De onversaagde Juffrouw Kruse begon te tobben, iets, wat ze nooit te
voren had gedaan.
Maar in den loop der jaren en nu de goede tijd gekomen was kreeg ze
steeds minder te doen en steeds langer kousebeenen te breien; en dàn,
als ze kousebeenen zitten te breien, gaan de oude vrouwtjes tobben.
Wat vooral in Juffrouw Kruse's verstandig kopje spookte, was een
voortdurend toenemende verbazing over de tegenwoordige jeugd; maar
ze verwonderde zich niet, als andere oude vrouwen over de dwaasheid
en lichtzinnigheid van de jonge menschen, integendeel, ze kon niet
begrijpen waarom de jonge menschen zoo zwaar op de hand geworden
waren en zich 't leven zoo zuur maakten.
Ze dacht 't meest aan haar eigen kring; van anderen wist ze niet veel.
Peter was haar oogappel. Als hij getrouwd was zou hij zonder vlek of
rimpel geweest zijn; maar iets jongs en frisch was er nooit aan hem
geweest! dat moest ze toegeven.
En dan Maarten en nog erger--Frederika!
Juffrouw Kruse liet de breikous zinken en langen tijd op den schoot
rusten, terwijl ze in gedachten voor zich uit staarde, zonder iets
te zien. Dat waren de wonderlijkste jonge menschen, die men zich kon
voorstellen. Hadden zij ooit een of ander vermaak? Hoorde men ooit,
dat ze ergens blij mee waren? Nooit een schertsend woord!--nooit een
frisch jong lachen.
Maarten was dominé,--nu ja. Goeie hemel! Ze had toch heel wat dominés
gekend, die even goed waren als hij en die toch niet bang waren
voor wat scherts en vroolijkheid. En dan Frederika! Wie zou kunnen
gelooven dat ze een jonggetrouwde vrouw van 24 à 25 jaar was. Juffrouw
Kruse dacht aan haar eigen jeugd, hoe ze toen pleizier hadden, hoe ze
lachten--lachten en werkten! want dat deden ze ook. En hun vermaken
waren niet duur; zij zouden niemand ruïneeren. 't Grootste genoegen
was--dat ze jong waren. En dat hadden ze gratis. Verder was alles
eenvoudig. Ze wisten ook wat sparen was;--hier nam juffrouw Kruse
vlijtig de kous weer ter hand om de gedachten, die nu opkwamen,
weg te breien.
Toen de welstand in huis steeds toenam en bijna rijkdom werd, had
juffrouw Kruse op een Zondag in de kerk de proost Sparre hooren
preeken over de tekst: "Geen goud, geen zilver, geen koper zult ge
in uw gordelen hebben."
't Was midden in den zomer en nog ver van den dag, dat de gemeenteleden
hun offer [2] moesten betalen, zoodat de proost den rijkdom en de
rijken ernstig onder handen nam; en alsof hij opeens met deze zaak voor
't heele jaar wou afrekenen, nam hij in zijn preek alles samen, wat er
over rijkdom geschreven staat; de beide mantels en de rijke jongeling,
de rijke man en Lazarus, de kameel en 't naaldeoog--'t kwam alles in
die preek voor. Zij, die de proost kenden en met hem omgingen wisten
wel, dat die preek meer als troost voor de armen, dan als bestraffing
voor de rijken dienen moest; maar de eerlijke ziel van Juffrouw Kruse
kon die woorden maar niet vergeten. Zij sprak er met haar man over,
toen zij uit de kerk kwamen; maar Jörgen had juist niet aan zich
zelf gedacht, omdat hij heelemaal nog niet vond, dat hij zoo rijk
was. Maar nu legde zij hem uit, dat zij al lang geleden rijk genoeg
waren om aan de verzoekingen van den rijkdom te zijn blootgesteld;
en daar Jörgen altijd te kort schoot in het debat, moest hij vrede
hebben met wat meer uitgaven en wat minder schraperigheid.
Sinds dien tijd was Juffrouw Kruse op haar post in haar eigen hart,
en ze paste ook op haar man, zoo goed zij kon. Maar hij had nu zijn
veiligen schuilhoek in den donkeren ouden winkel, waar hij zijn
vermogen verdiende bij stuivers door krap te meten en te wegen en
daar bleef het ongeveer gaan als vroeger. De voornaamste verbetering
met Jörgen kwam wel hierop neer, dat hij--als het jaar eens heel
goed geweest was,--'t met de kerstgeschenken en 't offer voor den
predikant wat ruimer nam.
