Carsten Lövdahl zat in zijn particulier bureau. Drie hooge vensters,
die uitzagen op den tuin van het huis--een ouderwetsche, stille
stadstuin met dichte lindeboomen, die de omliggende huizen verborg. 's
Zomers viel een koele groene glans in de groote kamer, en 's winters
lichtte de sneeuw wit van de knoestige stammen en van 't onbetreden
grasveld, waar de katten van de buren voorzichtig in elkaars spoor
stapten en de pooten schudden.
De massieve schrijftafel van donker oud eikenhout zonder versiering
stond midden op den vloer; brieven en papieren in goed gerangschikte
stapels bedekten de zijkanten, en op het groene laken, midden voor
den chef stond een prachtig bronzen inktkoker--de godin van 't
geluk op een bal staande, met een krans van eikenbladen in de hand;
't was een cadeau van de mededirecteuren van Fortuna en daar naast
lag een pen in den vorm van een witte zwanenveer, door Mevrouw Clara
met eigen handen met bloemen beschilderd.
In het rond stonden zware deftige stoelen op een rij, dan kwam een
kast, een sofa en dan weer stoelen; en de wanden zelf waren behangen
met modellen van schepen en kaarten, een paar zee-schilderstukken en
teekeningen en fotografieën van Fortuna.
Het dikke donkergroene vloerkleed, dat zomer en winter bleef liggen,
dempte de voetstappen en maakte de kamer nog plechtiger. Zware
portières scheidden het bureau van den chef van de buitenkantoren af,
waar de makelaars en agenten uit en in liepen; de man van vertrouwen,
Marcussen, was de eenige, die onversaagd door de portière binnen kwam
en berichten van en aan den principaal bracht.
Nergens was een spoor overgebleven van den geneesheer of den man van
wetenschap; Carsten Lövdahl had geen halve maatregelen genomen: hij was
met hart en ziel koopman geworden; zijn speculatiën interesseerden hem
en namen hem geheel in beslag, en hij was er trotsch op, dat hij aan
't hoofd van den grootsten omzet in de stad stond.
't Was zoo met hem gegaan, dat hij bijna altijd de eerste werd in al
wat hij ondernam. Als oogendokter had hij spoedig den grootsten naam
gemaakt; en hij had zich teruggetrokken, nog vóór zijn roem begon af
te nemen.
Later had hij zich wat eenzaam gevoeld met zijn belangstelling in
literatuur en wetenschap onder louter geldmenschen. En vooral toen
er een leegte in zijn gezellige conversatie kwam, na den dood van
Mevrouw Wenche, voelde hij meer en meer behoefte zijn leven met iets
te vullen. Toen kreeg hij smaak in 't financieele leven en liet er
zich geheel door meesleepen.
Met een ijver, alsof hij een jonge man was, stelde Carsten Lövdahl
zich aan 't hoofd van een menigte nieuwe ondernemingen, die als
't ware opgroeiden in zijn voetstappen--onder zijn handen, en die
plaats en werk gaven aan grooten en kleinen, die verdiensten en
welvaart in ruimen kring verspreidden. 't Groote vermogen van zijn
vrouw, dat hoofdzakelijk bestond uit buitenlandsche effecten en
geldswaardige papieren, deponeerde hij voor een groot gedeelte in
binnen- en buitenlandsche banken, waardoor hij gemakkelijk wissels
op anderen kon trekken, zonder al dadelijk in den beginne in ruime
mate van wissels op zijn naam geëndosseerd gebruik te maken.
Als hoofddirecteur van de fabriek zond hij alle papieren uit, die
op het bedrijf betrekking hadden en deze "Fortunawissels"--zooals
zij in het kantoor genoemd werden--liepen met zijn eigene samen over
al de met hem bevriende handelshuizen, zoodat Abraham al, bij zijn
komst in de zaak, door het wisselboek een grootschen indruk van
't werken van 't huis kreeg. 't Was intusschen niet alleen door
't kantoor van Carsten Lövdahl, dat de wissels rijkelijk stroomden;
men zei dat geld gemakkelijk te krijgen was, maar men zag eigenlijk
niet waar het vandaan kwam. Wat men voor oogen zag was ook geen goud;
maar een massa snel circuleerende papieren, die als een stroom zich
vermeerderden en op hun smalle, driemaandelijksche coupons aller hoop
op inwisseling met zich omdroegen. In plaats van ingewisseld te worden,
werden ze telkens vernieuwd.
