Een bitter glimlachje gleed over het krachtige gelaat van den jongen

man. „Het was juist genoeg, om niet van honger te sterven—maar lang

niet voldoende om mijn lieve moeder slechts een gedeelte te kunnen

geven van die kleine dingen die het leven voor oude menschen vooral

veraangenamen. Wij wonen in een armoedige buurt, en wij moeten ons met

veel, ja met alles behelpen. En daaronder heb ik zwaar geleden—want

mijn goede vader had mijn moeder verwend—hij had haar afgodisch lief!”

„Ik kan het mij voorstellen,” zeide Raffles zacht.

„Natuurlijk heb ik alles aangepakt, om er wat bij te verdienen. Ik

hield hier en daar de boeken bij, copieerde stukken, schreef rollen uit

voor tooneelgezelschappen en zoo meer. Maar al werkte ik nog zoo

hard—het was en bleef schipperen, tot ik, half en half bij toeval, mijn

aanleg voor het boksen ontdekte. Ik had in de goede dagen van weleer

veel voor die sport gevoeld, en er als amateur een weinig aan gedaan.

Een half jaar geleden ongeveer zag ik op straat, hoe een zwaar gebouwde

kerel een kleinen hond, die hij aan een touw vast had, meedoogenloos

afroste, zoodat het arme dier van pijn kermde. Ik kwam tusschen beide,

maar een oud vrouwtje, dat naar het scheen den dierenbeul kende,

waarschuwde mij dat ik maar liever niets moest zeggen—de kerel was

bokser. Maar ik was zoo woedend, dat ik mij niet had laten weerhouden,

al was de schobbejak nog eens zoo groot en zwaar geweest.”

„Dat was flink van je, Joe,” zeide Raffles.

„Ik beval den man, dadelijk met slaan op te houden. Hij keek mij eens

aan, met zijn valsche oogen, liet den hond los, balde zijn vuisten, en

viel op mij aan. Een paar seconden later had ik hem neer geslagen.”

„Goed zoo,” riep Raffles uit. „En dat heeft u toen op het denkbeeld

gebracht, uw vlugheid en moed in geldswaarde om te zetten.”

„Zoo is het, Mylord. Ik besteedde mijn weinige spaarpenningen, om de

eerste lessen bij Stanley te kunnen betalen, en ik had het al spoedig

tot vrij groote hoogte gebracht. Toen kwam gij, en gij hebt mij pas het

ware vertrouwen in mijn kracht en vaardigheid gegeven. Ik weet niet hoe

ik u daar voor danken moet.”

„Heel eenvoudig—door er nooit meer over te spreken,” zeide Raffles. „Ik

deed het als sportman, die vooral veel belang stelt in aankomende

Boksers.”

Op dit oogenblik liepen de beide mannen langs een grooten

bloemenwinkel, in een der voornaamste straten.

Voor de deur stond een groote, donkerrood gelakte limousine stil.

Joe Mascott stond eensklaps stil en liet zijn blikken van de auto naar

de winkeldeur dwalen.

Met verbazing zag Raffles, dat er een diepe rimpel tusschen de fraai

geteekende wenkbrauwen van den jongen man was gekomen.

Nu ging de winkeldeur open en een groom liet diepbuigend een heer uit,

die een grooten, in vloeipapier gewikkelden ruiker in de hand hield.

Hij stapte op de auto toe, zonder rechts of links te zien.

Wanneer hij dat wel gedaan had, dan zou hij gezien hebben, hoe Joe

Mascott hem met doodsbleek gelaat en gebalde vuisten stond aan te

staren, onbewegelijk en alsof hij uit brons was gegoten.

Het volgend oogenblik was de auto weggereden.

Raffles keek Joe verwonderd aan, die nog op dezelfde plek stond en

vergeten scheen te zijn, waar hij zich bevond.

Toen zuchtte hij diep en wreef zich met de vlakke hand over het

voorhoofd.

„Neem mij niet kwalijk, Mylord!” zeide hij verward. „Dat was—die man

was mijn patroon—Arthur Pinkerton.”

„En schrikt gij dan zoo van dien werkgever?” vroeg Raffles gekscherend.

„Hij kocht bloemen.......” stotterde Joe.

„Ja, dat schijnt zoo. Dat is toch zeker niet verboden?” hernam Raffles,

die er nog niet veel van begreep.

