„Deze strekspier is nog niet voldoende ontwikkeld, en dat za

LORD LISTER

GENAAMD RAFFLES

DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 333 DE LIEFDE VAN EEN BOKSER.

DE LIEFDE VAN EEN BOKSER.

HOOFDSTUK I.

IN DE BOKSZAAL VAN „BLACK JIMMY”.

Het was omstreeks half drie in den middag, toen twee deftig gekleede

heeren met haastige schreden door de Dickens Street te Londen liepen.

Zij scheelde vrij veel in leeftijd, want de een kon omstreeks 40 jaar

zijn, tenminste te oordeelen naar zijn haar dat aan de slapen was

begonnen te grijzen, terwijl zijn metgezel niet veel ouder kon zijn dan

een jaar of 25, en een vol, blozend jongensgelaat met helder blauwe

oogen.

Vele Londenaren, vooral onder de armere klasse, kende hen als Lord

William Aberdeen en zijn secretaris Charly Brand—maar inderdaad was de

oudere der beide mannen niemand anders dan de lang gezochte

Gentleman-Inbreker John Raffles alias Lord Edward Lister.

Zij hadden juist eenige boodschappen verricht in deze buurt, zoover

afgelegen van de Regentstreet, waar zich het prachtige heerenhuis van

Lord Aberdeen bevond, en zij maakten zulk een haast omdat er een

regenbui dreigde.

Het was dien geheelen Zaterdag buitengewoon drukkend geweest, en alles

voorspelde een hevige onweersbui.

En eensklaps, nog voor de beide vrienden een auto hadden kunnen

aanroepen, begon het zoo vervaarlijk te plasregenen, dat zij, om het

einde van deze hevige bui af te wachten, haastig een schuilplaats

zochten in den ingang van een groot huis, waar een portier met de

handen op den rug heen en weer liep.

Maar het zag er volstrekt niet naar uit, dat de bui voorloopig zou

bedaren, integendeel, het leek hoe langer hoe erger te worden.

Nu de sluizen des hemels eenmaal geopend waren, kwam het regenwater in

dikke stralen omlaag gutsen, en in een oogwenk waren de straten geheel

verlaten.

Onwillekeurig, om zich het wachten een weinig te bekorten, liet Charly

zijn blikken dwalen over het groote, koperen bord, dat tegen de wanden

van den ingang was bevestigd, en waarop de namen der firma’s vermeld

stonden, die op de verschillende verdiepingen van het gebouw hun zaken

dreven. Eindelijk bleef zijn oog rusten op een dier namen.

Daar stond als huurder van een deel der vierde verdieping vermeld:

„Prof. J. Stanley, Ex-Kampioen van Engeland.”

„Zeker een biljard-matador,” zeide Charly half voor zich heen.

„Wie—Stanley?” vroeg Raffles. „Maar Charly, heeft de regen je hersens

een weinig verweekt, mijn jongen? Hoe is het—weet je niet eens wie

Jimmy Stanley, wie „Black Jimmy” is?”

„Mijn hemel, hoe kon ik zoo dom zijn,” riep Charly uit. „De Engelsche

bokskampioen van 1912, maar wij leven ook zoo snel—ik was het al

vergeten, zoo, zoo, woont hij nu hier?”

„Dat schijnt zoo, ik denk, dat hij nu anderen inwijdt in de kunst,

waarin hij zeker gedurende vele jaren zoozeer heeft uitgeblonken.”

Hij wierp een blik naar buiten, overtuigde zich, dat de regen nog

altijd in den vorm van pijpenstelen omlaag kwam en vervolgde:

„Kom, laten wij maar eens een kijkje bij hem gaan nemen. Er is toch

geen sprake van verder gaan, en dan verdrijven wij ons tenminste den

tijd.”

„Een goed plan,” zeide Charly. „Ik ben wel benieuwd, hoe onze Jimmy

zich als „Professor” houdt.”

De twee vrienden namen in de lift plaats en noemden den liftboy den

naam van den voormaligen Bokskampioen.

De lift hield stil op de 4de verdieping en de twee vrienden stapten uit

en moesten nu eenigen tijd rond zoeken, voor zij een deur ontdekt

hadden, waarop met witte letters de naam en het beroep van Jim Stanley

geschilderd stond.

Zij klopten aan en de deur werd geopend door wat men met eenigen goeden

wil een bediende zou kunnen noemen, maar de man zag er tamelijk

verwilderd uit, zijn haar, nat van het zweet, hing in slierten langs

zijn wangen, zijn eene oog was half dicht, hij droeg een morsige trui,

die oorspronkelijk wit was geweest en linnen gymnastiekschoenen, die

met touwtjes waren vastgebonden.

Zijn linkerhand was in een bokshandschoen gestoken, terwijl hij de

andere waarvan hij zich waarschijnlijk zooeven ontdaan had om de deur

te kunnen openen, onder den arm gekneld hield.

De man opende de deur dadelijk bij het zien van de beide chique

gekleede vreemdelingen, en liet, misschien van vreugde over het

buitenkansje, in een grijns al zijn tanden zien, niet veel meer

tusschen haakjes, want de meesten waren hem reeds uitgeslagen, maar met

het treurige overschot lachte hij dan ook allerbeminnelijkst.

„De heeren komen om den Professor te spreken?” vroeg hij, terwijl hij

gedienstig een stoel aanschoof, „nog een kwartiertje mijne heeren, dan

is die satansche schobbej....... ik wil zeggen—na een kwartiertje is

Professor Stanley gereed.”

Raffles en Charly bevonden zich in een klein vertrek, hetwelk

waarschijnlijk als wachtkamer bedoeld was, want er stonden een half

dozijn stoelen, en een klein rond tafeltje, dat bedekt was met

sportbladen, terwijl er aan de wanden talrijke foto’s van beroemde

boksers met punaises waren vastgestoken.

Het pronkstuk evenwel was een groote foto in een eikenhouten lijst,

waarop Black Jimmy stond afgebeeld, naast een ezel, die een groot

fluweelen schild droeg, waarop de verschillende medailles waren

bevestigd, die hij in den loop van zijn veelbewogen leven had verdiend.

De heer Jimmy stond daar, alleen gekleed in zijn kort wit boksbroekje,

en zijn linnen schoenen, in een zelfbewuste houding als van een

veldheer die een zwaren slag gewonnen heeft.

De man met het half dichtgeslagen oog wilde zich weder verwijderen,

maar Raffles riep hem terug en zeide:

„Wij zouden gaarne een les van den Professor bijwonen. Daar zullen toch

geen bezwaren tegen zijn?”

„Volstrekt niet mijne heeren, ik zal U even aandienen. Mag ik uw namen

weten?”

„O, dat is van later zorg,” antwoordde Raffles kortaf. „Zeg maar—twee

heeren uit het West End.”

De man met de vuile trui verdween door een andere deur, en keerde een

oogenblik later terug, met den Professor in hoogst eigen persoon.

Charly keek hem verbaasd aan en vroeg zich af, of dit dezelfde lenige

goed geproportionneerde bokser kon zijn, die hij nog in 1912 met

zooveel gemak het Engelsche kampioenschap had zien winnen.