Alles tierde in de stad; allen wilden meedoen en voor aller plannen
was er plaats. Wilde iemand naar Spitsbergen om zeldzame waterplanten
te zoeken of kopermijnen exploiteeren ergens aan 't eind van de
wereld in Dovrefjeld, stoombooten bouwen of bedehuizen, waterpompen
of een circus oprichten, men ging maar het imposante kantoor van
Lövdahl binnen, zette zijn plannen uiteen en noemde een paar namen,
dan was de vennootschap gevormd, een crediet geopend en een nieuw
wisselstroompje werd geboren, dat voortschuimde, zich met den grooten
stroom vereenigde en in de bewegelijke massa verdween.
Mevrouw Christensen beleefde menig smartelijk uur; haar man ging
achteruit, dat was zonneklaar. Lövdahl vóór en Lövdahl na! en dan
achteraan kwam Christensen,--hij, die vroeger altijd de eerste
was. Maar de bankdirecteur zelf scheen er vrede meê te hebben,
dat hij de tweede in den kring geworden was; hij vormde geen
oppositie. En in de schoonste eendracht besliste de kring over alle
groote en kleine zaken in de stad, bestuurde alle vennootschappen en
"interessentskaber," bezette alle posten, bestuurde de banken, en
hielp zichzelf en zijn naaste betrekkingen en hield de menschen, die
er buiten moesten blijven, er buiten; verder dronken zij toasten op
elkaar en lieten hoera! voor zich roepen bij feestelijke gelegenheden.
Als sieraad waren ook de ambtenaren in den kring opgenomen--hoog geacht
en gevleid; maar op hun manier versterkten zij ook het kapitaal in
leven en sterven--allen: de tolbeambte, de rechter, de notaris, die
de boedelscheiding behandelde en zelfs de predikant, die de lijkrede
houden moest.
Verder was geld en niets anders dan geld de spil, waarom het heele
leven draaide, waarom allen zich vrijwillig rangschikten,--het eenige
wat iemand recht gaf zijn mond open te doen om een zelfstandige
overtuiging uit te spreken.
Carsten Lövdahl leunde achterover in den breeden leunstoel en zag
met welbehagen rond in zijn kantoor.
Nu kon hij met een glimlach terugdenken aan de tijden, dat hij in
zijn wetenschappelijken trots den handelsstand verachtte. Nu had
hij gevoeld hoe zoet het is macht over veel menschen te hebben. De
knielende aanbidding, waarmeê zijn geld en invloed hem nu overal
omringden, was een heel ander voedsel voor zijn ijdelheid dan de
koele wetenschappelijke waardeering, die vroeger zijn loon was.
En dan was hij ook veel vrijer dan vroeger, hij behoefde niet
voorzichtig te zijn of op zich zelf te letten; hij behoefde niet bang
te zijn zich te verspreken; nergens lag er een nauwlettende critiek
op den loer; alles wat hij deed werd goed bevonden en verhoogde
de aanbidding.
Hij had spoedig bemerkt, dat hij kon doen wat hij wilde--ja, dat een
zekere nonchalance tegenover kleinere collega's tot de voorrechten
van den kring behoorde. Carsten Lövdahl werd daarom ook spoedig
vrijgevig met beloften en wonderbaarlijk vergeetachtig; neerbuigend
en behulpzaam tegenover hen, die kropen, koel en uit de hoogte als
eigenmachtigheid zich op wilde werken.
Zoo zat hij op een morgen tegen het eind van den winter; een lentestorm
uit het zuidwesten met stortregen ruischte door de stad en sloeg nu
en dan met kracht tegen de lindeboomen in den tuin van den professor,
waar de aarde zwart en zuur was van het sneeuwwater en waar de katten
met groote sprongen over 't grasveld stoven met de staarten in de
hoogte, om in huis te komen.
