De baker had gelijk, toen ze de eerste dagen na de geboorte van kleine
Carsten steeds herhaalde, dat Mevrouw te jong was om dadelijk het
heele geluk te voelen van een kind te hebben;--dat zou wel komen.
Want toen Clara er zich van overtuigd had, dat haar schoonheid niets
geleden had, omringde ze den kleine met een liefde zoo begeerig en
jaloersch, dat ze zich bijna op voet van oorlog voelde met allen,
die haar omgaven en zich een beetje eigendomsrecht op het kind wilden
toeëigenen.
Ze knorde op verpleegsters en kindermeisjes, omdat ze er geen verstand
van hadden hoe 't kind behandeld moest worden. Zoolang de kleine gezond
was kwam het door dat Clara hem behandelde volgens een boek of volgens
lange brieven van haar moeder. Maar kwam er wat maagpijn of zooiets,
dan was 't altijd doordat de verpleegster of 't dienstmeisje--of
iemand anders--iets doms of verkeerds gedaan had.
Dat kind was een stuk van haar eigen schoonheid, van haar eigen
volkomenheid; daarom moest het zijn--en opgroeien als--een manlijk
evenbeeld van haar; het moest zich eenmaal vertoonen in de stad en
aan de familie en vrienden, aan de versmaadde balcavaliers, ja voor de
heele hoofdstad tot op het Koninklijk Paleis toe, als het meesterstuk
van Clara Meinhardt.
"'t Schijnt, dat je kleine Carsten als jouw uitsluitend eigendom
beschouwt," zei Abraham goedig, als ze hem niet wilde toestaan bij
het kind te komen.
"Ja, dat doe ik;--dat spreekt!"
"Maar ik dan!" riep Abraham lachend, "je behandelt me heelemaal als
oud kruit."
"Wat is dat nu voor onzin?"
"Der Mohr hat seine schuldigkeit getan, der Mohr kann gehen."
"Ja, dat kan hij ook," antwoordde Clara zonder een spoor van een
glimlach.
Maar Abraham lachte; hij wilde dit niet in ernst opnemen; hij wilde
gelukkig zijn. Hij had een zoon, die van hem was; en hij zou den
jongen wel naderen, later! 't Was zoo natuurlijk, dat de moeder den
eersten tijd heelemaal voor hem zorgde.
Alleen met één kon en wilde Clara het kind deelen. De professor had
ten allen tijde toegang; en hij werd ontelbare malen de wenteltrap
opgeroepen voor een consult of soms ook alleen, omdat Grootvader zien
moest hoe lief hij was--kleine Carsten in 't bad.
En Moeder en Grootvader konden uren bij de wieg zitten te lachen en
iederen trek te bewonderen in dat kleine gezicht, waarin ze allerlei
glimlachen, familiegelijkenissen en sporen van intelligentie ontdekten,
terwijl 't kind--oprecht gesproken--'t meest op een zieken aap geleek.
De professor was zóó vol van dat kind, dat hij 't stof van een paar
geneeskundige geschriften afborstelde en de kinderziekten weer ging
"repeteeren." 't Was zijn lust en zijn vreugd, dat kleine wezen,
dat zijn naam dragen zou. En als hij in de diepe stilte midden in
zijn groot kantoor van verre 't geluid van 't schreien van een kind
hoorde, dan leunde hij achterover in zijn stoel en glimlachte tegen
de geluksgodin, die half zwevend hem haar krans reikte en ook tegen
hem glimlachte.
Ook aan haar vriendin, Mevrouw Frederika, vertoonde Clara soms haar
kind, want zij had er geen en 't scheen ook niet, dat ze kinderen
krijgen zou; en Clara was er trotsch op dit boven haar voor te hebben.
Want wat zuinig huishouden betreft moest zij erkennen, dat Mevrouw
Frederika verre haar meerdere was. Wel behoefde Clara niet zuinig te
zijn, en dat was ze ook eigenlijk niet; maar ze had toch van haar
moeder de liefhebberij geërfd om zuinig met de boter te zijn en de
suiker voor de dienstmeisjes weg te sluiten.
Mevrouw Frederika leerde haar een menigte kunstjes met het vet in
't eten, met aanmaken met meel, stroop en chicorei en--Liebig niet
te vergeten; en Mevrouw Clara maakte er zich een gewetenszaak van
haar man en haar dienstboden te onthalen op sommige mystieke zaken,
die zij moesten eten.
