De lente kwam vroeg, maar langzaam; 't was nog vrij koud 's morgens
als Abraham naar de fabriek ging.
Maar de lucht was frisch en licht en 't was een gelukkige tijd voor
hem. Terwijl Clara ziek was,--en dat duurde lang,--woonde hij in zijn
zoogenaamd kantoor, waar zijn vaders boeken stonden; hij at beneden
bij den professor of ergens anders en had het vrije leven van een
ongetrouwd man, wat hij zeer aangenaam vond.
Zijn vrouw zag hij daarentegen weinig; ze vond het niet prettig als
hij kwam. Clara was veranderd, ze was nadenkend geworden en lag liefst
heel stil.
Ze had vreeselijk geleden; haar fijn, weinig ontwikkeld lichaam
was zoo mishandeld geworden en ze dacht, dat ze nooit weer geheel
herstellen zou.
En dàt was het, waar ze aan lag te denken. Als ze zich herinnerde wat
ze doorgemaakt had, voelde ze een rilling langs haar rug gaan tot in
de punten van de teenen toe, en als ze in een onrustigen slaap viel,
richtte ze zich met een schok op en meende, dat het weer van voren
af aan beginnen zou. Verscheiden keer per dag vroeg ze of het zeker
was, dat ze weer als vroeger worden zou--heelemaal? Alle mogelijke
maatregelen en de grootste voorzichtigheid paste ze gehoorzaam
en geduldig toe en dacht er aan als de dokter of de baker wat
vergaten. Over haar gezicht was ze gerust, als ze vermoeid den
handspiegel neêrlegde: de huid was zelfs blanker geworden.
In de eerste dagen bekommerde Mevrouw Clara zich niet zooveel om
haar kind.
"Ze is te jong; wacht maar," zei de baker.
Maar zij kon bijna niet verdragen den vader te zien. Als hij zijn
gezicht vertoonde, achter het gordijn, glimlachend en overgelukkig,
maakte zij een ongeduldige beweging en verzocht hem heen te gaan. Ze
was zoo moe.
En hij ging zingende heen naar zijn fabriek, nadat hij zijn oogen
had verlustigd met dat kleine geelachtig gerimpelde propje, dat in
de wieg lag. Daar buiten onder 't volk was hij 't best op zijn plaats.
Marcussen was onontbeerlijk op het kantoor in de stad, zoodat het
dagelijksch toezicht op het bedrijf op Abraham rustte; dat deed hij
ook het liefst. Kantoorwerk was hem nog altijd vreemd gebleven.
Maar van 't eene werk naar het andere te gaan, met 't volk te praten,
naar vrouw en kinderen te vragen, en vooral een beetje dokter te
spelen--dat was juist een werkje voor Abraham. Hij was zoo blij als
hij hen mocht helpen in ziekte en bij ongelukken. Maar het moest een
beetje in 't verborgen gaan, want Dr. Bentzen was de dokter van de
onderneming. Intusschen begrepen de arbeiders spoedig, dat het de
ambitie van den jongen Lövdahl was een even goed dokter te zijn als
Bentzen, en ze vonden gauw uit, dat hij beter was. In dezen tijd, toen
de vadervreugde hem zoo licht om het hart maakte en zijn gedachten
zoozeer innam, voelde hij minder behoefte om Greta te bezoeken; en
zij miste hem ook minder, nadat men haar verteld had, dat Mevrouw
Lövdahl een zoon gekregen had. Abraham sprak er niet over, want hij
had een gevoel alsof het haar hinderen zou; maar hij merkte duidelijk,
dat zij het wist.
Greta was ook niet ontwikkeld als andere jonge meisjes; het onvaste
en overdrevene in haar vaders karakter had ook haar kennis van 't
leven onvast en grillig gemaakt; maar nu was ze zelf volwassen; ze
wist ongeveer wat er met Mevrouw Clara gebeurd was en daarna voelde
ze minder vreugde als Abraham kwam.
