Clara kwam het te weten doordat ze vond, dat de dienstmeisjes zoo
wonderlijk deden; maar toen ze haar vroeg wat er was, kreeg ze geen
ander antwoord dan dat er zeker iets beneden in 't kantoor gebeurd was.
Ze werd nieuwsgierig, maar ze schaamde zich een beetje voor haar
schoonvader en zond een boodschap naar Marcussen.
Mevrouw Clara was keurig gekleed in 't bruin. Het bleeke,
bloed-armoedige meisje van de bals, was in haar huwelijk een
vastgebouwde, bekoorlijke figuur geworden.
Marcussen was een poos lang in ongenade geweest; nu zou hij weer wat
zonneschijn genieten; Mevrouw Clara ging hem tegemoet en reikte hem
glimlachend de hand.
Nooit was Marcussen minder goed gestemd geweest dan vandaag; maar
zijn adem stokte toch bijna, zóó prachtig als ze was; en zijn oogen
vlamden een oogenblik, zoodat zelfs Clara, die anders niet gauw bang
was, de hare afwenden moest.
"Kom hier zitten, Mijnheer Marcussen! 't Is zoo lang geleden..."
Zij gingen op haar kleine sofa zitten onder den onmisbaren palm; en
Marcussen--als een goede jachthond, die op 't spoor gebracht is,--ging
dadelijk meê, vergat al de smart van dien dag, was in spanning en
bereid: zou er toch nog wat van komen met dit prachtige vrouwmensch,
waar hij al zoo lang omheen had gedraaid?
"Maar eerst moet u mij vertellen, wat er vandaag op het kantoor
gebeurd is?--mijn dienstmeisjes beweren, dat er iets gaande is."
Ja, was dat ook niet een duivelsch werk! Marcussen raakte hals over
kop uit zijn pas opkomende droomen; hij vloekte en sprong van de sofa
op en vergat heelemaal zijn deftige manieren.
"Wat is er toch? Mijnheer Marcussen! Waarom trekt u aan mijn
bloemen? laat dat toch! Kom hier en vertel mij wat er voor onraad
is. Waarschijnlijk een van uw eigen geschiedenissen midden in 't
kantoor... Hê?"
"Neen, waarachtig niet, Mevrouw!" barstte Marcussen uit, "deze keer is
't niet een van mijn eigen geschiedenissen,--was het dat maar! Neen
Mevrouw, 't is erger--o! duizendmaal erger! En u moogt me gelooven--'t
is zoo pijnlijk, zoo zwaar voor den professor en voor u, ja, voor
Mijnheer Abraham natuurlijk ook."
"Maar mijn God--Marcussen! schrei je? Wat is er dan? Antwoord dan
toch!"
"Ja, 't helpt immers niet het voor u te verbergen; we hebben onze
betalingen gestaakt."
"Gestaakt?--wie?--wat?--ik begrijp er geen woord van."
"De zaak--ons huis--Carsten Lövdahl heeft zijn betalingen gestaakt!"
Mevrouw Clara gaf een gil--die Marcussen de deur uitjoeg. Dat was
het eenigste, wat hij niet verdragen kon: vrouwen, die gilden.
De dienstmeisjes kwamen toeloopen; Mevrouw lag op de sofa in een
toeval of wat het nu was, en was geheel buiten zich zelf.
De professor wilde niet boven komen; hij gaf bevel een boodschap naar
Dr. Bentzen te zenden.
't Eerste gevoel wat bij Clara opkwam, toen haar bewustzijn eenigszins
terugkeerde, was woede tegen hen, die dit over haar gebracht hadden,
niet zoo zeer de professor, hij imponeerde haar altijd.
Maar Abraham!--die stumper van een man!--hij was dus niet eens
rijk. Zij was bedrogen, afgezet!
En haar japonnen, haar juweelen. Wat? Verkocht men zulke dingen niet
als iemand zijn betalingen staakte?--ja, dat wist ze wel;--maar de
haren. Goede hemel, ze zou nog gek worden; moest zij eenvoudig gaan
leven? gaan uitsparen in allen ernst, om 't hardst met Frederika--dat
was toch niet mogelijk,--dat was onzin!
Een telegram werd binnen gebracht; ze gooide hem weg; die was
natuurlijk van Abraham! dat moest zeker een troost verbeelden;--maar
zij wilde niet getroost worden;--allerminst door hem; ze wilde dien
telegram niet lezen--heelemaal niet!--
Maar een gesloten telegram kan men niet zoo gemakkelijk laten liggen;
en toen Mevrouw Clara er een paar keer voorbij gekomen was, terwijl
ze de kamer op en neer liep en de handen wrong,--scheurde ze hem open.
