XV.

Toen de faillissementen eindelijk allen bekend waren, zoodat men het

ongeluk kon overzien, kwam er meer rust in de gemoederen; het eerste,

haastig gevelde oordeel werd gewijzigd; de ontzettend groote omvang

van de ellende, de groote omwentelingen en veranderingen, die men

voorspeld had--alles kromp als 't ware van dag tot dag, en 't leven

hernam bijna zijn ouden vorm, maar in wat grauwer kleuren. Haat

en vergeving schaarden zich om zekere brandpunten. Van Professor

Lövdahl was niet veel kwaads te zeggen; 't haar van dien armen man

was sneeuwwit geworden in een paar weken.

't Was eerder de zoon, die al dit kwaad gesticht had; hij was

een vrijdenker en hield zich met Kruse op, om de arme arbeiders

af te zetten; zij hadden ook gevoeld wat de liefde van die twee

beteekende; en 't was bewezen, zei men, dat Abraham Lövdahl zich in

de arbeidersvereeniging gedrongen had, alleen maar om aan 't geld te

kunnen komen.

Men vertelde ook al spoedig, dat hij naar de gevangenis moest--hij en

Marcussen, allebei. 't Was een goed paar; maar Lövdahl, een getrouwd

man, was toch de ergste. En 't meisje was nog al blind, en nu was zij

de stad uit gestuurd,--zij moest weg!--zeker met een flinke portie van

't gestolen geld.

Intusschen werd spoedig verteld, dat de bankdirecteur Christensen

gezegd zou hebben, dat er Goddank--geen sprake was van vervolging

van een der gefailleerden; en als zijn woorden vroeger van gewicht

waren--nu waren ze als orakels en werden door allen met onbepaald

geloof en vertrouwen aangehoord.

De groote gestalte van den bankdirecteur met zijn onfeilbare neus was

nu 't eenige in de stad wat hoop gaf aan wie hem zagen; en wanneer

hij als een olifant van zijn kantoor naar zijn dierbare bank liep,

zagen de schuwe kleine burgers naar hem op als de Israëlieten naar

de koperen slang in de woestijn.

Hij was overal aan 't werk als aanvoerder, hij regelde en maakte orde

en schikte en plooide, zoodat midden in de wanhopende ruïnen wat hoop

begon te ontkiemen, nu voor dezen, dan voor dien.

De arbeiders dankten hem met tranen in de oogen, omdat ze op zijn

scheepswerf mochten werken voor f 1.25 per dag; menschen, die verlegen

waren om contant geld, kwamen bij hem om allerlei soort papieren en

zaken van waarde te verkoopen; hij had hulp voor allen--en men zei,

dat hij in dat jaar zijn vermogen bijna verdubbelde.

Op Mevrouw Frederika maakte het ongeluk den indruk, dat er nu met

dubbele kracht gepingeld moest worden; het groote verlies kon ze niet

recht vatten; wel kon ze de groote getallen herhalen en daarbij rillen,

maar 't ging haar toch veel erger aan 't hart, als ze er achter kwam,

dat de kruidenier haar voor vijftien cents had beetgenomen.

Maarten daarentegen had een knak voor zijn leven gekregen: zijn

berekeningen, zijn dierbare berekeningen hadden alles vernield wat

hij had,--en alles wat hij berekend had te zullen erven van den ouden

Jörgen. Hij ging door met rekenen en rekenen, tot hij zóó verbitterd

was, dat zijn preeken, waar vroeger weinig op gelet werd, den naam

kregen van "dierbaar" te zijn.

Maar in 't huis van de oude Kruses veranderde alles; daar was alles

gesloten,--leeg, uitgestorven.

Zoodra Juffrouw Kruse bekomen was van haar oprechte, onmetelijke

verbazing, beval ze haar zoon Peter, dat hij nooit--met geen enkel

woord, de schuld noemen zou, die Maarten hieraan had; zij hoopte,

dat dit ongeluk voor haar jongsten zoon tot een zegen en een redding

zou worden.

Maar daarbij pakte zij de zaak aan; en twee dagen na de beëindiging

van het faillissement van Jörgen Kruse, verhuisden hij en zijn vrouw

naar een van de drie kamers bij hun zoon den advokaat boven Mevrouw

Gottwald.

