Pinkerton was opgestaan en deed nu zorgvuldig de deur dicht, hetgeen de

verbazing van Malony nog deed toenemen.

Toen trad Pinkerton op den bokser toe en zeide glimlachend:

„Gij zult misschien een weinig verwonderd zijn over mijn optreden,

mijnheer Malony, maar wat ik U te zeggen heb is alleen voor u bestemd.”

De zware wenkbrauwen van Malony gingen een eind de hoogte in, maar hij

zeide niets en wachtte als een voorzichtig man het eerste schot van den

tegenstander af.

En dus begon Pinkerton:

„Gij kent mij niet, mijnheer Malony, maar ik ken u des te beter, al is

het dan alleen maar van naam.”

Malony trok een gezicht, alsof hem deze mededeeling maar half aangenaam

was, maar nog zeide hij niets.

„Juist, omdat ik van U heb hooren spreken, kom ik tot u met een verzoek

en ik zou mijn sterk moeten vergissen, als gij het niet zoudt

inwilligen—want er is geld aan te verdienen, mijn waarde heer Malony.”

Deze mededeeling scheen dadelijk in hooge mate belangstelling van den

bokser te wekken.

Hij spitste de lippen, kneep de zwarte oogen half dicht en zeide op

half vertrouwelijken toon:

„Wel, laat eens hooren, mijnheer... mijnheer...”

„O, mijn naam doet er voorloopig niet toe,” viel Pinkerton hem in de

rede. „Als wij het eens kunnen worden en gij stemt toe in mijn

voorstel—dan is het nog tijd genoeg, U mijn naam te zeggen.”

„Zooals gij wilt. Kom dan maar eens over de brug met dat voorstel—dan

kan ik zien, wat er te doen is—of te laten!”

Pinkerton dacht eenige seconden na over de beste wijze, de zaak voor te

dragen en begon toen:

„Gij weet natuurlijk, dat over een week de match om een beurs van 500

pond plaats heeft in het Cristal Palace?”

„Natuurlijk weet ik dat,” antwoordde Malony grimmig. „Ik zou zelf ook

mee doen—als ik wat beter getraind was. Wijntje en Trijntje—en de

sport—die kunnen niet al te goed met elkander onderweg, ziet

gij—en.....”

„Juist. Ik ken Uwe kleine zwakheden, mijn waarde Malony!” kwam

Pinkerton. „Maar nu kom ik u juist aanbieden, een bedrag te verdienen,

dat niet veel kleiner zal zijn dan de prijs voor den verliezer

vastgesteld, namelijk twee honderd pond, als gij op mijn voorstel

ingaat!”

„Twee honderd pond? Een aardig bedrag, tenminste, als het een

kleinigheid betreft.”

„O, voor iemand als gij zijt, heeft het niets om het lijf, luister! Gij

weet natuurlijk zoogoed als ieder Uwer collega’s, dat een zekere Joe

Mascott aan die match zal deelnemen, en dat zijn kansen zeer goed

staan.”

„Zeer goed? Als er geen wonder gebeurt, dan wint hij zoo zeker als een

huis,” riep Malony uit, met een onmiskenbaren klank van naijver in zijn

ruwe stem.

„Juist! Maar men zou dat wonder met niet al te veel moeite kunnen laten

geschieden, niet waar?”

Malony antwoordde niet dadelijk maar liet een zacht gefluit hooren, en

keek Pinkerton met zijn kleine, zwarte oogen onderzoekend aan.

Deze deed, alsof hij niets gemerkt had, en ging rustig voort:

„Zie eens, er is mij veel aan gelegen, dat die Mascott de match niet

wint, begrijpt gij? De redenen kunnen u onverschillig zijn, iedereen

heeft wel eens van die onberedeneerde antipathieën, niet waar?”

„Ongetwijfeld,” antwoordde Malony meesmuilend. „En Mascott heeft uw

antipathie als ik het goed begrijp.”

„Geraden!”

„Nu, hij behoort toevallig ook niet tot mijn vrienden,” ging Malony met

een onaangenamen grijns voort. „En zeg mij nu eens, hoe gij het u wel

voorstelt, te beletten dat hij de match niet wint.”

