te laten doen, wat ik u daar vraag, zonder eenigen waarborg,”
kwam Raffles, terwijl hij even de schouders optrok, „want uw vertrouwen
in de menschen is inderdaad grenzenloos.”
Hij had Charly, die nog geen woord had gesproken, een snellen blik
toegeworpen, en vervolgde nu:
„Maar ik zal zelf voor de noodige waarborgen zorgen, professor. Gij
seint aan uw vrouw, dat zij alles wat eenige waarde heeft in uw huis,
geld, effecten, goud en zilver, uw eetservies, als het van edel metaal
gemaakt is, het huis moet uitzenden, ik zal wel zorgen voor een
surrogaat, zoo bedriegelijk nagemaakt, dat alleen een vakman het
verschil zou kunnen bespeuren.”
Daring gaf niet aanstonds antwoord, de goede oude geleerde scheen
geheel ontsteld te zijn door wat Raffles hem zooeven had medegedeeld en
door zijn voorstel.
Klaarblijkelijk had er een groote strijd in zijn binnenste plaats en
hij rukte zoo woest aan zijn gouden bril, dat Charly ieder oogenblik
vreesde het onmisbare voorwerp te zien stuktrekken.
Toen keek professor Daring Raffles strak aan en zeide kortaf:
„Ik moet erkennen, mijnheer, dat ik iets dergelijks in mijn geheele
leven nog nimmer heb medegemaakt. Ik heb steeds gemeend een droge
geleerde te zijn.”
„Een geleerde met een gouden hart, professor,” viel Raffles hem in de
rede.
„Dat wilde ik niet zeggen, mijnheer,” hernam de geleerde. „Ik wilde
slechts te kennen geven, dat de romantiek van mijn bestaan steeds verre
is gebleven, en ik had nooit gedacht, dat ik haar nog ooit zou leeren
kennen. Welnu, het zij dan zoo: Ik aanvaard uw voorstel. Maar ik stel
een voorwaarde.”
„Zij is van te voren ingewilligd, professor.”
„Zeg dat niet te spoedig, gij zoudt er wel berouw van kunnen hebben,”
vermaande Daring hem, terwijl hij dreigend den vinger ophief. „Gij
verbindt u, als het ter elfder ure mocht blijken, dat gij u vergist
had, 2000 dollar te storten in de kas van een of ander genootschap van
liefdadigheid, dat ik u in mijn geboortestad wel zal aanwijzen, zoodra
gij mij verlof zult hebben gegeven, mij weder naar mijn eigen huis te
begeven.”
„Toegestaan, professor,” zeide Raffles. „Ik weet zeker, dat ik, althans
om die reden, mijn 2000 dollar in mijn zak zal kunnen houden. Ik ben al
te zeker van mijn zaak.”
De heldere blauwe oogen van den professor werden weder omfloerst, toen
hij met doffe stem zeide:
„Dat zou mij leed doen, groot leed. En het zou niet mijn gekwetste
ijdelheid zijn, omdat ik mij zoo schromelijk bedrogen heb in iemands
uiterlijk, noch het gevoel, dat men mij bedrogen heeft, dat mij zoo
smartelijk zou aandoen. Dat is alleen de wetenschap, dat er onder zulk
een aanvallig uiterlijk zulk een duivelsche ziel kan huizen.”
„Ik kan daar slechts dit op zeggen, professor, dat gij klaarblijkelijk
zeer weinig in de maatschappij hebt verkeerd,” hernam Raffles op
bitteren toon. „Ware dit het geval, dan zoudt gij wel anders praten.”
Een oogenblik heerschte er stilzwijgen en toen hernam Daring, na eenige
malen met de hand over zijn voorhoofd te hebben gestreken:
„Zeg mij eens, hoe ik het met de bedienden moet stellen. Moeten zij
niet in het geheim worden genomen?”
Raffles dacht even na, voor hij ten antwoord gaf:
„Dat zou misschien wel het beste zijn, tenminste, wanneer gij niet te
veel bedienden hebt, en wanneer zij allen volkomen te vertrouwen zijn.”
„Wat dat betreft, daaromtrent kunt gij gerust zijn,” riep Daring uit.
„Neen gij behoeft mij niet zoo onderzoekend aan te zien, in dit opzicht
althans is mijn vertrouwen gerechtvaardigd. Ik heb slechts drie
bedienden, want wij leven betrekkelijk eenvoudig en daarvan zijn er
twee ongeveer vijf en dertig jaar geleden tegelijkertijd bij mij in
dienst gekomen, en onze trouwe Sally, de keukenmeid, was er toen al
vijf jaar.”
„Dan zou ik in ieder geval de beide mannelijke bedienden maar door
mevrouw uw echtgenoote laten waarschuwen. Gij hebt nog allen tijd om
haar zeer uitvoerig in te lichten en gij kunt het zelfs per brief doen,
als gij u nu aanstonds aan het schrijven zet.”
„Ik volg uw raad op, mijnheer.”
„Zeg mij eens, professor,” kwam Raffles, „hebt gij veel geld mede naar
New-York genomen?”
