XII.

"Mijnheer de bankdirecteur!--nu begin ik in ernst te gelooven, dat

u me tegenwerkt."

"Volstrekt niet, Professor! integendeel! Niemand kan er meer naar

verlangen u te helpen dan ik."

"Te helpen?--Dank u! maar ik heb waarlijk geen hulp noodig."

"Neen, neen. U begrijpt me verkeerd, ik meende alleen, dat in deze

slechte tijden--"

"Och, die crisis is een idee fixe van u, Mijnheer Christensen, en u

weet, ik geloof er niet aan."

't Gesprek had een heele poos geduurd en de beide heeren waren

tamelijk opgewonden--ieder op zijn manier. Vooral was 't gezicht van

den professor als gevlamd, en hij speelde zenuwachtig met zijn lineaal.

Christensen was kalmer; hij snuffelde alleen wat meer dan gewoonlijk

en keek rond in het kantoor.

"Welnu, Professor Lövdahl--crisis of geen crisis--één ding is zeker. En

dat is, dat Fortuna hoe eer hoe liever moet liquideeren."

Dat kwam zóó plotseling,--dat de professor een oogenblik als verstomd

bleef zitten met wijd opengesperde oogen.

"Moet dat een grap verbeelden, mijnheer Christensen?"

"In 't geheel niet, helaas! Ik dacht, dat u 't volkomen met mij eens

zoudt zijn: u moet den heelen toestand immers nog beter kennen."

"Ja, dat doe ik ook; en ik kan u verzekeren, dat er in 't geheel geen

sprake kan zijn van de mogelijkheid waar u van spreekt. Maar nu zal

ik u eens wat zeggen, Mijnheer Christensen! U hebt, van den dag af,

dat ik administreerend directeur van Fortuna werd, gedaan wat u kon

om mij te doen vallen en toen u dat niet lukte, hebt u geprobeerd de

fabriek zelf te schaden; daarom komt u met al uw bezorgdheid op de

algemeene vergaderingen, en om dezelfde persoonlijke redenen hebt u

de Fortunawissels uit uw bank verdreven."

"Persoonlijke redenen? Professor!"

"Ja, ik noem dat persoonlijke redenen;--want dit alles komt, doordat

uw ijdelheid niet verdragen kon, dat ik president werd toen Mordtmann

heenging; nu weet u het!"

De professor was geheel buiten zich zelf en liep de kamer op en neer;

Christensen voelde aan zijn neus en glimlachte zoowat achter zijn hand:

"Laat ons beiden niet over persoonlijke ijdelheid spreken, Professor

Lövdahl!--'t Zou beter zijn als we gezamenlijk het ongeluk trachtten

te dragen. Die fabriek is--een mislukte onderneming--laat ons maar

beginnen met dat te erkennen."

"Volstrekt niet--dat wil ik in 't geheel niet erkennen. De fabriek

is goed en wordt goed bestuurd; maar de samenloop van omstandigheden

is buitengewoon ongelukkig geweest."

"Ja, dan ben ik genoodzaakt u te zeggen, Professor,--dat mijn bezoek

bij u vandaag ten doel had er u op voor te bereiden, dat ik voornemens

ben op de eerstvolgende algemeene vergadering een voorstel in te

dienen tot liquidatie van de fabriek."

"Ga uw gang"--antwoordde de professor, keerde zich om en ging naar

het middenste venster in de kamer.

Hij was zoo heftig bewogen, dat hij 't een poos lang niet begreep;

maar terwijl hij daar in den tuin staarde, waar de crocussen zich

langs den kant van de paden begonnen te vertoonen kwam de geheele

toestand met al zijn gevaar hem helder voor den geest.

De positie van Fortuna was helaas uiterst slecht--niemand wist dat

beter dan hij zelf, die met groote persoonlijke offers de fabriek

in leven en in oogenschijnlijken bloei gehouden had. 't Was niet

onmogelijk, dat de aandeelhouders, als ze volkomen over den staat van

zaken werden ingelicht, de voorkeur zouden geven aan een liquidatie,

en dan zou hij zelf staan als iemand, die zijn medeburgers verlies

berokkend had; zijn heele positie, al de aanbidding, die hem zoo lief,

zoo onontbeerlijk geworden was--'t zou alles weg zijn.