„Wel, dat kan niet zoo moeilijk zijn, dunkt mij.”

„Wij zouden hem een dag te voren kunnen opwachten, op een straathoek,

en hem een tik geven die goed aankwam.”

„O, neen,” riep Pinkerton verschrikt uit. „Dat vooral niet, dan zou hij

in het geheel niet aan den wedstrijd kunnen deelnemen, en dat is de

bedoeling niet. Neen, hij moet wel degelijk boksen—maar zoo, dat

iedereen zegt: die man moest liever baker worden. Begrijpt gij? Hij

moet in de eerste of tweede ronde uitgeslagen worden.”

„Ja, dan wordt de zaak wel wat lastiger,” zeide Malony, terwijl hij

zich achter de ver van zijn hoofd staande ooren krabde. „Ik kan niet

goed begrijpen, hoe wij dat dan moeten aanleggen!”

„Kom, het is niet zoo lastig,” hernam Pinkerton. „Er bestaan wel van

die geheime middeltjes, welke men iemand kan ingeven en die bewerken,

dat men zich gedurende eenigen tijd slap en zwak gevoelt, zonder

bepaald ziek te zijn.”

„Nu kom ik er achter!” riep de bokser uit, met den zelfden grijns om de

dikke lippen. „Maar hoe kom ik aan dat middel?”

„Als gij toestemt, zal ik het u wel verschaffen.”

„Het is toch niet...... gevaarlijk?” vroeg Malony op gedempten toon.

„Hij kan er toch niet voor goed mee uit de wereld geholpen worden?”

„Daarvoor behoeft gij geen vrees te koesteren. Als gij slechts zorgt,

dat gij in den loop van den dag waarop de wedstrijd plaats heeft, den

inhoud van een klein peperhuisje met een wit poeder in een glas te

doen, dat gij met hem gaat drinken—dan is alles in orde. Hij zal zich

dan lusteloos gaan gevoelen en des avonds zal hij gemakkelijk geklopt

worden. Slaat gij toe?”

„Twee honderd pond?”

„Ja!”

„De helft vooruit?”

„Neen, gij kunt vijftig pond vooruit krijgen—en de rest, als de

wedstrijd achter den rug is!”

„En bij wien moet ik dan het geld gaan halen?”

„Ik zal het u zelf op den dag van de match komen brengen—met het poeder

en U dan tevens mijn naam noemen!”

„Top, ik ben Uw man,” kwam Malony, na even te hebben nagedacht. „Ik zal

hem wel naar een koffiehuis lokken en eenmaal daar, zal ik hem het

middeltje wel weten toe te dienen.”

De lafhartige overeenkomst werd met een handslag bekrachtigd en daarop

verliet Pinkerton haastig het huis.

Hij was er nu zeker van, dat Mascott niet zou winnen, maar jammerlijk

zou worden verslagen.

En als dat eenmaal was geschied, dan zou zijn toekomst bedorven zijn,

of hij zou tenminste in het eerste jaar volstrekt geen kans hebben op

groote prijzen.

En Mascott arm—dat beteekende dat Chairman naar zijn pijpen zou moeten

dansen en dat hij Daisy wel zou weten te dwingen, hem ter wille te

zijn.

HOOFDSTUK VI.

OP DEN DAG VAN DEN WEDSTRIJD.

De dag van de groote match was aangebroken.

Op alle muren van het groote Cristal Palace prijkte groote, schel

gekleurde aanplakbiljetten, waarop de namen van de twee boksers vermeld

stonden, die om de beurs zouden strijden—Joe Mascott en Jim Farrol.

Farrol was op het oogenblik de sterkste bokser, middelgewicht van

Londen en dat was duidelijk te merken aan den stand van de

weddenschappen, want er was slechts weinig gewed op Joe, die nog geheel

en al onbekend was, behalve bij de insiders die dan ook niet geaarzeld

hadden, vrij groote bedragen op hem te zetten.

Wat Raffles betreft—hij had de vorderingen van den jongen man met

onverholen verbazing en voldoening gadegeslagen en niet geaarzeld,

vijfhonderd pond op zijn overwinning te wedden.

Bijna iederen dag had hij de groote oefenzaal van Fred Simons bezocht,

ten einde zich door eigen aanschouwing van de vorderingen van zijn

beschermeling te overtuigen.