Black Jimmy was een weinig corpulent geworden, en het gitzwarte haar,

waaraan hij zijn bijnaam had te danken gehad, was alleen nog maar

terzijde van zijn hoofd en in zijn nek zichtbaar, en niet meer zwart

maar grijs doorspikkeld.

Zijn kruin echter was zoo kaal en zoo glad als een billardbal.

Een vervaarlijke stoot, opgeloopen in 1914, had zijn neus uit de

loodlijn geslagen, en aan dit lichaamsdeel een kromming gegeven, welke

het niet direct ten goede was gekomen uit schoonheidsoogpunt.

Zijn wangen waren slap geworden, en hij zag er uit als een goedige

jachthond, met zijn lichtblauwe oogen, en zijn laag, gerimpeld

voorhoofd.

Hij was gekleed in een wit linnen pantalon, linnen schoenen met zoolen

van touw, en een trui van grijze wol, met opstaanden kraag.

Zijn handen waren in bokshandschoenen gestoken, en Raffles had met een

kennersoog dadelijk gezien, dat het wedstrijdhandschoenen van 6 ons

waren.

Black Jimmy ontving de beide deftig gekleede heeren met veel strijkages

en hield de deur voor hen open die naar het allerheiligste voerde—de

Gymnastiekzaal.

Raffles en Charly stonden in een ruime zaal, met wit geschuurde planken

bevloerd, en die zijn licht uit drie groote vensters ontving, welke op

een ruime binnenplaats uitzagen.

Hier en daar lagen op den vloer matrassen van verschillende dikten.

Maar in het midden was een groot stuk vilt neergelegd, waarover een

kleed van grauw linnen was bevestigd, dat aan de vier hoeken door

touwen was uitgespannen.

Deze „ring”, zooals het in de vaktaal heet, was omgeven door een dik

wit koord, aan vier witte palen bevestigd, die eveneens door touwen in

den juisten stand werden gehouden.

Ook deze ring had de voorgeschreven afmetingen, zooals die voor iedere

groote match gelden, namelijk 5 bij 5 meter.

Ter weerzijden van de beide gewitte muren stonden eenvoudige

schoolbanken voor de toeschouwers en leerlingen bestemd.

Dicht bij een der ramen was in de zoldering een verticale stang

bevestigd die, omstreeks 2 meter van den vloer, een groote, ronde

schijf van eikenhout droeg, omstreeks anderhalve meter in doorsnede.

In het midden daarvan was, aan een sterken riem een peervormige, zwarte

lederen bal opgehangen, en tegen dezen bal was een jonge, magere kerel

woedend aan het slaan, en telkens als hij den bal niet op de goede

wijze raakte, trof deze hem van de eikenhouten schijf terugspringend

midden op den neus of tegen de wang.

Iederen keer dat dit geschiedde—ongeveer 4 van de tien malen—uitte het

jonge mensch een hartigen vloek en schold zichzelf uit voor alles wat

leelijk was, waarna hij met vollen moed weder begon.

In een anderen hoek bevond zich een dergelijk werktuig, maar hier was

de bal bevestigd aan het uiteinde van een sterke, vernikkelde spiraal

veer, waarvan het andere einde in den vloer was bevestigd en die de

onhebbelijkheid scheen te hebben, diegeen die er met den vuist tegen

sloeg op de meest onverwachte oogenblikken tegen de minst verwachte

plekken van zijn lichaam te raken.

Op een andere plek weer was een gewone aardappelzak opgehangen gevuld

met nat zand, en tegen dit voorwerp ging een ander jongmensch,

buitengewoon corpulent, als een razende te keer, terwijl het zweet hem

in straaltjes langs het gelaat liep.

Nu en dan bewoog de zandzak heel eventjes, en dan liet de jonge man een

kreet van zegepraal hooren.

In een ander kleiner strijdperk waren twee mannen, tot het middel

naakt, aan het „sparren”, het boksen voor oefening, met dikke

handschoenen, waarmede zij elkander geen pijn konden doen.

Op de banken zaten een zevental jonge mannen, allen in trui, en met de

handschoenen op den schoot, die toekeken en hun voordeel trachtten te

doen met de opmerkingen, welke de Professor ten beste gaf.

„Black Jimmy” geleidde de beide bezoekers naar een der nog onbezette

banken, en zeide:

„Doe alsof gij thuis waart, mijne heeren, ik ga nu voort, en gij kunt

zien, dat ik mijn leerlingen niet laat stilzitten.”

Hij ging nu naar de beide jonge mannen toe, die in het kleine perk

bezig waren, en schreeuwde met luider stem zijn opmerkingen, opdat de

toekijkende leerlingen hem goed zouden hooren.

„Vlugger duiken, Jack! Je hebt op die manier den slag beet, voor je

weet waar hij vandaan komt, dek je, Tom, maar voor den duivel—dek je

dan, denk je, dat je tegenpartij met je vecht om je te masseeren? Die

hook was goed. Niet op het achterhoofd slaan—gentleman blijven, Jack!

Voor zoo’n slag zou de referee je uit den ring hebben gestuurd. Zeg

Tom, sinds wanneer raak je de lui onder den gordel. Als je het in de

ribben zoekt, sla hem dan liever dadelijk een blauw eksteroog!”

De Professor scheen deze aardigheid zelf zoo goed geslaagd te vinden,

dat hij in een bulderend gelach uitbarstte.

En daarop vervolgde hij:

„Je voetenwerk is nog niet veel zaaks, Jack! Meer tippelen, man, meer

tippelen. Ik zal je straks nog een kwartiertje touwtje laten springen,

hoor boy! Pang! Die uppercut zat! Kijk, Tom zwaait. En ik zie rood.

Nou, dat hindert niet—aan bloed zullen jullie nog moeten wennen. Hallo

daar. Niet vastgrijpen! Los! Los, zeg ik! Wil je wel loslaten, Jack?”

In het vuur van den strijd scheen Jack niet naar het bevel te

luisteren.

Vlugger dan men van hem verwacht zou hebben, was Stanley over het koord

gewipt en nu gaf hij den ongehoorzamen leerling een slag tegen de

borst, die hem achteruit deed tuimelen, zoodat alleen de touwen hem

voor een val behoeden.

„Dat zal je leeren, man! Je komt hier om te boksen, niet om te

worstelen. Ik heb vijftien jaar tusschen de touwen gestaan, mijnheer—en

ik heb nog nooit mijn man vastgegrepen, mijnheer. Alles met de vuisten

mijnheer! En nu ingerukt. Ga je gezicht wasschen Tom. Je neus bloedt,

vadertje.”

Inderdaad was de neus van Tom deerlijk geraakt, ondanks de dikke

handschoenen en hij haastte zich naar het waschvertrek, om zich te

verkleeden, en zijn neus te betten, die vervaarlijk was opgezwollen.

Intusschen was de professor op den jongen man toegetreden, die met den

oefenbal doende was.

