V.

Abraham haalde langzamerhand heel wat mandjes bij Greta Steffensen,

tot ze zulke goede kennissen werden, dat er geen voorwendsel voor

een bezoek meer noodig was.

Ze trok hem op een vreemde manier aan, met een zachte, stille kracht;

hij dacht er geen oogenblik aan die te weerstaan.

En de oude was eigenlijk interessant, als men maar eerst aan hem

gewend was. Abraham vond in de spottende redevoeringen, die Steffensen

gewoonlijk hield, veel van de moderne beschouwingen terug, waar hij

zelf in stilte mee rond liep. Maar liefst als er in Abraham iets in

beweging kwam, een gevoel, dat er iets niet in orde was met hem, dat

er een fout in zijn leven was, iets hols in 't geluk, dat hem altijd

gediend had, of als dat een nog erger vorm aannam en hij zich als 't

ware in bochten wrong voor twee onverbiddelijke oogen--dàn 't liefst

sloop hij 't huisje binnen, dat daar aan den bocht van den weg lag,

waar die zich van de fabriek af boog. Dan ging hij dicht bij Greta

zitten, nam een van haar kleine, fijne handen en legde die op zijn

gezicht, opdat ze de vingers over zijn trekken zou laten gaan om

te raden, waar hij aan dacht. Ze zat met hem te babbelen onder haar

werk, en dan was er niets van 't honende en bittere, dat daarop te

voorschijn kwam, als haar vader sprak. Zij boog het hoofd en luisterde

naar Abrahams stem, en een gelukkige glimlach lag om den fijnen mond,

zoolang hij daar was.

't Was niet moeilijk geweest voor Abraham om haar vertrouwelijkheid

te winnen. Van 't oogenblik dat zij zijn stem voor 't eerst hoorde,

had ze hem zooveel vertrouwen getoond, als een gewoon jong meisje hem

nooit zou gegeven hebben. Maar omdat zij niet zien kon, werd ze nooit

in de war gebracht door een schaduw of een veranderde uitdrukking op

zijn gezicht, en daardoor kwam het, dat ze vrijmoedig en onbekommerd

sprak over allerlei waar men anders over heen glijdt met een blik of

een lichte handbeweging.

Ze was gewend de dingen bij hun naam te hooren noemen; en de omgang

met haar grof besnaarde vader had haar een naieve zekerheid gegeven,

die nooit geschokt was door een dubbelzinnigen glimlach of een

kwetsenden blik.

Abraham was de eerste, dien zij ontmoette uit een wereld, die

beschaafder was dan de hare; en daarom waren er ontelbare zaken,

waar zij met hem over wilde spreken, en die ze vroeger vóór zich

gehouden had. Zoo werden hun bijeenkomsten een bonte mengeling van

kinderpraatjes en de allerintiemste vertrouwelijkheid.

"Hoe kun je 't toch verdragen, dat je zoo rijk ben!" zei ze eens

tegen hem.

"Wat meen je met "verdragen?""

"Kun je dat niet begrijpen, dan ben je dom."

"Ja, je weet, dat ik dom ben."

"Alleen maar als je wilt; want anders ben je verschrikkelijk wijs."

"Wat meende je dan?"

"Heb je Vader nooit hooren vertellen van de armen? van de echte armen,

niet zooals wij, maar van menschen, die geen eten hebben?"

"Vader is rijk; ik ben niet rijk."

"Och--zoo kom je er niet af; je kunt alles krijgen, wat je wilt; en

als hij sterft, krijg je alles. Wat zul je dan met al dat geld doen?"

"Ik zal jou zooveel geven als je hebben wilt."

"Waarom wil je mij zooveel geven?"

"Omdat... omdat..."

"Omdat je me liefhebt," zei ze en lachte.

Abraham voelde dit als een schok en zocht naar antwoord; ze gebruikte

dat zeldzame, moeilijke woord even gemakkelijk als ze op andere

oogenblikken met een echte ruwe uitdrukking van haar vader aan

kon komen.

"Of heb je me niet lief? Waarom kom je dan hier en zit me op te houden

als ik werken moet?" Ze lachte weer zoo vergenoegd. "Maar je kunt er

van op aan, dat ik het weet. En van je vrouw houdt je ook niet meer."

