VI.

Een paar dagen later bracht de kapelaan volgens afspraak aan Professor

Lövdahl een bezoek in zijn particulier kantoor. De predikant was wat

zenuwachtig en onrustig en moest gedurig het zweet van zijn voorhoofd

vegen met zijn zakdoek, die hij in de gesloten vuist ineenkneep. De

professor was kalm en welwillend, maar 't viel niet te ontkennen,

dat hij wat nieuwsgierig was.

Omdat hij meende dat 't op een liefdadigheidscollecte of ander

vereeniging zou neerkomen, begon hij, om den verlegen jongen man te

hulp te komen, met een paar algemeene gezegden over de vele plichten

en moeilijkheden, die een nauwgezet zieleherder konden drukken.

Maar hij begreep gauw, dat daar 't gesprek niet over loopen moest;

en eindelijk was hij op het punt ronduit te vragen wat de predikant

wilde, toen deze eindelijk heel onhandig de vraag er uit bracht of

de professor zich tevreden voelde in zijn arbeid als administreerend

directeur van de fabriek.

"Och ja, zoo tamelijk; er is immers altijd een groote

verantwoordelijkheid verbonden aan het feit dat men zoowat een

Voorzienigheid in 't klein moet wezen voor zooveel menschen. We

probeeren zooveel we kunnen het lot van de arbeiders te verbeteren."

Maar dat was het ook niet.--Ook over de arbeiders wilde de kapelaan

niet spreken. Hij hoestte en zei toen aarzelend:

"De aandeelen zijn zeker over verschillende personen verdeeld."

"De aandeelen!--wat blieft u?--nu ja. U vroeg naar de aandeelen,--ja,

die zijn over veel personen verdeeld, dat wil zeggen--zoo heel veel

zijn er niet. Het bedrag is groot. Elk aandeel is van 1000 kronen,

en wij hebben geen halve of kleinere willen uitgeven."

De professor herwon zijn zelfbeheersching, die hij bijna verloren had,

toen hij begreep, dat dit een gesprek over zaken zou worden.

Als hij met menschen uit zijn vroegeren kring sprak, was de professor

altijd de man van wetenschap--klaar met spot van uit de hoogte met de

"kooplui." Daarom kwam het hem al dadelijk wat ongewoon en als iets

uit de verkeerde wereld voor, dat twee academieburgers over aandeelen

en winst zouden zitten praten.

Maar Maarten Kruse nam de zaak heel verstandig op, toen hij maar eerst

op het gewenschte onderwerp van gesprek gekomen was. En hij sprak er

over met een kennis van zaken, die den professor ten hoogste verbaasde.

"Hoe hoog staan de aandeelen van Fortuna op dit oogenblik?" vroeg de

predikant, toen zij een poosje gepraat hadden.

"Ja,--om u de waarheid te zeggen, dat weet ik niet. Toen ik er 't

laatst van kocht..."

"Koopt u ze dan zelf?"

"Neen, dat doe ik eigenlijk niet," antwoordde de professor; "ik heb al

zooveel aandeden; maar het is een paar maal gebeurd, dat een enkele

aandeelhouder zich raar aanstelde op de algemeene ledenvergadering

en dan wilde ik liever de aandeelen van den ontevredene koopen,

dan onaangenaamheden hebben."

"En toen hebt u betaald...?"

"Ik heb de aandeelen voor den inkoopsprijs overgenomen--voor zoover

ik me herinneren kan."

"Kan men dan nog aandeelen à pari koopen?" vroeg de kapelaan levendig.

"Wilt u dan koopen?"

"Ik zal u zeggen, Professor," antwoordde Maarten en trachtte wat

zalvend te spreken, "mijn vrouw is niet geheel en al ontbloot van

wat men aardsche goederen noemt."

"Ik heb gehoord, dat uw vrouw fortuin heeft."

"Ach, fortuin kan men het eigenlijk niet noemen. Een sommetje als steun

in ziekte of andere beproevingen--dat is alles. Maar hoe onbeduidend

het ook is, ik wilde het toch graag in de stad plaatsen en liefst op

een wijze, die zoo min mogelijk in het oog valt."

"Natuurlijk," merkte de professor op.

"'t Is in geen enkel opzicht goed, als de gemeente haar predikant

voor vermogend houdt," voegde de kapelaan er ernstig bij.