Hij keek met de handen in de zijde gesteund even toe, en viel toen uit:

„Ziet U niet, dat die bal kwaad op u is, mijnheer Drebble? Sla terug,

anders mept hij u nog knocked out!”

Hij zette zijn rondgang voort en bereikte nu den corpulenten heer, die

den zandzak bewerkte.

Stanley grijnsde vriendelijk, en klopte den dikzak op den schouder.

„Well, mijnheer Bristol—kriebelt u dien zandzak een beetje? Aardige

tijdpasseering. Pas op of u zult hem nog aan het lachen maken. Kom,

voor den duivel mijnheer—sla er op! Wees niet bang, dat u eelt op uw

handen krijgt! Dat is juist goed! Zoo mijnheer—zóó!”

En Stanley trad op den zandzak toe, en gaf er met de bloote hand een

slag tegen, die den zak geheel uit de loodlijn sloeg.

Charly maakte bij zich zelf de opmerking, dat de professor dan wellicht

in de ring niet meer de oude mocht zijn, maar dat hij nog altijd een

geweldige kracht in armen en handen had.

Nu klapte Stanley in de groote handen, en riep met een stentorstem:

„Allen op uw plaatsen, mijne heeren! De vergevorderden zijn nu aan de

beurt.”

Dadelijk gehoorzaamden de leerlingen het bevel en lieten ring, bal,

zandzak, en halters in den steek, om op de banken plaats te nemen.

HOOFDSTUK II.

JOE MASCOTT.

De deur in een der korte wanden van de oefenzaal ging open, en er

verschenen vier jonge mannen, allen in witte pantalons en hoog in den

hals gesloten, wit wollen truien gekleed.

„Bill Stevens tegen George Malony!” schreeuwde de professor.

Dadelijk kropen de twee opgeroepenen onder de touwen door, stelden zich

in positie en begonnen te sparren, maar het was dadelijk te zien, dat

deze mannen het reeds ver in de edele kunst der zelfverdediging hadden

gebracht, zooals de Britten het boksen noemen.

Zij droegen tamelijk lichte handschoenen, en de slagen hadden een

helder kletsend geluid, als zij neerkwamen op nek en borst.

Er werd gebokst, als gold het een geregelde wedstrijd, in ronden van

twee minuten elk en de knecht, dien Raffles en Charly zooeven reeds in

functie van portier gezien hadden, trad nu op als helper van een der

strijdenden, terwijl Stanley met handdoeken en water druk in de weer

was, om den ander af te koelen, na iedere ronde.

Het bleek al spoedig, dat Bill Stevens verre de meerdere was van zijn

tegenstander.

In de vierde ronde was deze reeds tamelijk vermoeid en ontweek traag de

slagen, die op hem neder regenden.

In de zesde ronde liet Stanley hem ophouden.

Hij wendde zich tot Malony en zeide op strengen toon:

„Je hebt weer te veel gegeten, George—en je bemoeit je nog te veel met

de vrouwtjes. Als je ooit een prijsbokser wilt worden, dan zal dat

moeten veranderen—anders doe je beter, moeite te doen voor een baantje

als kinderjuffrouw.”

Malony trok een nijdig gezicht en bromde iets tusschen de tanden,

waarop hij zijn handschoenen uittrok en den ring verliet, om zich in

het waschhok te gaan afspoelen.

„Joe Mascott tegen Mac O’Neill!” brulde Stanley opnieuw.

De twee jongelieden traden in den ring en Stanley, met het horloge in

de hand, gaf het teeken.

De boksers vielen op elkander aan.

En aanstonds was de belangstelling van Charly en Raffles gewekt.

Want daar waren twee meesters in de kunst met elkander handgemeen

geworden, dat was op het eerste gezicht te zien.

Zij brachten hun stooten bliksemsnel toe en ontweken elkander met

onbegrijpelijke snelheid.

Maar voor kenners als Raffles en Charly kon er niet aan getwijfeld

worden, of Joe Mascott was de meerdere.

Hij viel vliegensvlug uit en scheen zich toch niets te overhaasten,

maar zijn stooten degelijk te overdenken.

Zijn beenwerk was onberispelijk en soms leek het, of hij op drie

plaatsen tegelijk was.

In de derde ronde raakte Mac O’Neill hem vlak op de kaak.

Mascott wankelde slechts even, maar geen spier op zijn gelaat bewoog

ofschoon de hevige slag een minder getraind man zeker bewusteloos zou

hebben gemaakt.

In de vierde ronde moest hij nog twee krachtige slagen in ontvangst

nemen van zijn tegenstander, die iets meer scheen te wegen en ook

eenige centimeters grooter was.

Maar hij glimlachte slechts flauwtjes en Stanley schreeuwde opgetogen:

„Kijk mij dien kerel eens! Zou men niet zeggen, dat O’Neill hem onder

de kin streelt?”

De vijfde en de zesde ronde waren zeer beslist voor Mascott, die zijn

tegenstander drie malen hard tegen den kin trof.

Hij scheen nog volstrekt niet vermoeid te zijn, maar Mac O’Neill

steunde en blies als een stoommachine en had na iedere ronde zijn

minuut rust hard noodig.

De zesde ronde bracht in de eerste seconde eenig voordeel voor Mac

O’Neill en hij raakte Joe in de nierstreek, zoodat deze even wankelde.

Maar hij herstelde zich dadelijk weder en trof den ander onder het oor.

„Joe is van hout, bij Jove!” schreeuwde de professor vol geestdrift.

„Daar zit een prijswinner in! Ik zeg.......”

Niemand vernam dien dag, wat Stanley had willen zeggen, want Joe was

eensklaps uitgevallen, onder den gestrekten arm van Mac O’Neill door en

het volgend oogenblik lag deze op den vloer uitgestrekt, trok nog even

met de beenen en lag stil.

Het was zoo vlug gegaan, dat Stanley zelfs vergat te tellen en

stokstijf met het horloge in de hand naar het beweginglooze lichaam

bleef kijken.

Toen nam Charly zijn taak maar over en telde luid:

„Een—twee—drie—vier—vijf—zes— —”

Bij de zevende tel deed Mac O’Neill een krampachtige beweging om op te

staan.

„Acht—negen—tien!”

De tien seconden waren verloopen, en Mac O’Neill had zich nog niet

kunnen oprichten.

Stanley vloog op Joe toe, en schreeuwde:

„Als je zoo doorgaat—voorspel ik je een groote toekomst, Joe! Jij bent

de trots van mijn instituut! Tien minuten wachten en dan de twee

winnende tegen elkaar!”

De twee boksers verdwenen in hun kleedkamertjes en de leerlingen

begonnen weer aan hun oefeningen.

Raffles trad op Stanley toe en zeide op zachten toon iets tegen hem.

De ex-kampioen knikte levendig, liep naar een der deuren en schreeuwde

naar binnen:

„In wedstrijdcostuum, heeren, op vereerend verzoek van onzen gast!”

De tien minuten waren juist verloopen, toen de deur weder openging en

de twee boksers, Joe Mascott en Bill Stevans, binnen traden.

Zij droegen thans niets anders dan een kort broekje van wit linnen en

linnen laarzen.

