XIII.

't Was een koude regenachtige morgen tegen 't eind van den herfst. De

familie Meinhardt was reeds lang vertrokken uit het huis van den

professor en Abraham was op reis voor zaken, naar 't noorden, in

dienst van de fabriek.

Verscheidene dagen lang was 't zoo wonderlijk stil in de stad

geweest; een ademloos wachten, waarin de onzinnigste geruchten onzeker

rondfladderden. Alle tongen waren klaar om aan 't werk te gaan en 't

was eenvoudig uit gebrek aan feiten, dat men elkaar de meest dwaze

dingen vertelde, die niemand geloofde. Want nu was de lucht geheel

vervuld met die kleine, fijne dampen, waaruit de geruchten ontstaan;

en 't gevoel, dat er iets ongehoords, iets verschrikkelijks op handen

was, werd steeds sterker.

De arbeiders op Fortuna stonden bekommerd bijeen en vertelden elkaar,

dat de fabriek gesloten zou worden. Niemand wist van waar dat bericht

kwam; maar hoe meer enkelen dat ontkenden en den draak staken

met hen, die naar zulke praatjes luisterden, hoe meer de meesten

het geloofden. 't Zat in de lucht, dat er een of ander onheil in

aantocht was.

De directeuren van de verschillende banken durfden elkaar niet aan

te zien. De laatste dagen waren er verontrustende informaties van

verschillende kanten gekomen, beleefde verzoeken om afbetaling

op enkele posten; eindelijk werden het telegrammen om vaster

zekerheidsstelling, of ronduit weigeringen om crediet te geven voor

verschillende namen.

't Was een Maandagmorgen na een veelbewogen week, waarin Carsten

Lövdahl op zoo goed als al zijn handelsvrienden wissels had getrokken

voor groote sommen en gedeeltelijk op geheel nieuwe papieren.

Reeds Zaterdagmiddags had Marcussen een paar onrustbarende telegrammen

gekregen; maar hij had ze op zij gelegd, volgens de gewoonte van

het huis. Zaterdagavond speelde de professor zijn partijtje kaart en

Zondag was een rustdag.

Maar Maandagmorgen had zich een stapel telegrammen op Marcussens

lessenaar opgehoopt--"een vlucht vervloekte roofvogels," dacht hij,

terwijl hij zijn natte jas uittrok. Hij begon met ze op zijn lessenaar

te sorteeren in kleine hoopjes, nadat hij ze doorgeloopen had. Maar

eindelijk gooide hij alle telegrammen op een hoop en sloeg er met

zijn groote vuist op.

Rasmussen kwam met de zwarte leeren tasch om de orders te ontvangen

voor de werkzaamheden aan de banken voor dien dag; maar Marcussen

verzocht hem met zijn tasch naar den duivel te loopen.

Daarop nam hij na een oogenblik nadenken alle telegrammen in één hand,

ging het kantoor van den professor binnen, sloot de deur achter zich

en trok de portière dicht.

Carsten Lövdahl had voor 't venster in den tuin staan kijken; hij

wendde zich heftig om en zei:

"Wat is er? Marcussen!"

't Gezicht van den professor was bijna aschgrauw en de oogen lagen

hem diep in het hoofd. Hij had verscheiden nachten niet geslapen en de

inspanning van de laatste dagen om zich er boven op te houden,--zijn

woeste plannen, de wanhopige zekerheid, die van alle kanten 't hoofd

opstak--dat alles had van den grooten statigen man een gejaagden

misdadiger gemaakt.

"Wat is er? Marcussen!"

Zelfs zijn stem was veranderd,--ruw, alsof die niets gemeen had met

menschenspraak, maar van een dier kwam.

Marcussen beefde van ontroering; hij legde de telegrammen voor zijn

chef neer. Lövdahl zette zich met moeite in zijn leunstoel.

"Telegrammen! allemaal telegrammen?--van Donner? uit Christiania? Wat

moet dat beduiden Marcussen!--waarom breng je mij dat alles door

elkaar? Heb ik je niet gezegd, dat het jouw werk is en niet het mijne

om dagelijks de papieren te regelen? Antwoord dan toch, man! Sta daar

niet als een stok! Wat beteekent dat?"