Hij was van haar vader en luidde: "Houd moed! met wijsheid en
voorzichtigheid kan veel gered worden, brief volgt."
Een straal van hoop!--alles was dus niet verloren! nooit had
ze geweten, dat ze zooveel van haar vader hield, als op dit
oogenblik. Veel kon gered worden,--gered? Clara was opeens sterk,
ondernemend, vast besloten geworden.
Ze had een beetje begrip van politieagenten, verkooping en zulke
dingen; maar heel helder was dat begrip niet; ze wist alleen, dat
het iets vijandigs was en dat men de mannen van de wet kon en moest
beetnemen.
Haastig ging haar oog de kamer rond; daar stonden twee massieve
zilveren kandelaars op den schoorsteenmantel. Als een roofvogel vloog
zij er op aan, liep er meê naar haar slaapkamer en verborg ze in een
lade onder haar eigen linnengoed.
--En de eerste van de deelnemende vriendinnen, die bij haar geweest
was, moest de anderen van hun kring een teleurstelling bereiden. Clara
Lövdahl was heelemaal niet verslagen; integendeel. Ze nam het zoo
goed op.
Ze had er over gesproken, dat ze nu natuurlijk allen moesten werken
en in den grootsten eenvoud leven; maar wat haar betrof--zij was daar
niet bang voor; ze had eigenlijk nooit veel om weelde gegeven; als maar
ieder het zijne krijgen kon, zou ze blij toe zijn en niet klagen.--
--Abraham was op den terugreis uit het noorden, toen hij een telegram
van Peter Kruse kreeg; die werd hem aan boord van de stoomboot gebracht
op een der aanlegstations.
Eerst kon hij het niet begrijpen; een oogenblik zelfs dacht hij dat
het een ruwe grap was;--maar dat leek niet op Kruse.
En nu--toen hij daar op het achterdek stond met de telegram in de
hand, was hij opeens heelemaal alleen met den stuurman, die aan 't
roer stond; al de anderen waren verdwenen; en nu eerst viel het hem
op, dat zijn reisgenooten al den vorigen dag zoo vreemd tegenover
hem gedaan hadden.
Toen begreep Abraham, dat dit bittere ernst was; en hij haastte zich
naar beneden in zijn hut, en terwijl de zee schuimend voorbij 't kleine
ronde patrijspoortje ruischte, gaf hij zich over aan zijn pijnlijke
gedachten en trachtte het groote ongeluk te overzien en te begrijpen.
Hij dacht het allereerst aan zijn vader; wat moest die al lang geleden
hebben. Maar toen alle treurige gevolgen één voor één hem voor den
geest kwamen verzonk hij diep in smart en moedeloosheid. Het lieve
oude huis, de tuin, waar hij als kind in gespeeld had, al de duizend
voorwerpen, elke hoek, zoo vol herinneringen,--dat alles verlaten;
met leege handen heengaan en vreemden daar zien binnentrekken en er
zich vestigen. En kleine Carsten zou niet als hij in dien omheinden
tuin spelen en met steenen naar de katten gooien; en die kleine pony,
waar Abraham over gefantaiseerd had als hij over de kinderjaren van
zijn jongen dacht! van dat alles zou niets komen. Kleine Carsten
zou de wereld ingaan als de zoon van een man, die zijn schulden niet
betaald had.
't Was eigenlijk voor 't eerst, dat 't leven hem zóó aangreep, dat hij
zich op zich zelf alleen voelde aangewezen. Tot nu toe had hij altijd
zijn geërfde plaats gehad onder hen, die veilig waren; op dit oogenblik
voelde hij zich zonder steun, verantwoordelijk voor zijn zoon, die
de wereld in moest en die niemand had om op te steunen dan zijn vader.
Maar van die gedachte ging een wonderlijke kracht uit. Nu was hij
eindelijk gekomen, de groote tijd dat Abraham Lövdahl toonen zou wie
hij was, als hij maar eerst voor een taak stond, groot genoeg voor
zijn wil.
Ja, nu was eindelijk zijn tijd gekomen. Greta zou blij zijn,
zelfs Clara zou hem leeren waardeeren. Maar eerst uit al dien handel
weg!--heelemaal weg uit dat alles, dat voor hen allen een vloek geweest
was!--Nu zag hij het in. Laat de schuldeischers nemen wat er is; en
dan met leege handen beginnen aan een nieuw leven van eenvoudig werk.