Zoo betraden zij het strijdperk.

Stanley regelde zijn stopwatch en riep:

„Vooruit!”

De strijd nam een aanvang.

Raffles hield strak het oog op Joe gevestigd.

Hij was zelf een uitstekend bokser, en hij kende de werking der spieren

als weinig anderen.

En wat hij daar voor zich zag was eenvoudig volmaakt.

Nog nimmer had hij een man gezien, zoo bij uitstek geschikt voor de

beoefening van de bokskunst.

Joe Mascott kon omstreeks 73 tot 75 kilo wegen.

Zijn ledematen waren voortreffelijk geproportioneerd, geen millimeter

te lang of te kort.

De armen, waarvan het vel van louter gezondheid glansde als zijde,

hadden die lange spieren welke den goeden bokser kenmerken.

De borst was breed en licht gewelfd, de hals rond en gespierd, de

schouders waren klassiek gevormd en helden een weinig af, eveneens een

kenmerk van den bokser zooals hij zijn moet.

De beenen hadden een onberispelijken vorm, met lange, langzaam naar de

knie smaller wordende dijen, gespierde kuiten en een hooge wreef.

Op den rug, blank als die eener vrouw, lagen de spieren vlak onder de

huid, en zij werkten bij iedere beweging, welke de jonge man maakte.

Joe Mascott had in het geheel niet het typische boksergezicht, het lage

voorhoofd, de diepliggende oogen en de dikke wenkbrauwen, die als

luifels de oogen beschermen.

Integendeel—hij had een fijn, regelmatig gevormd gelaat, bijna

meisjesachtig, en waarin groote, lichtgrijze oogen schitterden.

Zooals hij daar stond, bijna naakt, was hij een toonbeeld van

gezondheid en lenige kracht, waardig om als model voor een beeldhouwer

te dienen.

Reeds waren er eenige slagen gevallen, die luid op de naakte huid

kletsten.

De beide boksers droegen handschoenen van slechts drie ons en de slagen

kwamen dus duchtig aan.

De taktiek van Bill Stevans kwam dadelijk aan het licht.

Hij wist, dat zijn tegenstander van buitengewone taaiheid was en het

daarom op den duur zou moeten winnen—tenminste als hij hem niet binnen

vier ronden had neergeslagen.

Hij viel daarom aanstonds woedend aan en trachtte Joe telkens den

gevaarlijken kaakslag toe te brengen, die, goed aankomend, meestal

degeen, die hem ontvangt, den vloer doet meten.

Maar Joe scheen dien toeleg te hebben doorzien en hij bepaalde er zich

aanvankelijk toe, de snelle slagen van zijn tegenstander te ontwijken,

door zeer snel te duiken, of een paar passen terug te springen.

De ronde van twee minuten waren reeds verstreken en reeds begon Stevans

kenteekenen van vermoeidheid te geven, terwijl Joe zoo frisch was,

alsof hij zooeven uit zijn kleedkamer was gekomen.

Stanley schreeuwde in de tusschenpoozen zijn raadgevingen onpartijdig

tot de beide boksers, terwijl hij druk doende was met handdoeken en

water, met azijn aangelengd.

En in de vierde ronde werd Stevans uitgeslagen...

Het geschiedde reeds na de eerste verkenningen.

Stevans was op Joe toe gesprongen, en het scheen, of zijn vuist den

jongen man juist tegen de punt van de kin zou treffen.

Maar op het allerlaatste oogenblik weerde Joe den zwaren slag met de

rechterhand af, en het volgend oogenblik zat zijn linkervuist op de

kaak van den tegenstander, die als een blok neerviel, om en om rolde,

en toen bleef liggen half onder de touwen.

Stanley telde hem uit, zonder dat hij zich verroerde.

Toen trad Joe op den verslagen tegenstander toe, en rolde hem om,

zoodat hij hem in het gelaat kon zien.

„Ik heb hem toch niet te erg geraakt, mijnheer?” vroeg hij op zachten

toon aan Stanley, die zich reeds met iemand anders bezig hield.

„Welneen,” riep de professor luidruchtig. „Hij kan wel tegen een

stootje. Kijk maar, hij komt al weer boven water.”

Stevans had zich inderdaad half opgericht, en keek verward om zich

heen.

Toen herkende hij het gelaat van Joe, en stak hem glimlachend de hand

toe.

„Je hebt mij geklopt, Joe—en eerlijk,” zeide hij nog wat zwak. „Man, we

zullen nader van je hooren.”

„Zou je denken, George?” vroeg Joe gretig, terwijl zijn oogen begonnen

te schitteren.

„Wel, ik ben er even zeker van, als dat ik nog nooit te voren klop heb

gehad van een leerling van Stanley—en ook niet van den baas zelf.”

Hij krabbelde overeind, waarbij Joe hem hielp, en strompelde naar het

waschhok, om zich daar door een koude douche weder te herstellen van de

inspanning.

Joe, die een handdoek om zijn hals had geslagen, wilde zich eveneens

verwijderen, toen hij een hand op zijn schouders voelde.

Raffles stond voor hem en keek hem vol belangstelling aan.

„Ik wilde u even zeggen, dat ik groote bewondering koester voor uw

wijze van boksen, mijnheer Mascott,” zeide hij. „Ik mag zeggen dat ik

er verstand van heb.”

„Het doet mij genoegen, dat gij er zoo over denkt, mijnheer,” zeide

Joe, terwijl hij bloosde van genoegen bij het hooren van die lofspraak.

Raffles liet zijn stem nu tot een zacht gefluister dalen en voegde er

aan toe:

„Alleen zou ik U den raad willen geven—tenminste als het u ernst is, om

ooit iets te beteekenen tusschen de witte touwen—om u van een anderen,

beteren leermeester te voorzien. Ik wil niets afdingen op de

hoedanigheden van Stanley als bokser—maar als coach deugt hij niet. Er

is veel meer uit u te halen, neem dat van mij aan, mijn waarde Joe.

Wanneer gij U onder de leiding stelt van een eerste rangs trainer, dan

voorspel ik u een schitterende toekomst—tenminste wanneer het u ernst

is met de bokskunst.”

Raffles haalde zijn opschrijfboekje te voorschijn, scheurde er een der

geperforeerde bladzijden uit, schreef er een paar woorden op, stak het

den jongen athleet toe, terwijl hij zeide:

„Dat is het adres van een voortreffelijken bokser die tevens een

uitstekend leermeester en trainer is. Laat Stanley schieten, die nog

van de oude school is, en op een ouderwetsche wijze les geeft, terwijl

hij zich volstrekt niet schijnt te bekommeren om de algemeene

ontwikkeling van zijn leerlingen.”

Raffles legde de hand op den bovenarm van Joe Mascott, en vervolgde:

„Deze strekspier is nog niet voldoende ontwikkeld, en dat zal zij ook

nooit worden, als gij hier blijft door gaan. Die spier moet in het

bijzonder behandeld worden—evenals eenige spieren van buik en rug,

welke gij nog niet geheel en al in uw macht hebt. Maar zijn ook die

goed geoefend, dan wil ik er wat onder verwedden, dat gij binnen een

paar maanden in staat zult zijn, Bombardier Wells, Johnson, ja zelfs

Carpentier te kloppen.”