De oude Jörgen zelf was half verward in 't hoofd geworden toen

hij begreep wat er was gebeurd.--Ja, hij begreep het eigenlijk

nooit. Want zijn hersens, die altijd zwakke plekken gehad hadden,

konden dien vreeselijken slag niet verdragen: de arbeid van een heel

leven vergeefs! Als Amalia Catherine hem een oud kasboek gaf om op

te tellen, was hij er den heelen dag meê bezig, tot men hem voor

de maaltijden riep; alleen vroeg hij een enkele keer geheimzinnig,

of Maarten nu in den winkel stond.

Juffrouw Kruse daarentegen hief haar klein hoofdje op en werd

werkelijk vroolijk.

Peter en zij zetten den dikken advokaat Kahrs zoo zeer tot spoed aan,

dat alles in korten tijd verkocht en afgedaan werd. En toen het bleek,

dat de crediteuren bijna hun geheele vordering kregen uitbetaald,

had Juffrouw Kruse geen zucht over voor al het geld, dat ze zoo trouw

had helpen bijeengaren. 't Leven had haar nu werkelijk een afschrik

van geld gegeven. Nu zou ze juist gelukkig zijn; en ze hoopte, dat

ook anderen 't zouden worden.

't Meest medelijden had ze met Peter; want hij trok het zich zoo

aan--die historie met 't geld van de arbeiders; en Peter had toch

geen schuld; 't was die Lövdahl, die 't gedaan had.

Maar daar wilde Peter niet van hooren. Hij liep er voortdurend over

te tobben, en verweet het zich, dat hij niet zelf de zaken behartigd

had. 't Hielp niet wat zijn moeder ook zei, niet eens hielp het, dat de

arbeiders zelf hem verzekerden, dat ze hem niet het minst te verwijten

hadden en hem dringend verzochten hun president te willen blijven.

Peter kon dat geld maar niet vergeten wat hij met zooveel vreugde

had zien vermeerderen. Dat zou zijn liefsten droom tot werkelijkheid

hebben gemaakt; de arbeiders vergaderd in hun eigen huis, sterk en

vereenigd!--Nu was alles bedorven en verstrooid--erger dan vroeger;

wantrouwen, lafheid en al de oude ellende; er moest weer van voren

af aan worden begonnen. Hij moest wat opgevroolijkt worden, dacht

Juffrouw Kruse en klampte dadelijk Mevrouw Gottwald aan; ze had

natuurlijk al lang Peters geheim ontdekt.

Mevrouw Gottwald verweerde zich lang schertsend door te doen, alsof

zij 't niet begreep; maar eindelijk werd zij ernstig:

"Luister eens, Mevrouw Kruse! daar moeten we niet meer over praten,

niet eens uit gekheid. Zelfs al waren er geen honderd andere dingen

tegen dat, waar u op zinspeelt, dan moest het al volkomen genoeg--en

meer dan genoeg zijn, dat u mijn verleden kende."

"Dat ken ik, Mevrouw Gottwald."

"Ik ben geen Mevrouw," antwoordde de andere en boog zich over haar

werk.

"Dat weet ik ook; maar u hebt een kind gehad."

"Ach ja! Een lieve, kleine ongelukkige jongen."

"Luister u nu eens--Mevrouw Gottwald!--die man, waar ik zoo graag

zou zien, dat u van hieldt, is ook zoo'n ongelukkig jongetje."

"Ik begrijp u niet,--of u begrijpt mij niet."

"Zijn moeder was ook niet getrouwd, toen hij ter wereld kwam; er

zijn tranen op zijn hoofdje gevallen--zulke tranen als u kent. Ja,--u

ziet mij aan!--hier zit zij voor u--zijn moeder. Wij beiden--Mevrouw

Gottwald--wij zijn gelijken."

"Groote God! dat heb ik nooit geweten!"

"Neen, ziet u! Van mij heeft men het vergeten; omdat het mij meêliep

en ik getrouwd ben; maar op u bleef de schande drukken, heel uw leven

door. En daarom heb ik nu gedacht, dat de schande eigenlijk niet zoo

groot kan zijn--voor geen van ons beiden; ik geloof, dat we ons al

te veel geschaamd hebben--vooral u. Ja--u ziet me aan! maar ik meen

het in ernst en daarom heb ik mijn schaamte overwonnen en Peter ook."

"Weet hij het dan?"