Die gedachte maakte zijn hoofd zoo warm, dat hij 't poortje moest
openzetten om zich aan 't zoute schuim te verfrisschen; hij voelde
zich zoo sterk en zoo vol hoop!--
Hij zag het al--hun vreedzaam thuis in een van de kleine kustplaatsjes;
de Steffensens moesten ook verhuizen. De beroemde Professor Lövdahl
zou zijn praktijk weer opvatten en Abraham zou hem helpen. 't Zou wel
onmogelijk zijn nu nog zijn doctoraal in de medicijnen te doen; maar
hij was immers Mr. in de rechten; dat radicaal zou hij toch wel voor
't een of ander kunnen gebruiken.
In die stemming kwam hij thuis tegen 't donker, den vierden dag na
het failliet.
Abraham ging door de donkerste straten en bereikte 't huis van zijn
vader door een gangetje achter den tuin. Niemand had hem herkend. Op
de eerste verdieping was alles donker; de gordijnen waren neergelaten;
alleen boven op zijn kleine woning was één venster verlicht; zijn
hart klopte warm; dat was de kamer van zijn zoontje.
Hij zag met verwondering hoe groot en leeg de gang was. Maar hij
dacht dadelijk aan de groote kast, waar zijn moeder het tafelgoed
bergde. Die was van Grootvader Knorr en was meer dan honderd jaar
in de familie geweest; vermoedelijk moest die naar de verkooping;
misschien was die al verkocht.
Abraham bleef staan en leunde tegen de trap; 't was toch vreeselijk
hard--dat wat hij nu moest doormaken. Stuk voor stuk zijn liefste
herinneringen uitrukken; alles wat hem dierbaar was naar vreemde,
onverschillige menschen zien gaan. Maar hij verbeet zijn smart en
verzamelde al zijn kracht; zoo moest het juist zijn,--ja--hij was
er blij om, dat er al een begin gemaakt was, en hij ging langzaam de
trap op.
Boven hadden ze hem beiden verwacht: Clara en de professor. Deze
dagen had hen nader tot elkaar gebracht; en zonder, dat zij 't elkaar
behoefden te zeggen of iets af te spreken, werkten zij beiden, ieder
op zijn manier, om het ongeluk te verzachten en te redden wat nog
gered kon worden. De eerste opvlammende toorn van Mevrouw Clara was
snel geweken, toen de diep neergebogen man haar een paar documenten
bracht, die bewezen, dat kleine Carsten al lang meer bezeten had,
dan de moeder vermoedde. En de professor had niet eens een kleinen,
schuwen wenk behoeven te geven, dat het niet noodig was deze papieren
dadelijk aan Abraham te laten zien; dat begreep ze volkomen. Beiden
waren in spanning, angstig voor zijn thuiskomst--ieder op zijn manier.
De professor was voor Abraham 't meeste bang--en tot het laatste
oogenblik wist hij niet hoe hij zijn zoon zou durven aanzien. Moest
hij niet verwachten, dat Abraham met zijn heftige natuur zou komen
aanstormen met verwijten, omdat zijn leven bedorven was, zijn toekomst,
zijn naam, zijn eer--alles meê getrokken in den ondergang van zijn
vader.
Hij kon er niets op antwoorden--in 't geheel niets; want dat was
alles waar.
Hij had zelf van den beginne aan, dezen zoon opgevoed in volkomen
afhankelijkheid en bewondering; tot op 't allerlaatste oogenblik had
hij alles verborgen, wat in Abrahams oogen de minste schaduw op hem
werpen kon; en nu!--nu wist hij geen schaduw waarin hij wegkruipen kon.
--Mevrouw Clara was ook bang voor Abraham, maar op een andere wijze;
ook zij kende zijn natuur; maar zij nam bij tijds haar maatregelen. Wat
zij vreesde, was, dat Abraham met zijn gewone neiging tot overdrijven
alles zou opgeven; alles voor de voeten der schuldeischers neergooien
en schoon schip maken.
Ze wist het best, dat hij in 't geheel niet meê zou willen helpen om
te redden wat gered kon worden, en daarom zag zij zijn thuiskomst met
grooten angst tegemoet; hij was in staat al haar werk te bederven,--dat
had de assessor Meinhardt haar ook geschreven.