Mascott vatte de hand van Raffles, en zijn oogen schitterden toen hij

op gedempten toon zeide:

„Gelooft gij dat werkelijk, mijnheer? O, het is sedert eenigen tijd

mijn ideaal om mij in een openbaren wedstrijd met de beste Engelsche en

Amerikaansche boksers te meten—maar over George Carpentier, den

Franschen Kampioen, heb ik nimmer durven denken.”

„Als gij u ijverig blijft oefenen en niet in deze omgeving blijft, dan

zou het mij niets verwonderen, als gij binnen enkele maanden in staat

zoudt zijn, den jongen Franschman te ontmoeten. Maar zeg mij eens—wat

zijt gij eigenlijk van uw beroep?”

„Bankbeambte, mijnheer!”

„Dan hebt gij zeker niet veel tijd om u te oefenen?”

„Alleen des Zaterdagsmiddags, Zondags en enkele avonden van de week als

ik geen boeken bijhoud voor kleine neringdoenden.”

„Wilt gij mij uw adres niet opgeven? Ik stel zeer veel belang in uw

vorderingen en ik zou gaarne wat naders van u vernemen.”

„Ik woon met mijn moeder en mijn zuster in de Black Friar street 37,

mijnheer,” antwoordde de jeugdige bokser.

„Nu dan hoop ik je nog wel eens terug te zien,” zeide Raffles

vriendelijk. „Uw beenwerk is onberispelijk—daaraan behoeft gij niets

meer te doen, behalve misschien nu en dan eens een honderd ellen zoo

snel mogelijk loopen. Als gij uw rug- en armspieren alles laat doen wat

zij vermogen, dan slaat gij alle personen die gij hier in de zaal

gezien hebt, in de eerste helft van de eerste ronde tegen den grond.”

„Ik dank u hartelijk voor uw goeden raad, mijnheer, en ik zal niet

nalaten hem op te volgen. Alleen.......”

Hij voltooide den zin niet, maar aarzelde en trok bedremmeld den

handdoek over zijn schouders heen en weer.

„Ik geloof, dat ik weet wat je zeggen wilt,” zei Raffles glimlachend.

„De voorwaarden van den man wiens naam op dit papiertje staat zijn zeer

schappelijk; wat zij steeds zijn, als hij ziet, dat hij met een

buitenklassigen bokser te doen heeft.”

Op dit oogenblik kwam Stanley op het drietal toe en om den voormaligen

kampioen niet te kwetsen, werd het gesprek beëindigd en verdween Joe

Mascott in de badkamer om zich met een koude douche te verfrisschen.

Raffles en Charly spraken nog eenigen tijd met den professor en daarop

namen zij afscheid, met de belofte, dat zij nog wel eens terug zouden

komen.

Toen de beide vrienden op straat kwamen was de bui geheel overgedreven

en de zon scheen opnieuw aan den hemel van het zuiverste blauw.

De twee mannen besloten naar huis te loopen en dadelijk begon Raffles:

„Wel, wat zeg jij van Joe Mascott?”

„Ik geloof ook, dat hij groote capaciteiten heeft, die thans nog

sluimeren,” antwoordde Charly. „Hij is gebouwd als een athleet uit het

oude Griekenland, hij heeft een verbazend groot uithoudingsvermogen en

hij schijnt ook goed tegen harde slagen bestand te zijn.”

„Hij is gemaakt van hout, waaruit men de beroemdheden snijdt, mijn

waarde,” riep Raffles uit. „Ik heb nog nimmer zulk een bliksemsnelle

actie gezien en nog nooit zag ik een bokser, die zoo voortreffelijk

zijn voeten weet te gebruiken. Als die jongen van den aanvang al zich

onder de leiding had gesteld van een 1ste rang’s trainer, dan zou hij

nu reeds de meest bekende Engelsche en ook buitenlandsche boksers

kunnen staan.”

„Naar wien heb je hem heengezonden?”

„Naar Fred Simons. Hij is naar je je wel zult herinneren, eenige jaren

geleden Kampioen van Australië geweest en hij behoorde zeker tot de

beste boksers van zijn klasse. Maar als trainer en opleider van

boksers, zoekt hij vruchteloos zijn weerga! Hij ziet met een oogwenk,

waar de zwakke punten van zijn leerlingen zijn, en hij weet de

middelen, en hij past ze ook toe, om die te verbeteren. Als hij Joe

Mascott een paar maanden onder handen heeft gehad, dan zal die jonge

man eenvoudig niet te kloppen zijn in ons land!”

De beide vrienden spraken nog eenigen tijd over de zaak door, totdat

zij het fraaie heerenhuis in de Regentstreet binnentraden, hetwelk

Raffles bewoonde onder den naam van Lord William Aberdeen.

HOOFDSTUK III.

DE NIEUWE MEESTER.

Er was omstreeks een week voorbij gegaan, sedert het bezoek aan de

oefenzaal van Black Jimmy en eigenlijk had Charly het geheele voorval

reeds bijna vergeten, want hij had het juist in dien tijd bijzonder

druk met het regelen van sommige geldelijke zaken, waarbij Lord

Aberdeen de eene partij en een half dozijn ziekenhuizen en instellingen

van liefdadigheid de andere partij was.

Maar Raffles had Joe Mascott niet uit zijn gedachten laten gaan en hij

besloot eens bij Fred Simons aan te loopen, teneinde te vernemen, of de

naam van den jongen bankklerk soms onder zijn nieuwe leerlingen

voorkwam.

Simons had een groote inrichting in de Queen Annastreet en hij had

onder zijn leerlingen zeer veel jongelui van geld en zelfs van adel,

die zich aan zijn hoede hadden toevertrouwd met het oog op de

aanstaande Olympische spelen, waaraan zij hoopten deel te nemen.

Daaronder waren roeiers, zoowel als balwerpers, voetballers zoo goed

als boksers, worstelaars, en ook hardloopers.

Want voor Fred Simons scheen het menschelijk lichaam geen geheimen te

hebben en hij kende op een haar iedere functie van de geringste spier,

hij scheen te kunnen raden, welk voedsel voor zijn „Boys” het best

geschikt was op een zeker tijdstip, hoeveel uren zij moesten trainen en

van welken aard de training moest zijn.

Hij had hiermede reeds zooveel geld verdiend, dat hij eigenlijk zijn

schaapjes reeds op het droge had en desnoods van zijn rente had kunnen

leven.

Maar daaraan dacht de voormalige Australische kampioen niet, want hij

had een waren hartstocht voor zijn beroep en hij hoopte er nog lange

jaren mee voort te gaan.

Zijn „Instituut voor Physische therapie”, zooals hij het wel wat

weidsch noemde, bestond uit een zestal zalen, waarvan er een

uitsluitend aan de bokskunst gewijd was, die uit den aard der zaak bij

Simons de eerste plaats bekleedde.

