"Ja, meent u, dat Mijnheer de kapelaan zich daarvoor geneert?"
"Hij is dominé--zie je," mompelde de moeder aarzelend; en die gedachte
verzachtte haar telkens.
Ze kon niets meer aan de zaak doen en Peter verhuisde.
Maar toen begon zij zijn nieuw tehuis in orde te maken; al zijn
oude meubels en wat hij verder noodig had, liet zij naar het huis
van Mevrouw Gottwald brengen; en 't was haar een genot te zien hoe
gezellig hij 't kreeg.
Toen Mevrouw Frederika de volgende keer met haar man bij haar
schoonouders kwam, om daar te eten, zei ze met haar eigenaardig
zuur glimlachje:
"Zoo, hier is boedelscheiding geweest--hoor ik."
Juffrouw Kruse schrikte op; maar ze antwoordde kalm: "Wat meen je
daarmeê, Frederika."
"Och, 't was maar, omdat ik zoo'n verhuisboel van hier zag
wegrijden,--eergisteren."
"Maar kind, dat waren immers Peters meubelen, dat kon je toch wel
weten."
"O, zoo! ik wist niet, dat Peter 't heele ameublement krijgen zou. Wist
jij dat, Maarten?"
"Neen maar Frederika, hoe kun je nu zoo praten," riep Juffrouw Kruse
en probeerde te lachen. "'t Waren natuurlijk enkel de meubels, die
hij altijd boven in zijn kamers heeft gehad."
"Neen, pardon Moeder, dat was 't niet."
"Maar ik verzeker je, Frederika."
"Ja, Moeder hoeft mij geen rekenschap van haar doen en laten te geven;
maar dat donkere mahoniehouten speeltafeltje--dat heeft ten minste
in de voorkamer gestaan, in elk geval, zoolang ik hier in huis kom."
"Ja, dat speeltafeltje!--daar heb je gelijk in," antwoordde Juffrouw
Kruse heel verlegen; "er waren misschien ook nog een paar andere
kleinigheden bij; maar dat kwam omdat hij nu drie kamers kreeg en
zoo was het er wat leeg, en toen..."
"Ja, lieve Hemel!--het gaat mij natuurlijk niet aan, wat u weggeven
wilt; maar dan moet u niet beweren, dat Peter alleen zijn oude
ameublement meê kreeg: eerlijk is eerlijk, dàt wil ik maar zeggen."
Juffrouw Kruse drukte de lippen op elkaar. Ze wilde niets zeggen. En
toch wist zij--en de anderen wisten 't ook--dat de jonggetrouwden een
flinke som van Jörgen gekregen hadden voor een ameublement, terwijl
de oude rommel, die Peter meegekregen had, daar geen vierde part van
waard was.
Dat alles wist Juffrouw Kruse, en ze wist ook, dat, als ze nu zweeg,
Frederika een volgende keer nog vrijmoediger op zou treden, en toch
zei ze geen woord.
Waarom?--ze wilde geen ongenoegen maken; en ook was ze een beetje bang
voor die twee menschen die 't zóó samen eens waren. En dan ook--hij
was dominé.
Maar ze wist zelf niet, dat de ware reden, waarom ze allen strijd
vermeed, deze was: dat ze te fijn voelde om tot hen af te dalen. En
dat merkten ze en maakten er gebruik van.
Maarten was trouwens zoo onhandig, dat hij niet zooveel kleine
behendige steekjes kon geven als Frederika; maar hij steunde haar door
daar zoo welgedaan en instemmend naast haar te zitten. Het eenige
wat hij uit zich zelf bedenken kon, was te doen, alsof zijn moeder
hem altijd bij Peter achter stelde. Maar als er iets was wat Juffrouw
Kruse's hart raakte, dan was het juist dit. Tusschen kinderen verschil
te maken, was al meê het leelijkste wat ze zich voorstellen kon. En
't allerergste was, dat haar geweten juist op dit punt haar niet
heelemaal met rust liet.
Hij--Peter--was immers in den boozen tijd geboren en veel had ze
nagedacht, terwijl ze hem onder 't hart droeg--ongehuwd en onzeker
hoe dit alles zou gaan.
't Zou dus geen wonder zijn, als dit kleine zwakke kindje, dat bij
haar geweest was in schande en zwaren arbeid, haar hart zóó vervuld
had, dat er misschien niet precies evenveel plaats was overgebleven
voor den kleinen dikzak, die zoo lang daarna kwam.