De professor was wat zenuwachtig--bijna plechtig gestemd; zijn zoon
had hem juist laten zeggen, dat Clara zich onwel voelde. Dr. Bentzen,
de huisdokter van de jongelui boven, was ook in 't kantoor geweest
om den professor meê te deelen, dat de bevalling van de jonge mevrouw
aanstaande was.
Lövdahl werkte verstrooid; keek op de klok boven den schoorsteenmantel,
voor den grooten spiegel, of richtte zich een beetje in den stoel op
en keek in den spiegel: hij zat graag zóó, dat hij zich zelf kon zien.
Marcussen kondigde den bankdirecteur Christensen aan.
De professor werd onaangenaam verrast. Wat wilde de bankdirecteur
toch vandaag? Ze waren pas--eergisteren--bij elkaar geweest op de
bestuursvergadering van de fabriek; 't ging niet heelemaal zoo goed
daar, als men verwacht had.
De stemming was wat vreemd geweest. Kwam de bankdirecteur al vandaag,
in dit weer! En dan midden in zijn spanning over den uitslag van de
groote gebeurtenis boven bij de jongelui.
"Goeden morgen--Mijnheer Christensen!--Gaat u uit in dien storm?"
"Ik loop altijd met den wind in den rug, zooals Randolf zaliger placht
te zeggen."
De bankdirecteur nam een stoel en ging heel bij den lessenaar zitten,
en scheen lang te willen blijven; hij was tot schertsen geneigd;
dat stond den professor ook niet aan.
"Ik kom om met u te spreken over enkele dingen, de fabriek betreffende,
die ik--ten minste voorloopig--niet op een bestuursvergadering wil
aanroeren."
"Ja, dat dacht ik wel;--Mijnheer Christensen schrikt gauw."
"Ja zeker, al te gauw," antwoordde Christensen goedig; "maar ik ben
om zoo te zeggen opgegroeid tusschen wissels en papieren, en op die
manier wordt men niet, wat de professor een moedig man zou noemen."
"Ik meen, dat men niet zoo maar zijn ervaringen aan een bank kan
overbrengen op een produktieve zaak als een fabriek."
"Daar hebt u gelijk in--Professor, dat kan men niet," antwoordde
de bankdirecteur toestemmend; hij leunde achterover in zijn
stoel en streek zich over 't gezicht, ernstig en waardig met al de
zelfbewustheid, die hem eigen was, wanneer hij zich meester van den
toestand voelde.
De professor voelde dat en hield zich even stijf en imponeerend
in zijn breeden leunstoel voor Fortuna, die hem half zwevende haar
krans reikte.
Een oogenblik stilte--dat de storm vulde door zich met een waanzinnigen
wervelwind van de daken te storten en de naakte lindentakken te
zweepen zoodat dor loof, water en zand tegen de ruiten stoven.
"'t Is geen uitlokkend reisweer," zuchtte de bankdirecteur.
"Moet u op reis?"
"Ik moet immers naar Carlsbad, zooals gewoonlijk."
"Maar dat doet u toch nog vooreerst niet."
"'t Zal niet zoo lang duren; want van 't jaar wil ik 't eerste
seizoen nemen, dat is niet zoo duur en ik denk wel, dat de meesten
van ons--groot en klein--zich voorloopig wat zullen moeten bekrimpen."
"Dat geloof ik volstrekt niet," riep de professor levendig. "Lieve
hemel! wat moeten de menschen in deze vochtigen uithoek zich nog
verder ontzeggen. Hier zijn immers geen andere amusementen dan zich
een stuk in den kraag te drinken,--geen muziek, geen theater, geen
openbare vermakelijkheden. Neen, neen, laat ons toch niet meenen, dat
't leven hier nog grijzer en treuriger worden zal; ik wil liever hopen,
dat de tegenwoordige opkomst van de stad zal leiden tot een lichter,
vroolijker leven voor groot en klein."
"Ja, laat ons dat hopen--Professor. 't Doet goed u zoo vol vertrouwen
te hooren spreken; God geve, dat u gelijk hebt."
"Maar zie u dan toch maar eens om u heen, Mijnheer Christensen,
hoe de eene onderneming na de andere op touw wordt gezet."