Voorts was er een turnzaal, een zaal voor heilgymnastiek, een zaal voor

waterbehandeling, met een zeer groot zwembassin, waar men ook Turksche

baden kon gebruiken en voorts nog een zaal waar geschermd kon worden,

terwijl er tenslotte een vertrek was, waar men zijn beurt kon

afwachten—en dat zag er heel wat beter uit dan het kale wachtkamertje

van zijn voormaligen collega, Black Jimmy.

Er stonden een paar dozijn gemakkelijke stoelen en op een paar zware

ebbenhouten tafels lag een groot aantal tijdschriften op allerlei

sportgebied.

Fred Simons was ook niet goedkoop—en daar kwam hij rond voor uit.

Maar het was evenzeer bekend, ofschoon de brave kerel er zelf geen

ophef van maakte, dat hij een oogje dichtkneep als zich iemand bij hem

kwam vervoegen, die het blijkbaar niet al te breed had, maar wiens

geheele lichaamsbouw hem als het ware voorbestemde, om bij ernstige

oefening in deze of gene tak van sport uit te blinken.

Zoo had hij op het oogenblik onder zijn leerlingen een hardlooper,

waarvan hij de grootste verwachtingen koesterde en een balwerper

waarvan hij zelf verzekerde, dat hij binnenkort alle bestaande

wereldrecords met glans zou slaan.

Naar dezen man nu begaf Raffles zich, tamelijk vroeg in den morgen,

terwijl hij Charly bij zijn boeken en registers achterliet.

De Gentleman-Inbreker was zelf geruimen tijd een der ijverigste

leerlingen van Fred Simons geweest en hij bezocht hem ook nu nog

geregeld om een paar partijen met den ex-kampioen te boksen, die nog

altijd ondanks zijn veertig jaren over een uitmuntende techniek en

groote kracht bleek te beschikken.

Raffles werd ontvangen door den neger-portier, die hem aanstonds

herkende en al zijn blinkend witte tanden vertoonde en naar Simons

geleid, die natuurlijk ook al „Professor” was.

De voormalige kampioen had een zwak voor zijn lordschap en hij ontving

hem dan ook dadelijk, ofschoon er eigenlijk eenige leerlingen wachtten.

„Het doet mij genoegen u weer te zien, Mylord!” riep Simons uit,

terwijl hij Raffles zijn groote, verbazend harde hand toestak, zorg

dragende, dat hij niet al te sterk kneep, want hij wist maar al te

goed, dat zijn handdruk een zeer pijnlijke gewaarwording opleverde voor

dengeen die er mede begroet werd.

Hij had zijn bezoeker ontvangen in de groote bokszaal, een ruim,

luchtig vertrek op de bovenste verdieping van het huis en dat zijn

licht ontving door 5 groote ramen in den achtermuur en tevens door een

zeer groote lantaarn in de zoldering aangebracht en die door middel van

een gordijn tegen de al te felle zonnestralen kon worden beschermd.

Raffles antwoordde:

„Ik voel dat een weinig beweging mij goed zal doen, mijn waarde

Professor, hebt ge een kwartiertje voor mij?”

„Voor U altijd, Mylord,” antwoordde Simons. „Uw costuum hangt op de

bekende plaats. Gij hebt het maar aan te trekken.”

Raffles knikte den professor toe en begaf zich naar een der kleedkamers

waar zijn trui en zijn witte pantalon gereed lagen, keurig opgevouwen

door de zorg van de twee bedienden, die Simons er op na hield.

Hij ontdeed zich snel van zijn bovenkleederen, trok de linnen

pantoffels aan en stak zich in het sportcostuum.

Toen hij in de zaal terug kwam, stond Simons hem reeds op te wachten

met de bokshandschoenen in de hand.

Raffles trok ze aan en de partij begon.

Na iedere drie minuten werd even opgehouden en Simons maakte van de

tusschenpoozen gebruik om Raffles te verzekeren, dat hij nog niets van

zijn vlugheid, zijn scherp oog en zijn kracht verloren had.

Toen het kwartier verstreken was, riep de voormalige kampioen uit:

„Ik blijf er bij, dat het zonde is, dat gij nooit in een openbaren

wedstrijd zijt opgetreden, Mylord. Het mag dan niet met uw stand

strooken, maar gij zoudt menig beroepsbokser een lesje kunnen geven.”

„Later misschien wel eens, mijn waarde Simons,” zeide Raffles lachend,

„en vertel mij nu eens hoe het met de leerlingen staat, hebt gij er nog

een bijgekregen sedert ik u voor de laatste maal zag?”

„Een zestal, Mylord. Vijf daarvan hebben eigenlijk niet veel om het

lijf en tusschen ons gezegd en gezwegen, zou ik hen niet hebben

aangenomen, als zij niet zoo bar rijk waren geweest—de oorlog, begrijpt

gij!—en mij een handvol geld betaalden. Maar de zesde...........”

Simons voltooide den zin niet, maar kuste met opgetrokken wenkbrauwen

de toppen van wijs- en middelvinger van zijn rechterhand en liet een

langgerekt: „umm” hooren.

En toen bastte hij uit:

„Mylord, daar komt mij drie dagen geleden een jonge kerel bij mij, die

mij vertelde dat hij bankklerk is en gestudeerd heeft—dat noemen zij

studeeren!—bij Jimmy Stanley, maar dat hij zich nu in ernst op zijn

training wil toeleggen en daarom mijn condities wilde weten. Ik bekijk

den jongen zoo eens van top tot teen, ik zeg tegen hem, dat hij zijn

vodden en todden maar eens moet uittrekken en Mylord—ik krijg daar een

athletenfiguur te zien—een beeldhouwer zou het niet mooier kunnen

maken, op mijn woord. Ik zag natuurlijk dadelijk, dat Stanley zijn geld

van dien jongen had opgestreken, zonder er iets voor uit te voeren,

want er waren spieren van bovenarm en rug, zoogoed als niet geoefend en

ook met de buikspieren was het niet allemaal in orde. Ik zeg zoo tegen

hem: Kom jij maar bij mij, vriend en laat dien kwakzalver, dien

marktschreeuwer maar waaien. Ik maak een bokser van je, of ik geef mijn

titel als Kampioen cadeau!”

„Welzoo!” riep Raffles uit, die groote belangstelling veinsde, al

begreep hij natuurlijk dadelijk, dat dit niemand anders geweest kon

zijn dan Joe Mascott. „Maar ik wist niet, dat een bankbeambte zich die

weelde kon veroorloven, mijn waarde Simons! Want gij zijt een

voortreffelijk trainer, en ik weet niet wat men goedkoop noemt.”

„Maar Mylord!” riep de bokser op verontwaardigden toon. „Denkt gij dat

ik dien jongen het vel over de ooren zal halen? Ik heb het schappelijk

met hem gemaakt—hij betaalt mij 5 shilling per les—in plaats een pond!

En ik heb hem gezegd, dat ik hem binnen twee maanden klaar zal hebben

gekregen om tegen wien ook te vechten!”