„Heel weinig, mijnheer. Waartoe zou ik het noodig hebben? Wij waren
hier allen de gasten van het New-Yorksche Genootschap voor Asyrologie
en als wij niet wilden, behoefden wij zelf geen dollarcent uit te
geven.”
„Nu, dat zullen de bandieten in ieder geval wel geweten hebben. Zijt
gij gewoon in St. Louis veel geld in huis te hebben?”
„Neen, dat geloof ik haast niet,” antwoordde de geleerde met een vaag
glimlachje. „Eerlijk gezegd, weet ik het niet heel precies, ik ben wel
eens een weinig verstrooid, maar mijn vrouw, mijn lieve Susanna, is van
alle geldelijke omstandigheden beter op de hoogte, zij is eigenlijk
mijn secretaresse, als ik geld noodig heb, schrijf ik eenvoudig een
cheque, want het grootste gedeelte van mijn vermogen, dat weet ik heel
goed, is op de bank van St. Louis belegd.”
„Nu nog een vraag: Bevinden zich in uw huis veel voorwerpen van
waarde?”
„Van onvergelijkelijke waarde, mijnheer,” riep Daring met trots uit.
„Ik heb een verzameling Egyptische, maar vooral Asyrische oudheden, die
vruchteloos haars gelijken zoekt in heel Amerika en waarnaar men van
heinde en ver komt kijken. De waarde is onschatbaar.”
„Zeer waarschijnlijk hebben de bandieten ook dat geweten,” hernam
Raffles. „Toch blijft het voor hen gevaarlijk, dergelijke zaken aan een
ander museum, desnoods in Europa, te verkoopen. Aan den anderen kant is
het herhaaldelijk voorgekomen, dat Amerikaansche verzamelaars, ik moet
het tot mijn spijt zeggen, geen seconde geaarzeld hebben, om voor hooge
prijzen prachtige en zeldzame stukken te koopen, waarvan zij zeer goed
wisten, dat zij uit Europeesche musea of particuliere verzamelingen
gestolen waren. Hoe staat het met gouden en zilveren voorwerpen?”
„Ja, daar is geloof ik heel wat van aanwezig,” antwoordde de oude
geleerde met een verlegen lachje. „Ik geloof, dat het tafelservies van
zwaar zilver is, en dan heeft mijn vrouw veel gouden sieraden en andere
dingen, juweelen en diamanten geloof ik, ik weet dat zoo niet, ik houd
mij meestal uitsluitend met mijn studie bezig, en mijn Susanna vindt
dat allemaal heel goed.”
„Dat kan ik mij voorstellen, professor,” hernam Raffles op zachten
toon, wonderlijk bewogen door de kinderlijke naiveteit van dezen
waarachtig goeden man, die nog tot op het allerlaatste oogenblik bleef
twijfelen aan de mogelijkheid, dat hij zich zou hebben kunnen vergissen
in de persoon van het meisje, wier toekomst hij voorgoed had willen
verzekeren.
De drie mannen waren nu opgestaan en Raffles nam den geleerde een
weinig terzijde en fluisterde hem toe:
„Het is natuurlijk noodzakelijk, dat gij door niets verraadt, wat er in
u omgaat, of dat gij weet, of althans vermoedt, dat er met de
zoogenaamde Margret Jefferson iets niet heelemaal in orde is. Gij zult
moeten laten voorkomen, alsof gij nog altijd in haar onschuld gelooft.”
„Maar dat doe ik, mijnheer, dat doe ik!” kwam de oude heer driftig.
„Gij zult bedrogen uitkomen, ik waarschuw u. Gij zijt uw tweeduizend
dollar kwijt, daarvan ben ik zeker. Ik kan en ik wil het niet gelooven,
dat dat meisje slecht is, dat kind met haar onschuldige
vergeet-mij-niet-oogen.”
„De toekomst zal het wel uitwijzen, professor,” hernam Raffles kalm.
„Blijf zoo lang mogelijk in uw geloof volharden, maar dan zal de
ontnuchtering des te pijnlijker zijn. Maar verspreek u in ieder geval
vooral niet, en laat uw verstrooidheid u geen parten spelen, alles zou
natuurlijk voor goed bedorven worden, als gij ook maar met een enkel
woord met uw beschermelinge zoudt spreken over wat ik u heb
voorgesteld.”
„Gij kunt er op rekenen, dat ik mijzelf in bedwang zal weten te houden,
mijnheer.”
„Dat hoop ik, professor. Gij blijft ook morgen nog hier en ik vermoed,
dat gij overmorgen zoo spoedig mogelijk weder naar St. Louis vertrekt?”
„Met den middagtrein, mijnheer.”
„Goed zoo, dan hebben wij tijd in overvloed. Mijn vriend hier,” Raffles
keek nogmaals snel naar Charly, die er tamelijk bedrukt bijstond, „zal
op voortreffelijke wijze de rol vervullen van mevrouw uw echtgenoote,
want hij is een acteur van het eerste water en munt vooral uit in
vrouwenrollen, die hij met een ware voorliefde vervult.”
De stem van Raffles had bij deze laatste woorden spottend geklonken en
Charly wierp hem een half woedenden, half smeekenden blik toe, ofschoon
hij wel wist, dat Raffles onverbiddelijk zou zijn.