Abraham Knorr Lövdahl was natuurlijk failliet gegaan, tegelijk met
Carsten Lövdahl, maar de inboedel van den zoon was in werkelijkheid
belachelijk klein; hij was meê verantwoordelijk voor bijna de geheele
schuld van de firma, voor zoover als zijn naam gebruikt was; en dat
was 't geval op alle wissels van den laatsten tijd; en nu bezat hij
feitelijk niets dan zijn meubels.
De door de wet voorgeschreven registratie boven bij de jongelui was
bijna humoristisch. Of de schuldeischers een half of een kwart procent
van dien inboedel kregen, kwam er werkelijk in 't minst niet op aan bij
dat ontzettend tekort. En de door den notaris gezonden gevolmachtigde
liep rond en was doodverlegen tegenover Mevrouw Clara, die absoluut
met hem meê wilde gaan in alle kamers om deuren en kasten voor hem
open te doen en hem te laten zien wat opgeschreven moest worden.
't Was maar een paar weken geleden, dat hij in deze zelfde kamers met
haar had gedanst, als een eenvoudige, bescheiden gast, en nu moest
hij haar theelepeltjes tellen! dat was toch te veel verlangd van een
jong, welopgevoed candidaat in de rechten; en de notaris ging immers
nooit zelf op zulke zaken uit.
Daarom werd 't een vrij gebrekkige lijst; en toen die op de verkooping
kwam, gaf hij aanleiding tot veel scherpe opmerkingen over 't feit,
dat dit overdadig weelderige huis zoo opvallend slecht van zilver en
andere voorwerpen van waarde was voorzien. Maar anderen daarentegen
legden er sterk den nadruk op, dat Mevrouw Clara alles had open
gelegd en niets achtergehouden. Men kon ook wel zien, hoe zij zich
zelf geplukt had, als men hoorde, dat zelfs 't beroemde japansche
naaitafeltje van de overleden Mevrouw Lövdahl zou verkocht worden,
dat Mevrouw Clara toch best had kunnen behouden, want het was een
huwelijkscadeau van den professor. Waar alles nu ook gebleven mocht
zijn--reeds bij Abrahams thuiskomst was 't zoo leeg en eenvoudig in
de kamers, dat het iedereen opvallen moest.
Mevrouw Clara had het zoo geschikt, dat het donker was in de gang,
waar vroeger een prachtige gascandelabre brandde; 't eenigste licht
daar kwam door een glazen ruit uit de keukendeur. De eetkamer was ook
donker en koud; zij zouden in de huiskamer eten, om niet in twee kamers
te moeten stoken. Zij was er zeker van, dat Abraham die kleinigheden
zou opmerken; en ze hoopte, dat dit goed zou werken. Als men maar
tijd kon winnen en hem op 't rechte spoor kon brengen, dan was de
zaak gewonnen. Later kon er weer licht en warmte komen en al wat er
verdwenen was kon weer van den zolder worden gehaald; maar stuk voor
stuk,--met tusschenpoozen.
Toen ze hem in de gang hoorden, begon de professor zóó te beven, dat
hij zijn courant moest neerleggen; maar Clara stond op en liep haar
man in de eetkamer tegemoet. Zóó was Abraham nog nooit door zijn vrouw
ontvangen; en hij had in stilte voor iets heel anders gevreesd. Van
't oogenblik af, dat hij 't ongeluk vernam had hij zijn best gedaan
zoo min mogelijk aan Clara te denken; zij zou naar zijn berekening
heelemaal gebroken zijn, vol klachten--misschien vol verwijten.
En nu snelde ze hem tegemoet--liefderijk, vrijmoedig, bijna blij! maar
zoo wonderlijk vreemd in die zwarte, wollen japon zonder garneering,
en toch zoo net en zoo mooi, alsof juist de eenvoud haar het allerbeste
stond.
Hij werd heelemaal warm en door haar betooverd; en toen hij zijn
vader ontmoette, die hem met trillende lippen wachtte,--een gebogen
grijsaard, wierp hij zich in zijn armen:
"O Vader, arme Vader! wat hebt u 't vreeselijk gehad!"
"Kun je mij vergeven? Abraham!"
"Spreek u zoo niet, Vader. Laat ons allen elkaar vergeven en een
nieuwe rekening beginnen, die beter uitkomen zal, niet waar?"
"Ja, met Gods hulp!" antwoordde de professor, met een diepe zucht;
het ergste was voorbij.
Ze stonden een oogenblik alle drie hand in hand en zagen elkaar aan
met een glimlach, die bijna blij was; 't was boven verwachting gegaan
voor alle drie--die eerste ontmoeting: en ieder kreeg weer hoop,
maar om zeer verschillende redenen.