„Neen—gij hebt gelijk...... ik stel mij dwaas aan, dat weet ik,” ging

Joe haastig voort. „Let er maar niet op, wat ik u verzoeken mag, het

heeft niets te beteekenen.”

Raffles nam den jongen man, die snel voortliep, van terzijde eens

scherp op.

Hij was zeer bleek geworden en de gezonde kleur was voor een oogenblik

van zijn gelaat geweken.

Hij oogde de roode auto na, zoo lang hij het voertuig met een blik kon

volgen en scheen geheel vergeten te zijn, dat er iemand naast hem liep.

Maar Raffles had dadelijk begrepen, dat er tusschen den bankier en zijn

klerk iets moest bestaan, voor beiden van onaangenamen aard, daarop

wees de geheele houding van Joe Mascott.

Geruimen tijd liepen de twee mannen naast elkander voort en toen begon

Raffles:

„Luister eens, mijn waarde Joe. Ik denk er niet aan, mij met uw

particuliere aangelegenheden te bemoeien, maar dit moet mij toch van

het hart—als gij werkelijk een kans wilt hebben op de match om de beurs

van 500 pond, dan zult gij u alle muizenissen uit het hoofd moeten

zetten. Er is niets, wat zoo verslappend werkt, als geheim verdriet,

een niet beantwoorde liefde, een stille wrok—alle sterke

gemoedsaandoeningen zijn uit den booze. De beste trainer is niet

bestand tegen een ziek hart, bedenk dat goed!”

„Ik geloof dat gij gelijk hebt, Mylord—maar ik kan er niets aan doen—ik

verzet er mij vruchteloos tegen! Kom, gij hebt u een warm vriend van

mij betoond en ik behoef er volstrekt geen geheim van te maken—ik heb

een meisje lief—en mijn patroon is een medeminnaar! Gij ziet, het is

zeer eenvoudig. Maar voor mij beteekent haar liefde het leven—haar te

moeten missen, zou de dood zijn.”

Joe had dit laatste op zulk een smartelijken toon gezegd, dat Raffles

geen oogenblik kon twijfelen aan de diepte en de oprechtheid zijner

gevoelens.

Hij begreep nu veel, zoo niet alles!

Pinkerton was veel ouder dan Joe—maar hij was schatrijk—hij kon het

meisje bloemen geven, iederen dag, zooveel zij er slechts verlangde—Joe

kon haar ternauwernood des Zondags een kleinen ruiker bij een

straatventer koopen.

Hij nam Joe onder den arm en vroeg op warmen toon:

„Gelooft gij, dat het meisje aan dien man den voorkeur zal geven,

alleen omdat hij rijk is—neem dan mijn welgemeenden raad aan en laat

haar loopen, want dan is zij de liefde van een eerlijk man niet waard!”

„Ik weet zeker, dat zij dat niet doet, Mylord!” riep Joe vol vuur uit.

„Als het alleen van haar afhing, zou alles goed zijn—wij zijn beiden

jong en kunnen wachten. Maar zoo eenvoudig is de zaak helaas niet. Haar

vader is handelaar. Hij heeft onlangs zijn zaken een weinig

uitgebreid—en daarvoor geld geleend—juist van dien Pinkerton. Met den

vrede gingen zijn zaken achteruit, want hij moest als zooveel anderen

zijn winst maken tijdens en van den oorlog. Hij stond en staat dus nog

in schuld bij Pinkerton—en die zou zeker wel een mouw aan de zaak

passen—als Daisy naar hem wilde luisteren!”

„Heeft hij dat aan haar vader gezegd?”

„Neen, dat niet, hij zeide het alleen maar aan haar!”

„Dan heeft de kerel ook geen eerlijke bedoelingen met haar!” zeide

Raffles op vasten toon.

„Dat heb ik immers al dadelijk wel vermoed, Mylord!” hernam Joe op

smartelijken toon. „Hij heeft haar duidelijk te verstaan gegeven, dat

het slechts van haar afhing, of haar vader failliet zou gaan of niet.

De oude man echter denkt in zijn onnoozelheid, dat Pinkerton

trouwplannen jegens zijn dochter koestert en hij dringt er voortdurend

bij haar op aan, hem toch het jawoord te geven, omdat hij hoopt,

daardoor niet alleen van zijn schuld af te komen, maar ook een nieuwe

leening bij zijn schoonzoon te kunnen sluiten!”