Greta Steffensen had van haar vader geleerd, dat het leven een bloedige
onrechtvaardigheid is; dat eenigen mogen genieten en millioenen
lijden. Als hij goed aan den gang was kon ze gloeien van ergernis of
stroomden de tranen uit haar oogen.
Maar zij had het goed wat haarzelf betrof. Met al zijn gebulder was
Steffensen in den grond teer voor haar; alle menschen hadden haar
altijd zacht gestreeld en "arme Grete," gezegd, op een manier, die
haar goed deed.
Zij kon niet zien--dat was waar; 't moest iets wonderlijks zijn,
dat licht, dat 's morgens kwam, en dat ze aan haar open oogen voelen
kon. Maar lieve hemel! zij had het zoo goed in andere opzichten.
Zoo was het leven tot nu toe voor haar voorbij gegaan: geregeld werk
en een opgeruimd gemoed hadden er haar boven op gehouden; nu was ze
bijna negentien jaar en begon sterker te worden.
Maar nu was 't alsof alles stil stond. Dat kind, dat die vreemde dame
ter wereld gebracht had, en dat Abrahams stem van vreugde deed trillen
hoewel hij er nooit over sprak,--dat kind veranderde heel het leven
voor Greta Steffensen.
Wat haar vader haar had uitgelegd, dat zij, die blind was, geen kind
kon verzorgen, klonk haar nu als dom gepraat. Zou zij haar kind niet
kunnen verzorgen--zijn kind! Ach--dat zou ze geen oogenblik alleen
laten; zij zou het zoo vast--zoo vast houden!--en ze drukte haar
hoofdkussen tegen haar warme borst in slapelooze nachten, die vol
tranen en halfbewuste ellende waren over die jeugd, die verdorren
moest--die liefde, die verwelken zou, zonder iemand tot vreugde
te zijn.
De onrust in zijn huis had ook dit gevolg voor Abraham, dat hij
meer tijd kreeg om zijn vrienden onder de ongetrouwde jongelui
te bezoeken. Hij bracht vooral vaak zijn avonden bij Peter Kruse
door. Wel was er een groot verschil in leeftijd tusschen hen; maar
Kruse was een gemoedelijke kerel; je dacht nooit aan zijn ouderdom.
"Dat is toch niet waar!" riep daarom Abraham op een dag uit, "je bent
toch nog geen veertig!"
"Ik ben waarempel al vijf en veertig," antwoordde Kruse kalm en streek
over zijn dun haar.
"Dat zou ik nooit gedacht hebben. Je moeder is toch nog zoo oud niet."
"Ja, zie je... ik kwam ook tamelijk vroeg op de wereld," antwoordde
Kruse glimlachend. "En vrouwen houden zich ook langer goed."
"Och welneen! Vrouwen worden veel gauwer oud."
"Ja, enkelen; maar kijk nu b.v. eens naar Mevrouw Gottwald."
"Mevrouw Gottwald!" riep Abraham, "zij ziet er toch even oud uit
als jij."
"Och--onzin, kinderpraat!" stoof Kruse plotseling op. "Mevrouw Gottwald
ziet er waarachtig even jong uit als je vrouw."
Abraham wou grappig zijn, liet de pijp uit den mond vallen, sperde
de oogen wijd open en riep:
"Brand!--brand in een oud huis!"
Maar toen werd de goede Peter Kruse heelemaal wanhopend; hij knorde
en vloekte een paar maal geweldig.
Hij was inwoner geworden bij Mevrouw Gottwald en woonde boven in
de drie kleine kamers. Waarom hij van huis was weggegaan, waar zijn
moeder hem zoo graag had willen houden wist niemand met zekerheid;
maar Abraham leidde uit enkele woorden af, dat Maarten op een of
andere manier schuld aan deze verhuizing had.
Over zijn broeder Maarten sprak Peter Kruse niet graag; daarentegen
had hij 't druk over zijn gastvrouw, en Abraham had ieder oogenblik
aanleiding om: "Brand!" te roepen.