't Dienstmeisje stoorde hen met een boodschap van den advokaat Kruse,
of de jonge Mijnheer Lövdahl wel dadelijk even bij hem wilde komen.
De professor kromp ineen; maar Clara antwoordde:
"Zeg, dat Mijnheer pas is thuis gekomen en te moe is van de reis,
om van avond nog uit te gaan.--'t Is toch ook wel wat kras om je
dadelijk te laten halen."
Abraham meende ook, dat het morgen wel tijds genoeg zou zijn; en nu
begon hij rond te kijken.
"Ja, je kijkt rond," zei Clara; "ik heb alles wat verkocht moet
worden beneden in de kamers van Vader laten zetten, waar 't voor
de verkooping klaar staat; ik dacht, dat je 't liefst hebben zou,
dat er niets werd achter gehouden."
"Natuurlijk, lieve Clara!--ik ben er zoo blij om, dat je zoo
moedig, zoo onvervaard ben. Dat is juist goed en--zal ik 't maar
bekennen?--meer dan ik van je verwacht had."
"Ja," antwoordde zij met een berustenden glimlach, "ik weet helaas
maar al te goed, dat je niet veel van me verwacht. Je denkt altijd,
dat ik opga in pronk en..."
"Neen, zeker niet!--dàt heb ik nooit gedacht en als ik je ooit in
mijn gedachten onrecht deed--vergeef 't me dan nu."
Toen kwam kleine Carsten binnen, om goeden nacht te zeggen--in zijn
deken gerold, slaperig en lief en toen gingen ze aan tafel in een
gezellig hoekje bij de kachel.
"Ja, zie je, Abraham! we hebben niet anders dan brood en boter--en
een stukje kaas ter eere van je thuiskomst."
"Dat is uitstekend, Clara! Ik kon niets beters verlangen," en hij
boog zich neer om haar hand te kussen.
"Maar je ziet zoo vreemd rond?--wat is er?"
"Is ook... Moeders naaitafel?--Was dat noodig?"
"Je zou toch niet willen, dat ik dat prachtstuk gehouden had?" vroeg
Clara scherp. "Dat zou zeker aanleiding tot praatjes gegeven hebben."
"Ja, ik voor mij," viel de professor hem in de rede, "ik vond werkelijk
ook, dat Clara dat met een gerust geweten had kunnen houden,--'t was
een persoonlijk geschenk uit gelukkiger dagen."
--"Neen Vader.--Clara heeft toch gelijk," antwoordde Abraham met
inspanning; "laat ons de bittere kelk tot op den laatsten droppel
drinken!--'t was flink van je, Clara."
Toen zij gegeten hadden en juist gezellig om de ronde tafel bij de
sofa zouden gaan zitten, kwam het dienstmeisje weer binnen met een
briefje voor Abraham.
"Wat is er nu weer? Is dat weer van dien afschuwelijken Kruse?" vroeg
Clara.
"Ja; er moet iets heel gewichtigs wezen, want hij schrijft, dat ik
van avond nog moet komen. Ik moet dus wel gaan."
"Neen, dat moet je heelemaal niet. Ik ben er van overtuigd, dat
't morgen tijds genoeg is."
"Neen Clara! denk er aan, dat we niet meer onafhankelijk zijn; nu jij
de last heelemaal op je schouders genomen hebt, wil ik de mijne niet
afschuiven. We zullen ons niet vernederen, maar we moeten ons buigen,
niet waar, Vader?"
De oude man mompelde wat en zag voortdurend zijn zoon aan; en toen
Abraham hun goeden nacht had gewenscht en naar de deur ging, was
het alsof de professor op wilde staan om iets te zeggen of hem terug
te houden; maar hij zonk weer ineen en verborg het gezicht in beide
handen. Clara liet haar man uit en vroeg hem met veel liefkoozingen
om gauw terug te komen. Zij zou op hem wachten. Het stond haar in
't geheel niet aan, dat hij dadelijk in de handen van dien Kruse
vallen moest; hij had ook zulke dwaze overdreven opvattingen.
"O Clara!--Wat is Vader oud geworden!" zei Abraham, toen ze hem zijn
jas hielp aandoen. "Stel je voor, ik zag hem beven, toen hij zijn kop
thee aannam! en hij, die zoo'n vaste hand heeft gehad.--Arme Vader!"
Onderweg was hij hier nog zóó van onder den indruk, dat hij er niet
toe kwam er over te denken, wat het toch wezen kon, wat Kruse van
hem wilde.