Maar 't was niet waar--heelemaal niet waar, als iemand zou willen
zeggen, dat ze Maarten niet even lief had, als 't er op aan kwam;
en nog minder waar was het, als iemand zou beweren, dat ze in woorden
of daden Peter voortrok ten koste van zijn broer.
't Ging integendeel zoo toe: uit vrees voor te dwalen door een
geheime neiging overlaadde ze Maarten met weldaden, breide ze en spon,
bakte en maakte zij in voor zijn huis, terwijl ze heel angstig werd
als ze in alle stilte Peter een paar kousen toestopte. Maar of 't nu
kousen waren of een of ander kleinigheid in huis--een voetenbankje,
een spiegeltje of zooiets, dat ze Peter gegeven had voor zijn nieuwe
woning--ze kon er zeker van zijn, dat, zoodra Frederika den volgenden
keer de deur binnenkwam, haar oog juist op die leege plaats viel,
al was die ook nog zoo klein, en dan kwam dat zure glimlachje of
een of ander vlijmscherpe opmerking, die door de teerste vezels van
't oude hart van Juffrouw Kruse ging.
Langzamerhand kwam het zoover, dat Juffrouw Kruse werkelijk
dagelijks een beetje strijd voeren moest om haar huis in de
eenvoudige welvarendheid te houden, die zij in de latere jaren had
ingevoerd. Zelfs de oude Jörgen merkte het en werd zoo moedig, dat
hij wat bromde over den wijn iederen Zondag. Maar zie, dat werd Amalia
Catherine toch te kras, en hij werd zóó grondig onder handen genomen,
dat hij daar niet meer meê aankwam. Maar met Frederika was het erger.
Op een zondag zei de jonge dominésvrouw:
"Ik geloof zeker, dat Moeder een halve koe zondags in die soep kookt."
"Ja, maar die is dan ook zoo sterk, dat ik ze de heele week in mijn
rug kan voelen; mag ik nog een schepje, Moeder."
Dat was Peter, die zijn moeder placht te hulp te komen, als er een
bui op komst was. Maar Frederika liet zich niet van de wijs brengen;
ze wierp een snellen blik op haar man, die daar naast haar zat, bleek,
vet en slap, maar heel waardig.
't Was over 't algemeen een merkwaardige ongelijkheid in het uiterlijk
tusschen die twee, innerlijk zoo geheel overeenstemmende echtgenooten;
want terwijl Maarten steeds dikker werd, was Frederika heel mager
geworden na haar bruiloft. Het jeugdige in haar gezicht dat de
eenigszins scherpe trekken afrondde, had zij verloren; en er was
iets vogelachtigs in de ronde oogen en de neus, die dor en spits
geworden was.
Nadat ze kracht geput had uit een blik op Maarten, ging ze op dien
vriendelijken, neerbuigenden toon voort, die Peter razend maken kon:
"Och ja,--als men meent, dat het er af kan en niet denkt aan al die
vele monden, die verzadigd hadden kunnen worden met het vleesch,
dat hier opgekookt is, om ons een onnatuurlijke--ja, ik noem dit
"een onnatuurlijke sterke" soep te geven--niet waar? Maarten.--Ik
vind het bepaald verkeerd, zoo'n overdaad."
Er kriebelde en prikte iets in Juffrouw Kruse's hart; zij wist door
wat ze in de keuken hoorde heel goed wat de armen gewoonlijk bij de
jonge dominésvrouw kregen; maar ze kon er niet toe komen te spreken
over haar eigen weldadigheid en over wat ze met dat gekookte vleesch
deed; daarom zei ze vriendelijk, maar met een ietwat bevende stem:
"Hoe maak jij dan vleeschsoep, lieve Frederika? Laat mij dat eens
van je leeren."
Frederika werd wat verlegen.
"Ja, dat kunnen we niet zoo heel dikwijls doen; maar verleden week
of misschien de week daarvoor--toen kreeg je vleeschsoep, niet waar
Maarten? Weet je 't nog? je vondt ze lekker."
"Die was misschien nog wel zoo lekker als die van Moeder," antwoordde
Maarten plechtig.
"Wel, dat doet me pleizier," antwoordde Juffrouw Kruse en zette haar
muts recht; "en wat had je dan in die soep gedaan, kind?"
"Ja, er was goed kalfsvleesch in en dan een volle lepel Liebig en
dan wat gebruind meel."
Maar toen was Juffrouw Kruse's geduld uitgeput. Als er iets was wat
zij als solide ouderwetsche kookster haatte en verachtte, dan waren
't zulke poespas-gerechten, en alleen al 't woord Liebig kon haar
tot een uitbarsting brengen.