"Die gaan nu niet allen even goed."
"U bedoelt...?"
"Ik bedoel b.v. dat onze fabriek in den loop van dit jaar
bedrijfskapitaal te kort komen zal."
"Er is geen reden voor bezorgdheid. We hebben een zeer grooten
voorraad, waarvan de verkoop..."
"waarvan de verkoop ons schade geven zal," viel de bankdirecteur hem
kalm in de rede; "en behalve dat hebt u aan de fabriek een aanzienlijk
voorschot gegeven; en al is u nu ook nog zoo'n geduldig crediteur--dat
geld moet toch vroeg of laat terugbetaald worden."
"Mijn vertrouwen op Fortuna is onbeperkt," antwoordde de professor
met een handbeweging.
"Dat is het zeker wel; maar als de fabriek haar schuld aan u had
afbetaald, was er zeker geen winst geweest verleden jaar."
De professor maakte een ongeduldige beweging. 't Had hem moeite genoeg
gekost om met behulp van Marcussen een voordeelige balans voor de
fabriek in orde te maken; maar hij wilde liever zijn eigen geld wagen
dan bekennen, dat de fabriek onder zijn leiding slecht ging.
"Ik denk wel, dat we op de eerstvolgende algemeene vergadering
genoodzaakt zullen zijn een vrij groote bijbetaling op de aandeelen
te vragen en dat zal zonder twijfel voor velen een moeilijkheid
zijn. Ik heb niet minder dan 15 aandeelen voor mijn rekening,"
zuchtte de bankdirecteur.
"Neen--nu moet ik werkelijk lachen!--vindt u, dat u te veel aandeelen
in Fortuna hebt?"
"Wilt u er misschien vijf van koopen?"
"Koopen?--nu, goed dan!--Ik koop vijf van uw aandeelen."
"Wat geeft u er voor?"
"Ik wil ze nemen voor wat u er voor betaald hebt, à pari."
"Goed," zei de bankdirecteur. "Duizend gulden per aandeel. Wilt u er
soms meer hebben?"
"U hebt zeker slecht geslapen, Mijnheer Christensen," lachte de
professor wat gedwongen.
"Ik slaap nooit goed in 't voorjaar," antwoordde de andere droog en
stond op; 't scheen, dat hij zijn doel met dit bezoek bereikt had.
Aan de deur zei de professor nog eens schertsend: "U moogt uw aandeelen
terugnemen als we a.s. jaar 10% winst uitbetalen."
"Dank u zeer," antwoordde de bankdirecteur glimlachend en ging
heen door 't bijkantoor. Achter zijn hand keek hij ter sluiks over
alle lessenaars en tafels en snuffelde even, alsof hij met den neus
onderzocht of de lucht wel de echte onvervalschte goudgeur had. Maar
professor Lövdahl bleef in zijn leuningstoel achter en zag rond in
het kantoor, alsof hier binnen iets veranderd was. Alles stond op
zijn plaats. De klokwijzer was een kwartier verder gegaan,--dat was
alles. En toch scheen 't hem alsof er iets was bijgekomen, dat er
vroeger niet geweest was--of iets weggenomen.
Dat was de eerste schaduw, die over zijn nieuwe leven trok; tot nu
toe was alles goed gegaan, allen hadden hem bewonderd met 't volste
vertrouwen; en nooit had hij zelf zich iets anders voorgesteld, dan
dat, als hij--Carsten Lövdahl--eerst zich verwaardigde koopman te
willen worden, dan moest hij--dat sprak van zelf--in alle opzichten
boven die halfbeschaafde groothandelaars staan, waar hij tusschen
leefde.
Maar in dit oogenblik liepen zijn gedachten onwillekeurig en zonder
dat hij ze terughouden kon, over de meest wilde mogelijkheden van
verliezen... geruïneerd zijn... failliet gaan!
Hij dacht opeens aan groote huizen, die plotseling in elkaar
gestort waren, fortuinen, die waren versmolten, rijke menschen met
leege handen--een zee van ongelukken, val, vernedering doken op als
herinneringen, die op een rij gingen staan en vooruitwezen als waren
ze profetieën.