"Professor Lövdahl!"--antwoordde Marcussen, en de tranen kwamen hem

in de oogen, "dat beteekent, dat we 't niet langer kunnen uithouden."

"Wat zeg je?" schreeuwde de professor en stond op, "kunnen we 't

niet langer uithouden? Zeg je dat?--bedoel je--man!--bedoel je, dat

ik--dat Carsten Lövdahl failliet zou zijn ?"--Bliksemsnel gingen zijn

strakke oogen door de kamer, toen dat woord was uitgesproken--dat

woord, waarmeê hij dag en nacht gestreden had in de laatste jaren;

dat woord, dat nooit wegging, dat hem op de lippen kwam, als hij

alleen in zijn kantoor was, dat hij in de oogen van ieder las, die

hem op straat groette.

"Stil, stil!--je sloot de deur toch wel? sluit hem af, Marcussen! We

moeten 't hoofd niet verliezen,--we moeten een uitweg vinden--alles

kan nog niet verloren zijn,--onmogelijk!--laat me eens zien,--laat

me de telegrammen zien--allemaal!"

En de oude man nam de telegrammen, die in zijn bevende handen

ritselden; hij keek nu de een, dan de ander in, legde ze uit over

den lessenaar en nam ze weer bij elkaar, tot hij ineen zonk met het

hoofd in de handen en luid steunde.

Marcussen zei later, dat hij nog liever de aankondiging van de geboorte

van een paar tweelingen had gehoord, dan dat hij dit oogenblik moest

beleven.

Eindelijk ging hij naar zijn chef en legde de hand op zijn schouder.

De professor zag hem aan en stond met moeite van zijn stoel op:

"Ga heen, Marcussen en laat niemand bij mij binnen."--

Dien voormiddag ging de zaak schijnbaar als gewoonlijk. Makelaars en

agenten kwamen binnen en spraken met Marcussen; er werden orders naar

de fabriek gezonden en de kassier zat achter zijn hekje, de menschen

kwamen en gingen met geld. Maar de kleine Rasmussen kroop ineen in

een hoek en staarde onafgebroken naar Marcussen. Dat hij niet naar

een van de banken moest met een of ander stuk--dat kon hij maar niet

begrijpen; en hij peinsde er over, wat dat beteekenen moest.

Maar toen het tegen één uur liep, kwam Taraldsen aandraven, de oude

bode uit de Noorsche bank; hij liep altijd op een sukkeldrafje en

zwaaide met de armen. Voor den lessenaar van Marcussen bleef hij

staan en groette; een onzeker glimlachje speelde op zijn oud gezicht,

toen hij vroeg:

"'t Is--hm--natuurlijk een verzuim?"

"Wat?" vroeg Marcussen droog.

De glimlach verdween geheel en ademloos van schrik vroeg Taraldsen

weer:

"Moeten uw wissels vandaag niet voldaan worden?"

"Neen."

"Mijnheer Marcussen! De menschen zeggen, dat u van schertsen houdt;

maar dit..."

"Ik scherts niet,--voor den duivel!"

De oude Taraldsen richtte zich op; 't heele personeel zat over 't

werk gebogen; alleen de oogen van kleine Rasmussen ontmoetten de

zijnen. De jongen zag bleek van schrik; hij begon het te begrijpen.

Ook voor den ouden Taraldsen begon alles duidelijk te worden; maar

onmiddellijk daarna kwam hij weer in de war; want hij begreep den

vollen omvang van wat hij hier hoorde; de wisselrelaties van de

geheele stad had hij in zijn hoofd; en hoewel hij veel dergelijks

in zijn lang leven had gezien, toch was dit alles maar kinderspel,

vergeleken bij wat er nu gebeuren zou. Zijn stem beefde, toen hij

bijna plechtig vroeg:

"Moeten de papieren van Carsten Lövdahl geprotesteerd worden?"