„Ja, dan verkeert zij in een treurigen toestand,” mompelde Raffles.

„Veronderstel eens, dat haar vader morgen dat bedrag, zou kunnen

terugbetalen—zou dan alles in orde zijn?”

„Ik vrees van niet, Mylord!” antwoordde Joe treurig. „Pinkerton heeft

voor een groot bedrag aan aandeelen in de zaak van den ouden

Chairman—zoo heet de vader van Daisy—en die zal hij zoo spoedig niet

verkoopen, aan wien dan ook, uit vrees, dat hij zoodoende een scherp

wapen uit handen geeft. En dan—mijn kansen bij Chairman staan al heel

laag,” voegde de jonge man er met een bitteren glimlach aan toe. „Hij

noemt mij een armen kerkrat en hij maakt natuurlijk vergelijkingen

tusschen den patroon en den klerk.”

„Hoe oud is die Pinkerton?”

„Een jaar of vijf en veertig.”

„En Daisy—uw klein vriendinnetje?”

„Negentien.”

„Nu, dan kan ik u maar een raad geven, mijn waarde Joe, denk in den

eersten tijd niet al te zeer over deze zaak en wijdt u liever uit alle

macht aan uw taak, het winnen van den wedstrijd om de beurs. Als gij

dien match maar eenmaal gewonnen hebt, dan zullen u de aanbiedingen

dadelijk in den schoot vallen. Binnen een jaar kunt gij Kampioen van

Engeland zijn, als gij het slechts ernstig wilt.”

„Gelooft gij dat werkelijk, Mylord?” riep Joe met schitterende oogen

uit.

„Ik ben er zeker van.”

„O, dan beloof ik u, dat ik al mijn vermogens zal aanwenden, om dien

wedstrijd te winnen. Dan zet ik al het andere zoo lang uit mijn hoofd,

dan mag er in mijn hersens alleen maar plaats zijn voor de gedachte aan

den wedstrijd.”

„Zoo mag ik het hooren!” hernam Raffles, terwijl hij de hand van den

jongen man krachtig drukte. „Gij hebt uw lot in uw eigen hand. Als gij

den match wint, dan zal de oude Chairman zich nog wel eens bedenken en

als hij dan soms nog koppig wil blijven, dan zal ik eens een hartig

woordje met hem spreken.”

„Ik dank U Mylord,” zeide Joe, die het hoofd snel afwendde, want hij

gevoelde dat er tranen naar zijn oogen welden. „En ik zweer u, dat ik

uw edelmoedigheid niet zal beschamen.”

„Daar zouden wij niet over praten,” hernam Raffles, terwijl hij

dreigend den vinger ophief. „Oefen je slechts goed, laat alles verder

aan Simons over en je kunt over een paar weken winnen. Ik moet nu

afscheid van je nemen, mijn waarde Joe, want zaken van belang vragen

mijn aandacht. Maar ik verlies je niet uit het oog, dat verzeker ik je.

Ik zal vriend Simons zeggen, dat hij zijn bijzondere zorg aan je moet

besteden, daar ik er bepaald op gesteld ben, dat je de beurs wint.

Overmorgen kom ik je een bezoek brengen—als je het goed vindt.”

„Maar Mylord!” riep Joe uit, blozend van trots en genoegen. „Wij zullen

Uw bezoek allen zeer op prijs stellen. Na half zes vindt gij mij steeds

thuis en ik lunch ook altijd thuis, want onze woning is niet ver van de

Sloans Street verwijderd.”

„Dat blijft afgesproken. Hard werken en U voorloopig met niets anders

bemoeien dan met uw bokshandschoenen!”

Nogmaals drukte Raffles den jongen man de hand en daarop verwijderde

hij zich, terwijl Joe met haastige schreden den weg naar zijn woning

insloeg.

HOOFDSTUK V.

LISTEN EN LAGEN.

Er waren twee weken verloopen sinds dat gesprek en Joe had zich stipt

aan zijn belofte gehouden en zijn gevoelens van jaloezie onderdrukt, om

alleen aan den komende wedstrijd te denken.