--Ze waren beiden wat verlegen, toen zij elkaar ontmoetten; Kruse
drukte hem hartelijk de hand.
"Arme jongen!--dat is zeker als een donderbui over je gekomen; maar
ik dacht, 't was maar 't best, dat je 't door mij hoorde."
"Ja, ja! ik dank je voor je telegram. Dat was goed van je bedacht."
"Ik stuurde om je van avond; neem me dat niet kwalijk, omdat
ik--eerlijk gezegd--in de pijnlijkste ongerustheid heb rondgeloopen
in deze dagen; en veel anderen met mij. Ik ben blij je zoo vrijmoedig
te zien, want nu kan ik wel begrijpen dat alles in orde is; maar
't was onvoorzichtig--"
"Wat bedoel je?" vroeg Abraham. En een duister voorgevoel van iets
vreeselijks snoerde hem de keel dicht.
"Wat ik bedoel?--ben je gek--Jongen? 't Geld natuurlijk... dat heb
je toch? 't Geld van de arbeiders--'t bouwfonds en de ziekenkas?"
Abraham drukte beide handen in de zij, waar hij een pijn voelde als
na een slag tegen 't hart; zijn keel werd dik en met moeite bracht
hij een geluid uit:
"Vader..."
"Ja zeker--je vader heeft het geld uit de spaarbank gehaald, dat
weten we! maar dat was natuurlijk maar voor een dag te leen?"
Abraham knikte.
--"en je vader gaf je 't geld den volgenden dag terug?"
Abraham bleef met open mond en wijd opengesperde oogen staan.
"Groote God in den hemel!" schreeuwde de kleine advokaat. "Jelui
zijn daar toch een bende misdadigers met mekaar! Je vrouw gaat
heen en verstopt haar zilver en steelt--ja ik zeg 't je ronduit--ze
steelt! en je vader! je groote vader--niet genoeg, dat hij mijn vader
en nog veel anderen ruïneert; maar ik zal je maar één ding vertellen,
dat toont wat hij voor een kerel is; jij hebt hem gezegd, dat Mevrouw
Gottwald wat gespaard had..."
"Neen," antwoordde Abraham; maar hij werd op 't zelfde oogenblik
rood, want zoo gemarteld als hij zich op dat oogenblik voelde, toch
herinnerde hij zich, dat hij op een dag aan tafel over dat idee van
een monument voor kleine Marius had gesproken.
"Zie je wel?" riep Kruse bitter, "je herinnert 't je wel. Luister
nu: acht dagen vóór 't failliet was je vader hier en praatte Mevrouw
Gottwald haar spaarbankboekje af, onder voorwendsel van haar hooger
rente te willen bezorgen!--Wat zeg je daarvan? Zal ik je zeggen wat
hij is--je groote vader? nu, hij is gewoon weg een gemeene schurk!"
Abraham viel achterover tegen een stoel en was verscheiden minuten
bewusteloos. Kruse werd bang en had berouw over zijn woorden, en
toen hij 't eindelijk zoover gebracht had, dat de ander de oogen weer
opsloeg, zei hij:
"Je moet niet boos op me wezen, Lövdahl--maar je kunt wel begrijpen,
dat die geschiedenis met de arbeiders mijn halve leven bederft."
Abraham greep half bewusteloos zijn hand, maar 't was duidelijk, dat
hij nog als verlamd was. Kruse liet hem met rust en liep intusschen
de kamer op en neer. Na een lange stilte zei Abraham:
"Wat moet ik doen?"
"Dat hangt er van af wat je kunt."
"Wat ik kan?"
"Waar je kracht en moed voor hebt."
"Je denkt toch niet, dat ik me meê schuldig wil maken..."--hij kwam
niet verder, want hij hield op door een blik van zijn vriend en
een glimlach, dien hij kende: half moedeloos, half verachtelijk;
en Abraham voelde dien glimlach branden in zijn hart.
't Was waar! Hij had noch moed, noch kracht zich van de anderen los
te maken, om open en hardop te zeggen: "Zie! dit heeft mijn vader
gedaan, dit heeft mijn vrouw gedaan en dat heb ik zelf gedaan. Straf
ons, als dat moet; maar laat ons na onze schuld geboet te hebben een
nieuw leven beginnen."
Dàt kon hij niet, dat wist hij zelf wel. Beschaamd en zonder op te
zien sloop hij heen en Peter Kruse sloot de deur achter hem dicht.