"Och, schei nu uit," zei Kruse uit de hoogte. "Je ben heelemaal
niet grappig."
"Ja, maar je vindt dus--in ernst, dat ze jong, mooi en rijk is--ja,
want ze is wel rijk ook."
"Neen, rijk geloof ik toch niet, dat ze is," zei Kruse goedig,
"maar ze heeft wel een spaarbankboekje met een paar honderd kronen."
"Hoe weet je dat?"
"Ik heb het boekje gezien."
"Kijk eens hier!--dus jelui ben al aan de geldquæstie toegekomen."
"Ja, zooals je ziet; maar weet je wat ze met dat geld doen wil?"
"Vermoedelijk voor jou een nieuwe pruik koopen."
"Neen--wees nu eens even ernstig! Stel je voor: ze heeft 't vaste plan
een mooi monument op te richten op het kerkhof voor haar zoon;--je
weet immers, dat ze een zoon had?--hm! je kent die geschiedenis wel?"
Ja, Abraham wist het wel; hij voelde een steek in het hart, zooals
altijd als hij aan den kleinen trouwen Marius dacht en de bouquet, die
hij eens gekregen had. Hij werd opeens ernstig genoeg en luisterde maar
half naar Kruse, die doorging met het bespreken van Mevrouw Gottwalds
aangelegenheden, die hem blijkbaar in hooge mate interesseerden.
Abraham stond op om heen te gaan; 't was nog vroeg in den avond. De
zon stond laag in 't westen en scheen onder de laatste zware wolken
door, die na een regendag naar 't zuiden dreven. Hij kreeg lust naar
Greta te gaan; ze zag zoo bleek toen hij 't laatste bij haar was.
Peter Kruse ging meê om wat frissche lucht te scheppen en terwijl ze
voortliepen, zei hij:
"Ik begrijp niet, Lövdahl, dat je dien Steffensen kunt uitstaan."
"Hij is vermakelijk; er zijn werkelijk veel wonderlijke ideeën in
zijn hoofd."
"Een fraseur, een oude gek!"
"Voor een eenvoudige arbeider, vind ik toch..."
"Een arbeider! zeg je. Verbeeldt je je misschien, dat een arbeider in
dezen tijd met zulke holle praatjes aankomt? Neen, zie je, Steffensen
kan wel goed genoeg geweest zijn in zijn jeugd, tien à twintig jaar
geleden; toen waren menschen als hij noodig om de arbeiders wakker te
schudden met groote woorden en goed klinkende zinwendingen. Maar de
arbeiders van heden zijn wakker en vrij wat meer ontwikkeld; daarom
loopt Steffensen rond als een oude schreeuwer. Je ziet zelf wel,
dat hij niet den minsten invloed onder 't volk heeft."
"Ze begrijpen hem niet."
"Ja, òf ze. Ze doorzien hem en lachen om hem. Er zijn vrij wat
meer solide eigenschappen noodig om vertrouwen en invloed onder onze
arbeiders te winnen; zij zijn waarachtig verder gekomen dan de meesten
van ons weten."
"Hoor eens Kruse!" zei Abraham en lachte. "Nu zijn we onder vier oogen
en je weet, dat ik 't over 't geheel met je eens ben wat de meeste van
je nieuwe ideeën betreft. Maar zeg me nu eens eerlijk: Geloof je niet,
dat je in je haat tegen de steunpilaren van de maatschappij geneigd
ben je lieve kleine burgers wat te veel in de hoogte te steken?"
"Ik geloof alleen wat ik weet. En dat is, dat in dit land de bovenste
lagen van de maatschappij een paar geslachten stil gestaan hebben,
terwijl een heel nieuwe levensbeschouwing de kamers van de denkers
en boekengeleerden heeft verlaten, om in de maatschappij van onder
op door te dringen als een levende stroom van bruikbare kennis van
't leven, zooals het in werkelijkheid is."