"Neen maar, Grete! Hoe ben je zoo wijs geworden!"

"Dat heb ik gehoord."

"Van wie?"

"Van jou."

"Dat is heelemaal niet waar,--Grete!--Ik heb nooit een woord gezegd..."

"Neen, geen woord!--'t Zijn niet de woorden, die ik hoor, 't is

de klank. Ik weet al waar je aan denkt, als je "Dag Grete," gezegd

hebt! Ja, ik kan 't aan je voetstappen buiten hooren of je alleen

komt om me op te houden, of dat..."

--"of dat...?"

Ze liet haar werk vallen en strekte de armen naar hem uit; en eer

hij het kon verhinderen--als hij het al gewild had--gleed zij op zijn

schoot en fluisterde hem in 't oor:

"Of dat je komt--moe en gedrukt, omdat je verdriet hebt, Abraham."

Zonnestralen vielen in de kamer; 't was herfst--vroeg in den herfst,

met laag staande zon, die de kleine vensters binnenscheen en de kamer

met warm goud licht vulde. En terwijl Abraham, wonderlijk bedwelmd

en half beschaamd trachtte zich te houden, als gebeurde er niets

bizonders om haar niet af te schrikken, legde Greta haar wang tegen

de zijne en zei, dat ze voelde hoe de zonneschijn haar omringde aan

alle kanten en dat het haar zoo goed deed.

Hij werd opeens zoo grenzenloos bedroefd, dat hij wel had willen

schreien, zooals hij daar zat en haar in de armen hield; hij had het

nooit te voren zóó gevoeld; maar 't was als zag hij op dit oogenblik

voor 't eerst, hoe onuitsprekelijk averechts en onzinnig het leven was;

alles werd hem zoo helder--zoo helder en leeg; 't kwam hem voor of hij

zelf al oud was en door een lange laan van teleurstellingen liep. En

wat zou 't leven die stumper brengen, die zich aan hem vastklemde?

Ze voelde zijn stemming dadelijk. Dat deed ze altijd.

"Vandaag ben je gedrukt, Abraham!--en weet je waarom?"

"Weet jij het, Grete?"

"Je zoudt mij liever tot vrouw hebben dan haar, die je nu hebt."

"Ja, weet je; dat was misschien beter," barstte hij bitter uit.

"Maar dat gaat niet," ging zij ernstig voort, en ging--voor zich uit

voelend, weer naar haar plaats.

"Waarom niet?"

"Ten eerste omdat je er al een hebt, en ten tweede--ik kan niet

trouwen."

"Wie zegt dat?"

"Vader heeft het gezegd."

"Och--als je een man vondt, dien je goed kende en waar je van hieldt."

"Neen, 't is niet om den man; maar om de kinderen; vader zegt, dat als

't kleintje naar de kachel gaat en kokende koffie over zich heen gooit,

dan kan ik het niet zien;--ach--ik zie het vóór me!" ze hield de hand

voor de blinde oogen--, "neen, neen, het gaat niet."

't Was duidelijk, dat dit beeld in haar bewustzijn gebrand stond en

alle gedachten aan zooiets buitensloot.

Abraham was in gedachten verdiept geraakt; hij zat met haar lange

vlechten te spelen; zij boog zich over haar werk en zei ook niets.

Zoo zaten ze toen Steffensen tegen zeven uur van de fabriek thuis

kwam. Abraham kon er niet goed achter komen of de oude iets tegen

zijn bezoeken aan Greta had; maar vandaag was het toch duidelijk,

dat Steffensen 't niet prettig vond hem te ontmoeten.

Hij liep door de kamer te fluiten, en Greta fluisterde Abraham toe:

"Vader is boos."

Intusschen was Steffensen naar de keuken gegaan, waar hij zich

gewoonlijk waschte, als hij van 't werk kwam; en terwijl hij in

't waschwater dook en proestte als een nijlpaard, riep hij hardop:

"Een trekpot!--wat zeg je--een zilveren trekpot met suikerpot

en melkkan!--van alle... ho! ho!"--hij dook weer met het gezicht

onder water--"van alle arbeiders op Fortuna; dat wordt buitengewoon

plechtig--wat zeg je?"