Maar iets veel--veel ergers rees in vage omtrekken voor hem op:

als de fabriek failliet ging zou zijn naam half bedorven zijn, zijn

crediet zou een stoot krijgen, de allergrootste moeilijkheden konden

daaruit voortvloeien. Carsten Lövdahl voelde dat zijn knieën knikten;

dàt mocht nu niet gebeuren; de tijden waren werkelijk dreigend. Alles

kon nog terecht komen; als hij maar tijd had! Een oogenblik zonk

zijn moed zóó zeer, dat hij er aan dacht zich te verootmoedigen en

Christensen te vragen zijn voorstel niet in te dienen.

Maar terwijl hij zich weer tot den bankdirecteur wendde, die langzaam

zijn handschoenen aantrok, kreeg hij een goeden inval:

"Als u zoo angstig voor uw aandeelen in Fortuna is, dan is 't beter,

dat ik ze overneem. Hoeveel hebt u op 't oogenblik?"

"Ik heb er tien, maar ik kan niet verwachten, dat u ze weer terug

zult nemen, Professor."

"Wees u maar niet bekommerd over mij," zei de professor en lachte

wat uit de hoogte, "de vorige vijf aandeelen, die ik van u kocht,

heb ik een half uur later met winst verkocht."

"Waarlijk?"--antwoordde Christensen beleefd. "Zoudt u ook deze

aandeelen voor den vollen prijs willen overnemen?"

"Tegen pari--zooals laatst--natuurlijk," antwoordde de professor,

"en dan hoop ik, dat u zult inzien, dat uw voorstel de fabriek te

liquideeren minstens ontijdig wezen zou."

"Nu kan er van dat voorstel immers geen sprake meer zijn; nu ik niet

langer aandeelhouder ben, treed ik natuurlijk uit de directie op de

eerstvolgende algemeene vergadering."

Die wending had de professor niet voorzien. Als Christensen uit de

directie van Fortuna ging na al zijn aandeelen te hebben verkocht,

dan was dat een even doodelijke slag voor de fabriek als zijn

voorgenomen voorstel.

De professor maakte daarom een afwijzende beweging.

"Neen, neen, Mijnheer Christensen!--niet op die manier! U hebt mij

niet goed begrepen. Als ik nu uw aandeelen overneem, dan gebeurt

dat niet om een of ander oogenblikkelijk voordeel--dat weet u heel

goed; maar ik doe dat uit belangstelling voor de fabriek. Ik verlang

daarentegen van u, dat u niet alleen dat voorstel niet indient,

maar dat u ook de directie steunt, speciaal mij, als president;

en dat u over 't geheel op de algemeene vergadering zoo optreedt,

dat het vertrouwen in de fabriek, niettegenstaande het ongelukkige

bedrijfsjaar, bij de aandeelhouders niet geschokt wordt."

"Ja, maar ik kan toch niet goed op eenige manier optreden, als ik

niet langer zelf aandeelhouder ben."

"Dan houdt u een paar aandeelen," zei de professor, maar omdat

hij dadelijk den ander aan kon zien, dat hij ze kwijt wilde wezen,

verbeet hij zijn ergernis en ging voort: "of laat mij ze liever alle

tien nemen--zooals ik eerst voorstelde, dan kunnen immers een paar

aandeelbewijzen onovergeschreven blijven liggen, bij u, voor den vorm,

ten minste tot na de algemeene vergadering. Dat is immers een volkomen

particuliere transactie tusschen ons en raakt uw belangstelling niet,

voor de fabriek die u immers zelf hebt helpen stichten en waarvan de

bloei u zoo zeer aan 't hart gaat."

"Dat is wel waar. Ik wou alleen maar, dat u geen grooter assistentie

van me verlangde dan mijn overtuiging toelaat."

"Ja, ziet u! mijn waarde Mijnheer Christensen," zei de professor half

schertsend; "u is immers angstig van nature."

"Zullen we niet liever zeggen: "voorzichtig" Professor?"

"Neen, laat ons zeggen: angstig, dat is toch 't woord. Maar als u

nu ziet, dat ik,--die naar uw eigen zeggen, 't best den toestand

moet kennen--dat ik me niet bedenk, als er sprake is van nog tien

aandeelen te nemen, dan moet u dat toch wel de overtuiging geven, dat

de onderneming heel wat beter is en er beter voor staat, dan u meent."

"Ja, u hebt toch wel gelijk, Professor! Ik moet bekennen, dat u met uw

wetenschappelijke vorming de man is, die deze zaak 't best beoordeelen

kan en 't zou mij zeer spijten als u niet beloond werd voor al uw

werk en uw opofferingen met een uitslag, die aan uw verwachtingen

beantwoordt. Ik zal doen wat ik kan."