"Waarom alleen van onder op?"
"Omdat de tijd de steunpilaren van de maatschappij angstig maakt. Hun
pers heeft hun zoolang de ooren vol gepraat over anarchie en de
heerschappij van 't gepeupel, dat als je maar komt met een klein
voorstel van politieke vrijheid of invloed van 't volk, ze dadelijk
meenen, dat er sprake is van hun geld te deelen en hun vrouwen en
kinderen prijs te geven. Maar op die manier, dat begrijp je wel,
leeren die menschen niets ter wereld."
Abraham lachte.
"Maar je kleine burgers dan! Wat leeren die?"
"Ten eerste lezen ze niet de couranten van de steunpilaren der
maatschappij, waarin de heele wereld op den kop gezet wordt in usum
Delphini, doode gedachten met versche scheldwoorden opgedischt; een
wegdoezelen van de werkelijke trekken van den tijd en een dagelijksch
herhalen van de oude oer-waarheden, dat er schurken in Amerika wonen
en "communards" in Parijs, de wijsheid in Christiania en de deugd in
Stockholm;--dàt lezen ze niet."
"Dat is altijd iets," meende Abraham.
"Ja zeker--dat is nog niet zoo weinig!--Maar zij lezen, waar bijna
niemand van ons aan denkt,--zij lezen en herlezen duizende brieven,
die ons elk jaar toestroomen van de Noren in Amerika. Zie je, dat is
een bron van ontwikkeling beter dan alle couranten en boeken. Want
daar leert het volk voor 't eerst van zijn eigen familie, in zijn
eigen taal, uit zijn eigen gedachtenkring--het eenigste wat een
mensch door en door begrijpen kan. En denk eens aan al die kritiek,
die in die brieven ligt over al onze toestanden van onder tot boven,
heldere, gemakkelijk te begrijpen oordeelvellingen en vergelijkingen
van neven en nichten of van Oom Lars, die zoo geloofwaardig was en
die allen kennen."
Abraham liet hem uitspreken en antwoordde maar met enkele woorden;
hij was in zekeren zin welsprekend--Kruse, als hij aan den gang kwam;
en er was veel in wat hij zei, wat Abraham bewonderde.
Maar zich geheel bij hem en zijn opvattingen aansluiten, dat kon
Abraham niet. Hij vond als 't ware geen waarborg in die kleine,
radicale rechtsgeleerde, die hij al van zijn jongensjaren af had
leeren beschouwen als een gevaarlijk, half verachtelijk mensch.
Toen ze afscheid namen voor het huis van Steffensen spraken ze af
elkaar te ontmoeten in de arbeidersvereeniging, waar Abraham na het
feest veel vertrouwen en de plaats als vice-president verworven had.
Terwijl Kruse verder ging en zijn toespraak in zich zelf voortzette,
trad Abraham het kamertje binnen, waar hij Greta op haar gewone plaats
midden in haar werk vond.
"Je ziet zoo bleek, Grete! voel je je niet beter?"
"Ja, dank je, veel beter; je medicijn smaakt niet lekker, maar ik vind,
dat ik er sterker van word."
"'t Is zeker wat bitter."
"Och dat hindert niet; kom, ga zitten."
"Je ben niet wel--Grete."
"Ja zeker, hoor je. Scheid nu maar uit."
"Ach, ik wou..."
"Wat wou je?"
"Als ik je alles zou vertellen, wat ik graag wou--Grete! dan werd
't een lang verhaal."
"Vertel maar en laat het maar goed lang worden."
"Allereerst zou ik zoo'n vaste hand willen hebben als Vader had in zijn
allerbesten tijd; en dan wou ik voorspoed en moed hebben--voorspoed
vooral..."
"En dan?"
"Ja--dat kan ik niet vertellen."
"Neen, nu moet ik wel lachen!--dat zijn de domste wenschen, die ik
ooit gehoord heb; maar meer--nog meer domme wenschen!"