Op andere oogenblikken,--b.v. bij partijen, deinsde ze niet voor
uitgaven terug. Royaal te zijn en veel geld uit te geven, als
de menschen het zagen, lag eigenlijk in haar aard--vooral met een
verfijnde manier van uitpingelen; op 't oogenblik, dat ze de kookvrouw
vrij liet rondtasten in truffels en oesters, verzuimde ze nooit de
pruimen te tellen voor de zoete soep van de dienstboden.
Voor Mevrouw Frederika was een bezoek en vooral een partij in dat
huis, waar zooveel omging, werkelijk aangrijpend. Haar valken-oogen
rustten op alles wat er verbruikt werd en taxeerden alles wat er werd
verspild. En daarna voelde ze zich alsof ze had meêgedaan aan een
waanzinnige overdaad, die ze zelf moest herstellen door nog zuiniger op
't allerzuinigste uit te zuinigen.
Ze benijdde waarlijk haar vriendin niet; 't moest vreeselijk zijn
aan 't hoofd van zulk een huis te staan. Want Mevrouw Frederika
begeerde eigenlijk niet rijk te zijn; veel te bezitten; evenmin had
ze een bepaalde vrees voor de ontberingen en de bekrompenheid van de
armoede,--ze had in werkelijkheid zoo weinig noodig.
Haar hartstocht was de bewustheid, dat alle penningen, die maar op
een of de andere manier tot haar konden komen--ook werkelijk kwamen;
dat geen enkele cent van haar wegkwam, die op een of andere manier
uitgespaard had kunnen worden. Ze was een goudmijn voor haar man en
werd zeer bewonderd.
Neen--als ze Clara Lövdahl iets benijdde, dan zou 't haar man
zijn;--hij was met zoo weinig tevreden,--dàt moest ze bewonderen.
Als ze hoorde met wat voor middageten de rijke, verwende Abraham
Lövdahl genoegen nam moest ze wel eens aan haar man denken;--hem
kon ze waarlijk niet makkelijk foppen met opgewarmde restjes en
dergelijke zaken.
Maar dat kwam ook doordat Maarten niet sterk was,--en behalve dat
had hij aan goed, krachtig voedsel behoefte in zijn moeilijke
betrekking. En in 't huis van den kapelaan was 't daardoor
langzamerhand gewoonte geworden, dat de huisvader uit een
afzonderlijken schotel at; terwijl de huisvrouw, die trouwens bijna
geen voedsel noodig had, iets anders kreeg, dat men eigenlijk niet
den naam van een of ander bepaalde spijze geven kon.
--Zoodra Clara Lövdahl zich weer geheel hersteld voelde, wilde zij
vergoeding hebben voor den langen, vervelenden en pijnlijken tijd, dien
ze had doorgemaakt; ze bracht leven en beweging in 't oude huis--ja
in de geheele stad. Ze gaf den stoot aan een druk converseeren en een
feeststemming, die naar alle kanten uitsloeg en ieder meêsleepte en den
geheelen winter opvroolijkte door schitterende bals, fakkeloptochten op
't ijs, champagne en raketten.
't Was wel Clara Lövdahl niet alleen, die de bedaarde stad op stelten
bracht; maar zij sloeg op het rechte oogenblik den rechten toon
aan; en ze vond weerklank in de blijdschap en 't gejubel van alle
kanten. Niet alleen bij de grooten, zooals de Lövdahls, de Withs,
de Garmans--maar ook onder de kleine burgerij was men uitgelaten in
dezen winter. Er was niet één bekommerd gezicht te zien--behalve dat
van den bankdirecteur Christensen; en dat verhoogde de vroolijkheid.
Er gaat soms zulk een geest van uitgelatenheid door kleine afgelegen
groepen menschen, als ze lang geslapen hebben. Een prins of een
landbouwtentoonstelling brengt de machine aan den gang en dan gaat
het door, slag op slag met feesten en partijen.
Zij, die geld over hebben, halen 't voor den dag en zij, die 't niet
hebben kunnen 't met alle genoegen te leen krijgen; en er ontstaat een
royaliteit en een overdaad, zóó dat de verraste kooplieden champagne
en zware zijden stoffen uit Hamburg laten komen.