De beide heeren waren opeens heel hartelijk geworden en scheidden

met een vriendschappelijken handdruk.

In de deur zei de bankdirecteur zachtmoedig:

"Ik mag dus hopen, dat onze zaken vandaag contant worden afgerekend? Ik

ken uw handelsprincipes."

"De helft contant en de rest tegen drie maands accept," antwoordde

de professor.

"Drie maands accept..." herhaalde de bankdirecteur wat langzaam;

maar een blik op het gezicht van den ander overtuigde hem, dat de

grens nu bereikt was: hier was niet meer te halen;--en hij veranderde

behendig van toon:

"Ja, dat is immers 't zelfde als contant; een stuk, waar "Carsten

Lövdahl" op staat is even goed als de bank van Noorwegen. Goeden

morgen Professor."

En zij bogen glimlachend voor elkaar.

"Marcussen, we moeten vanmiddag 5000 gulden contant aan den

bankdirecteur Christensen betalen. Wil je die som klaar leggen?"

De onvervaarde Marcussen, die nooit zijn gezicht vertrok, werd deze

keer wel wat beduusd. Iedere dag had genoeg aan zijn eigen kwaad en

't was geen gekheid vijf duizend gulden te voorschijn te tooveren

naast al het andere wat gedekt en afbetaald moest worden. Ook was

't al vrij laat op den dag.

Maar de professor was den laatsten tijd zoo heftig en opvliegend

geworden, dat Marcussen, die de vrede liefhad, placht te doen alsof

alles van een leien dakje ging.

Hij zei daarom alleen:

"Hm! vijf duizend gulden? in orde, Professor!"

Zooals de zaak van Professor Lövdahl nu gedreven werd, paste Marcussen

er voortreffelijk in. 't Was juist iets voor hem van dag tot dag

uitwegen te vinden, zonder met bekommering over de gevolgen te denken;

en hoe schaarscher 't geld werd, hoe sterker Marcussens vindingrijkheid

zich ontwikkelde.

Hij was gewoon zich door heel wat erger moeilijkheden heen te slaan:

jaloersche vrouwen, bedrogen meisjes, onvrijwillige schoonmoeders,

bijdragen voor opvoeding van kinderen, predikanten en vermaners--de

moeilijkheden op 't kantoor waren maar kinderspel voor hem.

Vervallen papieren met nieuwe af te doen, die er uitzagen als

deugdelijke stukken, naar links en rechts te trekken, de steeds

toenemende schuld in voortdurenden omloop te houden, wat den indruk

maakte van een sterken omzet--dat was juist een werkje voor Marcussen.

En als hij rondtastte in geld en papieren was hij niet slordig en

onverschillig, omdat het geld van een ander was; hij zou zeer zeker

zijn eigen zaak op dezelfde manier gedreven hebben, als hij er een

had gehad.

Hij hield zelfs veel van den professor en van het huis en zou zoo

innig graag willen, dat het zoo goed, zoo schitterend mogelijk mocht

gaan. Goedig en hulpvaardig als hij was wenschte Marcussen zeker,

dat alle menschen rijk waren, even oprecht als hij wenschte, dat alle

meisjes mooi waren.

Ook de professor werkte van zijn kant. Hij was nu zoo ver gekomen,

dat hij niet angstig wezen wilde, hij wilde 't niet merken, dat 't

heele handelsleven als 't ware begon te verflauwen, ineen te krimpen;

hij wilde niet verder zien dan van dag tot dag.

Maar daarentegen spande hij al zijn krachten in om den stroom te

stuiten, die wegvloeide. Hij kocht groote partijen van waarde--alles

wat men hem aanbood: koren, koffie, visch, zout--en verkocht het weer,

bijna zonder dat hij aan winst of verlies dacht--als 't maar gauw ging,

als hij maar altijd geld door zijn handen voelde gaan.

En de koortsachtige kracht, door dien eenen man ontwikkeld, werkte

aanstekelijk in wijden kring; en een lust tot speculeeren, een periode,

als van het meest woeste spelen op de beurs, wierp een korten tijd

zijn valschen glans over dien stillen uithoek van de wereld, waar

Carsten Lövdahl aan den gang was.