Hij rukte zich uit die gedachten los, veegde zijn voorhoofd af,
ging naar 't middenste venster en staarde naar beneden in den kalen,
ingesloten tuin, waar de storm huishield.
Hij hoorde niet, dat iemand op het deurtje in de lambriseering klopte,
dat in den corridor uit kwam, waar een kleine wenteltrap naar de tweede
verdieping liep en een uitgang aan de achterzijde van 't huis was.
Langs dien weg kwamen alleen schuwe smeekelingen en de intiemste
huisvrienden; en toen de professor eindelijk merkte, dat de deur
kraakte, terwijl die voorzichtig geopend werd, keerde hij zich snel
om en dacht in eens weer aan den toestand boven.
Maar 't was geen boodschap van de jongelui. Maarten Kruse's dik lichaam
kwam voor den dag,--waardig, maar wat verlegen--in de lage deur.
"Pardon, Professor!--ik maak gebruik van mijn kennis van uw huis,
die ik nog uit mijn jongensjaren heb; ik wilde niet graag de kantoren
doorgaan. Dr. Bentzen vertelde 't me; en toen meende ik, dat een
bezoek van den predikant misschien de familie eenigszins goed kon
doen; dit is immers een oogenblik--een gebeurtenis zoo verblijdend in
't einde--dat willen we ten minste bidden en hopen."
"Ik dank u, dominé,--dat is heel vriendelijk van u."
"Hoe staat het er nu meê?"
"Alles wijst er op, dat het normaal en goed verloopen zal;--maar
't is toch altijd..."
"Natuurlijk. Het is juist een oogenblik om te bidden en den Heer aan
te roepen."
De kapelaan ging zitten in den stoel, waarvan de bankdirecteur zooeven
was opgestaan, en zat uit te blazen; hij was wat kortademig geworden
door tegen den storm in te loopen.
De professor trok zijn gezicht in de rechte plooi voor een stichtelijk,
godsdienstig gesprek. Eigenlijk mocht hij dien dominé niet lijden;
er was iets dubbels, of iets halfs in hem; hij wist nooit hoe hem
aan te pakken.
En de predikant scheen even erg in de war. 't Ging weer juist als de
laatste keer, toen hij hier kwam om over de aandeelen in Fortuna te
spreken. Vandaag was 't nu iets anders; maar de pauze werd lang en
de professor wilde even graag als toen een half godsdienstig gesprek
met dezen jongen theoloog vermijden. Hij legde 't eene been over 't
andere, zag van de godin van 't geluk naar den kapelaan en zei--zoo in
't voorbijgaan:
"Interesseert u zich nog voor onze fabriek, Mijnheer Kruse?"
"Ja, Professor!--dat doe ik. Ik interesseer me zeer voor Fortuna."
"Die is ook een zegen voor veel kleine burgers hier in de stad."
"Zeker, zeker!"
"En de aandeelhouders hebben zich waarlijk ook niet te beklagen."
"Dat hoor ik! Er was verleden jaar een mooie winst."
"En die wordt van 't jaar niet minder."
Opeens kwam er een echte schachergeest over den professor. Hij begon te
vertellen en de zaken van de fabriek op te hemelen, tot de predikant
al levendiger en belangstellender werd en als in een roes kwam door
die groote getallen. En beiden schenen heelemaal de arme Mevrouw
Clara te vergeten, die daarboven lag.
Eindelijk zei de predikant, terwijl hij een beweging naar zijn
borstzak maakte:
"U hebt me verleden beloofd me te helpen met het plaatsen van geld,
als ik een beetje over had."
Op datzelfde oogenblik kwam Marcussen binnen. De beide heeren aan den
lessenaar dachten dadelijk, dat hij een boodschap van boven brengen
kwam en hun gezicht veranderde van uitdrukking; maar het was enkel
een pak van den bankdirecteur Christensen.
De professor maakte het open; 't waren de vijf aandeelen voorzien
van de formeele overschrijving.
"Hij heeft haast," mompelde de professor geërgerd.
"De bode wacht," zei Marcussen.
"Waar wacht de bode op?"