Maar die champagne wordt nooit betaald en als een vreemde klant vele
jaren later verbaasd wordt door 't vinden van een prachtige zijden
stof in een stoffigen, halfleegen winkel, dan antwoordde de koopman:
"Ja, ziet u, dat goed is nog uit den prinsentijd," en hij schudt
weemoedig zijn gefailleerd hoofd.
Deze keer was het dus Mevrouw Clara, die de vroolijkheid aan den
gang bracht; maar ze had ook goede hulp. Allereerst in den professor,
die dat juist "la haute finance" vond: bals, concerten en maskeraden
's avonds en groote omzet, massa's brieven en expedities 's morgens
op het kantoor.
Hij deed meê met alle vermaken en was het zelf, die Clara aanmoedigde
en haar hielp met iets nieuws, pikants te bedenken.
Consul With was ook een zeer te waardeeren medewerker; zijn
specialiteit was maskeraden. Hij had een garderobe, groot genoeg voor
een heel tooneel en was onvermoeid bezig en altijd bereid om er van
uit te leenen, als hij maar een maskerade in orde kon brengen of ook
maar een eenvoudig pretje, waar verkleeden bij te pas kwam.
Booze tongen beweerden, dat die liefhebberij van den consul hieruit
ontstond, dat hij alleen onder zijn meesterlijke verkleedingen
zich des avonds wat kon vermaken; daar zijn vrouw--"de strijkplank"
genaamd--hem scherp in 't oog hield. En dat was noodig; want de naam
van Consul With was bijna nog erger dan die van Marcussen.
Ook Marcussen bracht Clara aan den gang; het amuseerde haar hem in
een voortdurende verwarring te houden. In 't eerst lette hij niet op
haar, anders dan in eerbiedige bewondering voor de mooie vrouw van
zijn patroon; maar Clara gaf hem spoedig wat anders om over te denken.
Ze kende zijn leven goed en wist, dat hij onder de burgermeisjes in de
stad onweerstaanbaar was. Nu zou 't haar amuseeren dien mooien lompen
visch te vangen, om hem te zien spartelen onder haar behandeling van
uit de hoogte.
En hij beet dadelijk--maar ze trok te vroeg aan het snoer.
Want hoe weinig fijn Marcussen ook was--een vrouw bedroog hem niet
gemakkelijk. En daar hij onmiddellijk merkte waar hij voor gebruikt
zou worden, bleef hij haar eerbiedige ridder, zonder ooit de kleine
wenken tot toenadering te willen begrijpen.
Clara verbaasde en ergerde zich; die kleinsteedsche ridder--wou hij
niet toegeven? Ze zou hem dwingen! Maar daardoor werd haar manier
van doen zoo wonderlijk gemaakt, dat Abraham eens, na een partij tot
Clara waagde te zeggen:
"Zeg eens, je verwent ons dien Marcussen."
"Wat meen je?"
"Je neemt te veel notitie van hem. Hij is immers niet anders dan..."
"dan je vaders kantoorbediende?--dat was 't zeker wat je zeggen
wou; ja, jij meent 't nog al eerlijk met je praatjes over vrijheid
en gelijkheid. Als 't er op aan komt, ben je een belachelijke
aristocraat."
"Ik wou niets van zijn positie zeggen, ik wou zeggen..."
"Ja, dat wou je wèl zeggen, dat kon ik aan je gezicht zien."
Abraham Lövdahl was nu bijna twee jaar getrouwd; over zulke dingen
disputeerde hij niet meer en hij wilde zwijgend zijn courant nemen.
Maar nu wilde Clara juist weten wat hij bedoelde. Zij eischte, dat
hij zou verklaren wat hij met zijn insinuaties meende; waarom hij
haar allerlei verwijten deed en...
"Nu, nu Clara! antwoord me nu eens: vind je werkelijk, dat Marcussen
fatsoenlijk is."
"Hij is mooi, veel mooier dan jij."
"Ieder zijn smaak!" antwoordde Abraham vroolijk; hij wist best, dat
hij knap was en dat ze dit alleen zei om hem te ergeren, "maar vindt
je dat hij beschaafd is."
"Nu, weet je wat? ik ken veel getrouwde mannen, die van den heer
Marcussen hoffelijkheid tegenover dames konden leeren."