"Ja," antwoordde Marcussen, zonder op te zien.

De oude Taraldsen draafde 't kantoor uit, maar op de trap kwam hij

den bode van de "Bank op aandeelen" tegen:

"Is 't waar?--Taraldsen!"

"Nu gaat de heele stad!" antwoordde de oude met een wanhopige

handbeweging.

"Is 't waar?--is 't waar?" Die woorden gingen snel door de heele

stad. En toen de zekerheid kwam, stond alles stil--alle werk, alle

gesprekken, alle gedachten; en dat nieuwe vervulde alle menschen,

tot de kinderen toe, die met groote oogen en ontzette gezichtjes

elkaar vroegen: "Heb je gehoord, dat Lövdahl failliet is ?"

Om één uur ging de beurs open. Zoo plotseling was dit gekomen, dat

consul With, die door Lövdahls failliet volslagen geruïneerd was,

alleen door een toevallige ontmoeting met een directeur van een der

banken verhinderd werd op de beurs te komen.

Hij keerde terug naar huis en sloot zich in zijn kantoor op.

Op de beurs was het stil; de menschen liepen zacht rond, zonder elkaar

aan te zien; zij hadden allen 't gevoel, dat ze er plotseling zoo

armoedig uitzagen.

De banken in de millioenenhoek--zooals men 't noemde--stonden leeg,

en de leden van den "kring," die tegenwoordig waren, wilden vandaag

liever in een groep meer vooraan in de zaal staan.

Niet eens Garman en Worse zat op zijn oude plaats en die leege banken

slopen als een stomme verschrikking langs de wanden door de heele zaal;

niemand durfde er gaan zitten, alsof ze vreesden, dat ze niet zouden

houden, dat alle banken vermolmd waren, dat een algemeen bankroet ze

allen stuk zou slaan of ze allen omgooien.

Een paar jongere kooplieden probeerden royaal te doen; maar zij gaven

't dadelijk op; en toen hun stemmen weer even gedempt klonken als het

gemompel van de anderen, werd de stilte dubbel akelig. Een enkele kon

het niet langer uithouden, maar keek op zijn horloge en ging heen,

en drie minuten later was de zaal leeg.

Maar dien middag zaten bezorgde mannen rondom in de stad in hun

particuliere kantoren en zagen de boeken na, noteerden en telden

op--en schudden de hoofden.

En in alle banken vergaderden de besturen, de boden brachten 't

eene bericht na het andere, de telegraafboden maakten 't niet beter;

en de arme directeuren, die aan hun eigen zorgen al genoeg hadden,

begonnen te vreezen voor hun bank nu de eene kring na den ander werd

meêgesleept in de draaikolk, waarin Lövdahl eerst verzonken was.

Door de bank van Christensen werd er getelegrafeerd door heel Europa

naar den directeur, die dit jaar een zeer lange nakuur in Italië

deed. En 't was bijna, alsof de heele stad een beetje verlichting

voelde, toen 't bericht kwam, dat de directeur al op de terugreis

was en uit Hamburg was vertrokken.

Reeds vóór vijf uur had men behalve de ontelbare kleine burgers,

die geplukt waren, van groote faillieten de volgende bijeen: Carsten

Lövdahl--met Abraham K. Lövdahl, de vennootschap Fortuna, C. R. With,

Randulphs zonen en Co., en Jörgen Kruse.

Dat de zonen van Randulph met With meêgingen, kon men verwachten;

ze waren zwagers en hadden veel gemeenschappelijke relaties. Maar

onbeschrijfelijk was de schrik, toen hij ging--de oude Jörgen Kruse.

Niet alleen, omdat hij voor schatrijk gehouden werd--wat hij ook

was; maar zoo'n klein voorzichtig kruideniertje, van wie niemand

dacht, dat hij ooit tien gulden ergens aan waagde--dat hij nu bleek

verward te zitten in al de meest wanhopige zaken van Lövdahl; met

een wisselschuld, die alles verslond, wat hij bezat en misschien

nog meer,--ja, toen dat bekend werd, was het toppunt bereikt en

men was geheel verslagen van schrik. En met Kruse kwam de ellende

buiten de stad; want hij was de koopman van de boeren; en als nu al

zijn voorschotten en vorderingen met de haast van advokaten in een

failliet moesten worden geïnd, dan zouden velen van hun hoeve en

akkers verdreven worden in deze slechte tijden.