De professor, die nu eindelijk begreep waar zijn bezoeker heen wilde,

zei welwillend:

"Wanneer u er over denkt effecten te koopen, of in 't algemeen door

mij uw geld te laten plaatsen..."

"Ja juist, dat wilde ik juist zoo graag," riep Maarten levendig uit;

"een man in mijn positie kan immers niet zoo goed zulke zaken zelf

regelen; maar aan den anderen kant is het toch ook niet goed het

tijdelijke te verwaarloozen."

"Zeer zeker niet,... neen... ik begrijp u zoo goed, en 't zal mij

een genoegen zijn, als ik..."

"Dank u, ik dank u hartelijk!" riep de kapelaan en herwon nu al zijn

waardigheid; "als ik dus met Gods hulp wat geld overhoud, mag ik

hopen dat bij u te kunnen plaatsen?"

"Ik wil u graag naar vermogen helpen uw geld op de voordeeligste

wijze uit te zetten."

"Het voordeeligste zou wel zijn het in uw eigen zaak te plaatsen?" zei

Maarten onderzoekend, en zag den ander oplettend aan.

"In mijn zaak?" herhaalde de professor langzaam.

"Dat laat ik geheel aan u over," zei Maarten haastig, terwijl hij

opstond om heen te gaan. "U weet zelf, Professor, hoe kleiner 't

kapitaal is, hoe meer men er van moet zien te maken."

Toen hij weg was, dacht Professor Lövdahl lang na over dit merkwaardig

bezoek. 't Was wel waar, dat enkele van de kleine burgers hun

spaarpenningen aan hem hadden gebracht en dat hij uit goedhartigheid

hun een aandeeltje in een goede zaak hier en daar had gegeven,

zoodat hun geld een betere rente gaf, dan in een bank. Maar 't zou

nooit in hem zijn opgekomen zoo iets in 't groot te doen; hij had

geen geld noodig--allerminst duur geld; en als 't op hoop van hooger

rente was, dat de predikant zijn geld bij hem wilde plaatsen, kon

't wel gebeuren dat hij teleurgesteld werd; maar wilde hij aandeelen

in Fortuna nemen--dat was iets anders. 't Was altijd een steun als

er koopers kwamen.

Maar Maarten liep er over te denken--of hij toch niet dom gedaan had

door niet ronduit te vragen op welke rente hij rekenen kon.

--'t Was niet gemakkelijk uit te maken van wie het idee van 't

groote arbeidersfeest op de fabriek was uitgegaan. Marcussen had eens

tegen consul With gezegd, dat in den herfst de fabriek tien jaar had

bestaan. En toen had de consul zeker gedacht dat dit magere jubileum

wat steviger zou worden als 't op den verjaardag van Professor Lövdahl

werd gezet. En zoo was er telkens wat bij gekomen, tot het eindelijk op

't zilveren servies en de grootsche toebereidselen was neergekomen.

Mevrouw Christensen schreide--ja zoowaar, dat deed ze,--ze schreide

iederen dag een deuntje om dat zilveren servies.

Stel je voor! dat alles had zij kunnen hebben: Trekpot, suikerpot en

melkkan van massief zilver!

Niet daarom: ze had zelf een zilveren theeservies; maar dat was nu

niets voor haar man om daarmeê aan te komen. 't Was daarom geen zier

minder ergerlijk!

Soms, als ze lang over dat zilver gedacht had kwam het haar voor,

alsof Professor Lövdahl 't uit haar eigen kast gestolen had;--ja er was

zelfs een plaats in de kast, waar het had moeten staan; en nooit keek

Mevrouw Christensen naar haar zilver of ze zuchtte: "Daar stond het!"

"Je ben een uil--Christensen," herhaalde ze snikkend toen het

feest naderde; "je kunt president zijn van vereenigingen voor arme

kraamvrouwen en voor alle mogelijke ziekenfondsen; maar je geeft me,

goeie God!--je geeft me daar vrijwillig 't eenige baantje op, waar

een beetje zilver van kon komen,--ja, want dat kon je toch wel van

te voren weten. En dan moet ons--ja ik zeg met opzet: ons zilver naar

dien... dien..." Ze kon geen woord vinden, dat vreeselijk genoeg was

voor Professor Lövdahl en ze schreide, dat ze er van beefde.