"Denk je, dat die sierlijke kunsten een getrouwd man goed zouden
staan?"
"Je zoudt 't altijd kunnen probeeren. Maar nu wil ik weten, wat je
mij tegenover Marcussen te verwijten hebt."
"Zijn naam..."
"Dien ken ik; de meeste mannen hebben geen al te besten naam; wil
jij misschien den eersten steen werpen?"
"Ik wil heelemaal niet over me zelf spreken; maar 't verwondert me,
dat jij, Clara! die werkelijk zoo scherp ziet, als je dat wilt,--dat
jij de innerlijke ruwheid niet ziet, die bij Marcussen door alles
heen schijnt."
"Je ben jaloersch,--ja, dat ben je."
"Och neen, ik ben waarachtig niet jaloersch."
"Meen je dat ik, die zoo scherp zie, zooals je zegt, de jaloezie niet
uit je oogen zie kijken? Dat is wel een mooie trek van je! Herinner
je je den tijd wel toen je den lof zong van de gelijke rechten,
dezelfde eischen voor man en vrouw, het weerkeerig vertrouwen..."
"Nu, wat zou dat?"
"Wat dat zou?--ja, jij ben een mooie Eman... Emancipist!" riep Mevrouw
Clara, "je ben geen haar beter dan al die andere ellendige mannen;
terwijl jij van je vrouw verlangt..."
"Wat meen je, Clara? Ik?--"
Toen keerde ze zich naar hem toe en haar mooie blauwe oogen werden
koud als glas.
"Greta Steffensen," zei ze halfluid.
Abraham sprong op bij dien naam en Clara maakte daar dadelijk
gebruik van.
"Ja, je ziet, ik weet er alles van; je meent misschien, dat het je
mooi staat hier met je afschuwelijke en onredelijke jaloezie aan te
komen, terwijl je zelf zooiets op je geweten hebt."
"Maar ben je nu heelemaal gek, Clara! 't is immers een arm blind kind."
--"Ja blind moest ze ook wel wezen--"
"om door mij bekoord te worden?" ging Abraham voort en moest er toch
om lachen.
"Dat wou ik heelemaal niet zeggen," antwoordde Clara en wendde zich
af.--Want dat had ze juist willen zeggen, maar ze hield op, omdat ze
zelf voelde, dat het al te dwaas was.
Intusschen herwon ze spoedig haar kalmte en terwijl ze hem voorbij
ging zei ze--met de stem van haar moeder:
"Hoe dat alles nu zijn mag--ik verzoek van je jaloezie verschoond te
blijven; pas jij maar op je eigen zaken, ik zal wel voor de mijnen
zorgen. Goeie nacht!"
Na dat gesprek werd Abraham bang, dat praatjes en booze tongen
zijn verhouding met Greta konden bederven; en ze was hem onmisbaar
geworden. Langzamerhand was zijn liefde van Clara weggegleden; hij
had immers al spoedig ingezien, dat het onmogelijk was de dwepende
liefde te bewaren, die hij in 't begin voor haar had gevoeld en
wanneer het nog niet ten volle tot hem was doorgedrongen, hoe ver zij
in werkelijkheid van elkaar stonden dan was dat meer omdat Abraham
in zijn karakter een bepaalden tegenzin had om diep in een toestand
door te dringen, waar hij op den bodem iets droevigs of verontrustends
vermoeden kon.
Maar de behoefte aan toewijdende liefde, die bij Clara geen
beantwoording vond, keerde zich naar Greta,--natuurlijk en zonder dat
hij aan iets verkeerds dacht. Nu wist Abraham heel goed, dat hij Greta
liefhad en dat hij gelukkig was met haar onschuldig vertrouwen; alle
wenschen, die verder gingen dan dit hield hij van zich af; hij had
zich zelf beloofd, dat hij in deze zaak ten minste volkomen eerlijk
en rechtschapen wilde zijn.