"Begrijp je 't?" fluisterde Greta.

"'k Begrijp er geen woord van,"--antwoordde Abraham, en stond op om

heen te gaan.

--"voor de vriendelijkheid: de trekpot;--voor de goede zorg: de

suikerpot;--en voor de humane behandeling: de melkkan!--wat zal de

brave man verrast wezen! haha!--neem me niet kwalijk--jongeheer!--de

oude Steffensen neemt de vrijheid jelui allemaal uit te lachen."

"Wat is dat toch voor een trekpot, waar je van praat?" riep Abraham.

"Och--stel u nu niet aan! hoe aandoenlijk dat u zoo'n stukje comedie

wilt spelen voor een eenvoudig man. Ik heb ook comedie gespeeld in

mijn jeugd--dat was nog wel in Mandal; God betere 't! maar ik speelde

beter dan u, Meneer de directeur!"

"Best mogelijk! Want ik speel geen comedie. Ik begrijp u niet,--geen

woord van al wat u zegt."

Steffensen kwam in de deur staan, terwijl hij zich met den handdoek

afdroogde. Hij had een rood vet glimmend gezicht met twee groote

uitpuilende oogen, die hij nu op Abraham richtte als een tooneelkijker.

"En u wilt me wijs maken..."

"Hij weet niets, Vader."

"Bah, wat weet jij daarvan?--ik heb een paar goede oogen in mijn

hoofd; durft u me vlak aankijken en zeggen, dat u niets weet van het

arbeidersfeest, dat op Fortuna wordt voorbereid?"

"Ik heb er geen woord van gehoord," antwoordde Abraham.

"U kunt er zeker van zijn, dat hij niets weet," voegde Greta er

ernstig bij.

"Wel drommels!" mompelde Steffensen ongeloovig; "misschien weet u ook

niets van het eeregeschenk: trekpot, suikerpot en voor de humane..."

"Schei uit," riep Abraham knorrig, "ik heb geen lust naar je onzin

te hooren; dag Greta!"

"Och, Meneer de directeur," zei Steffensen en wreef zich vergenoegd

in de handen. "Wil Meneer niet zoo vriendelijk zijn een paar minuten

te blijven, dan zult u eens wat hooren. Vandaag ging Marcussen,--de

kindermeid--zooals ze hem noemen--rond op de heele fabriek en zei

ons aan, dat alle arbeiders overeen gekomen waren aan Professor

Lövdahl een eeregeschenk te overhandigen--wat zegt u? op den 4den

October,--den beroemden verjaardag van den professor. 't Was natuurlijk

volkomen vrijwillig; maar hij twijfelde er niet aan, dat elke brave

arbeider met vreugde deze welkome gelegenheid zou aangrijpen... ja,

dat lesje kent u wel?--'t Komt regelrecht van den droogzolder van

den bankdirecteur Christensen.

"Wilt u meêdoen?" vroeg Abraham.

"Nee, nee, mijn beste Meneer! De oude Steffensen antwoordde: "nee niks,

padetout!"--en de anderen hadden grooten lust hetzelfde te doen; maar

toen zagen we allemaal, dat Marcussen een streepje in zijn boekje

zette, en dat moest zeker beteekenen, dat Steffensen den langsten

tijd op de fabriek geweest is."

"Och onzin! Steffensen! meen je nu, dat Vader om zulke dingen geeft;

ik ben er zeker van, dat hij alles zou doen om die dwaze collecte te

verhinderen, als hij er van wist."

"Ach, wist je maar... wist je maar..." neuriede de oude en liep weer

de keuken in om zich verder klaar te maken.

"Waarom kunt u niet meê doen, Vader?" vroeg Grete wat angstig;

"'t is toch zeker niet veel voor elk apart."