"Dan wou ik, dat ik op een stoomschip was."
"Och ja! wie moest er meegaan."
"Veel, heel veel menschen! Alle arbeiders op Fortuna."
"Wie nog meer?"
"Jij moest meegaan."
"Wie nog meer?"
"Je vader."
"Wie nog meer?"
"Mijn vader."
"Wie nog meer?"
"Wil je nog meer meêhebben, Grete?"
"Wil je niet nog iemand meêhebben, Abraham?"
"Ik weet het niet."
"Nu zeg je de waarheid niet."
"Welnu, nog één dan."
"Maar één?"
"Maar één!"
"Een heel kleintje?"
"Ja zeker, en dan moesten we..."
"Niemand meer, wel?"
"Neen, kind! nu zijn we dan aan boord; 't is niet zoo'n vreeselijk
groot schip; maar dan moesten we ver weg reizen."
"Maar dan vielen alle anderen in 't water behalve wij beiden, neen--wij
tweeën, neen wij drieën, niet waar, Abraham."
"Ja, als jij 't beter kunt dan ik, dan is 't maar beter, dat jij
wenscht."
Zoo liep hun gesprek, maar plotseling hoorden zij geraas; dat was
Steffensen, die thuis kwam. De deur vloog open door een schop en
een pak met olie bevlekte linnen kleeren vloog naar binnen, daarop
een kist met werktuigen en eindelijk Steffensen zelf,--vuurrood,
de handen diep in de zak, met uitpuilende oogen, maar stil,--stil
als een kanon, vóór het afgaat.
Greta liet haar werk los en greep Abrahams arm.
"Vader!--u is ontslagen."
"Ja!"--'t eerste schot bulderde los, "ik ben ontslagen binnentijds,
op een verachtelijke manier. Steffensen, die uitdrukkelijk van uit
Christiania hierheen geroepen is om met die lorrige machines te werken,
waar niemand hier begrip van had--mij hebben ze er uit gesmeten! Maar
dat alles was nog zoo erg niet. Ik weet immers wel wat het lot van
een gewoon arbeider is, en ik ken de bloedzuigers wel;--er was niets
beters te verwachten; maar één ding brandt me in mijn ziel! Weet je
waarom ik ontslagen ben--Greta!"
Hij ging vlak voor hen beide staan. En eerst toen drong het tot hem
door--hevig bewogen als hij was, wie Abraham was.
"Ja kijk! daar heb je nou een van de hooge heeren. Wat zegt u er
van? Hij kan 't je vertellen. Vraag 't hem maar, Greta!--dan kun je
hooren wat er aan je vader mankeert."
"Ik weet hier niets van, Steffensen! en ik kan eigenlijk niet gelooven,
dat het mogelijk is," antwoordde Abraham. Hij zelf was bleek geworden
en hij voelde zijn drift opkomen, omdat de directie, of zijn vader
dit toch gedaan had zonder er hem over te raadplegen.
"Nu als u dan niets weet, dan zult u en de anderen 't hooren, voor den
duivel! Ik ben weggejaagd zonder behoorlijke opzegging van te voren
en zonder dat ze zich de moeite geven, een voorwendsel te zoeken,
ze hebben me ronduit gezegd, dat 't was om oneerbiedig optreden--hoor
jelui!--wat zegt u daarvan?"
De man werd vuurrood en 't was alsof hem de oogen uit 't hoofd
zouden springen: "Stel je voor! eerst moet je verdragen, dat ze alles
bezitten, de aarde hier en de hemel hiernamaals--tot die vervloekte
machines toe, waar je op loopt te passen zoo zorgvuldig alsof 't je
eigen vleesch en bloed was en dan willen ze nog, dat je ze eerbiedigen
zult!--En wie--Marcussen--dat zwijn--Lövdahl!..."
"Stil, Vader!"