't Huwelijk van den bankdirecteur was als de meesten; hij was helaas

niet zoo autoritair in zijn huiskamer als in zijn kantoor; tegen zijn

vrouw kon hij niet op en dan werd hij boos, en dan werd zij boos en

dan kibbelden ze en dan bleven ze boos op elkaar. Maar op den duur

kon dat toch niet, omdat ze in 't zelfde huis woonden; en dan werden

ze weer goed op elkaar--tot ze weer boos werden.

Christensen moest deze keer den toorn van zijn vrouw zoo goed mogelijk

verdragen en tegelijk zich voorbereiden voor de toespraak, die hij

uit naam van de arbeiders tot Professor Lövdahl zou houden.

En terwijl hij daar zat en bezig was met groote woorden en klinkende

zinnen, wreef hij zijn zachte neus en snuffelde zoowat, alsof zijn

eigen lofrede hem wat verdacht voorkwam.

Alles kwam zoo goed bij elkaar voor dit feest. Er was een troep

Duitsche muzikanten in de stad gekomen, en op den dag zelf was het

weer zoo mooi als het maar kon. 't Was heel stil in de lucht,--frisch,

maar niet koud. De zon scheen met een roodachtigen gloed zacht door de

lichte herfstnevelen, die optrokken en verdwenen; en de glad gespoelde

landpunten en landtongen met paarse strepen heidekruid in de spleten

staken uit in de blauwe, licht gerimpelde zee.

De fabrieksgebouwen zelf waren zoo leelijk en zoo vol roet, dat

ze alle mogelijke versiering trotseerden; en Marcussen gaf ze ook

intijds op en bracht al wat er was aan kransen en vlaggen bijeen

om een groote estrade, die hij in de haast boven op den heuvel had

laten opslaan. Van hier kon de spreker de fabriek overzien en zijn

stem doen voort klinken over de menigte op de helling beneden.

Marcussen was aan 't versieren met vlaggen en groen; hij had een paar

van de dienstmeisjes van den directeur tot hulp gekregen; en hij

hielp ze op en af van trappen en stoelen--gedienstig en galant. En

de meisjes lachten en gilden zoo'n beetje, en lieten zich in zijn

armen vallen en konden niets doen zonder zijn hulp.

Marcussen was een groote, knappe man met een vluggen blik en een

tact om met meisjes om te gaan, waar hij door beroemd geworden

was. Hij had werkelijk een bizonder slechten naam en zelf placht hij

onder vrienden te verklaren, dat hij een apart folio in 't kerkeboek

had. Maar overigens was hij in de zaak de rechterhand van den professor

geworden en wat het feest betreft--hij was eigenlijk daar de man.

Intusschen was 't ook druk in 't huis van de Lövdahls: er zou een

groot heerendiner gegeven worden ter eere van 't feest en de tafel

stond al gedekt in de zaal.

Het rijtuig stond voor de deur, en de koetsier zat in gala op den bok

en hield de glanzende paarden. De professor liep, als naar gewoonte,

heen en weer onder 't kleeden en studeerde zijn toespraak in, waarmeê

hij voor de ontvangen eerbewijzingen danken zou.

Daar kwam het dienstmeisje van de jongelui boven met de boodschap

van Mevrouw of de professor niet zoo vriendelijk zou willen zijn

even boven te komen, liefst dadelijk. De professor ging haastig heen

met de witte das in de hand; hij meende, dat de jonge Mevrouw iets

scheelde. Maar Clara kwam hem al in de voorkamer tegemoet, warm en

met een kleur en de japon nog maar half dicht.

"Stel u voor, papa, hij wil niet meê. Abraham wil niet meê naar het

feest, zegt hij."

"O zoo, is 't anders niet?--Kind, je hebt me zoo doen schrikken. Wat

is er? Abraham, waarom wil je niet meê?" vroeg de professor vriendelijk

aan zijn zoon, die juist uit zijn kamer kwam.

"Och anders niet, dan dat ik geen lust heb naar dit feest te gaan. Maar

Clara stuift dadelijk op en dan..."

"'t Verjaarfeest van je vader," viel de professor hem glimlachend in

de rede.

"Neen Vader,--dat is 't niet. Dàt vieren we hier--thuis; maar 't feest

op de fabriek is niets dan aanstellerij, een echte vertooning--als u

't bij den naam noemen wilt."