En hij was er zeker van, dat zijn kansen uitstekend stonden.

Weliswaar deelde de sportpers mede, dat Farrol zich op dit oogenblik in

„first class form” bevond, maar dat kon zijn vertrouwen niet aan het

wankelen brengen.

Tweemaal had hij Joe aan diens huis bezocht en kennis gemaakt met zijn

moeder en zuster.

Bij de tweede gelegenheid had de jonge bokser hem verhaald, wat er met

Pinkerton in de kamer van Daisy was voorgevallen en Raffles had hem

goedkeurend op den schouder geklopt en gezegd:

„Over een paar dagen kunt gij met opgericht hoofd voor den ouden

Chairman treden, en hem zijn dochter ten huwelijk vragen. Als hij dan

soms nog bezwaren mocht maken, dan zal ik hem wel tot andere gedachten

brengen.”

Die verklaring was den jongen bokser een aansporing te meer geweest,

zich duchtig voor te bereiden.

En er hing voor hem des te meer van dezen wedstrijd af, daar hij,

zooals wel te voorzien was, den zelfden dag, waarop hij zijn patroon op

een muilpeer onthaald had, door dezen was ontslagen.

Hij verdiende dus niets, maar de neerslachtige stemming, die hieruit

was voortgevloeid, had dadelijk weder plaats gemaakt voor een blijde

opgewektheid toen Lord Aberdeen hem kwam zeggen, dat hij, zoodra de

wedstrijd achter den rug was een heel wat beter betalende betrekking

zou krijgen bij een zijner vrienden.

Die zou hij dan kunnen waarnemen, zoolang de groote prijzen uitbleven.

Het was vroeg in den morgen van den wedstrijddag, toen Raffles het

groote oefenvertrek bij Fred Simons binnentrad.

Hij wist, dat hij Joe daar kon vinden, om de laatste maatregelen te

nemen en zich nog eens duchtig te oefenen met den besten leerling van

Simons, die zelf een goede toekomst had.

Hij kwam juist, toen de partij, die slechts een kwartier mocht duren,

op haar einde liep.

En weer bewonderde hij het soepel spel der spieren, de weergalooze

vlugheid en den moed van zijn beschermeling.

Na de partij werd Joe gemasseerd door de bekwame hand van Simons die

vol trots uitriep:

„Wat een lichaam, spieren als boter, tot hij ze spant, de satijnen huid

als van een jong meisje, longen als van een paard, en een middeltje,

waarop menige vrouw jaloersch zou zijn.”

En onder deze uitroeping wreef en kneep hij de spieren, tot Joe met een

pijnlijk gezicht uitriep:

„Nu is het wel genoeg, Simons, ik voel mij uitstekend.”

„Dan naar de douche!”

En Simons trok zijn „poulain” mede naar de badkamer waar een douche hem

geheel en al verfrischte.

En nu kwam de korte wandeling aan de beurt, afgewisseld met eenige

kilometers hard loopen en touwtje springen.

Raffles zou den bokser daarbij vergezellen, in zijn kleine sportauto

gezeten, in gezelschap van Simons.

Men zocht de stilste buitenwegen op, en daar stapte Joe uit, en begon

met snelle wandelpassen met de auto mee te loopen, terwijl Simons hem

zijn bevelen toe schreeuwden.

Nu en dan ging hij in den looppas over, en dan weder legde hij, al

touwtje springend, een afstand van een kilometer af.

Eindelijk vond Simons, dat het genoeg was.

Hij legde zijn groote hand op de borst van den bokser, voelde hem als

een volleerd dokter de pols en zeide tevreden:

„Bijna geen verhoogde hartwerking, de jongen is van staal, ik geloof,

dat hij zoo den geheelen dag zou kunnen voortgaan, zonder een spoor van

vermoeidheid. Nu, mijn taak is afgeloopen. De rest moet hij zelf doen.”