Maar één gedachte was er in zijn hoofd, één naam op zijn lippen;
hij ging regelrecht Greta zoeken.
Hij was door de stille, leege straten zóó ver gekomen, dat er geen
lantarens meer waren. Langs den kant van den weg waren groote steenen
gezet en in de diepte beneden hoorde hij 't zware zuigen van de golven,
die tegen de rotsen opstegen en weer neerzegen, zuigend en trekkend
aan het taaie zeewier. Abraham stond stil, ging terug naar de laatste
lantaarn om op zijn horloge te zien. 't Was over tienen.
Greta zou wel naar bed zijn; maar dat deed er niet toe; hij wilde
alleen maar naast haar bed zitten, haar hand in de zijne nemen en
naar haar stem luisteren, waarin geen twijfel, geen ontrouw was.
Maar terwijl hij zich omkeerde om verder te gaan in het donker, hoorde
hij zijn naam roepen en een dame in 't zwart kwam uit de schaduw van
de kerkhofpoort en snelde hem tegemoet.
"Ga niet verder, ik smeek je, Abraham. Ik smeek je er om, ter wille
van kleine Marius! ga niet alleen zoo ver buiten de stad in 't donker!"
"Maar lieve Mevrouw Gottwald, waarom mag ik dat niet?"
"Omdat ik vroeger gezien heb, dat... had ik toen maar..."
"Wanneer? Wie?"
"Je moeder stond ook hier! Ga niet verder, Abraham! Ik kan het niet
verdragen."
Eerst had hij gemeend, dat zij krankzinnig geworden was door 't
verlies van haar geld; maar toen ze zijn moeder noemde:
"Antwoord me, lieve Mevrouw Gottwald! antwoord me!--wat was dat
met Moeder?"
"Niets. Vraag 't me niet. Ik weet niets."
"Antwoord me! U moet me antwoorden--ter wille van kleine Marius." En
hij hield haar vast. "Wat was dat met Moeder?"
"Ik zal je antwoorden en alles zeggen wat ik weet; maar dan moet je
niet meer vragen--arme Abraham!"
Nu was ze zooals in den ouden tijd de moeder van Marius en hij was
de beste vriend van haar jongen.
"Ik heb je moeder juist hier zien staan, waar wij nu staan; 't was
nacht en donker als nu. En zij zag op haar horloge en hief toen haar
gezicht op in 't gaslicht;--o dat gezicht!--Ik stond daar in de schaduw
van de kerkhofpoort en ik kwam niet te voorschijn; ik was immers--die
ik ben. En zij was de vrouw van Professor Lövdahl. En toch zag ik,
dat ze eenzaam was en in nood, en we waren beide moeders! Was 't niet
vreeselijk laf van me? En ze stierf dien zelfden nacht."
"Stierf ze? was dat de laatste nacht?--waar stierf zij?"
"Je moeder stierf in haar bed," antwoordde Mevrouw Gottwald vast;
maar toen ik nu vanavond van Marius kwam en juist aan jou en je
familie in je groot ongeluk dacht--ja, ik dacht vooral aan jou,
Abraham!--daar zie ik ineens je gezicht--dat zoo op 't hare lijkt. Je
haalde je horloge uit, en keek daarna naar boven in 't gaslicht--; ja,
kun je je niet begrijpen, dat ik angstig werd, omdat je daar alleen,
in wanhoop rondliep?"
"Maar Moeder!--gelooft u dan,--Mevrouw Gottwald! gelooft u, dat
Moeder..."
"Ik weet noch geloof iets; maar menschen, die ongelukkig zijn, moet
men niet in 't donker laten loopen; kom, ga met mij naar de stad
terug." Ze nam zijn arm en zij liepen zwijgend voort.
"Was mijn moeder ongelukkig?"
"Hoe weet ik dat? Wat weet de eene mensch van den andere? Doen we
wel anders dan elkaar bedriegen? Sommigen met een booze, anderen
met een goede bedoeling. Ik kende haar trouwens ook niet zoo goed;
maar zij was zeker een bizondere vrouw, en juist daarom--"
"--"daarom" zegt u?"
"Ja, lieve Abraham! daarom was ze zeker niet gelukkig;--dat is
gewoonlijk zoo."
Hij moest haar beloven niet buiten de stad te gaan; maar hij hield
zijn belofte niet. 't Was hem onmogelijk naar huis te gaan en er was
voor hem geen gevaar. Hij dacht er niet aan in zee te springen of
zich voor 't hoofd te schieten.