Hoe verder hij het veld van zijn operaties uitstrekte, hoe meer namen

hij binnen den kring van zijn endossanten trok; en daar de geheele

omzet op wissels ging, was er spoedig geen huis van eenige beteekenis

in de stad of in de naburige steden, dat niet met Lövdahl samen op

een of ander stuk stond.

Maar zoolang de banken en het buitenland zonder morren disconteerden,

was die manier om geld te krijgen zoo gemakkelijk, dat maar zeer

weinigen de kracht hadden bijtijds op te houden.

Zelfs niet toen het disconto begon te stijgen zoodat dit geld waarmeê

zoo gemakkelijk en zoo vlug gespeculeerd werd, in werkelijkheid zoo

duur was, dat het weinig kans op verdienste gaf.

Ook scheen niemand zich in ernst ongerust te maken over de berichten

uit het buitenland; het eene artikel na het andere daalde 50%

in een week: de petroleum begon, toen verdwenen er millioenen in

spoorwegaandeelen, toen ging de koffie naar den kelder en de suiker

er achter aan, maar niemand scheen te begrijpen, dat dit een gevaar

voor alles en allen was.

Er waren niet veel neuzen als die van den bankdirecteur en het

vertrouwen op Carsten Lövdahl was zoo boven allen twijfel verheven,

dat geen mensch er aan dacht zijn naam te weigeren.

Trouwens, daar zou ook meer moed toe behooren dan de koopmansstand

gewoonlijk bezit. Want Lövdahl behoorde tot "den kring," die de

stad en de bank bestuurde. Een onvoorzichtig woord tegen een van

de "grootelui" kon genoeg zijn om er zachtjes aan uit geschoven,

geïsoleerd, vergeten te worden; en wie niet sterk genoeg was om alleen

te staan, hij moest verdorren en afsterven, omdat alle bronnen voor

hem werden afgesloten. Daarom klonken er louter lofredenen op die

grootsche en voor de stad zoo gezegende werkzaamheid, de bezige handen,

de vele monden--enz.; en met die lofspraken bedwelmde men zich zelf en

doofde zijn twijfel. In alle andere omstandigheden zou de balans van

't laatste bedrijfjaar van de maatschappij op aandeelen "Fortuna"

een gebeurtenis geweest zijn, dat wel tot nadenken kon stemmen.

't Was een allerwonderlijkste algemeene vergadering geweest.

Na een vlug en kort financiëel overzicht, door Marcussen geschreven,

had Prof. Lövdahl zijn spijt betuigd te moeten meêdeelen, dat de

fabriek dit jaar geen winst gemaakt had.

Dat was een onaangename verrassing voor allen; en de stemming werd

zeer gedrukt; een enkele ontevreden stem probeerde voorzichtig een

paar onaangenaamheden tot de directie te richten.

De directeur van de bank bleef zwijgend zitten en de vergadering

kreeg den indruk, dat de ontevredenheid onder zijn bescherming kwam

aanrukken; 't was immers genoeg bekend, dat hij Lövdahl haatte;--men

werd dus moediger; het scheen een stormachtige vergadering te zullen

worden.

Christensen liet het ver komen, vóór hij opstond. Maar toen viel

hij de verblufte ontevredenen in den rug aan, met een toespraak,

zóó vol besef van zijn meerderheid, zoo open, zóó vol vertrouwen,

dat de sterk bewogen algemeene vergadering tot een lachend meer werd,

waarin het herkozen bestuur zich veilig spiegelen kon.

Daarop ging de bankdirecteur weer zijn jaarlijksche badreis maken en

nam zijn neus meê; hij wist nu wel hoe het gaan zou.

Maar hij had niet de opvatting van zijn roeping, dat hij waarschuwen

en voorkomen moest. Toen hij zijn eigen zaken geregeld had en naar

zijn beste vermogens zijn dierbare bank beschut tegen de ongelukken,

die hij voorzag, liet hij met een gerust hart zijn lieve medeburgers

zich zelf ruïneeren, en hij wachtte kalm op het oogenblik, dat hij

alleen zou blijven staan, terwijl rondom de gevallenen of wankelenden

hem om hulp zouden smeeken.

--Carsten Lövdahl herademde na die algemeene vergadering en hij zag

met vreugde de Hamburger boot met Christensen aan boord het fjord

uit stoomen.