De professor wenkte Clara kalm te zijn en antwoordde: "Ik heb geen

tijd en wil ook mijn feestelijke stemming niet bederven door nu met

jou hierover te disputeeren. Er kan wel wat van aan wezen, van wat je

zegt of liever van wat je meent; maar je hebt--zooals de jeugd over

't algemeen tegenwoordig--een ongelukkige lust om met een te groote

ethische maatstaf aan te komen dragen, ook ten ontijde en in gevallen

waar 't in 't geheel niet past."

"Maar als 't nu mijn overtuiging is."

"Als je overtuiging je niet toelaat getuige te zijn van de eerbewijzen,

die aan je vader worden aangeboden, dan moet je thuisblijven, dat

is duidelijk. Maar ik hoop, dat je overtuiging je zal toestaan van

middag om 4 uur bij mij te komen eten?"

"'t Is niet goed van u, Vader, om 't zoo op te nemen; u weet best..."

"Ja zeker, ik weet 't zoo best, dat je 't op jouw manier goed meent,

en dat je deze manier kiest is iets, waar ik op voorbereid had moeten

zijn; dat zit je in 't bloed. Ik probeerde--zooals je je misschien

herinnert--meermalen in je jeugd je te waarschuwen tegen dien geest

van ontevredenheid, die niet hebben kan, dat iets of iemand zich boven

't gemiddeld peil verheft--neen, neen! laat me uitspreken; we zullen

niet disputeeren, maar dat is 't toch, waar alles uit voortkomt.--Och,

lieve Clara, wil je niet even een knoop in mijn das leggen?"

Abraham bedwong met geweld een heftig antwoord, keerde zich om en

ging in zijn kamer. Zijn vrouw ging hem rakelings voorbij toen zij

naar de slaapkamer terugging om zich verder te kleeden, en een poos

later weer, toen ze naar het rijtuig ging. Hij merkte haar parfum en

haar japon raakte hem bijna; maar geen van beiden sprak een woord.

Hij bleef voor zich uit zitten staren tot hij het rijtuig hoorde

wegrijden. Daar zaten zij naast elkaar,--zijn mooie vrouw--vroolijk

in feestdos en zijn vader met zijn ridderorden in groot formaat,

den stok tusschen de knieën en de handen gevouwen over den ivoren

knop. Die twee pasten bij elkaar. Abraham kon zich niet herinneren

dat zijn vader en zijn vrouw 't ooit over iets oneens geweest waren.

Bijna als bij instinct kwamen zij altijd tot elkaar met dezelfde

opinie en die was bijna altijd precies het tegenovergestelde van die

van Abraham.

Hij had, terwijl hij daar zoo aan 't venster stond een gevoel,

alsof er tusschen zijn levensbeschouwing en die van zijn vader een

diepe klove moest zijn, een grooter afstand dan ooit tusschen oud

en jong bestond. Er was immers, als hij 't nauwkeurig naging geen

enkele zaak, die zij van de zelfde zijde konden zien; geen gedachte,

die zich niet dadelijk in tweeën spleet en hen ver uit elkaar deed

gaan in oneenigheid en ontstemming. Als hij nu alles samen nam aan

toespelingen, gesprekken en warme debatten, kon hij niet begrijpen

hoe zijn groote en bewonderde vader, wiens hoofd zoo helder, wiens

gedachtengang in den grond toch zoo edel was,--hoe hij zoo vreemd, ja

bijna vijandelijk tegenover alles kon staan, wat Abraham volgens den

drang van zijn hart moest bewonderen en waar hij voor strijden wilde.

En Clara,--zij ook!--wel was zij opgegroeid in oude, zonderlinge

pruiken-ideeën; maar hij had toch met haar zooveel gesproken over

de nieuwe gedachten en zij had toch veel daarvan met zulk een ijver

aangenomen. Nu ontkende zij, dat zij ooit aan zijn dwaze en goddelooze

paradoxen haar bijval geschonken had.

Welnu, des te krachtiger moest hij zelf staan; aan de strenge eischen,

die de nieuwe tijd stelde aan persoonlijke waarheid en verantwoording,

zou hij wel weten te voldoen. In dit oogenblik dacht hij aan zijn

moeder: zóó zou zij hem gaarne hebben gezien: als hij zulk een

arbeidersfeest als humbug beschouwde, moest hij protesteeren en niet

ter wille van zijn vader er zich aan medeplichtig maken.

Abraham bleef lang aan 't hoekvenster staan en keek neer op de

straat. Er waren bijna geen menschen; want de halve stad was buiten

bij het feest; en terwijl hij de enkele achterblijvers nazag, die

haastig weg gingen, dacht hij er over, hoe mooi het weer was, en welk

een genoegen het voor oud en jong wezen zou een wandeling buiten de

stad te doen en frissche lucht te scheppen.