"Waarom ik niet meê kan doen, mijn kind?--ja, dat zal ik je zeggen." En

hij ging midden in de deur staan en richtte 't hoofd op, alsof hij

van 't spreekgestoelte sprak: "omdat dit heelemaal humbug is--een

spiegelgevecht en een drommelsche vertooning! Meen je soms, dat de

menschen, die daar op de fabriek werken,--dat die ooit een cent

bezitten, die ze niet zelf hard noodig hebben?--en toch komen ze

allen met hun vrijwillige bijdragen aan.--Ja, vrijwillig, omdat ze

liever een paar dagen droog brood eten, dan 't er op te wagen om den

heelen winter zonder brood te zitten;--daarom komen ze, omdat ze zóó

arm zijn, dat ze gedwongen zijn om laf te zijn,--zóó arm is de oude

Steffensen niet--dat is 't heele verschil."

En alsof hij 't niet prettig vond, dat hij dat laatste gezegd had,

ging hij haastig voort:

"Want je moet weten, kind! dat het hier in 't land als een genade

beschouwd wordt zich dood te werken voor een loon, dat je maar

even in 't leven houdt en je lichaam zoowat bekleed. En als je

't nu zoo gelukkig treft, dat je slooft voor een kapitalist, die

je niet heelemaal dood knijpt, en die je niet direct voor de minste

kleinigheid de straat op jaagt--ja, dan moet je komen aanzetten met

je vrijwillige bijdragen. 't Kapitaal wil zilver hebben: een trekpot

voor de vriendelijkheid, voor de goede zorg een suikerpot en voor de

humane behandeling een melkkan."

Hij werd gestoord door dat iemand op de deur klopte; dat was Mevrouw

Gottwald, die binnenkwam en groette. 't Was nog zoo licht in het

westen, dat men elkaar kon zien in de kamer, en Abraham groette wat

verlegen; 't was lang geleden, dat hij haar gezien had.

Mevrouw Gottwald gebruikte in hare modezaak veel manden van Greta

Steffensen en kwam daarom dikwijls bij haar aan. Abraham had haar

een paar maal ontmoet; maar vermeed dit liefst. Gedeeltelijk had hij

een slecht geweten, omdat hij haar zoo zelden een bezoek bracht,

gedeeltelijk vond hij het niet prettig menschen uit de stad te

ontmoeten, als hij bij Greta was.

Maar dien avond kon hij niet ontsnappen. Mevrouw Gottwald verzocht

hem ronduit te wachten, dan konden zij te samen naar huis gaan. Hij

presenteerde haar den arm, en zij liepen een eindweegs voort, beiden

wat verlegen. Eindelijk zeide zij: "U komt nooit meer bij mij,

Mijnheer Lövdahl."

"Lieve Mevrouw Gottwald, noem u mij toch Abraham, zooals vroeger."

"Ik wil u zoo heel graag noemen als vroeger. Maar u is me in den

laatsten tijd zoo vreemd geworden, ik kan u niet meer zien als de

vriend en de afgod van kleine Marius, want dat was je. Herinner je

hem nog?"

"Ja, zoo duidelijk," antwoordde Abraham; "vooral in die kleine grijze

winterjas, met die ceinture in den rug."

"Ach, lieve hemel, ja!--die heb ik nog altijd. Het doet me zoo goed

iemand te spreken, die hem gekend heeft. En je ben zoowat de eenigste."

Abraham nam zich voor haar vaker een bezoek te brengen; en intusschen

waren zij aan het kerkhof gekomen, waar Mevrouw Gottwald heen

wilde,--naar het graf van kleinen Marius.

't Was Abraham een paar maal voorgekomen alsof zij iets trachtte te

zeggen, maar 't weer opgaf.

Maar toen ze afscheid van elkaar zouden nemen en elkaar bij de hand

hielden, keerde zij 't mooie bedroefde gezicht naar hem toe met een

angstige uitdrukking in de heldere, bruine oogen: "Je moet niet boos

op me worden,--Abraham!--Er is iets wat ik je zeggen moet. Greta

Steffensen..."

Hij maakte een ongeduldige beweging en wilde zijn hand terugtrekken.

"Neen, neen!... zóó meen ik het niet--lieve Abraham. Ik weet wel, dat

je zoo niet ben. Maar toch--ja dat wilde ik maar zeggen, omdat... omdat

ik altijd een gevoel heb, dat je ook een beetje van mij ben, ter wille

van kleine Marius. Nu moet je niet boos wezen en niet denken, dat ik

me met iets bemoei, wat me niet aangaat; mijn leven is zoo geweest,

dat 't me is alsof alle weerlooze vrouwen mij aangaan. Goeden nacht!"