"Hoor eens Steffensen!" zei Abraham en stond op. "Ik ben 't met je
eens. Dit is absoluut onverantwoordelijk van de directie en ik geef
er je mijn woord op, dat je volkomen in je eer hersteld zult worden."
Die woorden brachten Steffensen in de war; maar Greta riep blij:
"Ziet u wel, Vader! kom nu bij ons en wees kalm, u hoort, dat de
directeur alles in orde brengen zal."
Steffensen scheen 't meest geneigd er weer op los te bulderen; maar
hij kwam onder den indruk van de vastheid, die over de houding van
den jongen directeur gekomen was, en toen Abraham was heengegaan,
bromde de oude:
"Misschien zit er toch wel wat in dien jongen."
"Ziet u wel!" riep Greta zegevierend. "U, die altijd gezegd hebt,
dat hij precies als de anderen was."
Steffensen zag haar aan en zei: "Als je nu toch eens teleurgesteld
werd, Greta."
"Ja, dan moest ik maar sterven," zei ze zacht.
Maar Abraham liep met stormpas de stad in. Nu zou hij met allen
afrekenen. De directie moest bijeenkomen. Hij was niet bang. Hij
wilde vrijuit spreken. Ze zouden niet zeggen van de fabriek waar hij
directeur was, dat bekwame menschen werden weggejaagd, omdat ze op
een feest woorden spraken, die de groote lui niet aanstonden.
Maar eerst zou de slag geleverd worden tusschen zijn vader en hem. Er
was toch een grens aan den kinderlijken eerbied; hij wilde zijn recht
als volwassene eischen. Hoe uitstekend zijn vader in alle opzichten ook
was--'t viel toch niet te ontkennen, dat hij door dit leven tusschen
al die geldmenschen niet weinig was veranderd.
Ook dat wilde Abraham hem zeggen--open en eerlijk, zonder heftigheid,
en overigens er op staan, dat Steffensen zijn plaats behield en in
zijn eer hersteld werd.
Hij liep zijn toespraak aan zijn vader in te studeeren en toen hij
in de stad kwam, had hij die klaar; hij zou zóó beginnen: "Vader! ik
kom mijn recht eischen als volwassene."
De professor was niet thuis en dadelijk kwam bij Abraham de verdenking
op, dat zijn vader op zijn komst was voorbereid en zich aan zijn eerste
heftigheid wilde onttrekken; want zij hadden zoo vaak over Steffensen
gesproken, dat de professor weten moest, dat dit Abraham krenken zou.
't Dienstmeisje zei, dat de professor boven was. Abraham ging de
trap op: nu werd het erger: hij moest de verklaring uitlokken in
zijn eigen kamer, waar het stil moest gehouden worden voor de zieke,
en waar de feestelijke rust om den jong-geborene heen 't moeielijker
maakte harde en scherpe woorden te gebruiken.
Maar dat hielp niet; nu moest het gebeuren; hij zou ze nu eens toonen,
dat hij moed en wilskracht had als 't er op aan kwam.
In de voorkamer lag een vreemde hoed en stok, maar hij dacht er niet
over na en ging met vaste schreden de huiskamer binnen.
Hier kwam zijn vader hem te gemoet uit de slaapkamer. De professor
hief de hand op en wilde iets zeggen; maar Abraham begon dadelijk,
met gedempte stem, maar ernstig:
"Vader, ik kom om mijn recht..."
"Stil, stil, in Gods naam--mijn jongen. Praat zoo hard niet,"
fluisterde de professor en duwde hem de kamer weer uit in de voorkamer.
"Ik zal kalm zijn, Vader en zacht spreken; maar nu moet u me
aanhooren."
"Ja, ja lieve Abraham, maar op dit oogenblik..."
"Ik kan niet langer wachten, Vader."
"Maar Bentzen is daar alleen."
"De dokter!"--Abraham herinnerde zich opeens dien vreemden hoed. "Wat
doet hij hier?"