Maar wat haar zelf betreft overwon zijn vrouw de verzoeking tot
gierigheid, die anders voor de hand lag, voor haar, die zelf zoo meê
gezwoegd had om alles bij elkaar te houden. En toen Juffrouw Kruse
tijd en geld over kreeg om allerlei nood om zich heen te lenigen,
deed ze ook uit haar huis en haar huishouden al 't pijnlijke weg, wat
uit den tijd van armoede overgebleven was; en Jörgen, die altijd dik
geweest was, hij kreeg nog meer omvang in nieuwe kleeren en schoone
boordjes, en hij glom door goed voedsel en goede verpleging.
Hij durfde niet te knorren over de uitgaven; hij had er eigenlijk
ook geen lust in, want hij voelde zich behagelijk. En behalve
dat--hij had ook van oudsher zulk een vertrouwen in Amalia Catherine,
dat--al had zij de huisdeur verguld--hij alleen gezegd zou hebben:
"Ja Moeder,--daar zul je wel een bedoeling meê hebben."
Ze vergulde de huisdeur niet, maar ze versierde en knapte op, bij
kleine beetjes te gelijk, ieder jaar wat, tot de kale, saaie kamers
leven kregen door gordijnen en muurbloemen, tapijten en gemakkelijke
stoelen, terwijl de stijve, ouderwetsche houten stoelen naar de
eetkamer of naar boven verhuisden.
't Eetservies veranderde ook. Ze waren begonnen met een stuk
rookvleesch, dat op de tafel lag en waar ze om beurten een stuk van
sneden, dat ze in de hand hielden en waar ze van beten.
Nu was Juffrouw Kruse zoover in haar ontwikkeling gekomen, dat ze
eergierig werd wat damast tafelgoed betrof. Haar tafelkleeden en
servetten blonken tegen de zilveren vorken en de glimmend gepoetste
messen op; 't huis was zooals 't behoorde, een eenvoudig, solide,
welgesteld huis.
Waarom moest ze nu op haar ouden dag daarmeê ophouden, en teruggaan
naar de pijnlijkheid van de armoedige dagen? Zou het wezenlijk de
bedoeling van Onzen lieven Heer zijn, dat elk dubbeltje ontelbare
malen heen en weer gedraaid moest worden--dat men altijd op zijn dood
moest zijn, dat ook niet de kleinste kleinigheid verspild wordt?
"Och! geen sprake van. Dat is nooit Zijn bedoeling," zei Juffrouw
Kruse halfluid en trok stevig aan de kous, zoodat die een eindelooze
lange dunne worst scheen. En dat verlangden ze toch van haar,--niet
ronduit, maar door honderd kleine toespelingen--allebei, Maarten en
Frederika. In 't begin gaf ze er niet veel om; maar langzamerhand kon
ze niet laten een steekje onder water te voelen in bijna elk woord,
wat de jongelui spraken. Ze antwoordde niets; en lang meende zij,
dat niemand anders het merkte, tot Peter op een dag plotseling zei:
"Zeg, Moeder!--ik heb drie kamertjes boven Mevrouw Gottwald gehuurd."
"Maar mijn God! Peter! Waarom wil je uit huis gaan?"
"Vindt u niet, dat ik daar oud genoeg voor ben, Moeder?"
"Praatjes, Peter! meen je, dat ik niet aan je zien kan, dat je er
een andere reden voor hebt!"
"Ja, dat heb ik ook. En als u weten wilt, welke dat is--dan is 't
omdat ik Maartens hatelijkheden niet langer verdragen kan."
"Pas toch op je woorden, Peter! Heb je 't ook gemerkt?"
Juffrouw Kruse keek onwillekeurig de kamer rond: "maar daar moet je
je niet aan storen. Hij meent er niets kwaads meê."
"Zoo?--Is u daar zoo zeker van? Hij heeft nu elken Zondag over de
huishuur gesproken: hoe hoog die is en hoe goed zij 't hebben, die
ze niet hoeven te betalen; en dan valt zij meê in--zijn spaarpot!..."
"Stil, stil Peter! je kunt zoo raar praten. Frederika is een flinke
vrouw. En stoor jij je maar niet aan Maarten; hij is wat wonderlijk,
en je weet, dat je me een groot verdriet zou doen door heen te gaan."
"Ja, dat wist ik wel, Moeder, en daarom heb ik 't zoo lang mogelijk
verdragen; maar verleden Zondag, toen u uit was, vroeg hij mij hoeveel
ik dacht, dat u in huur zoudt kunnen krijgen voor mijn kamers, als
ik verhuisde."