En voor hem, die telkens in de kleine dingen van 't leven uitweek,
waar hij recht door zee had moeten gaan;--zweeg, waar hij had moeten
spreken--werd deze verhouding met Greta een toevluchtsoord voor
een behoefte in zijn karakter, die van zijn jeugd af onderdrukt
geworden was: hij voelde zich als haar ridder; zij was volkomen in
zijn macht; maar hij zou die nooit misbruiken. En toch was ook hier
een schaduw. Als Abraham over zijn leven dacht, kwam het hem voor alsof
't zijn onverbiddelijk noodlot was, dat juist hij, die in werkelijkheid
zoo graag alles helder en zuiver om zich heen zou hebben,--dat juist
hij telkens in kleine onwaarheden moest raken, lastige kleine dingen,
die hij in 't begin de moeite niet nam om ze weg te ruimen, maar er
over heen stapte, en die dan later achter zijn rug opgroeiden tot
groote lastige dingen met lange schaduwen.
Waarom moest het nu weer zoo gaan, dat hij er toe kwam Greta voor
te liegen!
Want het bleef niet bij dien éénen keer. Toen hij zag hoe gelukkig het
haar maakte, werkte hij zijn heele leven om naar wat grooter maatstaf
en vertelde van zijn kindsheid en jeugd, van dag tot dag. De draad
was echt en waar, maar 't waren juist de versierselen, waar Greta
't meeste prijs op stelde.
Hij vertelde--en schaamde zich, en vertelde weer, tot de schaamte
uitsleet; en die lange uren als hij zoo voor haar zat uit te werken
wat hij gedaan had en vooral, wat hij zou doen in dit of dat geval--ze
werden hem liever dan al 't andere. Niet alleen, dat hij 't geluk
genoot bij haar te zijn; maar de fantastische verhalen zelf begonnen
iets ontspannends voor hem te krijgen. Zij kwamen te gemoet aan het
leege, slappe van zijn leven.
Zoo werd hij een meester in dat soort van verdichting en zij werd
nooit moede te vragen en te bewonderen.
--Maar in zijn huis moest Abraham zich inspannen om zich niet als
een vreemde te voelen. Door de vriendschappelijke verhouding tusschen
Clara en den professor werd hij wat overcompleet. Naar verschillende
vermaken ging hij meestal meê, maar wat hij niet verdragen kon--waar
hij rondweg 't huis voor ontweek--was een eigenaardig soort vroomheid,
die Clara bezig was in te voeren.
Mevrouw Lövdahl had om de conversatie in dit saisoen een buitengewone
vaart te geven zich ook met veel weldadige dames vereenigd en een
schitterende bazar met dans en tooneelspel op touw gezet.
En na dien tijd kreeg ze smaak voor half godsdienstige bijeenkomsten
met een kopje thee en een predikant.
De professor schertste in 't begin met zijn mooie schoondochter
over die plotselinge vroomheid. Maar al spoedig was 't alsof hij 't
anders ging inzien. Hij stemde zelfs toe den post op zich te nemen
van president van de vereeniging voor gevallen vrouwen in de gemeente
van Sint Peter, van welken post de consul With om zekere redenen zich
gaarne ontheven zag.
Dit:--dat zijn vader meêdeed--kon Abraham 't allerminst verdragen;
want hij wist toch wel zooveel van de opvatting van den godsdienst
door den professor, dat hij onmogelijk gelooven kon, dat de oude man
van wetenschap nu met een oprecht hart psalmen zat te zingen met de
dames en meê ging naar de kerk, ja zelfs naar 't avondmaal met Clara.
Maar daar kon hij immers met zijn vader niet over spreken. Hij ging
hem daarom maar uit den weg.
Overigens was er over den professor een levendigheid, een rustelooze
werkzaamheid gekomen, die Abraham soms bijna angstig kon maken. Aan
alle partijen nam de oude man deel en vroeg en laat was hij in
't kantoor.
Op een dag liet hij Abraham een wissel onderteekenen.
Abraham nam lachend de pen.
"Ja, kan ik u een pleizier doen met mijn naam dan met alle
genoegen. Iedereen weet wel, dat ik geen cent bezit!"
"'t Is ook alleen maar voor den vorm," zei de professor snel, en nam
het papier aan. "Mijn naam is 't voornaamste."
"Ja, uw naam is als de koeien van Farao; die verslindt den mijnen en
wordt er geen greintje vetter door."
"Maar jouw naam Abraham, zal eens even goed worden als de mijne!"
"Ach Vader! Ik word toch nooit zoo'n koopman als u."
"We zullen zien, mijn jongen," antwoordde de professor; maar lang nadat
Abraham het kantoor had verlaten, zat hij in gedachten verdiept,--in
onrustige gedachten.