"Ik had je een boodschap willen sturen, maar ik wist niet waar je was."
"Maar mijn God!" riep Abraham; "wat is er dan? Is Clara ziek?"
"Neen, neen. Clara neemt het kalmer op dan ik dacht."
"Maar wat is er dan, Vader? Zeg het dan!"
"Ik dacht, dat 't meisje het je gezegd had. 't Begon zoo, dat hij..."
"Hij!--kleine Carsten? Vader!--Vader, 't zijn toch geen stuipen?"
"Neen, mijn jongen. Stuipen zijn 't niet; dat wil zeggen..."
"U is er niet zeker van!--o Vader, laat me bij hem!"
"Neen, neen.--Wees nu kalm!--Ik zal naar binnen gaan. Mogelijk is
't alleen maar wat koorts."
"Ja, ga u naar binnen, Vader.--Gauw! en vertel u me wat het is. Groote
God! Als we hem moesten verliezen!"
Hij stond voor het venster, terwijl zijn vader in de slaapkamer
was. Hij stond in de oude ingesloten tuin te kijken, waar hij als kind
had gespeeld; 't grasveld werd groen en de knoppen van de lindeboomen
zwollen op.
Maar geen herinnering, geen gedachte kon plaats vinden in zijn
hoofd--behalve dat ééne verschrikkelijke, wat in zijn licht bewogen
fantaisie van een akelig voorgevoel aangroeide tot een halve
zekerheid: 't zou zoo moeten zijn: hij zou hem verliezen. Niets was
waarschijnlijker; zwak en buitengewoon klein was de jongen, en met
moeite was hij ter wereld gekomen. Stierven niet gezonde en normale
kinderen bij massa's op dien leeftijd? Neen--er was geen hoop. Hij
voelde 't zoo duidelijk.
't Dienstmeisje kwam uit de keuken om te zeggen dat 't water nu
warm was en de professor kwam uit de slaapkamer om 't bad in orde te
maken. Terwijl hij Abraham voorbijging zei hij geruststellend:
"'t Wordt beter."
Maar Abraham geloofde 't niet; en de tijd ging voorbij. In de keuken
hoorde hij water in de badkuip schenken; maar binnen bij kleine Carsten
was alles stil. Geen enkel geluid, dat hoop gaf. Dr. Bentzen kwam de
kamer uit.
"Nu, dokter?"--Abraham dacht, dat alles voorbij was.
"O, 't gaat goed, heel goed," antwoordde de dokter; en toen 't
dienstmeisje en de professor op 't zelfde oogenblik met de kleine
badkuip van 't kind kwamen aandragen, zei hij: "Ik geloof niet, dat
het bad noodig is--Lövdahl. De pols is nu vrij normaal; wat zwak;
maar verder is 't kind volkomen rustig."
Beide doktoren gingen naar binnen, en Abraham bleef voor de dampende
badkuip staan en luisterde. Hij durfde nog niet hopen:--de pols was
zwak, had de dokter gezegd.
Na een lange, lange poos kwamen de twee heeren terug; zij slopen zacht
voort en hielden de deurknop vast; Abraham keerde zich naar hen toe
met een vraag in elken trek van zijn angstig vertrokken gezicht.
"Hij slaapt; alle gevaar is voorbij," fluisterde de professor.
Abraham wierp zich in zijn armen en barstte in schreien uit, zoodat
ze hem verder weg moesten brengen.
Toen hij weer eenigszins in evenwicht gekomen was, zei Dr. Bentzen,
die zich verkwikte met een glas portwijn:
"Ik zal je wat in vertrouwen zeggen,--mijn beste Abraham! Als we
grootvader worden, dan worden we heel angstig; vooral als het een
kleinzoontje geldt, dat onzen hooggeachten naam dragen zal."
"Ja, achterna kun je wel moedig zijn," meende de professor.