Vele brave burgers en eenvoudige lieden gingen met hun vrouwen

daarheen; ze begrepen niet veel van de toespraken en dachten niet veel

na over de diepere beteekenis van het feest. Voor hen was 't enkel

een Zondag midden in de week, een halve vrije dag, die hun goed deed.

En hier liep hij in zijn mooie kamers te protesteeren! Was daar toch

niet eigenlijk iets heel belachelijks in?

Opeens stond het duidelijk voor hem, dat als dat protesteeren wat

beteekenen zou, dan had hij òf zich ernstig tegen zijn vader moeten

verzetten, òf--beter nog, midden op 't feest moeten optreden en 't

luide uitspreken, dat hij zoo'n vertooning, waar het kapitaal indirect

de arbeiders tot vernederende eerbewijzen dwong--humbug vond, en erger!

Durfde hij geen van beiden dan kon hij waarachtig even goed als

die onschuldige burgers meegaan naar 't feest; niets was toch zoo

miserabel als dat protesteeren in zijn eigen kamers.

En weer kwam die stemming, die een enkele keer over hem was gekomen

als een domper: 't gevoel hoe averechts en onzinnig 't leven was

ingericht; hoe mislukt hij zelf was,--bedorven, een sukkel, die 't

nooit verder zou brengen dan tot een paar belachelijke aanloopjes en

groote schandelijke nederlagen.

Mismoedig en onverschillig nam hij zijn hoed en slenterde naar

buiten, om een poosje naar Greta te gaan; maar hij vond het huis

gesloten. Waarschijnlijk had Steffensen haar meê naar het feest

genomen; ze vond het prettig onder menschen te zijn; allen kenden

haar en hadden een vriendelijk woord voor haar en dan was er ook

muziek. Abraham ging ook verder, de kant naar de fabriek uit. De

muzikanten speelden: "die Wacht am Rhein" tusschen de verschillende

toespraken in.

Toen hij op den top van den heuvel gekomen was bleef hij onwillekeurig

staan, onder den indruk van dit wonderlijk tooneel. Hij was zoo gewoon

hier iederen dag heen en weer te loopen, dat hij iedere plek om de

fabriek kende; maar nu was het alsof vreemden hem alles afgenomen

hadden en hij zelf heelemaal overcompleet was.

De groote tribune op den heuvel was vol elegant gekleede dames;

champagneglazen fonkelden en bedienden liepen ijverig bezig rond. De

vlaggen hingen onbewegelijk in rijke plooien neer over 't laatste groen

uit de tuinen, goudgele bladen en roode bessen. Aan beide zijden stond

de nieuwsgierige menigte uit de stad; maar beneden aan den heuvel

hadden de arbeiders van Fortuna zich om een lange tafel geschaard,

waar ze werden onthaald op bier en sigaren. Hun vrouwen en dochters

stonden in groepjes daar omheen;--stil en ernstig.

Abraham was niet in de stemming om zijn vrouw en de anderen te

ontmoeten; hij nam een omweg tusschen de gebouwen van de fabriek door

en van daar kwam hij onder de arbeiders terecht en ging tusschen hen

in staan.

De bankdirecteur had gesproken over dezen dag en het dubbele feest,

en de professor had geantwoord; een deputatie had het zilver gebracht

en Lövdahl had bedankt met een: "Leve de arbeiders!" Die toast was

juist gedronken toen Abraham kwam en het feest was dus bijna voorbij.

Warm door 't bier drinken in de zon, en van 't hoera! roepen stonden

de arbeiders vergenoegd met hun korte pijpjes of met de kostelijke

sigaren diep in den mond gestoken en in een rookwolk zóó dicht, alsof

die uit de schoorsteenen kwam. Zij ontvingen Abraham eerbiedig en

vriendelijk en het werd dadelijk zoo uitgelegd, dat de jonge directeur

geen champagne met de deftige lui wou drinken, maar dat hij zich niet

te goed achtte om een glas bier te nemen onder 't volk.

Zonder veel van den indruk, dien hij maakte, te merken; zocht Abraham

naar Greta en vond haar onder de vrouwen. Ze werd in 't minst niet

verlegen, maar vuurrood van blijdschap, toen ze zijn stem hoorde.