Zij wendde zich geheel naar haar schoondochter en zei zóó levendig
en met zooveel nadruk, dat haar mutsenbanden er van trilden:
"Ja, wil ik je eens wat zeggen--Frederika!--dan dank ik den hemel,
dat ik zulke knoeierij niet hoef te eten."
Peter barstte in hartelijk lachen uit. De oude Jörgen, die altijd
eerst een poos daarna begreep wat er gaande was, keek van den een
naar den ander, maar Frederika zat een oogenblik als verstomd. Ze
kon van boosheid geen woord uitbrengen. Maarten--die stoffel--kwam
haar ook niet te hulp, en plotseling barstte ze in luid huilen uit
en vloog de eetkamer uit.
Maarten was bleek geworden; hij zei streng en verwijtend:
"Hoe kunt u 't hart hebben, die arme Frederika zoo te mishandelen,
Moeder."
Ja zeker, dat was verkeerd, heelemaal verkeerd; maar het was haar
zoo uit den mond gevallen, zei de moeder; ze had alweer vergeten,
hoe het gekomen was en had enkel een gevoel, dat ze onaardig tegen
haar schoondochter geweest was. En 't eind was, dat ze de kamer
uit moest gaan om Frederika op te zoeken, die ze snikkend op de
sofa in de huiskamer vond. En daar moest de oude vrouw haar met
veel verontschuldigingen verzachten om haar weer aan tafel terug
te brengen. Maar die gebeurtenis werd voor Mevrouw Frederika een
onuitputtelijke wapenkamer, van waar ze menig scherpe dolk haalde om
haar schoonmoeder meê te kwetsen. En de oude vrouw had zoo oprecht
berouw, dat ze dit aannam als een rechtvaardige straf.
Intusschen was het gevolg van dit alles, dat de oude Juffrouw Kruse
zich angstig en onzeker voelde in haar eigen huis; 't kwam al spoedig
zoover dat ook bij de kleinste kleinigheid, die ze deed, in zich
zelf dacht: "Wat zullen Maarten en Frederika daarvan zeggen?"--En
uren lang zat zij te peinzen bij haar breikous.
Maar altijd richtte zij zich met een ruk op en zette de breipennen
aan 't werk als die groote vraag bij haar opkwam: hoe zou 't toch met
Maarten zijn--hij, die een dienaar des Heeren zijn moest, en die toch
klaarblijkelijk--dat kon ze niet langer voor zich zelf verbergen--die
toch klaarblijkelijk verslaafd was--of in elk geval groot gevaar
liep verslaafd te worden aan de zonde van de gierigheid? Hoe kon dat
samengaan? Moest ze de gedachte plaats in haar ziel geven, dat haar
kind een verharde huichelaar was?--neen--neen, dat kon zoo niet zijn;
hij moest door de list des duivels verblind zijn voor 't gevaar, dat
hem dreigde. Als hij maar niet zoo stijf geweest was--zoo geharnast
in zijn priesterwaardigheid, dan zou ze hem wel geholpen hebben; zij
had immers die preek van proost Sparre in haar hart gegrift. Maar hij
was als een groot hoog pantserschip en zij als een oud vrouwtje in
een roeiboot,--zij kon niet naast hem gaan liggen en hem toeroepen,
dat er klippen voor den boeg lagen.
Als men een oude vrouw ziet--gerimpeld en met keurig linnen aan, in
een leunstoel met een breikous,--de kamer gezellig, met muurbloemen en
schuine zonnestralen over 't tapijt, dan heeft zij het goed, het oudje.
En als ze dan toch de mutsenbanden schudt en zegt: "Ja, ja! de jeugd
kan wel blij en luchthartig zijn; wij ouden moeten den last van 't
leven dragen,"--dan zou al licht de oneerbiedige jeugd denken: "De oude
ziel! waar heeft zij zich over te beklagen? Ze zit daar in een rustig
hoekje, en heeft afgedaan met den strijd en de teleurstellingen van
't leven; ze breit onbekommerd voort, verdiept in haar herinneringen,
tot de zon ondergaat."
En toch!--er gaat zooveel om in zoo'n oud hoofd en 't zou kunnen zijn,
dat ze een zwaren last van de bitterheid des levens draagt, zooals
ze daar zit, te midden van muurbloemen en zonneschijn, gerimpeld
en met keurig linnen aan--een oude vrouw, die zit te peinzen bij
haar breikous.