Hij richtte zich tot Joe en vervolgde:

„Houdt je rustig, den geheelen dag, zonder evenwel van je gewone

bezigheden af te wijken. Vandaag mag je geen handschoen meer aanraken

voor je tusschen de touwen staat in de Cristal Palace, loop wat rond

met de jongens, maar geen alcohol versta je? Dat behoef ik je trouwens

gelukkig niet te zeggen, ik heb je nooit zien drinken. Een paar uur

voor de match mag je langzaam een groot glas ale drinken, met een ei er

door geroerd en dat is alles. Niets meer eten na vijf uur, begrepen?”

„Ik zal er om denken, Simons,” gaf Joe ten antwoord, terwijl hij de

hand van den voormaligen Australischen Kampioen greep. „En of ik

vanavond win of verlies, ik zal nooit vergeten, wat ik aan je te danken

heb gehad, je bent een trainer uit duizenden, Simons.”

„Zoo denk ik er ook over, mijn waarde Joe,” gaf Raffles glimlachend te

kennen. „En een goed trainer is de helft van den wedstrijd gewonnen.

„Nu moet ik je ook verlaten, want ik heb nog eenige zeer dringende

zaken af te handelen. Vanavond hoop ik je als overwinnaar te mogen

begroeten.”

Hij reikte Joe de hand, knikte hem vriendelijk toe, en daarop reed hij

met Simons weg, die hem met zijn auto tot aan diens woning zou brengen.

Joe keek de auto achterna, tot zij uit het gezicht was, en zeide toen

in zich zelf:

„Een edel man, die tevens een edelman is. Joe zorg dat je vanavond wint

en toon je zijn belangstelling waard.”

Hij raadpleegde zijn horloge en zag, dat het tijd werd voor de lunch.

Daar Simons hem had verboden, van een motorbus gebruik te maken, wegens

het trillen van die voertuigen, en evenmin van den ondergrondschen

spoorweg, welke dit euvel in nog meer mate vertoont, wandelde hij naar

zijn woning en gebruikte geheel alleen een eenvoudigen maaltijd,

bestaande in geroosterd brood, een ei, wat mager vleesch en een paar

druiven.

Des middags bracht hij een bezoek aan zijn meisje, tersluiks, wel te

verstaan, want haar vader had hem het huis kortweg ontzegd, na het

incident met Pinkerton, en daarop begaf hij zich naar het huis van

Simons, waar hij moest wezen, om er zijn handschoenen, pantoffels, en

andere zaken te halen. Hij vond er George Malony aan de deur staan, die

hem joviaal toeknikte, en uitriep:

„Ik wensch je een goede kans, Joe, je kunt Farrol wel maken en breken.”

„Ik hoop te winnen, George,” antwoordde Joe eenvoudig. „Er hangt voor

mij veel van af, dat weet je.”

„De kameraden willen een kop thee, of een glas bier met je drinken dat

sla je zeker niet af, hoop ik?” ging Malony voort.

Joe was een te vriendelijke jongen, om er een oogenblik aan te denken,

zijn vrienden door een weigering te beleedigen, en dat wist Malony ook

wel.

„Als het niet te laat wordt, ben ik graag tot je dienst,” zei Joe.

„Ga dan mee naar den hoek, daar is een café, de jongens komen

dadelijk.”

De twee mannen begaven zich naar het koffiehuis, waar George bier en

een kop thee voor Joe bestelde.

Met opzet had hij een tafeltje uitgezocht dat achter een der schutten

stond, welke de gelagkamer in een groot aantal afgeschoten hokjes

verdeelde.

Het was nog vroeg en er waren maar zeer weinig personen aanwezig.

Dicht bij het buffet hing een groote reclameplaat, voorstellende twee

boksers die met opgeheven vuisten tegenover elkaar stonden.

Zoodra de thee en het bier gebracht waren, zeide Malony:

„Je moet voor de aardigheid die plaat eens van dichtbij bekijken, Joe,

en zeg mij dan eens, of je er niets bijzonders aan ziet.”

Niets kwaad vermoedend stond de jonge bokser weer op en ging naar het

reclamebiljet dat hij eenigen tijd aandachtig bekeek.

Van zijn afwezigheid maakte Malony gebruik, snel en ongezien het kleine

zakje in de thee van den jongen bokser leeg te storten.

Dit was reeds lang gedaan, toen Joe terug keerde en verwonderd zeide:

„Ik kan er niets bijzonders aan zien, om je de waarheid te zeggen!”