De vrouwen en meisjes trokken zich een weinig van haar terug, maar

bleven toch in een opeen gedrongen groepje staan, zoodat ze van uit

de tribune niet gezien konden worden. Er was niemand onder hen, die

aan iets kwaads dacht,--niet omdat ze meenden, dat de jonge Lövdahl

een haar beter was dan deftige stadsmenschen over 't geheel waren;

maar Greta Steffensen was blind, en niet als andere meisjes; het

ongeluk beschermde haar tegen gevaar en tegen afgunst, zoodat ze

bijna kon doen, wat ze wilde.

"Is je vader hier niet, Grete?"

"Ja,--hij was juist hier; zie je hem niet?"

"Neen--tenzij hij tusschen de menschenmassa daar ginds bij 't

spreekgestoelte is, daar verdringen ze zich omheen."

"Ja, daar is hij zeker," meende Greta met een slim lachje.

Abraham merkte dat dadelijk op. Haar mimiek was zoo opvallend.

"Wat bedoel je?--wat is je vader van plan te doen?"

"Vader zal een toespraak houden," fluisterde Greta triomfeerend.

"Goeie hemel!--dat moet hij niet doen!" riep Abraham onwillekeurig;

hij dacht er aan hoe moeilijk het nu al voor Steffensen was zijn werk

te behouden. Als hij nu vandaag een onaangename toespraak hield--en

die zou natuurlijk onaangenaam worden--dan maakte hij zichzelf

heelemaal onmogelijk.

Maar Steffensen stond al op 't spreekgestoelte; met den hoed in de

hand en kromme armen maakte hij een reeks eerbiedige buigingen voor

het deftige publiek, terwijl de jongelui uit de stad begonnen te

lachen en hem met allerlei grappen aanmoedigden.

Abraham merkte op hoe zijn vader den bankdirecteur iets toefluisterde;

en 't heele gezelschap op de tribune trok zich zoo ver mogelijk van

't spreekgestoelte terug in een verwarde mengeling van gedwongen

beleefdheid en vrees voor dien algemeen bekenden, slecht gezinden

man. Maar Steffensen liet hun geen tijd; hij begon dadelijk:

"Dames en Heeren!--ik ben een arbeider--een van de slecht

gezinden--zegt men;--een van de ergsten, zeggen sommigen. Maar wees

u maar niet bang, hooggeëerde heeren en dames!--Ik wil u hier alleen

maar danken, u innig danken, zóó aangedaan als een diep bewogen

arbeider op uw fabriek Fortuna maar wezen kan."

Intusschen schenen de "Hooggeëerde heeren en dames" 't plotseling

druk te krijgen met afscheid nemen en elkaar de hand te drukken.

"Ik wil u dank zeggen," riep Steffensen luid, "u dank zeggen, omdat

u vandaag--dames en heeren!--de zon zoo heerlijk en gratis op ons,

kleine luidjes, laat schijnen, omdat u niet meer van ons verlangt dan

onze spaarduiten voor een zilveren servies, omdat u onze vrouwen en

dochters zoowat met rust laat, ja u allen wil ik vooral danken, omdat u

ons zoo mooi vergunt ons leven te slijten in gezegenden arbeid voor u."

Nu was er geen enkele van de hooggeëerde dames en heeren meer; de

groote tribune was leeg; alleen enkele verblufte bedienden stonden

bij de tafel met champagne. Maar Steffensen maakte toch een diepe

buiging voor het gezelschap, dat zich bijeen groepeerde en heenging

naar den weg waar de rijtuigen stonden; toen wendde hij zich luid

lachend tot de arbeiders.

"Daar gaat de heele chique! Wat zeg je? Nu zal ik mijn toespraak voor

jelui houden."

"Steffensen moet zijn bek houden," klonk een zware stem uit de

arbeiders.

"Neen, neen! laat Steffensen spreken," riepen zij van andere zijden;

maar er werd een stil gemor gehoord, dat toenam, tot een ernstig,

kalm man zei: "Steffensen moet niet spreken."

't Was een van de oudste meesterknechts op de fabriek, en nu riepen

verscheidenen: "Steffensen moet niet spreken," terwijl de beste

arbeiders zich om Abraham schaarden.

Steffensen werd bleek; maar hij bedwong zich en riep: "Als hij 't

is--de jonge Lövdahl, waar jelui bang voor ben, dan kun jullie je de

moeite sparen; want hij is 't met ons eens;--hij is een van de onzen,

niet waar, Mijnheer de directeur?"