Terwijl het groote ongeluk zoo in alle stilte ver in 't rond

voortwoekerde, als brand in 't veen, ratelde de onmetelijke machine

van den laster en weefde haar bont weefsel van boosaardigheid en

leedvermaak.

De lang onvoldane behoefte aan stof wierp zich nu op dezen rijken

voorraad met een razenden honger; en ieder, die niet zoo persoonlijk

bij de zaken betrokken was, dat hij stom van wanhoop neêrzat, begon te

praten, te praten en te praten, alsof zijn leven er meê gemoeid was,

als hij zijn tong niet roerde.

En de stof--hoe overvloedig groot de hoeveelheid ook was--bleek spoedig

nog onvoldoende te zijn. Men had er niet genoeg aan de gebeurtenissen

te volgen, die nu slag op slag elkaar opvolgden; maar men snelde ze

ver vooruit met voorspellingen en toespelingen; en 't was alsof men

geen rust kon vinden voor de diepste wanhoop allen bereikt had.

Sommigen namen de zaak zóó op, dat ze alle zijden japonnen van Clara

Lövdahl nagingen en zich over ieder afzonderlijk ergerden, om daarna

zich te verkwikken met de gedachte, dat ze geen draad aan haar lijf

meer bezitten zou, als alles naar recht en billijkheid ging.

Anderen waren goedaardiger en verdiepten er zich in hoe zij zich wel

moesten voelen--die menschen, die zoo onmetelijk rijk geweest waren

en nu--letterlijk tot den bedelstaf gebracht--geruïneerd waren--op

straat stonden.

Weer anderen konden maar geen vrede hebben met die millioenen, die

verloren waren; wie zou ze gekregen hebben? ergens moesten ze toch

wezen; maar waar voor den drommel was die massa geld gebleven?--dat

zouden ze wel eens willen weten.

Er was ook medelijden; maar van zeer gemengden aard; en menig kleine

burger, die vrij gekomen was van den val der grooten, vond dat het

bier hem vandaag bizonder goed smaakte.

Onder allen daar beneden--de arbeiders en zij, die van dag tot dag

leefden van het werk van hun handen voor anderen,--onder hen heerschte

een doffe stilte. Slechts enkelen barstten uit in vervloekingen en

de ergste scheldwoorden tegen die rijken, die een lekker leventje

leidden en den arbeider zwoegen lieten, om hem dan op een mooien dag

op straat te laten staan zonder werk of verdienste.

Maar de meesten zwegen stil en vermaanden vrouw en kinderen om zich

kalm te houden. Wisten ze bij ondervinding hoe 't kapitaal in dagen

van bloei den arbeider uitperst tot het uiterste toe; ze wisten ook,

dat ze nooit in hooger mate slaven van datzelfde kapitaal waren dan

juist in de slechte tijden, als de straf kwam voor de zwendelarij en

de speculatie van de grooten.

Want ze wisten wel, wie vooral die straf zouden moeten dragen. Nu

stonden ze voor dat bestaan van werkeloosheid, van ongeregeld

werk hebben, halve werkdagen, en lange leege uren zonder werk met

honger,--kleine leeningen hier en daar, 't laatste crediet bij den

koopman, later naar de bank van leening en 't allerlaatst, in den

uitersten nood, op den rand van de wanhoop--de wachtkamer van den

armvoogd.

Daarom zaten zij stil neer en vermaanden de hunnen zich kalm te houden,

opdat hun klachten niet gehoord zouden worden door dat vreeselijke

kapitaal--nu vreeselijker dan ooit, nu 't als een aardstorting kwam

aanrollen en de kleinen verpletterde.

