De professor week achteruit: "Nu dadelijk! na banktijd?--wat zijn dat
voor praatjes!--Maar wacht Marcussen, laat de bode even gaan zitten."
Marcussen ging heen, en de professor wierp de aandeelbewijzen
nonchalant voor zich neer en leunde achterover om het gesprek
voort te zetten. De oogen van den predikant weken niet van de mooi
geïllustreerde papieren, waarop een geluksgodin met een krans stond,
die precies op 't beeldje op den inktkoker leek.
De professor liet hem den tijd; en eindelijk zei de andere:
"Zijn dat aandeelen in de fabriek?"
"Ja, dat zijn een paar aandeelen, die mijn vriend Christensen mij
gelaten heeft."
"Verkoopt hij ze dan?" vroeg Kruse voorzichtig.
"Neen, verre van daar! 't was een oude afrekening, een liquidatie,
eigenlijk een soort vriendelijkheid."
"Voor welken prijs heeft de professor ze overgenomen?"
"Ik weet het waarlijk op 't oogenblik niet. We zullen 't Marcussen
vragen."
Maar de predikant hield zijn hand terug, die reeds bij de schel was:
"'t Komt er niet zoo veel op aan; zij staan wel een heel eind boven
pari."
"Ja, natuurlijk," antwoordde de professor en boog zich ver achter den
lessenaar, alsof hij iets van den grond opnam; hij voelde het bloed
naar de wangen stijgen; 't was voor 't eerst, dat hij een zaak als
deze probeerde.
De predikant had de aandeelbewijzen open geslagen en streek ze glad
met zijn dikke hand.
"Mooie papieren," zei hij glimlachend. "Was het niet 7 procent
verleden jaar?"
"Ja, voorzoover ik me herinneren kan; maar... een idee! dominé!" riep
de professor vroolijk, "neem u ze! 't zijn juist stukken voor u;
hebt u er lust in--als 't u belieft!... vijf stuks."
"Wilt u ze verkoopen, Professor!"
"Ik wil mijn belofte houden: u te helpen."
"O dank u, dank u; als ze niet te duur zijn."
"Och, daar worden we 't wel over eens," meende de professor. Hij
keek aldoor voor zich neer in de la, die hij half uitgetrokken had
en deed alsof hij ergens naar zocht. Maar in werkelijkheid klopten
zijn polsen en slapen; hij aarzelde en was onzeker. 't Was voor
't eerst, dat hij koopman in 't klein zou zijn; hij voelde hoe de
grenzen tusschen goed en kwaad in elkaar liepen--de grenzen, tusschen
dat wat voluit eerlijk en wat een beetje schurkachtig was.
Maar hoe kort die aanval van schrik en bange voorgevoelens na het
bezoek van den bankdirecteur Christensen ook geduurd had, toch had die
iets achtergelaten, een herinnering--een richting aan zijn gedachten
gevend, die zij te voren nog niet gevolgd hadden.
Nu hij eenmaal koopman was, moest hij 't ook heelemaal zijn. 't Ging
niet aan de fijngevoelige man van wetenschap te spelen, als men tegen
Christensen en consorten op wou werken. In die dubbelheid lag juist het
gevaar; dáár vooral moest hij zich voor wachten. En bovendien--op deze
zaak was niets te zeggen. Hij voor zich twijfelde niet aan Fortuna,
en kon hij 't eene oogenblik een waar koopen en die in 't volgende wat
duurder verkoopen--dat was immers 't principe van den handel,--volkomen
"fair play". Hij zei daarom eindelijk op een kalmen, welwillenden toon:
"Ik wil u deze vijf aandeelen laten voor een duizend en vijftig gulden
per aandeel; dat is vijf procent boven 't betaalde bedrag."
"Staan ze niet hooger?"
De professor voelde dadelijk, dat hij dom geweest was; hij had veel
meer kunnen vragen; maar hij antwoordde:
"Ik geloof wel, dat als men de aandeelen van Fortuna aan de markt
bracht, het blijken zou, dat ze hooger staan; maar..."