Abraham voelde aller oogen op zich rusten; maar wist niet wat hij

zeggen moest.

"Maar waarom antwoord je niet?" vroeg Greta verwonderd; "je ben

't immers met ons eens."

Steffensen greep de aanleiding aan om op een eenigszins behoorlijke

manier van het spreekgestoelte af te komen en er ontstond een oogenblik

van stilte en gespannen verwachting in den kring. Er stonden nu

verscheiden rijen arbeiders dicht om Abraham heen.

Maar in zijn binnenste schoot plotseling een lang onderdrukte kiem

op: een jeugdig besluit vol geestdrift. Hij voelde kracht in zijn

ziel en een opbruisende moed als iemand, die zich plotseling bewust

wordt zelf te kunnen handelen, met vaste hand in 't leven te kunnen

ingrijpen en zijn man te staan.

"Ja, zeker ben ik een van de uwen," riep hij den arbeiders toe;

"daarom blijf ik hier beneden bij u--en niet daar boven bij de

aristocraten. Wij,--wij arbeiders--we zullen elkaar trouw blijven,

hier is mijn hand!"

Die werd door honderden gegrepen--gedrukt en omklemd. En niemand had

den directeur ooit te voren zóó gezien,--rank en stralend, zooals

hij zich langzaam een weg baande door de schare heen.

Steffensen wilde weer van 't oogenblik gebruik maken en stelde luide

voor onmiddellijk een vereeniging te stichten, een comité te vormen,

enz. Maar zoodra Steffensen sprak, kwam er iets koels over de meesten;

allen wisten, dat hij slecht aangeschreven stond: zijn dagen op de

fabriek waren geteld, en hij kon zoo licht anderen meêsleepen in

zijn val.

Naar zijn voorstel luisterde men niet en 't verloor zich geheel in een

donderend "hoera!" voor den directeur; men wilde op zijn gezondheid

drinken; maar er was niets meer; de bedienden hadden de tafel

opgeruimd, het feest was voorbij en de volksmassa had zich verspreid.

De arbeiders trokken zich toen ook terug in kleine groepjes na eerst

Abrahams hand stevig gedrukt te hebben.

Op weg naar de stad was Abraham in een vreemde, plechtige,

strijdlustige stemming.

Flauwe beelden en herinneringen van wat hij in zijn jeugd gelezen

had doken weer in hem op en hij zag een toekomst voor zich, waarin

hij aan 't hoofd van de arbeidersbeweging stond. De omtrekken van

dat beeld werden grooter: hij brak alle bruggen af, hij ruimde al

die grove onrechtvaardigheid in de samenleving weg, en toen hij de

stad naderde was hij juist zoover gekomen, dat Clara en zijn vader

zich voor hem bogen en zeiden:

"Je hadt toch gelijk!"

Maar Steffensen ging stil en knorrig naar huis. Greta was ook niet

blij. Ze ergerde zich ter wille van haar vader en was niet heelemaal

tevreden over Abraham.

"Er zijn toch, God bewaar me, geen arbeiders in de wereld, die zoo

laf zijn als jelui," zei Steffensen tegen een ouden timmerman, die

lid was geweest van 't comité, dat het zilver had aangeboden.

"We hebben zoo weinig, waarmeê we ons verweren kunnen."

"Bah! als we ons maar bij elkaar aansloten."

"Ja, enkelen van ons hebben zich immers aangesloten--bij de directie,"

meende de timmerman.

"Ja, en wat heb jelui nu voor dat ellendige gekruip."

"Dat zal mettertijd wel blijken."

"Ja, dat zal 't wel," bromde Steffensen nijdig; hij begreep de

toespeling.

De verjaardag van den professor was een feest voor de heeren van

de stad, en vooral na den dood van zijn vrouw had het groote diner

langzamerhand een eigenaardigen vorm aangenomen met traditioneele

toasten en wonderlijke plechtigheden.

Abraham was nog voortdurend in een strijdlustige stemming; maar

er was geen aanleiding tot een uitbarsting. Clara was vriendelijk

en beminnelijk, zacht als een lam. Ze had namelijk een gesprek met

haar schoonvader gehad, waarin zij het er over eens geworden waren,

dat Abraham tegenwoordig zenuwachtig was en dat men maar wat met hem

meêpraten moest om te voorkomen dat het erger werd.