"Ach! je hadt me waarachtig wel met rust kunnen laten op de club,
Professor! 't Heele geval was niets anders dan een beetje koorts en
dan misschien een beetje maagpijn." Daarop dronk hij zijn glas uit
en nam afscheid.
Zij gingen met hem meê naar beneden en bleven een oogenblik op de
stoep staan. 't Was laat geworden. De straat was leeg en stil, de
avond mooi en zacht na den regen, en allen voelden zich min of meer
verlicht na al die gemoedsbewegingen.
Maar eindelijk zei de professor:
"Nu, goeden nacht! nu wil ik graag naar bed. Ik ben zoo moe als na
een langen dag praktijk in den ouden tijd."
Bentzen ging heen en trok de huisdeur dicht.
Maar toen zij in 't donker achterbleven zei de professor: "Ja,
't is waar ook! Nu denk ik er aan: er was iets, waar je me over
spreken wou, Abraham."
"Nu is u moe, Vader."
"Maar 't kwam me voor, alsof 't iets heel gewichtigs was."
"Ja, dat was 't ook. Maar nu ben ik ook moe, om u de waarheid te
zeggen. We laten dat rusten tot morgen. Goeden nacht Vader;--ik
dank u."
Steffensen?--Steffensen! hoe oneindig ver weg was hij niet van
Abrahams gedachten; en hoe in de wereld had hij er aan kunnen
denken zich om zooiets tegen zijn vader te verzetten--tegen zulk
een vader!--Natuurlijk zou hij die zaak in orde brengen--morgen;
maar dat kon immers wel in alle kalmte gebeuren.
Op de teenen sloop hij de slaapkamer binnen. Clara lag--bleek en
mooi--in dat groote bed; en kleine Carsten sliep met zachte snikken
in zijn heel klein neusje, en rimpeltjes in de fijne vingertjes,
die op gepelde garnaaltjes leken, van de allerkleinste soort.
Toen ging ook Abraham ter ruste en sliep als een Patriarch tot aan
den helderen morgen.
Iets onaangenaams hinderde hem dadelijk, vóór hij nog goed wakker was;
dat was Steffensen. Maar hij zette dat op zij, belde en vroeg aan
't dienstmeisje hoe het gegaan was.
O, goed! Mevrouw en de kleine hadden een rustigen nacht gehad.
Dat was het voornaamste; de rest zou wel in orde komen. Nadat hij
Clara goeden morgen gezegd en er zich persoonlijk van overtuigd had,
dat de kleine met de garnaalvingertjes wel bewaard was, ging hij naar
beneden om te ontbijten.
Aan tafel begon de professor dadelijk:
"Ik dacht er gisteren avond laat nog over, wat het toch zou zijn,
waar je me over spreken wou, en ik kwam eindelijk op Steffensen."
Abraham gaf toe, dat het zoo was; en nu begon de professor, steeds
onder 't eten, de zaak uit te leggen. De directie had eenstemmig
zijn ontslag geëischt; de man was niet onontbeerlijk; hij was ook
niet zoo arm als hij zich voordeed; men zei, dat hij gespaard had;
daar kwam bij, dat hij een uiterst moeilijk heer was, slecht gezind en
ontevreden. Er waren veel klachten van de andere arbeiders ingekomen;
één had zelfs er op gewezen, maar alleen mondeling, dat er machineolie
verdwenen was uit de machinekamer.
Abraham verdedigde Steffensen heel kalm en bezonnen; en de professor
was bereid veel toe te geven. Vooral was hij 't met Abraham eens, dat
't dwaas was over een oneerbiedig optreden te spreken, dat moest iets
zijn wat Marcussen verzonnen had.
Maar aan den anderen kant moest Abraham ook zijn vader hierin gelijk
geven, dat hij tenminste niet anders had kunnen handelen. Wilde
Abraham zich tot de directie wenden, dan stond hem dat natuurlijk vrij;
maar de professor zou 't hem om verschillende redenen afraden.
Abraham zou zich bedenken. En daarbij bleef het.