Raffles glimlachte—men kon wel zien, dat Simons niet zeer goed op de

hoogte was van de salarissen van bankklerken, al nam hij niet meer dan

twee lessen in de week, dan zou het hem toch nog altijd 10 shilling

zijn—en het was zeer de vraag of hij die wel kon missen, daar het

immers zeer wel mogelijk was, dat hij van zijn schamel loon ook nog

zijn moeder en zuster moest onderhouden.

Hij klopte echter den ex-kampioen op den schouder en zeide:

„Dat is kranig van u, mijn waarde Simons. Kan ik dat wonder niet eens

zien; gij weet hoeveel belang ik stel in aankomende boksers, vooral

wanneer gij zegt dat zij iets te beteekenen hebben.”

„Welzeker Mylord, met genoegen! Die jongen, Joe Mascott heet hij,

vertelde mij dat een rijk heer, die zijn naam niet had genoemd hem mijn

adres had opgegeven en ik vraag mij af wie dat wel geweest kan zijn.”

„Vraag niet langer, waarde Simons—die rijke mijnheer was ik!”

antwoordde Raffles glimlachend.

„Gij Mylord?” riep de Australische kampioen verbaasd uit. „Neem mij

niet kwalijk dat had ik dadelijk moeten begrijpen. Maar hoe kwaamt gij

in ’s Hemelsnaam bij dien schreeuwer van een Stanley verzeild?”

„Louter toeval, ik liep er zoo maar eens binnen en zag Mascott werken!

Ik bemerkte aanstonds, dat er wat in hem school, maar dat Stanley niet

de man was om het er uit te halen, daarom zond ik hem naar u toe! Ik

wilde daar eerst niet verder over spreken, maar nu de jonge man mij al

half verklapt heeft, zal ik maar open kaart met U spelen. Ik stel veel

belang in Mascott, maar voorloopig behoeft hij mijn naam nog niet te

weten. Misschien zal hij er wel naar vragen maar dan ontwijkt gij die

vraag maar. Gij denkt dus werkelijk, dat er wat in hem schuilt?”

„Ik ben er van overtuigd, Mylord. Over drie weken is er hier te Londen

een wedstrijd om een beurs van 500 pond! Daaraan mogen alleen Engelsche

boksers deelnemen. Welnu ik maak mij sterk dat ik hem binnen drie weken

zoover heb, dat hij een gooi naar die 500 pond kan doen. De

inschrijving is over een week gesloten. En als mijn man bij dien

wedstrijd wint—dan kan hij al dadelijk zooveel engagementen krijgen als

hij maar verkiest. Ik heb hem eens laten sparren met een van mijn beste

lui en ofschoon er met dikke handschoenen gevochten werd, lag de man

binnen tien tellen tegen de vlakte. Nooit zoo iets gezien, Mylord!”

„Het doet mij genoegen, dat gij er zoo over denkt, mijn waarde Simons,”

zeide Raffles glimlachend. „Het blijft dus afgesproken—gij noemt

voorloopig mijn naam niet. En nog iets—ik betaal u een pond voor iedere

les, welke hij neemt—op voorwaarde dat gij hem niets in rekening

brengt. Gij hebt u werkelijk zeer liberaal jegens hem getoond en dat

stel ik op hoogen prijs—maar gij weet niets van de salarissen, welke de

bankklerken verdienen, 5 shilling is voor hem nog een zeer groote

opoffering.”

„Wel Mylord, dat heb ik niet geweten,” stamelde Simons. „Ik weet ook

niet of ik uw aanbod mag aannemen.”

„Doe het maar wel,” hernam Raffles glimlachend, „en besteedt al uw

zorgen aan den jongen man. Als hij later veel prijzen verdient en het

in zijn hoofd krijgt U alle lessen te betalen, dan kunt gij mij het

geld, als het uw eer te na is, mijnentwege ook terug geven, is het zoo

goed?”

„Mylord, gij zijt een man naar mijn hart. Een echte sportman,” riep

Simons vol geestdrift uit en het had weinig gescheeld, of hij had zijn

adellijken leerling een harden klap op den schouder gegeven.

Maar Raffles was al bij de deur van zijn kleedkamer, en riep van daar:

„Wanneer komt Mascott hier weder oefenen?”

„Vanmiddag om drie uur, Mylord.”

„Nu, als ik tijd heb, kom ik bepaald even kijken,” kwam Raffles en

daarop trad hij het vertrekje binnen, om zich weder te verkleeden.

Toen hij weder in de bokszaal trad, was Simons daar reeds bezig met een

paar zijner leerlingen.

Raffles knikte hem in het voorbijgaan nog even toe en daarop verliet

hij het groote gebouw.

Hij zorgde dien middag echter weder om 3 uur in de wachtkamer te zijn

en daar vernam hij van den negerbediende, dat Joe Mascott zooeven

gekomen was en zich reeds verkleedde.

Raffles wandelde naar de zaal, waar een tiental jonge lieden bijeen

waren en werd daar verwelkomd door Simons die vroolijk uitriep:

„Blij dat gij uw woord hebt gehouden, Mylord!”

Hij nam hem terzijde en vervolgde op gedempten toon:

„Ik heb hem gezegd, dat hij niets voor de lessen behoefde te betalen,

tot hij zijn eersten wedstrijd gewonnen zou hebben. Gij hadt zijn

gezicht eens moeten zien. Ik geloof waarachtig, dat hij bijna ging

huilen. Maar hij wilde volstrekt alles terugbetalen, wanneer hij met

zijn boksen geld verdiend zou hebben.”

„Daar heb ik hem al voor aangezien.”

„Maar ik geloof, tusschen ons Mylord, dat hij vermoedt, dat ik het niet

uit mij zelf doe en dat zijn onbekende beschermer er achter moet

zitten, want hij vroeg nogmaals naar Uw naam.”

„Wat heb je toen gezegd?”

„Ik heb gezegd, dat hij praatjes verkocht en dat hij hier kwam om te

boksen!”

„Een voortreffelijk antwoord, Simons,” zei Raffles glimlachend.

De professor moest zich nu weer aan een zijner leerlingen wijden en

eenige minuten later trad Mascott in trui en witte pantalon binnen.

Raffles had zich zooveel mogelijk achteraf gehouden en in een klein

zijvertrek plaats genomen, vanwaar hij de oefenzaal geheel kon

overzien.

Het bleek, dat zijn beschermeling met zijn leermeester zou boksen—want

reeds nu was er niemand onder de leerlingen, waardig om zijn

tegenstander te zijn.

Wij zeiden reeds, dat Raffles verstand had van de zaak waarom het ging

en hij zag spoedig, dat de voormalige kampioen alle moeite van de

wereld had, om de bliksemsnelle slagen van Joe Mascott te ontwijken, en

nu en dan op zijn beurt een vinnigen uitval te doen, dien de jonge man

echter steeds bij tijds wist te ontwijken.

Er werd een ronde gebokst met middelsoort handschoenen en een der meest

gevorderde leerlingen ging den wedstrijd met den chronometer in de hand

na.