„Kom nu. Je hebt immers voor een der boksers geposeerd voor den man die

het biljet teekende,” riep Malony uit.

„Ik verzeker je van niet!” kwam Joe.

„Nu, dan is de gelijkenis toevallig!” hernam Malony schouderophalend.

„Op je gezondheid en je goede kansen, Joe.”

Hij bracht het glas aan zijn lippen en zag vol spanning toe, hoe de

andere zijn kop thee aan zijn lippen bracht en dronk.

Even later traden drie of vier leerlingen van Simons binnen, die naar

het tafeltje toekwamen en luidruchtig hun opmerkingen begonnen te

maken.

„Dat was een goed idee van Malony, om ons hier te inviteeren,” riep een

der jonge mannen uit.

„Ik dacht eigenlijk dat de invitatie van jullie kwam,” zeide Joe, een

weinig verbaasd.

„Neen, man, George is de gastheer,” antwoordde de bokser, terwijl hij

Malony een harden klap op den schouder gaf, die hem gaarne naar den

duivel had gewenscht.

„Maar je krijgt van ons toch ook een glas bier,” vervolgde de jonge

man, „tenminste als je mag van Simons!”

„Dat mag juist in het geheel niet, Sam!” zeide Joe lachend. „Geen spoor

alcohol heeft hij gezegd—en daaraan houd ik mij.”

Men sprak nog eenigen tijd voort, Joe dronk zijn kop leeg en nam toen

afscheid van de vrienden, die allen dien avond aanwezig zouden zijn, om

hun medeleerling te zien boksen.

Joe begaf zich naar huis, teneinde daar rustig met lezen den tijd

verdrijvend het uur van de match af te wachten.

En naarmate die tijd heenging, voelde de jonge man een eigenaardige

loomheid over zich komen, een moeiheid, welke hij nooit gekend

had......

Zijn dijspieren trokken, zijn armen voelden zwaar aan, en het leek hem,

alsof hij zelfs met opstaan eenige moeite had.

In zijn hoofd had hij een dof gevoel, als van een naderende hoofdpijn.

Hij opende een venster, meenende, dat de lucht in de kamer misschien

bedorven was, maar de frissche buitenlucht bracht hem geen verbetering.

Verschrikt riep Joe zijn moeder, die zeer verontrust was over het bleek

uiterlijk van haar zoon en deelde haar mede wat hij gevoelde.

„Als je nog eens een wandeling ging maken, Joe,” riep de oude vrouw, de

beide handen op zijn sterke schouders leggend. „Je heb je misschien wel

wat veel ingespannen in de laatste dagen, een wandeling zal je goed

doen.”

„Zoudt gij denken, moeder?” vroeg Joe, „ik weet het niet, ik heb zoo

een vreemd gloeierig gevoel in mijn beenen, en mijn borst voelt ook zoo

zonderling beklemd, stel u voor, dat ik nu ziek werd. Het zou

vreeselijk zijn, misschien is het wel griep.”

„Dan moeten wij dadelijk den dokter halen,” riep de oude vrouw

verschrikt uit. „En dan mag je vanavond volstrekt niet boksen.”

„Ach moedertje,” kwam Joe droevig, „ik moet immers wel, al zou men mij

er in een rijtuig naar toe moeten brengen, ik zal vechten.”

Op dit oogenblik werd er gescheld, en even later trad Raffles het

vertrek binnen.

Hij groette de oude dame hoffelijk en wendde zich toen tot Joe met de

opmerking:

„Ik hoop niet, dat ik je kom storen, waarde Joe, maar ik wilde je even

persoonlijk komen uitnoodigen, na afloop van den wedstrijd met mij en

mijnheer Brand te soupeeren, wel te verstaan, als je niet reeds andere

afspraken hebt gemaakt, maar mijn hemel, wat scheelt je?” zoo viel hij

zich zelf verschrikt in de rede, „wat zie je bleek!”

„Ik.... de zaak is, dat ik mij ziek voel, Mylord!” stamelde Joe,

terwijl hij de hand aan het voorhoofd bracht en op een stoel neerzakte.

„Wat is dat nu,” riep Raffles verbaasd uit, „maar toen ik je een paar

uur geleden verliet, was je zoo frisch als een hoen, is dat dan zoo

plotseling opgekomen?”