Ze begeerden niet anders dan te mogen werken, hun spieren waren bereid

zich zoo sterk te spannen als iemand maar verlangen kon,--ze zouden

er nog dankbaar voor zijn. Als ze maar niet stil hoefden te zitten

en verslappen in honger en met slecht voedsel; 's morgens uitgaan

om wat te vinden, en 's avonds thuiskomen om aan de deur die groote

kinderoogen te zien, die vroegen--of Vader een brood meêbracht?

De oude Steffensen probeerde natuurlijk in troebel water te visschen;

maar een troep arbeiders van Fortuna had hem bijna kreupel geslagen,

toen hij de directie uitschold en 't bestuur en 't heele zoodje. Daarna

verdween hij.

Neen--neen--Prof. Lövdahl was een eerlijk man; de jonge ook; niemand

moest iets van hen zeggen; misschien kwamen zij er wel weer boven op;

zooiets was meer gebeurd. Ja, enkelen hadden zelfs medelijden met die

rijke menschen, die nu niet rijker waren dan een eenvoudig arbeider.

Maar er waren niet velen, die zoo ver gingen. Want dat wisten ze immers

allen, hoe wonderlijk het is, met menschen, die in mooie kleeren

geboren zijn. Die blijven ze dragen hoe 't ook gaat. Men hoort wel,

dat ze alles verloren hebben en ook voor anderen alles bedorven en

toch was het nog nooit gebeurd, dat zulke menschen heelemaal zonken

tot het peil van arbeiders en onder hen kwamen wonen en zwoegen. Zij

bleven met een overjas loopen, kregen warm eten en rookten, zoodat ze

't toch niet zoo bizonder slecht hadden.

En dat was voor hen 't alleronbegrijpelijkst van het kapitaal; maar

dat boezemde hun juist daarom 't meeste ontzag in; 't moest dus Gods

wil zijn, dat dit groote verschil er zijn zou, dat sommigen alleen maar

voor anderen zouden werken en sloven,--en dat dit zoo blijven moest.

Maar ook daarvoor was er vergelding. "In den poel der hel zouden ze

pijn lijden en branden, omdat ze hier een korten tijd in rijkdom en

wellust geleefd hadden. Denk maar aan den rijken man, die den bedelaar

om een droppel water smeekte; maar hij kreeg hem niet; neen--gepijnigd

zouden ze worden--al die grooten en machtigen--, men kon ze één voor

één met name noemen; in 't helsche vuur met hen! en daar zouden ze

eeuwig branden! Stel je voor:--eeuwig!"

Maar hoe veel de predikanten hier ook over preekten, toch waren er,

die niet de rechte troost in deze gedachten vonden. Menigeen dacht, dat

't beter zou zijn, als er in een volgend leven niet zoo heet gestookt

werd onder de rijken, en de armen maar wat minder kou behoefden

te lijden in dit leven. En dan waren er ook enkele rijken waarvan

't jammer zou zijn als ze verbrand werden. Ja--zou 't eigenlijk wel

zulk een doodzonde wezen: rijk te zijn? De heele wereld streefde er

immers naar.--Dat klopte niet, als je er goed over nadacht. Neen,

hier was ergens iets niet in orde, waar 't dan ook zijn mocht.

Ja--zie, dat was ook een gevolg van de werkeloosheid--al die vervloekte

gedachten, die je in 't hoofd kreeg, als je zoo stil naar den wand

zat te staren. Maar al dat denken deugde niet voor de kleine luidjes;

ze moesten verdragen en zwijgen; hopen,--hopen,--en vooral geen

brandewijn drinken.

Zoo gingen zij den winter tegemoet.

--Maar terwijl al die gemoedsbewegingen als een zee ver in 't rond

golfden, zat hij, de oorzaak van dit alles, alleen in zijn groot,

prachtig kantoor. Hij zat niet in den leunstoel voor de godin van

't geluk; maar voor 't middenste venster.--Zoo had Carsten Lövdahl

uren lang gezeten en naar beneden in den omheinden tuin gestaard. Soms

waren zijn gejaagde gedachten zoo mat, dat hij bijna sliep; dan weer

stond de ellende, de schande, de vernedering vlak voor zijn oogen,

zóó dichtbij, zoo vlammend, dat hij de handen afwerend voor zich hield.