Ook aan tafel viel er niets voor, dat hem aanleiding kon geven op een

of andere wijze een uitval te doen; iedereen was even zacht gestemd

en zat innig vergenoegd te knipoogen.

En naarmate hij de roes bij de anderen zag toenemen en zelf onbekommerd

meêdronk, werden de strenge lijnen van den maatschappelijken strijd

uitgewischt en de aanrukkende kolonne der arbeiders werd overstemd

door het vroolijk gerinkel van glazen en vorken.

Hij stond op en ging naar het hoofd van de tafel om te klinken met

zijn vader, zooals op dien dag de gewoonte was.

De professor stond dadelijk van zijn plaats aan tafel op en trok zijn

zoon naar 't venster, waar ze samen konden spreken, zonder door het

geraas van den feestdisch gestoord te worden.

"Ik wist wel, dat je komen zoudt--mijn beste jongen," zei de professor

hartelijk en legde den linkerarm om zijn schouders.

Abraham werd bewogen en stotterde; maar zijn vader ging voort:

"Er kan wel allerlei humbug zijn bij velerlei dingen in deze wereld;

maar je moet de beteekenis van een goede vriendschappelijke verhouding

tusschen arbeiders en werkgevers niet te laag schatten; hoe nauwer

ze aan elkaar verbonden worden..."

"Men verbindt zich niet nauwer aan de arbeiders met champagne en

zilver," antwoordde Abraham dapper; nu was het hem ernst; hij had

een idee, waar hij meê voor den dag wilde komen.

"Hoe meen je dat?" vroeg zijn vader en trok zijn arm terug.

"Ik was vandaag beneden bij de arbeiders, Vader."

"Ja, ik zag je daar."

"En ik heb me heelemaal bij hen aangesloten; ze schaarden zich allen

om mij heen."

"Heb je een vereeniging gesticht?" vroeg zijn vader koel.

"Neen--geen vereeniging--geen bepaalde vereeniging; maar we

hebben ons bij elkaar aangesloten--weet u.--Zoo'n heel hartelijke

aaneensluiting--zooiets trouwhartigs, ziet u..." Abraham sprak onzeker

en kreeg een kleur. Was 't toch niet eigenlijk iets heel belachelijks,

wat hij gedaan had? Maar 't gezicht van den professor helderde op

tot het straalde:

"Dat is goed--dat was uitstekend van je, Abraham. Zóó moet het juist

zijn. Geen dwaze vereeniging die den enkele bindt."

"Dat bedoelde ik juist," viel Abraham hem in de rede. Hij kreeg nu

al zijn moed terug.

"...en die alleen maar dient om kleine eerzuchtige wezens omhoog

te helpen, zooals b.v...." de professor legde weer zijn arm om

de schouders van zijn zoon en fluisterde hem vertrouwelijk in

't oor,--"zooals b.v. onze waardige vriend daar, de bankdirecteur

Christensen."

Abraham lachte--gevleid als hij was doordat zijn vader zich met hem

vroolijk wilde maken over den machtigsten man van de stad, die nog

wel in al zijn waardigheid op drie pas afstand van hen zat.

"Weet u, waar hij van achteren op lijkt, Vader?--op een olifant,"

fluisterde Abraham.

"Ja, je hebt gelijk," lachte de professor; "maar het gaat niet aan, dat

we hier onze waardige gasten staan uit te lachen. Ik dank je hartelijk,

Abraham; je hadt me vandaag geen beter cadeau komen brengen; juist

in die ongedwongen verhouding tusschen ondergeschikten en superieuren

zie ik een gezegenden weerglans van den goeden ouden tijd en een hoop

voor de toekomst. Groet je volk van mij."

Zij scheidden met een handdruk en gingen ieder naar zijn plaats aan

tafel, waar de algemeene vroolijkheid hen spoedig weer meêsleepte.

Maar Abraham was dien geheelen avond als buiten zichzelf van blijdschap

en hoop op de toekomst. En hij eindigde met in uitgelatenheid zijn

vrouw alle trappen op te dragen, toen zij naar bed moest. Hij had in

't leven ingegrepen, zich in den strijd van den dag geworpen; maar hij

had al half overwonnen. Zijn vader stond aan zijn zijde, zijn groote,

bewonderde vader!

Fortuna: Een Roman uit het Noorsch (Voortzetting van "Vergif") · 第 9 / 22 题