Het was omstreeks twee uur in den middag, toen voor een huis in de

Bishop Street een roodgelakte auto stilhield, waaruit Arthur Pinkerton

stapte.

Hij was al weder voorzien van een grooten ruiker en had blijkbaar veel

zorg aan zijn uiterlijk besteed.

Zijn zwart geverfde snor glom van de cosmetiek, zijn zijden das was met

den uitersten zorg gestrikt en zijn handen staken in grijze

glacéhandschoenen.

De deur werd geopend door een oude dienstbode, die reeds vele jaren in

betrekking was van den ouden Chairman en sedert den dood van diens

vrouw bijna als een familielid werd beschouwd.

Zij scheen den bezoeker reeds te kennen en niet al te zeer met hem

ingenomen te zijn, want zij haalde zeer merkbaar haar neus op, toen zij

den reusachtigen ruiker en daarachter het dikke, ongezond bleeke gelaat

van den Heer Pinkerton zag en scheen zelfs een oogenblik groote neiging

te gevoelen, de deur voor zijn neus dicht te werpen.

„Is mijnheer Chairman thuis?” vroeg de bezoeker.

„Ja mijnheer,” antwoordde de oude getrouwe.

„En juffrouw Daisy?”

„Die is ook thuis—en daar zal zij spijt genoeg van hebben, het arme

kind,” voegde zij er half binnensmonds aan toe.

„Ga dan mijn bezoek aankondigen,” beval Pinkerton. „Breng mij maar

eerst naar mijnheer Chairman.”

De oude meid ging hem brommend voor, een trap op, een gang door tot

voor een breede deur, die toegang bleek te geven tot een vrij ruime

werkkamer, met een reusachtig, ouderwetsch bureau tusschen de beide

vensters.

Voor dat bureau zat Chairman, een kleine onaanzienlijke figuur, zooals

hij daarin zijn versleten huisjasje in den grooten leuningstoel zat,

met een kalotje op het spaarzame haar.

Hij keek den bezoeker een weinig schuw aan en stond toen op, teneinde

hem te verwelkomen.

„Neem plaats, mijn waarde heer Pinkerton,” zeide hij op zachten, wat

heeschen toon, terwijl hij een stoel bijschoof.

„Ik zal maar even van uw kostbaren tijd misbruik maken, waarde

Chairman,” zeide Pinkerton, met onverholen spot en minachting in zijn

stem. „Gij weet welken datum wij hebben vandaag?”

Chairman wierp een blik op den scheurkalender, die aan den wand hing,

ofschoon hij maar al te goed wist welke datum het was en antwoordde

toen:

„Natuurlijk, het is de eerste!”

„Mooi, en denkt gij mij nu te kunnen betalen?”

„De zaak is..... het zal heden moeilijk gaan!” hakkelde Chairman.

„Even moeilijk als verleden maand en de maand daarvoor en zoo

vervolgens!” kwam Pinkerton verachtelijk. „Ik zal U eens wat zeggen,

mijn waarde Chairman! Ik kom langzamerhand tot de ontdekking dat ik

hier voor den gek word gehouden en dat zal ik niet dulden—verstaat gij?

Dat zal ik stellig niet dulden!”

„Maar daar denk ik werkelijk niet aan, mijnheer Pinkerton,” riep de

oude man op jammerenden toon. „Ik ben er van overtuigd, dat over een

jaar alles weder met mijn zaken in orde zal zijn—kunt gij niet tot dien

tijd geduld hebben?”

„Nog een jaar? Waarom niet liever tien?” riep Pinkerton schamper uit.

„Ik begin mijn geduld te verliezen, moet gij weten. En ik zou U raden,

binnen zeer korten tijd naar middelen om te zien, om mij te voldoen.”

„Dat beloof ik u, dat beloof ik u vast, mijn waarde heer Pinkerton!”

zeide Chairman verheugd, dat hij er weder voor dit keer af was.

Pinkerton was reeds weder opgestaan en vervolgde nu, schijnbaar

onverschillig:

„Is uw dochter thuis?”

„Zeker, en het zal haar zeker aangenaam zijn, u te ontmoeten,” haastte

de oude man te antwoorden. „Ik zal haar even laten roepen.”

„Doe geen moeite. Ik wilde haar juist wel even onder vier oogen

spreken!” kwam Pinkerton. „Zij is zeker in haar eigen kamertje?”