Hij had met zijn vrouw gestreden, de onverbiddelijke oogen waren er

geweest, en hadden zich diep in zijn ziel geboord;--en voor 't laatst

overwonnen, gaf hij den strijd op en verheugde er zich lafhartig over,

dat die oogen gesloten waren.

Maar er waren anderen, die hij ontmoeten moest: Abraham, Christensen,

Clara--en 't heele heirleger van hen, wier geld hij voor alle winden

gestrooid had; hoe--o hoe zou hij dat kunnen verdragen, hoe was het

toch mogelijk zooiets uit te houden?--Er was iets, dat zijn gedachten

als 't ware naar een uitweg trok; maar die sloot hij dadelijk af;--dàt

wilde hij niet.

En weer begonnen ze op hem aan te stormen: alle kleine bizonderheden

vol schande en vernedering. 't Begon heel in de verte als een klein

balletje, dat op hem toe kwam rollen en grooter en grooter werd, tot

alles samenliep in één geweldig groote rol, die over hem heen rolde

en hem heelemaal plat drukte--of zou het niet mogelijk zijn toch 't

hoofd hoog te houden? Hij was toch altijd Professor Lövdahl, de man

van wetenschap, de leeraar aan de universiteit; hij had schipbreuk

geleden hier onder die kooplui--welnu!--hij was niet rijk meer;

maar hij was nog iets meer dan een geldman.

Ach neen! dat ging toch niet--dat hij 't hoofd hoog hield. Hij

moest het liever zoo diep mogelijk buigen om te trachten er door

te komen. Er was al te veel in zijn laatste transacties waar èn de

crediteuren èn de overheid de oogen heel dicht voor moesten sluiten,

als dat er door zou kunnen. Zijn positie was niet van dien aard, dat

het hem goed zou staan, als hij zich oprichtte; 't kostte hem veel,

maar hij moest het hoofd buigen.

Zich laten trappen!--voor de voeten van Christensen liggen zonder een

spoor van macht!--niets anders kunnen na dit alles--zijn heele leven

lang--dan als een hond de slagen verdragen en daarna de hand likken,

die hem sloeg!--

En er lag toch een wapen vlak bij de hand--een wapen, waarmeê hij

zelfs tot zekere hoogte zich den laatsten tijd had geoefend.

Professor Lövdahl kende zijn tijd en de maatschappij, waarin hij

leefde. Hij wist, dat in dezen tijd en in deze maatschappij, waarin

het Christendom niet bestaat, maar waar alles er op aan komt, dat

men dat niet uitspreekt; waar alle krachten gebruikt worden om de

openhartigheid te onderdrukken, zoodat niet heel die reusachtige

comedie: dat allen Christensen zijn--uiteen spat, doordat één den

moed krijgt te zeggen: "Ik speel niet meer meê,"--hij wist, dat de

huichelarij de levensmacht in die maatschappij is.

Hij wist, dat niets zoo sterk is als die huichelarij, die nooit de

oogen neerslaat; dat geen rechtschapenheid, geen deugd in die mate de

boosheid ontwapent of tegen verdenking beschut, als die huichelarij,

die zich nooit schaamt, hij wist, dat hij, die zich een harnas kan

maken van die stof, waarmeê de meeste menschen zich gedeeltelijk

bedekken--hij zou door het vagevuur, dat hem wachtte, kunnen heengaan

en weer vasten voet verkrijgen; ja misschien zijn schande tot een

aureool maken, die niemand hem zou durven afrukken.

En toch aarzelde hij. De laatste overblijfselen van reinheid in hem

verzetten zich tegen zulk een gemeenheid; hij dacht aan zijn jeugd,

den korten, helderen dag van zijn wetenschap, hij dacht aan Wenche

Knorr, en hij kon er niet toe komen zich neer te laten glijden in

dien modderigen afgrond.