„Geen half uur geleden, Mylord.”

„En hoe was het daarvoor?”

„Ik gevoelde mij gezonder dan ooit.”

„Dat is zeer vreemd,” riep Raffles uit.

„Kan het geen griep zijn, Mylord?” vroeg de oude dame, die vol

bezorgdheid over het glanzende haar van haar eenigen zoon streek.

„Zoo plotseling, neen, Mevrouw, dat is onmogelijk,” antwoordde Raffles

met vaste stem.

Hij was op Joe toegetreden, schoof een stoel aan, ging zitten, en nam

de pols van den jongen bokser.

Toen lichtte hij zijn oogleden op, bekeek het ooglid, schudde het

hoofd, en mompelde:

„Dat is onbegrijpelijk!”

„Sta eens op en doe een paar passen,” beval hij.

Joe stond op, en liep eenige malen op en neer, daarbij liep hij niet

recht, maar wankelde, als iemand die duizelig is.

„Sluit je oogen, strek je armen uit, en doe nu langzaam een paar passen

achteruit,” beval Raffles weder.

Joe gehoorzaamde.

„Ga nu eens zitten, en leg je eene been over het andere.”

Weer gehoorzaamde de jonge man.

Met den kant van de geopende rechterhand gaf Raffles onverhoedsch een

korten slag tegen het onderbeen, even onder de knie.

Het been bleef onbewegelijk neerhangen.

Raffles stond op, keek Joe eenigen tijd zwijgend en onderzoekend aan,

en vroeg toen:

„Zeg mij eens nauwkeurig, wat gij gedaan hebt, nadat Simons en ik u

verlaten hebben, heden morgen om elf uur.”

„Ik ben naar huis gewandeld om te lunchen, Mylord!”

„Wat hebt gij gegeten?”

„Geroosterd brood, een ei, wat koud vleesch en wat druiven.”

„Dat hadt gij zeker alles gereedgemaakt, Mevrouw?” zoo wendde Raffles

zich tot de oude dame, die vol ongerustheid en vervuld van een vage

vrees had toegeluisterd.

„Zeker, Mylord, en ik verzeker u dat het vleesch zoo uitstekend was als

het maar te krijgen was. Ik wist immers wel dat het beste voor Joe nog

nauwelijks goed genoeg was! Trouwens—wij allen hebben gisteren van het

zelfde vleesch gegeten!”

„Waar hebt gij den druiven gekocht?”

„In een delicatessenwinkel hier in de buurt.”

„Als gij er nog van hebt, breng er dan eenige hier, als ik U verzoeken

mag,” vroeg Raffles.

De oude dame verliet haastig het vertrek, terwijl Joe Raffles

verwonderd en ontsteld aanstaarde.

„Wat denkt gij eigenlijk, Mylord?” barstte hij toen uit.

„Nog niets, mijn waarde Joe, dan dat je aan een heel eigenaardige,

plotseling opgekomen zwakte lijdt—ik zou het, als ik geneesheer was,

„acute seniliteit” noemen—en die bestaat niet, voor zoover ik weet. Het

is eenvoudig ouderdomszwakte, mijn jongen. Ik merk zelfs eenige

symptonen, die zich juist zoo voordoen bij aderverkalking en daarvan

kan bij jou geen sprake zijn.”

Op dat oogenblik trad Mevrouw Mascott binnen met een kristallen

schaaltje waarop een aangesneden tros druiven lag.

Raffles trok er een druif af en stak ze in den mond, na haar aandachtig

te hebben bekeken.

Hij proefde de vrucht aandachtig en zeide toen hoofdschuddend:

„Een druif, zoo goed als ik er nog ooit een proefde!”

Nu wendde hij zich opnieuw tot Joe en vroeg:

„En wat hebt gij gedaan nadat gij gegeten hadt?”

„Ik ben naar Simons gegaan om daar mijn handschoenen en eenige andere

zaken te halen.”

„Vervolgens?”

„Vervolgens ben ik met George Malony en eenige andere kameraden in een

café een kop thee gaan drinken.”

