Heleen gevoelde scherp, dat zijn aandeel in hun nieuwe innigheid met
liefde niets gemeen had en dat zijzelf die met haar sterk ontkennen,
niet alleen van gevaar en verderf, maar ook van elken dieperen zin dan
die van een lieflijke en zoo al ongebruikelijke, daarom nog niet
verwerpelijke omgangswijze tusschen man en meisje—, op een ander plan
had gebracht.
Niets was derhalve redelijker en natuurlijker dan dat hij, op zijn
fijne en bescheiden wijze nemend en genietend van wat ze hem aldus tot
haar eigen vreugde aanbood en toestond, en wat hij zelfs niet meer
weigeren kon, zonder haar te krenken, geenerlei belofte deed. Een
instinct zeide haar, dat hij haar wellicht toch teruggewezen zou
hebben, had hij de diepte en de hevigheid van haar liefde vermoed, doch
hiervan zweeg ze en niet om deze reden alleen.
Nimmer zei ze hem van die teedere vleierijen, waarmee ze in andere
tijden andere vrienden en zichzelve had verblijd—ze achtte die vreugde
door haar lichtvaardigheid verbruid—en bespaarde hem evenzoo de
betuiging dat ze meer van hem dan van al haar vorige vrienden hield,
tevoren in elke nieuwe illusie opnieuw gretig geloofd, door elke lichte
scheiding opnieuw tot logen en ten leste tot een bespotting van
zichzelf gemaakt—, want ze wilde hem op geen enkele wijze in het oude
leven betrekken, niet hem ermede vereenzelvigen, noch hem iets geven,
dat ze alreeds anderen gegeven en daarna weer ontnomen had. Haar
zekerheid had geen betuiging van noode, maar toch ontging haar veel
lieflijks zoo en ze aanvaardde dat gelaten als een redelijke
vergelding.
Nimmer was hij onstuimig, hij kuste haar kalm en zacht bij komen en
heengaan, lei onder het werk soms den arm om haar schouder en trok haar
wel eens even en heel vluchtig tegen zich aan, terwijl hij haar in haar
mantel hielp. Maar Heleen nam soms in onweerhoudbaren drang zijn hand
en kuste de vingers, één voor één, zooals een kind den vader, zwijgend
en met gesloten oogen hopend en vreezend tevens, dat hij in den zachten
druk van haar lippen de vastheid van haar vertrouwen en de volheid van
haar overgave mocht gevoelen.
Dit alles gaf een nieuwen ommekeer in haar stemmingen. De weken
verdwenen in het proevend herdenken van de heerlijkheid der voorbije
dagen en in de verwachting naar nieuwe vreugd. Heleen’s gedachten lagen
stil en haar houding tegenover zichzelf en de menschen was een blijde
en volmaakte vlekkeloosheid en onzelfzuchtigheid in wil en daad, met
geen ander doel, dan dat zij hem aldus bekoren zou, zonder begeerte
naar eenig ander doel of loon. Der hemelen klaarte scheen verwijd tot
een eeuwigheid van licht en in de broze droomen harer nachten schemerde
een onleefbare gelukzaligheid, dewijl ze hem liefhad. Terwijl het zomer
werd, geurde de aarde en de dagen zetten zich zwellende uit als
vruchten, die hun rijpheid tegemoet gaan, hoop groeide boven rede uit;
de opgang van het getij begeleidde den opgang van Heleens
verwachtingen. Doch tegelijkertijd minderde de staat van haar
gezondheid, ze verviel zienderoogen. De spanningen der laatste weken,
slapeloosheid en koortsig slapen, het zware werk in de warme school,
angst en bedwang wreekten zich in veelvuldige hoofdpijn en
vermoeidheid, die haar schouders brandend knakte. Ze verborg dit voor
haar vriend, opdat hij haar niet zou ontraden te blijven komen en
slikte drankjes om zich staande te houden. Zijn bezorgdheid streelde
haar en zijn lof voor haar ijver schonk haar kunstmatige kracht en
bedrieglijk vermogen tot volhouden. Doch eens op een keer, het was een
warme, gedrukte middag, voelde ze zich na langen tijd gebukt staan,
plotseling duizelig-klam en tot in haar lippen wit, ze keek om naar een
stoel maar vreesde te vallen, als ze zich er heen begaf. Ze bleef dus
staande, met het hoofd in de hand tegen de werktafel geleund, hij keek
op, bemerkte het, kwam snel naar haar toe, trok haar mee naar zijn
stoel en liet haar neerzitten op zijn knie. Heleen had een aarzeling
ondanks zichzelf, doch hij overwon die met zijn onbevangenheid. Hij
zei, Heleen moest maar voor even denken dat hij haar oom was. Heleen,
na even rusten gauw hersteld en in een zachte opgetogenheid vaardig tot
scherts, lachte om dien voorslag, ze kuste hem speelsch en zacht op
zijn haar en noemde hem „oom Lovelace.” Een lichte jaloerschheid
prikkelde haar voor het eerst, ze wist niet van waar en ook niet waarom
juist nu, en ze had speelschen lust hem naar de meisjes die hij kende
en zijn verhouding tot haar te vragen. Een zwoele damp sluierde hun
hoofden te zamen, de onbevangenheid trok even heen. Heleen zei, met een
streelende, gedempte stem: „zal ik mijn oom nu nog eens kussen?” Hij
antwoordde evenzoo: „ja.... toe.... doe dat.” Maar een coquette
speelschheid wakkerde in haar aan, ze trok het hoofd terug, „ik kus
geen mannen” Hij plaagde, „je laat je liever kussen.” Heleen beaamde
dit met peinzenden knik en overdacht, dat het werkelijk altijd zoo was
geweest.... ze vergat het oogenblik.... toen drong hij aan, „maar je
hebt het nu beloofd.” Heleen kuste hem nu wederom teeder en speelsch op
zijn wang en zóó licht of haar lippen appelbloesem waren van den boom
af neergewaaid naar zijn gelaat, even tippend en weer weg. Ze lachte
met bedauwde oogen en was blij en had in de handen willen klappen en
schreien tegelijk om deze ongedroomde verrukking, doch zijn klein,
nauwelijks merkbaar gebaar beduidde haar dat hij teleurgesteld was, hij
wilde het niet doen blijken, maar deed het toch; de vreugde dáárover
vervoerde Heleen, ze bukte snel het hoofd en kuste hem vier maal
achtereen zacht en vast op zijn mond. Maar dat was de eerste maal in
haar leven, dat ze haar bloed moest bedwingen om zich niet aan zijn
borst te werpen.
Plotseling begeerde ze te weten en te hooren, wat hij ervaren had. Ze
lei, opgesprongen en staande naast zijn stoel, de armen om zijn hoofd
en fluisterde „was het heerlijk zoo?”—en zijn „ja” was klankloos als
door een nevel van verrukking en willoosheid heen. Doch toen ze
dwazelijk diezelfde woorden nog wederom vragen en wederom hooren wilde,
trok hij zacht het hoofd uit haar armen terug en stond op. Hij had zijn
stem en zijn glimlach hersteld om effen en koel te zeggen: „Natuurlijk
was het heel prettig, het gebeurt niet iederen oom iederen dag dat hij
zoo door zijn nichtje gekust wordt.” Pijnlijk verschrokken om zijn
lichtvaardigheid keek Heleen hem aan, doch zag zijn oogen in donkeren
ernst op de hare gericht. Ze verstond hun waarschuwing: dat ze zich
hieruit niet te groot en te vast een illusie zou bouwen.