"Dank u wel!--ik begrijp u; dat is heel vriendelijk van u." Op 't
gezicht van Maarten Kruse kwam bijna een glimlach, terwijl hij in
zijn borstzak greep en zijn portefeuille voor den dag haalde.
"Wel, dat mag ik graag zien," riep de professor, "een contante post."
En terwijl hij met officieele langzaamheid ieder aandeelbewijs van
zijn handteekening voor overschrijving voorzag, telde Maarten de
vijfduizend gulden even langzaam op in groote bankbiljetten, daarna
het overige in kleine biljetten te samen f 5250.
De professor kon zien, dat er nog meer in de portefeuille was en
toen hij het geld onder een presse-papier had gelegd en den ander de
aandeelbewijzen overhandigd had, zei hij:
"U hebt zeker een groot gedeelte van 't vermogen van uw vrouw in de
zaak van Mijnheer uw vader gestoken?"
"Neen,--Vader zegt, dat dit niet voor zijn zaken past."
"Dat kan ik me wel begrijpen," lachte de professor, "Jörgen Kruse
heeft zeker geld genoeg."
"Denkt u dat?"
"Uw vader is zeker heel rijk; maar hij moest eigenlijk twee maal
zooveel hebben."
"Hoe dat?"
"Hij kon immers door zijn geld in nieuwe ondernemingen te steken
en met ondernemende menschen samen te werken, zonder twijfel zijn
inkomen verdubbelen."
"Meent u dat werkelijk?"
Maarten herkauwde deze woorden van den professor nog terwijl hij zijn
jas toeknoopte en afscheid nam.
Maar toen zij de kleine deur, die op de trap uitkwam, open deden,
klonk een scherpe, snijdende gil door het huis.
Beide heeren bleven staan en keken elkaar verlegen aan, heel beschaamd
toen ze aan dit gesprek dachten, dat zoo vroom begon en met geld en
procenten eindigde,--vooral de predikant. Hij begon te kuchen en te
stotteren zonder iets te kunnen uitbrengen.
Maar de professor als de oudste, kreeg het eerst zijn plechtige stem
weer terug: "Nu er nog geen boodschap van boven gekomen is, willen
we maar hopen, dat alles goed gaat: we moeten wachten en hopen."
"Juist wat ik dacht; we moeten hopen--hopen en bidden," zei de
predikant en stak zijn hand uit; en 't was hun beiden, terwijl
ze elkaar in de oogen zagen een zekere voldoening te zien, dat ze
wederkeerig elkaar deze kleine menschelijke zwakheid vergaven.
Zoodra hij weg was, stak de professor de vijfduizend gulden in een
couvert, verzegelde het met zijn particulier signet en drukte op den
knop voor de electrische bel.
"Marcussen--geef dezen brief aan de bode van Christensen."
Daarop nam hij de tweehonderdvijftig gulden, telde ze en borg ze
zorgvuldig in zijn eigen portemonnaie. Hij glimlachte, ja hij lachte
bij de gedachte aan dien voorzichtigen Christensen; die zijn aandeelen
à pari had gekocht; hier had hij in een half uur tweehonderdvijftig
gulden op diezelfde papieren verdiend.
Och ja! Carsten Lövdahl kon wel tegen hen allen op, als hij maar
wilde. Rustig en tevreden liet hij zijn oogen door de kamer gaan, begon
bij de vensters, waar de regen in den verwaaiden tuin neerstriemde,
en eindigde bij de godin van 't geluk, die hem half zwevend haar
krans toereikte.
Op 't zelfde oogenblik hoorde hij snelle voetstappen den wenteltrap
afstormen; hij stond op in angst en spanning; Abraham kwam
binnenstuiven--bleek, met 't gezicht van aandoening vertrokken. De
tranen liepen hem over de wangen, zonder dat hij 't zelf wist. Hij
wierp zich in de armen van zijn vader:
"Een zoon--Vader! alles gelukkig afgeloopen, een heerlijke, flinke
jongen!"
"Ik feliciteer je, mijn jongen, ik feliciteer ons allen. God zij
geloofd!"