„Met Malony?” herhaalde Raffles. „Waart gij steeds in gezelschap van

die anderen? Deel mij eens zeer nauwkeurig, zonder iets over te slaan,

alles mede wat er gebeurd is, sedert het oogenblik waarop gij het huis

van Simons binnenging.”

„Ik ging mijn bullen halen en toen ik weder beneden kwam, stond George

bij de deur. Hij zeide mij, dat de kameraden op mijn welzijn wilden

drinken en stelde voor, maar vast vooruit te gaan, de anderen zouden

aanstonds komen. Wij gingen naar het café op den hoek en ik bestelde

thee, hij bier.”

„Bleef hij steeds in uw nabijheid—of gij in de zijne?”

„Neen, een oogenblik heb ik mij verwijderd om naar een reclameplaat te

kijken die twee boksers voorstelde, en die bij het buffet hing.”

„Deed gij dat uit eigen aandrang?”

„Neen, Malony zeide, dat er iets bijzonders aan te zien was.”

„En was dat zoo?”

„Voor zoover ik kon nagaan, in het geheel niet.”

„Toen gij daarheen ging, was de consumptie toen al gebracht?”

„Ja, de thee stond op tafel, maar mijn God, Mylord, waarom vraagt gij

mij dat alles? Wat denkt, wat vermoedt gij dan toch?”

„Ik vermoed, dat hier een lage streek gespeeld is, mijn beste Joe,”

antwoordde Raffles kortaf. „Gij hebt natuurlijk van de thee gedronken?

Hebt gij er niets bijzonders aan geproefd?”

„Neen, zij was misschien een beetje sterk, dat was alles.”

„Misschien een looismaak? zooals van thee, die te lang getrokken

heeft?”

„Juist, dat was het, Mylord,” riep de jonge man uit. „Gij denkt dus,

dat.... er iets met die thee geknoeid is?”

„Ik twijfel er geen seconde aan, Malony heeft gebruik gemaakt van uw

afwezigheid om iets in uw thee te doen. Daardoor gevoelt gij u zoo slap

en wee, ik denk, dat de dosis wellicht een weinig te groot is geweest

en dat gij pas veel later die verschijnselen had moeten gevoelen en

niet in die sterke mate, maar juist voldoende, om u den wedstrijd te

laten verliezen.”

„O, die schurk!” kreet Joe, „wat heb ik hem gedaan, dat hij zich op

zulk een laffe wijze op mij wil wreken?”

„Ik geloof niet, dat hier sprake is van wraak, Joe,” hernam Raffles

hoofdschuddend, „neen, die man kon zulk een middel nooit uit zich zelf

hebben gevonden, ik vrees, dat hij slechts een werktuig is in de hand

van een ander.”

„Maar wie zou dat kunnen zijn, Mylord,” riep Joe wanhopig uit, „ik had

geen vijanden, voor zoover ik weet.”

„Geen vijanden? Noemt gij uw medeminnaars dan vrienden?” ging Raffles

voort terwijl hij Joe strak aankeek.

„Wat, wilt gij zeggen, dat Pinkerton........”

„Hij en niemand anders, hij heeft er groot belang bij, dat gij vanavond

verliest, want dan zijn uw kansen op een voordeelig aanbod vrij wel

verkeken, tenminste in langen tijd, en hij heeft het veld vrij om

Chairman te bewerken. Maar wij verpraten onzen tijd. De tijd dringt, ik

weet nu wel, wat men u heeft ingegeven, en ik bezit een tegengift, dat

u spoedig weder de oude zal doen zijn en wat Pinkerton betreft, hij zal

zijn straf niet ontgaan, dat kunt gij aan mij overlaten. Allereerst

echter moeten wij naar een geneesheer, teneinde u de maag te laten

leegpompen, want zooveel mogelijk moet die schadelijke stof uit uw

lichaam verwijderd worden. En daarna kom ik met mijn middeltje waarvan

gij wonderen zult beleven.”

HOOFDSTUK VII.

DE WEDSTRIJD.

Omstreeks half negen, het uur, waarop de match tusschen Joe Mascott en

Jim Farrol zou beginnen, was de groote zaal van het Cristal Palace zoo

goed als geheel uitverkocht.

Lord Lister No. 0333: De liefde van een bokser · 第 3 / 4 段