„Dat denk ik wel,” antwoordde Chairman, die den schrik van zooeven

reeds geheel te boven scheen te zijn en handenwrijvend voor zijn

schuldeischer stond.

„Nu, dan verlaat ik u—en zorg, dat ik de kleur van uw geld spoedig zie,

of er gebeuren dingen, waarvan ik de verantwoording niet zal dragen,

maar gij en gij alleen!”

En met deze woorden verliet hij het vertrek en liet den ouden

karakterloozen vader alleen.

Hij liep de gang door, maar had nog geen vijf passen gedaan, of hij

struikelde over een voorwerp, dat hem gevoelig tegen de scheen raakte.

Tegelijkertijd werd zijn voet doornat en een luid rinkelend geluid liet

zich hooren, dat zich scheen te verwijderen.

„Wel, voor den duivel!” barstte Pinkerton woedend uit. „Wie zet er nu

in die donkere gang een volle emmer neer!”

„Dat doet iedere vrouw, die de trappen gaat doen,” klonk het vinnige

antwoord uit de duisternis. „Wij zijn hier niet ingericht op bezoeken

in den middag—dat is de zaak.”

„Jij bent een brutale feeks!” gromde Pinkerton, die de oude dienstmaagd

herkend had, die met opgeschorte rokken, een bezem en een dweil in de

hand, aan het einde van de gang stond. „Maak eens licht—ik geloof, dat

ik mijn enkel aan het bloeden heb gestooten.”

„Dat zou erg jammer zijn,” kwam een stem uit de duisternis.

En daarop werd het licht, daar de oude meid den schakelaar had

omgedraaid en Pinkerton kon zich overtuigen van de aangerichte schade.

Het onderste gedeelte van zijn pantalon was kletsnat en bij het

opstrooken van dit kleedingstuk en het zich daaronder bevindende, kwam

aan den dag, dat de scheen wel niet bloedde, maar toch deerlijk

geschramd was en blauwe plekken vertoonde.

„Ik zal je dat betaald zetten, oude heks,” bromde Pinkerton, terwijl

hij de vrouw de dweil uit de hand rukte en daarmede het ondergedeelte

van zijn pantalon begon droog te wrijven, ganschelijk vergetend, dat

zijn vingers in fijne handschoenen gestoken waren.

Toen hij hiermede gereed was, greep hij den ruiker, die eveneens

tamelijk ernstig had geleden en ging op de deur toe, die zich aan het

einde van de gang bevond.

Juist werd deze geopend en een fijn meisjeskopje verscheen om den hoek,

met prachtige blauwe oogen en een mondje als een rozenknop.

Het was Daisy Chairman.

„Wat is daar toch aan de hand, Mary?” vroeg zij, maar in haar mooie

oogen schitterde een ondeugend licht, „gooi je daar de emmer van de

trap?”

„Vraag excuus, juffer Daisy. Dat doe ik niet—dat doet die mooie

mijnheer—hij denkt zeker, dat het hier een paardenspel is.”

Pinkerton wierp de oude dienstbode een giftigen blik toe en wendde zich

toen zoetsappig tot het meisje met de opmerking:

„Ik vrees, dat mijn persoon niet al te zeer in den smaak valt van Uwe

gedienstige, Miss Daisy. Naar het mij toeschijnt, heeft zij het op mijn

beenen voorzien. Zoudt gij niet zoo goed willen zijn, mij aan de woede

dezer furie te willen ontrukken?”

„Mary een furie?” riep Daisy lachend uit. „Zij is de goedheid in

persoon! Maar ik wil u wel redden—ga maar mede naar mijn vader.”

„Pardon Miss Daisy, ik kom juist van hem vandaan en vroeg hem verlof,

eenige woorden met u te mogen wisselen!”

Het gelaat van het meisje betrok en zij maakte een beweging van

ongeduld.

Mary bromde zeer duidelijk hoorbaar, terwijl zij haar bezem stevig

vastgreep, als om er een vijand mede te lijf te gaan.

„De oude man wordt kindsch. Hoe komt men er bij, jong aan oud te willen

koppelen!”

Daisy had de deur van haar kamer reeds geopend en zeide onwillig:

„Kom binnen, mijnheer Pinkerton, maar ik waarschuw u dat ik niet veel

tijd heb.”