Toen de zomer kwam werden de zaken matter. De menschen gingen op reis

of kregen bezoek en intusschen liepen de wissels hun gewonen loop,

uit en in de banken, die op sluizen geleken, waardoor de stroom

op den middag bruisend heen ging om op den namiddag in de kas een

allerbedroevendste leegte na te laten.

In het ruime huis van den professor was de heele familie Meinhardt

op bezoek; en de grootere huishouding werd gedreven uit een overdadig

ruime beurs, wat Mevrouw Meinhardt in verrukking bracht.

De oude uitgedroogde Assessor daarentegen werd onrustig; hij begon te

snuffelen en te onderzoeken, maakte enkele berekeningen en eindigde

met op een zekeren dag aan den professor voor te stellen enkele van

de onroerende goederen op naam van zijn kleinzoon te zetten.

Abraham had nooit groote eischen gesteld als man van zaken, en daarom

viel het den assessor minder moeilijk de zaak zóó te wenden, dat dit

voorstel in 't geheel niet uit eenig wantrouwen tegen den professor

voortkwam. 't Was alleen om intijds de familie in 't bezit van de

vaste eigendommen te stellen, als de zaak later bleek niet even

schitterend te gaan in de handen van Abraham.

Op die manier kon de professor ook gemakkelijker het voorstel aannemen,

dat hem trouwens toelachte; en de twee grootvaders schreven een aantal

juridische meesterstukken in den vorm van giftbrieven en stukken van

overdracht, die den kleinen Carsten tot een gezeten man maakten,

terwijl hij boven liep te schreeuwen, omdat hij niet meer kersen

mocht hebben.

Hiervan kwam Abraham niets te weten; hij had het zoo druk met de

belangen van de arbeiders. Dat was iets, waar hij vol van was--vooral

hun bouwfonds, dat zoo flink aangroeide, dat er al gauw sprake wezen

zou van 't bouwen van een vereenigingslokaal. De advokaat Kruse liet

het bestuur daarvan aan zijn jongen vriend over, want Abraham was

door allen geacht en bemind.

Abraham was niet langer ongerust over de verandering, die hij in zijn

vader had meenen op te merken. Hij meende, nu dat alles zoo goed ging,

dat die rusteloosheid groote werklust was; en hij kon niet anders dan

den grooten man bewonderen, die met het klimmen der jaren steeds over

grooter kracht scheen te beschikken.

Op een dag, dat Abraham in 't kantoor was, riep zijn vader hem toe:

"Heb je wat contant geld om ons te leenen? Marcussen is niet bij kas."

"Ik heb niet anders, weet u, dan de spaarbankboekjes voor het bouwfonds

en voor..."

"Ja--geef maar wat je hebt; we geven 't morgen of over een paar

dagen terug."

Abraham haalde snel zijn kistje uit de brandkast van het kantoor.

"Ziehier, Vader! Is 't niet prachtig? 't Bouwfonds heeft al bijna

twaalfduizend kronen en de ziekenkas is ook nog zoo verkeerd niet."

"Goed--goed!" antwoordde de professor haastig en greep naar de boeken.

"Wilt u alles hebben?" vroeg Abraham lachend.

"Neen--we nemen alleen maar wat we vandaag noodig hebben."

"En dan moet u de menschen de rente vergoeden--liefst wat royaal--als u

't geld morgen teruggeeft."

"Ja zeker,--natuurlijk," antwoordde de professor, die al weer bij

zijn lessenaar stond, waar Marcussen wachtte.

--Nu was de laatste, woeste strijd begonnen voor Carsten Lövdahl.

Hij nam geld op naar alle kanten. Zelfs heel verre, kleine bevriende

handelshuizen gebruikte hij voor onbeduidende sommetjes; hij spaarde

niets, berekende niets meer, sloeg er zich maar door met den trouwen

Marcussen, van den eenen dag tot den anderen.

Hij spande zijn crediet tot het uiterste, kocht van alles tegen

driemaandswissels en verkocht tegen alle mogelijke prijzen, ver onder

inkoopsprijs, als 't maar contant geld inbracht. De stukken van den

ouden Abraham Knorr gingen in alle stilte naar Hamburg om verkocht

te worden, en alles wat ze bijeen konden schrapen aan stukken van

werkelijke waarde, wierpen ze in den eenen put na den anderen--tot

alles stilstond voor een, bodemloozen afgrond.

En toen was het gedaan met Carsten Lövdahl.

Fortuna: Een Roman uit het Noorsch (Voortzetting van "Vergif") · 第 17 / 22 题