"Ja, daar ben ik van overtuigd. Maar nog meer overtuigd ben ik er van,

dat hij nooit in 't verborgenste hoekje van zijn hart daarom ook maar

een ziertje zou hebben van iets, dat op minachting voor zijn moeder

lijkt. En dat zou uw zoon ook niet gehad hebben als hij was blijven

leven. Hoe heette hij?"

"Hij heette Marius--kleine Marius."

"Nu,--Marius en mijn kleine Peter--zij zijn ongeveer broers. U hebt

uw zoon verloren, neem u den mijnen in zijn plaats; hij zal van ons

beiden zijn--van ons allebei."

Mevrouw Gottwald lachte en schreide tegelijk; 't overviel haar zoo;

maar de oude haalde haar toch over om mee naar boven te gaan om thee

te drinken. Op de trap bedacht Mevrouw Gottwald zich toch weer en

wilde terugkeeren; maar gelukkig kwam er toen juist een heer de trap

op en toen dit Peter bleek te zijn, nam Mevrouw Kruse dat aan als een

zekere vingerwijzing en stelde zich zelf gerust in de overtuiging,

dat "de jongelui" 't nu wel samen eens zouden worden.

Haar zorgen voor haar tweeden zoon waren van heel anderen aard en

voor hem had zij minder hoop. Morgen zou ze hem beproeven. Hij zou

preeken over haar tekst: "Geen goud, geen zilver, geen koper zult

gij in uw gordelen verzamelen." Frederika had het verteld. Maarten

beschouwde het als zijn plicht juist in dezen tijd krachtig ten strijde

te trekken tegen de Mammonvergoding. Juffrouw Kruse zou niet zooveel

om de woorden geven: zoo welsprekend als de Proost Sparre was Maarten

immers in 't geheel niet. Maar hij was haar zoon; ze kende elk geluid

van hem. Zij zou 't wel hooren of de rechte geest in hem was.

't Was de tweeëntwintigste Zondag na Trinitatis, in den overgang

van herfst tot vollen winter. 't Weer was guur en doordringend koud

zonder 't frissche van de vorst; de menschen stroomden naar de kerk en

haastten zich om onder dak te komen voor den gierenden zuidwestenwind.

Er waren veel menschen; de groote rampen hadden menschen naar de kerk

gedreven, die er anders nooit kwamen. De vrouwen waren in donkere

kleuren gekleed--als boetelingen--; geen bonte linten waren er te zien.

De mannen zaten somber neer en worstelden met hun bekommeringen; of

't ergste nu voorbij was; of was dit maar 't begin van erger dingen?

Daar kwam consul With, die na zijn failliet in de directie van de bank

was gekomen onder Christensen; hij bracht zijn "strijkplank" galant

naar haar plaats en legde de plooien van haar mantel zorgvuldig om haar

heen. Zooiets had men nog nooit gezien. Misschien had het ongeluk dit

echtpaar tot elkaar gebracht. Daar kwam Juffrouw Kruse alleen--flink

en beweeglijk, alsof er niets gebeurd was. Zij had zeker aardig wat

achtergehouden, de oude raaf--dat ze er zoo onbekommerd uitzag.

Maar daar kwamen de Lövdahls! Alle hoofden keerden zich om; alle

oogen volgden hen.

Mevrouw Clara liep bleek, met gebogen hoofd--schoon en onderworpen

als een martelares. De japon, de eenvoudige hoed waren van een

onwillekeurige gratie, die bijna aandoenlijk was.

Met den hoed in de hand, 't witte hoofd wat op zij en een glimlach op

de lippen, alsof hij allen om vergeving vroeg, liep Carsten Lövdahl

naast haar.

Hij had zijn linkerhand in den arm van Mevrouw Clara gestoken; maar

met de rechter steunde hij op den bedelstaf,--allen konden dien zien;

hij was van bruin bamboes met ivoren knop.

De vrouwen taxeerden Clara. Ja zeker was zij eenvoudiger gekleed,

véél eenvoudiger dan vroeger; toch was er, als men goed toekeek,

iets irriteerends aan haar; echt geknakt was ze in 't geheel niet.

Maar de professor was lief! Stel je voor,--met bijna heelemaal wit

haar! En zooals hij 't opnam,--zoo ootmoedig, zoo onderworpen aan God,

zoo stichtelijk voor de heele gemeente.

