De houding van den bankdirecteur scheen te zeggen: "Aanbid mij niet!"

Maar hij kon het niet verhinderen. Hij was aller hoop en toevlucht;

niet één had den moed aan zijn laatste zonderlinge manier van doen

op de algemeene ledenvergadering van Fortuna te herinneren.

Toen begon Maarten Kruse zijn preek over de tienduizend talenten;

over de booze macht, die 't geld onder ons menschen heeft; over den

mammon en de leliën des velds, en als grondtoon kwamen telkens deze

woorden terug: "Geen goud, geen zilver, geen koper zult gij in uw

gordelen verzamelen."

Daar stond midden onder de preek een kleine gestalte op aan den

kant van de vrouwen. 't Was Juffrouw Kruse! Ja waarachtig! 't was

Juffrouw Kruse.

Ze hield den zakdoek niet voor haar mond; ze had geen neusbloeding, ze

was niet onpasselijk, want ze zag in 't geheel niet bleek. Integendeel

ze zag er frisch en krachtig uit, zooals ze zich een weg baande

tusschen de dames door, die van schrik vergaten plaats te maken.

Toen Juffrouw Kruse eindelijk het middenpad bereikt had, schikte

ze kalm haar mantel terecht en ging toen met haar rustige oude

vrouwen-stapjes, voort door 't lange middenpad en de kerk uit.

Fortuna: Een Roman uit het Noorsch (Voortzetting van "Vergif") · 第 21 / 22 题