„O, wat ik U te zeggen heb, is in enkele woorden mede te deelen, Miss!”

Het meisje liet den onwelkomen bezoeker binnengaan en sloot de deur.

Pinkerton keek haar even met zijn gluiperige oogen aan en stak toen de

hand vooruit, waarin hij den ruiker geklemd hield.

„Sta mij om te beginnen, toe, U deze bloemen te overhandigen, Miss,”

begon hij. „Mogen zij een bewijs zijn van mijn teedere gevoelens jegens

U!”

Het meisje had den boeket aangenomen, en dien met een onverschillig

gebaar op de tafel geworpen, zonder iets te zeggen.

Zij wees haar bezoeker een stoel en nam zelf plaats.

Pinkerton was blijkbaar eenigszins van zijn stuk gebracht door het

stilzwijgen van het jonge meisje en hernam haperend:

„Gij hebt natuurlijk wel begrepen, wat mij tot U voert, Miss Daisy. Gij

kent de gevoelens, welke ik jegens u koester. Mij dunkt dat ik nu lang

genoeg gewacht heb—ik wensch thans uw antwoord kort en bondig te

vernemen!”

„Kort en bondig?” herhaalde Daisy, terwijl zij den bezoeker strak

aankeek. „Wel, gij zult op uw wenken bediend worden. Ik zeg neen!”

„Wat! Gij slaat mijn liefde van de hand? Gij weigert, mijn verlangens

in te willigen?”

„Ja, mijnheer Pinkerton, dat weiger ik. Ik weet wat het is, wat gij

liefde noemt. En ik wil mij niet laten behandelen als een stuk

speelgoed, dat men wegwerpt als men er genoeg van heeft.”

Pinkerton beet zich op de lippen.

Hij begreep, dat hij een anderen weg moest inslaan.

Als het niet met zachtheid ging dan maar met geweld.

Hij stond dus op, en zeide op gedempten toon, waarin echter duidelijk

een bedreiging was te hooren:

„Ik ben er zeker van, Miss Daisy, dat gij u nog wel eens zult bedenken,

het kan u niet onbekend zijn, dat het lot van uw vader zich in mijn

handen bevindt, hebt gij daar wel eens over nagedacht.”

„God alleen weet, hoe veel slapelooze nachten mij dat gekost heeft,”

riep het meisje op hartstochtelijken toon uit.

„O, nu, als gij het weet, waarom blijft gij dan hardnekkig weigeren?”

drong Pinkerton aan. „Het behoeft u maar een woord te kosten, en uw

vader is voor altijd bevrijd van zijn zorgen, in het tegenovergestelde

geval behoeft het mij slechts een woord te kosten, en uw vader snelt

zijn ondergang tegemoet.”

„Mijn God, is het al zoo ver?” riep Daisy uit, die doodsbleek was

geworden. „Dat wist ik niet,” voegde zij er op doffen toon aan toe.

„Ik zeg u niets dan de waarheid, Miss!” hernam Pinkerton, terwijl hij

een stap naar het jonge meisje deed. „Laten wij de zaken met enkele

woorden in het juiste licht stellen, en gij—en gij alleen hebt het in

uw macht uw vader te redden of hem in het verderf te storten.”

„Zwijgt! Om Godswil zwijgt!” riep het arme kind wanhopig uit. „Gij kunt

het niet meenen dat gij misbruik zou maken van het ongeluk van mijn

vader. Ik weet zeker, dat hij er binnen een jaar weder boven op kan

zijn. De zaken gaan reeds beter en als eenmaal normale toestanden

teruggekeerd zullen zijn, dan komt alles in orde. Heb nog slechts tot

zoo lang geduld.”

„Neen!” antwoordde Pinkerton kortaf. „Ik wil niet langer wachten, ik

heb u lief—en ik zal u bezitten, gij zult de mijne worden, al zou ik

hemel en aarde moeten bewegen. Ik geef u nog een week en als gij mij

dan niet hebt gezegd, dat uw tegenstand gebroken is dan zullen de

gevolgen voor uw rekening komen. Maar ik ga zoo niet heen, eerst zult

gij mij een kus geven, op afrekening.”

Hij was op Daisy toegesprongen en had het jonge meisje omvat, dat op

dien aanval niet verdacht was.