De mannen hielden beschouwingen over het accoord van 50 procent,

dat--naar men zei--Christensen voor Lövdahl zou zien te verkrijgen;

over de vele schandelijke transacties, die de curators hadden

ontdekt--naar men zei. 't Was toch eigenlijk al te erg, dat zooiets

er maar door kon. De overheid van den ambtman tot den minsten klerk

wisten 't waarachtig goed genoeg; maar welke particulier had den moed

of de macht om die overheid te dwingen, om te zien wat zij volstrekt

niet zien wou. De weinigen, die nog vast stonden, behoorden zelf tot

den kring; en hoewel alle menschen onder vier oogen en in vertrouwen

't er over eens waren, dat het volkomen onverantwoordelijk was zooals

het ging, toch kon men met geen mogelijkheid aantoonen, dat niet

alles met de meest nauwgezette inachtneming van de voorschriften der

wet plaats had.

Zulke gedachten volgden Clara en den professor door de kerk; en zóó

druk hadden de oogen 't met hen, dat de gemeente eerst later opmerkte,

dat er nog iemand achteraan kwam.

Dat was Abraham.

--Er is smart in de wereld--vooral dat soort smart, die schande

meêbrengt, die 't een mensch volkomen onmogelijk doen voorkomen het

leven verder te verdragen. Des namiddags en 's nachts voelt hij zich

alsof hij sterven moet, vóór 't licht weer terugkomt.

En als de morgen komt, heeft hij een gevoel alsof er toch nog leven

in hem is; hij moet de kleeren weer aantrekken, zijn haar borstelen

en hij moet eten.

's Avonds zegt hij: "Hoe is 't toch mogelijk, dat ik een heelen dag

geleefd heb--en dit gedragen?"

Den volgenden dag scheert hij zich; acht dagen later komt hij er toe

een grap te zeggen en er zelf om te lachen.

--Zoo had Abraham een paar weken geleefd. Dagen en nachten hadden

hem heen en weer geslingerd. Niets was zwaarder of lichter geworden;

maar alles rondde zich af onder het zwoegen in die uren.

Tot zekere hoogte had hij 't nog nooit zoo goed gehad thuis; men

behandelde hem als een lieve zieke. Zijn vader was zoo zacht, bijna

eerbiedig;--en Clara omringde hem met alle teerheid, waar hij ooit

van gedroomd had vóór zij getrouwd waren en die hij vroeger nooit

bij haar gevonden had.

Zij waren beiden bang voor hem. Eén woord, één uitbarsting van zijn

overdreven principes kon alles omverwerpen, wat zij opgebouwd en

gered hadden.

Maar in werkelijkheid behoefden ze voor hem niet langer bang te

wezen;--met hem was 't gedaan.

En toen Clara hem dien Zondagmorgen half angstig in 't oor fluisterde:

"Je weet niet wat een pleizier je Vader zou doen, als je met ons naar

de kerk ging," antwoordde hij heel kalm:

"Ja, dat wil ik wel doen."

Toch kromp iets in hem ineen, toen hij onder den boog

doorging en de groote oude kerk voor hem lag in sombere, grauwe

herfstkleuren. Herinneringen drongen zich naar boven, oogen drongen

op hem aan. Maar hij ontweek ze bijna zonder strijd; zij hadden geen

macht meer over hem.

En terwijl hij achter zijn vader en zijn vrouw liep, spuwde hij in

gedachten zich zelf in 't gezicht en riep zich zelf toe:

"Kijk ootmoedig! Kijk vooral ootmoedig, hond, die je ben!"

Wat zag hij er akelig en griezelig uit! Niet een was er, die hem

vertrouwde. Vrouwen en mannen zagen hem na met booze oogen. Hij--die

de arme arbeiders bedrogen en bestolen had.--

--Maar daar kwam Christensen--de bankdirecteur en zijn vrouw in een

nieuwen zwaren zijden mantel uit Hamburg! Goede hemel! 't deed allen

werkelijk goed menschen te zien, die nog zijde konden koopen!

Mevrouw Christensen glimlachte bewogen; 't zilver stond nu op zijn

plaats en het dwaze opschrift was er van weggenomen.

Fortuna: Een Roman uit het Noorsch (Voortzetting van "Vergif") · 第 20 / 22 题