Abraham liep door in de richting van de stad, en dacht intusschen

aan zijn moeder. Er was altijd iets in Mevrouw Gottwald, dat hem aan

haar herinnerde.

Dat de menschen hem konden wantrouwen in zijn verhouding met Greta

Steffensen, had hij wel gedacht. Maar het ergerde hem, dat Mevrouw

Gottwald daarop gezinspeeld had. En door deze nieuwe indrukken raakte

wat hij van Steffensen had gehoord wat op den achtergrond.

't Was donker in de kamer van den professor; maar boven in zijn

eigen woning vond Abraham zijn vader in een vertrouwelijk gesprek

met Mevrouw Clara.

"Goeden avond, mijn jongen! je ben den heelen middag uit geweest--zegt

Clara. Kom nu eens bij ons zitten. Ik wil van avond jelui gast zijn."

't Gezicht van den professor straalde, terwijl hij het mooie jonge

paar aanzag, de elegante kamers, al die weelde en al dat geluk,

wat hij geschapen had voor die twee menschen, die hem zoo lief waren.

"Ja--ik zou ook wel eens willen weten, waar je al dien tijd geweest

ben, Abraham?" begon Clara nu.

Maar de professor merkte, dat Abraham niet best gehumeurd was, en

hij had al geleerd kleine scènes tusschen hen te voorkomen.

"Laat ons dat nu niet vragen, Clara! Er zitten zooveel geheimen en

verrassingen in de lucht; je kunt er wel zeker van zijn, dat Abraham

er ook een heeft."

"'t Is dus waar, wat men vertelt, dat er een arbeidersfeest op Fortuna

wordt voorbereid?" vroeg Abraham.

"Heb je dat dan niet eerder gehoord?" vroeg Clara.

"Niemand heeft er me een woord van gezegd."

"Ja, mij ook niet; 't moet een plannetje van de jonge Mevrouw zijn,"

zei de professor; hij wilde er klaarblijkelijk schertsend over heen

glijden.

"En die collecte, Vader..."

"St! st! Hoe kun je zoo indiscreet zijn?" riep de professor en hield

de handen voor de ooren.

"Ja, dat moet ik ook zeggen," merkte Clara op.

"U weet het dus--Vader!--Dat had ik niet gedacht. U moet toch zoo'n

collecte onder arme arbeiders uiterst pijnlijk vinden."

"Als we er nu juist over moeten praten," antwoordde de professor,

"dan vind ik zoo'n idee, als het van de arbeiders zelf uitgaat,

mooi en eervol voor beide partijen."

"Ja, als het van de arbeiders uitgaat."

"Daaromtrent bestaat in dat geval niet de minste reden tot twijfel,"

sprak de professor met heel zijn waardigheid, die altijd indruk op

Abraham maakte.

"Je meende misschien, dat die collecte van Vader zelf was

uitgegaan?" vroeg Clara honend, terwijl ze den professor een glas warme

grog bracht, die ze zelf voor hem had klaargemaakt; hij kuste haar

galant de hand, en ze nam dicht bij hem plaats met haar werk. Abraham

liep de kamer op en neer met een sigaar.

Na een pauze zei hij:

"'t Kan zijn, dat 't oorspronkelijk plan van de arbeiders is

uitgegaan; maar dit weten we toch allemaal, dat velen--misschien de

meesten--meêdoen enkel omdat ze niet anders durven; ja ik weet zelfs,

dat ze op de fabriek zeggen, dat hij, die niet met een bijdrage

aankomt, niet zeker is dat hij in 't werk blijft."

"Wie heeft je dien onzin wijsgemaakt? Abraham! nu heb je zeker weer

met je vriend Steffensen gepraat."

Abraham moest toegeven, dat het zoo was.

"Ja, wat hem betreft is 't vrijwel hetzelfde of hij al dan niet

"met zijn bijdrage aankomt," zooals jij 't noemt. Zijn ontslag is al

besloten, en hij krijgt het binnen kort."