Zij worstelde om los te komen, zij verzette zich uit alle macht, de

beide kleine handen tegen de borst van den ellendeling gedrukt.

Pinkerton trok haar echter dicht tegen zich aan, en bracht zijn gelaat

bij het hare.......

Maar eensklaps vloog de deur open, en de schurk voelde zich in den nek

vatten, en met kracht achter uit trekken.

Bleek van woede wendde hij zich om.

Hij keek in het gelaat van Joe Mascott, die in het geheel niet woedend

scheen te zijn, maar zijn medeminnaar spottend aankeek.

„Gij weet zeker wel dat ik iets beteeken als bokser, mijnheer

Pinkerton,” zeide de jonge man langzaam, terwijl hij een stap in de

richting van den anderen deed. „Daar zal ik echter geen misbruik van

maken—al kon ik U met mijn wijsvinger neerslaan. Neem daarom slechts

dezen oorveeg voor lief. Het is weinig maar goed bedoeld.”

En op het zelfde oogenblik daalde er een klinkende muilpeer neder op

het gelaat van den bankier, juist op zijn rechterwang, die in een paar

tellen danig opzwol, al had de jonge bokser zich nog zoo ingehouden.

Daarop wendde Joe zich tot het jonge meisje, dat verschrikt had toe

gezien, en zeide op teederen toon:

„Je behoeft niet bang te zijn, kleine lieveling, als eenmaal de

wedstrijd achter den rug is, en ik win hem, dan komt alles in orde, en

zal ik dien schoft zijn geld terug betalen.”

Vervolgens wendde hij zich naar de deur, wierp haar wijd open, en riep:

„Zuiver deze kamer zoo snel mogelijk van uw aanwezigheid, mijnheer

Pinkerton, anders blijft het niet bij dat kleine klapje.”

In minder dan geen tijd was de bankier buiten het vertrek.

Zijn ruiker vloog hem achterna en trof hem in den nek, gevolgd door

zijn hoed en wandelstok.

En daarop viel de deur met een harden slag in het slot en kon Pinkerton

zijn bezoek gevoegelijk als geëindigd beschouwen.

Hij raapte hoed en wandelstok op en hief dreigend de vuist op tegen de

gesloten deur.

Sissend kwam het over zijn lippen:

„Dat zal ik je betaald zetten, Joe Mascott—of mijn naam is geen

Pinkerton!”

Hij daalde vlug de trap af, zonder zich verder om den ouden Chairman te

bekommeren en stapte in zijn auto, die nog stond te wachten.

De chauffeur had bevel gekregen, zijn meester naar huis te rijden, maar

onderweg scheen Pinkerton van gedachten te veranderen.

Hij nam de spreekbuis die hem in verbinding stelde met den chauffeur en

beval:

„Breng mij naar de boksschool van Stanley—weet je die? Het is in de

Dickens Street, een oud huis met een groote toegangspoort. Ik zal je

wel waarschuwen, als wij er zijn.”

De chauffeur tikte aan zijn pet en het voertuig zette zich weder in

beweging.

Een half uur later stond de auto stil voor het gebouw, waar „Black

Jimmy” troonde.

„Wacht hier,” beval Pinkerton den chauffeur. „Ik ben over een kwartier

terug.”

Hij ging haastig de trappen op en trad de wachtkamer binnen, waar zich

op dit oogenblik niemand bevond.

Maar de knecht met de morsige trui had zeker iets gehoord en kwam

binnen om naar het verlangen van den bezoeker te informeeren.

„Is George Malony hier soms?”

„Dat geloof ik wel, mijnheer. Wilt gij hem spreken?”

„Ja, verzoek hem even hier te komen.”

„Uw naam?”

„Die doet er voorloopig niet toe. Zeg maar dat een oude kennis hem over

een belangrijke zaak wenscht te spreken.”

De knecht bekeek Pinkerton verbaasd, die er met zijn dure kleeren in

het geheel niet uitzag als een „Oude kennis” van iemand als George

Malony, maar hij antwoordde niettemin, dat hij den bokser zou

waarschuwen.

Eenige minuten later trad Malony binnen.

Zijn gelaat stond tamelijk stuursch en hij keek den bezoeker met

onverholen bewondering aan.

Lord Lister No. 0333: De liefde van een bokser · 第 2 / 4 段