En toch moest hij stilstaan en naar 't geheimzinnige klotsen der golven
luisteren--daar beneden in het donkere fjord, waar de lichten van
de stad hem tegemoet kwamen springen in strepen van kleine glanzende
puntjes. Had zijn moeder er over gedacht langs dezen donkeren weg het
leven te verlaten? Was ze vrijwillig heengegaan?--Wat moest hij denken?
Hij doorleefde weer zijn herinneringen uit dien tijd. Nooit had hij er
een flauw vermoeden van gehad, dat zijn moeder ongelukkig geweest was;
eerst nu herinnerde hij zich hoe wonderlijk zwaarmoedig ze zeggen kon:
"Arme kleine Abby!"
Maar als er een ongeluk in haar leven geweest was, dan moest het op
een of andere manier met haar huwelijk in verband gestaan hebben
en dat was het vreeselijke voor Abraham, dat alles vandaag zoo
overweldigend samenliep om dien vader te verbrijzelen, dien vader,
waar hij zijn leven lang tegen had opgezien, dien hij bijna aanbeden
had met een soort godsdienstige vereering. De diepe kloof tusschen den
aard van zijn ouders--in zijn kindschheid soms flauw vermoed, stond
hem nu klaar voor den geest. En nu wist hij ook wat hij had moeten
kiezen.--Dat--wat in zijn moeder geknakt was had de kracht van zijn
leven moeten worden. En in plaats daarvan?--er kwam een vreeselijke
leegte in hem en in zijn ooren klonk het met de scherpe stem van Kruse:
"Jelui zijn daar toch een bende misdadigers met mekaar!"
Zou het toch niet het beste zijn als hij zijn schande daar beneden
verborg, waar 't zoo zwart en zoo stil was; dan was 't voorbij--dan
konden ze van hem zeggen wat ze wilden. Wat zouden ze zeggen?--Hij
begon over alle gevolgen na te denken en kon niet verder komen dan
zijn vaderlooze kleine Carsten. Maar opeens keerde hij zich af met
een beweging alsof hij van zich zelf walgde; hij wist, dat hij nu niet
en nooit zou durven; hij zag voor zijn oogen al de kleine treden van
lafheid, waarlangs hij gedaald was, telkens lager van zijn kindschheid
af tot op dit oogenblik toe.
Alle groote woorden, alle schitterende fantaisieën, alle kleine,
slappe aanloopjes; heel die behoefte om waar en moedig te zijn, die
hem altijd lokkend en bedriegelijk vergezeld had; alle mogelijkheden,
die hij in handen had gehad, alle gelegenheden, die zich aan hem
hebben voorgedaan--waarom? waarom was dat alles een rij van de meest
smadelijke nederlagen geworden.
Hij streek zich in wanhoop met beide handen door 't haar en riep zich
zelf luid toe:
"Wat scheelt mij toch!--Wat voor duivel huist toch in mij, die maakt,
dat ik nooit--nooit doen kan wat ik zelf wil. Eén laffe leugen,
één carricatuur is mijn leven! 't Is alsof elke vezel in mijn ziel
vergiftigd is." Grete! Grete! Nu was er niets anders in de wereld
meer voor hem!--En hij liep bijna zoo hard als hij kon de stad uit.
Toen hij het huis naderde vond hij, dat de deur er zoo vreemd uitzag;
hij tastte er langs in 't halfdonker en merkte, dat zij de deur uit
de hengsels hadden gelicht en dien buitenshuis tegen den muur gezet.
In de kamers was niet de gewone lucht, ook was er niet... er was
niets! hij liep langs de wanden in de keuken, in 't slaapkamertje,
in de huiskamer; er was niets--niets ter wereld, behalve stroo en
afval, dat hij onder zijn voeten voelde.
Eindelijk stootte hij tegen de bank onder 't venster, waarop hij
gewoonlijk met Grete zat: die was vast aan den muur gebouwd.
Hier wierp hij zich neer. Steffensen was weg! Hij begreep alles: Grete
had gehoord, dat hij de spaarpenningen van de arbeiders had weggenomen
en toen was zij weggegaan. Zoo was 't gegaan. En daarmee was 't uit.
De duisternis werd verdrongen door de schemering, 't werd lichter en
lichter. De wind stak op tegen den morgen en ritselde in 't stroo op
den grond.
Daar ginds onder 't venster, op 't overschot van Grete's wilgentakjes
en riet lag Abraham Lövdahl te slapen. Hij was van de bank
afgegleden.--