"Dat kan toch niet, Vader?--Moet Steffensen weggejaagd worden? een

bekwaam arbeider, die nooit drinkt."

"Weggejaagd!--wie zegt nu, dat hij zal worden weggejaagd?! De directie

verlangt bezuinigingen en nu hebben we uitgezien naar goedkooper

werkkracht. Die hebben we gevonden en nu moet Steffensen weg. Dat is

toch zoo eenvoudig en klaar als de dag."

In den laatsten tijd was het een paar maal gebeurd, dat Abraham zijn

vader in kleinigheden niet zoo groot en volmaakt gevonden had als

hij hem anders toescheen; maar 't was nog nooit gebeurd, dat Abraham

zich ronduit tegen zijn vader verzette. Maar op dit oogenblik werd

hij driftig; 't bloed steeg hem naar het hoofd, en hij zei:

"Ik vind niet, dat ik volkomen royaal behandeld word: hier worden

afspraken en schikkingen gemaakt, waar ik geen woord van weet;--òf ik

ben directeur, en dan wil ik als directeur behandeld worden, òf ik kan

heengaan. Ik wil niet als een nul voor spek en boonen er bij loopen!"

"Neen maar... wat bezielt je, Abraham!" riep Clara.

"Wees maar kalm, kind! Abraham is altijd wat driftig geweest,

dat zit hem in 't bloed.--Je zult zelf wel inzien, lieve Abraham,

als je even kalm nadenkt, dat je je vergist. Men geeft je alle eer,

die je toekomt, als assistent van de directie; maar dat jij noch ik

iets van deze geheime voorbereidselen voor 't feest gehoord hebben,

zie je, dat is immers alleen uit kieschheid."

"Nu ja, dat kan wel zijn: maar ik vraag nu: zal Steffensen ontslagen

worden, als ik uitdrukkelijk verlang, dat hij blijven zal?"

"Steffensen--die Steffensen?--je kent hem niet, Abraham."

Op dat oogenblik kwam het dienstmeisje binnen en zei, dat er een heer

en dame in de vestibule waren, die vroegen of de familie thuis was. 't

Bleek, dat het dominé Kruse en zijn vrouw was. Zij spraken allebei

tegelijk, en maakten veel excuses, omdat ze zoo laat op den avond de

familie nog kwamen storen. Maar ze kwamen juist van de bijbellezing

en zagen, dat er nog licht op was, en toen kregen zij zoo'n lust om

even binnen te komen.

Ze werden heel vriendelijk ontvangen, omdat ze zoo heel gelegen kwamen.

En dan ook--Clara hield veel van Mevrouw Frederika. Ze vond het

prettig de dominé en zijn vrouw goed te onthalen,--liefst wat

royaal--en tegelijk hoorde ze met belangstelling naar alle kunstjes,

die Frederika haar leerde om zuinig te koken. En als Abraham dan

den volgenden dag knorde over saus, die eigenlijk niet meer dan een

dikke meelpap was, vond ze er een genoegen in hem voor te houden,

hoe akelig en burgerlijk 't was overdadig met eten en drinken om te

gaan, zelfs al kon men 't wel betalen.

De professor en de predikant kwamen spoedig in een gesprek, dat over de

armen begon, toen op de fabrieksarbeiders kwam en eindelijk neerkwam op

't inwendig bedrijf van de fabriek.

Alleen Abraham voelde zich steeds onaangenaam gestemd; hij hield niet

van dien pedanten Maarten de achterblijver, ook niet van zijn vrouw; en

't was hem zelfs onaangenaam, dat deze menschen zich in den laatsten

tijd meer en meer in zijn kring drongen. Hij bleef op en neer loopen

na tafel en nam maar weinig deel aan 't gesprek.

Dat was anders levendig genoeg; want de predikant had evenveel aan

den professor te vragen als Clara aan Frederika; en toen ze afscheid

namen, hadden de dames afgesproken den volgenden Maandag weer bij

elkaar te komen, terwijl de predikant,--wat verlegen--vroeg wanneer

hij den professor over zaken zou kunnen spreken.

Fortuna: Een Roman uit het Noorsch (Voortzetting van "Vergif") · 第 8 / 22 题