Maar wat hielp dat?--Die gedachten kwamen telkens terug. 't Zou

niet verdacht schijnen; de beproeving heeft zoo menig mensch tot

den godsdienst gebracht; en behalve dat was hij al lang met Clara

naar de kerk gegaan en had aan haar godsdienstige bijeenkomsten

deelgenomen;--waarom eigenlijk?--als 't niet juist was, omdat hij

een vage behoefte aan een uitweg had, toen de mogelijkheid van dit

groote ongeluk voor hem begon door te schemeren.

Als hij, een oud, onder leed gebogen man, nu de handen vouwde:

"De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heeren

zij geloofd!" Ja--met Abraham was het 't ergste; maar de anderen kon

hij wel aan, dat voelde hij. En toch liep deze overdenking er niet

op uit, dat hij met volle bewustheid de huichelarij koos; maar de

kleine achterdeur in de lambriseering werd opengerukt en de kapelaan

stormde naar binnen. Hij liep recht op den professor aan, doodsbleek

met het koude zweet parelend op zijn gezicht:

"Mijn geld,--mijn geld!" riep hij heesch.

De professor was opgestaan en hield zich aan de vensterbank vast;

zijn lippen trilden en zijn oogen waren strak op 't vertrokken gezicht

van den predikant gevestigd; maar hij kon niet spreken.

"Vader is geruïneerd--dat weet ik!--maar mijn

geld?--Frederika's geld!--dat is behouden, niet

waar?--natuurlijk! geef het me dadelijk! Wat? U hebt het niet! Het is

weg,--verloren--verdwenen! o! vreeselijke man! Je hebt ons bedrogen! Je

zult gestraft worden--neen--Je zult me alleen mijn geld terug geven."

De professor was een paar seconden als lam geslagen geweest. Nu hief

hij zijn blanke hand op, glimlachte weemoedig en antwoordde:

"Mijn waarde dominé Kruse! U weet zelf wel, dat ik op dit oogenblik

helaas niet in staat ben u dit geld te bezorgen. Maar ik zal iets

anders voor u doen,--iets wat misschien nog wel zoo goed en nuttig

voor u zijn kan."

"Wat is dat? Zeg het gauw!--Weet u een uitweg?--O! God zij geloofd!"

Maarten Kruse beefde over zijn geheele lichaam. Er was nog hoop;

die merkwaardige man, op wien hij zoo blind vertrouwd had; hij wist

misschien nog hulp--hulp voor hem alleen!

De professor legde vaderlijk de hand op zijn schouder en zei:

"Ik zal Jezus bidden, dat Hij u helpe!"

De predikant stoof achteruit, alsof men hem met dien naam in 't gezicht

geslagen had; de beide mannen stonden onbeweeglijk stil en zagen elkaar

vast in de oogen; hun gemeenschappelijk geheim hield hen gebonden. Wie

had recht den ander iets te zeggen? De blik van den predikant gleed

't eerste weg. Hij greep zijn hoed en stoof de kamer uit.

Carsten Lövdahl zonk terug in zijn stoel. Dit was zijn eerste

overwinning.

't Groote kantoor lag daar in de namiddagschaduwen; maar enkele

gulden zonnestralen vonden hun weg door de verwaaide lindenbladen, en

vielen schuins de kamer in over den man aan 't venster, over het zware

tapijt; en daar ginds op de tafel trof een straal de bronzen Fortuna,

die half zwevend haar krans toereikte aan den ledigen leunstoel.

--Maar in één huis in de stad heerschte onvermengde vreugd.

De vrouw van den bankdirecteur Christensen hing om den hals van

haar man, die juist was thuisgekomen en smeekte hem luid schreiend

om vergiffenis, omdat ze hem zoo schandelijk miskend had; en half

verward van aandoening lag ze te fantaiseeren over alles wat ze op

de verkooping van Lövdahl koopen zou.

't Leek wel een tableau!--

Fortuna: Een Roman uit het Noorsch (Voortzetting van "Vergif") · 第 18 / 22 题