In de derde ronde ging Mascott voor twee seconden tegen den vloer, door

een hook tegen de kaak getroffen, maar hij was dadelijk weer op de

been, wankelde slechts even, maar had onmiddellijk kracht genoeg om de

snelle uitvallen van Simons af te wijzen.

In de vierde ronde werd de professor tot tweemaal toe neergeslagen, den

tweeden keer voor acht seconden en hij werd toen slechts gered door het

klinken van het fluitje van den scheidsrechter.

Maar in de 7de ronde was het met Simons gedaan—een krachtige slag tegen

de kin deed hem tegen de touwen tuimelen, waarlangs hij op den vloer

gleed om daar bewegingloos te blijven liggen.

Hij werd uitgeteld, en toen kwamen de twee helpers toesnellen met

water, sponzen en azijn en binnen enkele minuten was Simons weer de

oude.

Hij kwam overeind, zocht met den blik zijn nieuwen leerling, ging met

de vuisten in de zijde voor hem staan, bekeek hem van top tot teen, en

vroeg meesmuilend:

„Ik zou voor den duivel wel eens willen weten, jongeman, wat je bij mij

eigenlijk nog komt leeren? Het boksen ken je—en met mij behoef je zeker

niet meer te vechten, dan alleen voor oefening. Wij zullen maar liever

geen wedstrijdhandschoenen meer gebruiken—ik heb mijn tanden te lief!

En ga nu maar eens mee, naar de massagezaal, dan zullen wij die

spiertjes eens onder handen nemen.”

Hij had Joe Mascott bij den arm genomen en voerde hem met zich mee,

maar de weg ging langs het kleine zijvertrek en voor Raffles zich had

kunnen verwijderen had de jonge man hem herkend, en hij was snel op hem

toegetreden.

Hij had zich onder het loopen reeds van zijn handschoenen ontdaan en

stak Raffles met een trouwhartig gebaar de hand toe.

„Ik krijg den indruk mijnheer, dat gij u voor mij wilt verbergen, om u

zoodoende te onttrekken aan mijn dankbetuigingen. Ik ben nu eenige

malen bij Fred Simons geweest, en ik zie zelf wel het verbazende

verschil met dien braven Stanley. Als ik het tot iets breng, dan zal ik

het aan u te danken hebben, want ik begrijp het maar al te goed,

mijnheer, dat gij het zijt geweest, die bewerkt heeft dat Simons mij

gratis les geeft. Hij kan zoo slecht huichelen, die beste man, en ik

heb alles doorzien. Waarom wilt gij mij toch beletten U mijn

dankbaarheid te betuigen.”

„Gij kunt dat niet beter doen, mijn waarde vriend, dan volstrekt niet

meer over dit bagatel te spreken,” zeide Raffles.

„Maar noem mij dan toch Uw naam mijnheer? Wanneer gij niet wilt, dat ik

dien van anderen tracht te vernemen,” hernam Joe op dringenden toon.

„Ik zou U zoo gaarne bewijzen, dat gij niet met een ondankbare te doen

hebt.”

Nog scheen Raffles te aarzelen maar toen zeide hij:

„Ik ben Lord William Aberdeen—maar werkelijk—mijn naam doet er immers

niets toe. Ik geloof, dat gij het waard zijt om geholpen te worden—en

ik stelde aanstonds veel belang in u.”

„Mylord, als ik later prijzen win—en dat hoop ik innig, niet voor mij

zelven maar voor degene die mij lief zijn en die thans in benarde

omstandigheden leven, dan zult gij mij moeten toestaan, dit alles weder

met u te vereffenen.”

„Als gij dat volstrekt doen wilt—ga dan uw gang, maar beloof mij nu

slechts, dat gij uw best zult doen en vertel mij dan eens iets uit uw

leven.”

„Ik verlang niets liever, mijnheer,” riep Mascott uit. „Als gij soms

eenige minuten tijd hebt, het masseeren duurt niet lang.”

„Dan wacht ik op u in de wachtkamer.”

Raffles knikte hem toe, ging naar Simons, die op eenigen afstand was

blijven wachten en zeide in het voorbijgaan glimlachend:

„Ik heb mijn incognito maar opgeheven, mijn goede Simons.”

„Opgeheven? Wat hebt gij opgeheven?” vroeg de ex-kampioen verwonderd,

die in zijn tijd een groot bokser was, maar het in vreemde woorden niet

ver had gebracht. „Wat is dat nu weer voor een nieuwigheid?”

„Ik bedoel, ik heb mij bekend gemaakt. In ’t kort—ik heb mijn naam

genoemd.”

„Dat is beter, Mylord,” riep Simons uit en hij ging zijn nieuwen

leerling achterna, die reeds naar de massagezaal gegaan was.

Na ongeveer twintig minuten wachtens trad Mascott de wachtkamer binnen

en zeide:

„Nu ben ik tot uw dienst, Mylord!”

HOOFDSTUK IV.

MEDEMINNAARS.

Raffles stond op en zeide:

„Als gij het goed vindt, zullen wij liever de buitenlucht opzoeken.”

„Zooals gij wilt, Mylord!”

De twee mannen verlieten het huis en liepen op straat eenigen tijd

zwijgend voort.

Toen begon Joe eensklaps:

„Mylord, gij hebt door uwe vriendelijke bemiddeling meer gedaan, dan

eenvoudig een jongen man, die hiertoe toevallig de hoedanigheden heeft,

maar niet het geld, in de gelegenheid stellen, zich verder te bekwamen.

Ik wil U zeggen, wat de zaak is—gij hebt daar nu recht op. Ik heb op de

wereld niemand anders dan mijn lieve moeder en mijn zuster, die

nauwelijks twintig jaar is. Mijn vader is in den strijd in Frankrijk

gevallen—ik zelf heb ook nog een half jaar onder de wapens gestaan en

deel uitgemaakt van het bezettingsleger in Duitschland. Wij hadden het

vrij goed voor den oorlog, maar tengevolge van dien vreeselijken krijg

hebben wij alles verloren—en met mijn vaders dood kwam de ontbering

onze woning binnen! Gij kunt u niet voorstellen, wat ik daaronder

geleden heb! Ik aanbid mijn moeder en ik zou niets liever willen dan

haar in weelde te laten leven. Maar hoe kan ik dat, met mijn onnoozel

salaris? Wij hebben nu juist genoeg, om niet van honger om te komen!”

„Aan welke bank zijt gij dan?” vroeg Raffles vol belangstelling.

„Bij Arthur Pinkerton, in de Sloan Street.”

„Nooit van gehoord! Zeker geen groote bank?”

„Neen, er is niet veel personeel, Mylord. Maar Pinkerton verdient toch

veel geld.”

„Ik wil niet onbescheiden zijn, en gij behoeft mij volstrekt niet op

mijn vraag te antwoorden—hoeveel betaalt hij U?”

„Drie pond in de week, Mylord.”

„Wat?” riep Raffles ongeloovig. „Betaalt men dat loon voor een week

werkens op een bank? Maar dat is een hongerloon!”

Lord Lister No. 0333: De liefde van een bokser · 第 1 / 4 段