XXVI.

Heleen gevoelde scherp, dat zijn aandeel in hun nieuwe innigheid met

liefde niets gemeen had en dat zijzelf die met haar sterk ontkennen,

niet alleen van gevaar en verderf, maar ook van elken dieperen zin dan

die van een lieflijke en zoo al ongebruikelijke, daarom nog niet

verwerpelijke omgangswijze tusschen man en meisje—, op een ander plan

had gebracht.

Niets was derhalve redelijker en natuurlijker dan dat hij, op zijn

fijne en bescheiden wijze nemend en genietend van wat ze hem aldus tot

haar eigen vreugde aanbood en toestond, en wat hij zelfs niet meer

weigeren kon, zonder haar te krenken, geenerlei belofte deed. Een

instinct zeide haar, dat hij haar wellicht toch teruggewezen zou

hebben, had hij de diepte en de hevigheid van haar liefde vermoed, doch

hiervan zweeg ze en niet om deze reden alleen.

Nimmer zei ze hem van die teedere vleierijen, waarmee ze in andere

tijden andere vrienden en zichzelve had verblijd—ze achtte die vreugde

door haar lichtvaardigheid verbruid—en bespaarde hem evenzoo de

betuiging dat ze meer van hem dan van al haar vorige vrienden hield,

tevoren in elke nieuwe illusie opnieuw gretig geloofd, door elke lichte

scheiding opnieuw tot logen en ten leste tot een bespotting van

zichzelf gemaakt—, want ze wilde hem op geen enkele wijze in het oude

leven betrekken, niet hem ermede vereenzelvigen, noch hem iets geven,

dat ze alreeds anderen gegeven en daarna weer ontnomen had. Haar

zekerheid had geen betuiging van noode, maar toch ontging haar veel

lieflijks zoo en ze aanvaardde dat gelaten als een redelijke

vergelding.

Nimmer was hij onstuimig, hij kuste haar kalm en zacht bij komen en

heengaan, lei onder het werk soms den arm om haar schouder en trok haar

wel eens even en heel vluchtig tegen zich aan, terwijl hij haar in haar

mantel hielp. Maar Heleen nam soms in onweerhoudbaren drang zijn hand

en kuste de vingers, één voor één, zooals een kind den vader, zwijgend

en met gesloten oogen hopend en vreezend tevens, dat hij in den zachten

druk van haar lippen de vastheid van haar vertrouwen en de volheid van

haar overgave mocht gevoelen.

Dit alles gaf een nieuwen ommekeer in haar stemmingen. De weken

verdwenen in het proevend herdenken van de heerlijkheid der voorbije

dagen en in de verwachting naar nieuwe vreugd. Heleen’s gedachten lagen

stil en haar houding tegenover zichzelf en de menschen was een blijde

en volmaakte vlekkeloosheid en onzelfzuchtigheid in wil en daad, met

geen ander doel, dan dat zij hem aldus bekoren zou, zonder begeerte

naar eenig ander doel of loon. Der hemelen klaarte scheen verwijd tot

een eeuwigheid van licht en in de broze droomen harer nachten schemerde

een onleefbare gelukzaligheid, dewijl ze hem liefhad. Terwijl het zomer

werd, geurde de aarde en de dagen zetten zich zwellende uit als

vruchten, die hun rijpheid tegemoet gaan, hoop groeide boven rede uit;

de opgang van het getij begeleidde den opgang van Heleens

verwachtingen. Doch tegelijkertijd minderde de staat van haar

gezondheid, ze verviel zienderoogen. De spanningen der laatste weken,

slapeloosheid en koortsig slapen, het zware werk in de warme school,

angst en bedwang wreekten zich in veelvuldige hoofdpijn en

vermoeidheid, die haar schouders brandend knakte. Ze verborg dit voor

haar vriend, opdat hij haar niet zou ontraden te blijven komen en

slikte drankjes om zich staande te houden. Zijn bezorgdheid streelde

haar en zijn lof voor haar ijver schonk haar kunstmatige kracht en

bedrieglijk vermogen tot volhouden. Doch eens op een keer, het was een

warme, gedrukte middag, voelde ze zich na langen tijd gebukt staan,

plotseling duizelig-klam en tot in haar lippen wit, ze keek om naar een

stoel maar vreesde te vallen, als ze zich er heen begaf. Ze bleef dus

staande, met het hoofd in de hand tegen de werktafel geleund, hij keek

op, bemerkte het, kwam snel naar haar toe, trok haar mee naar zijn

stoel en liet haar neerzitten op zijn knie. Heleen had een aarzeling

ondanks zichzelf, doch hij overwon die met zijn onbevangenheid. Hij

zei, Heleen moest maar voor even denken dat hij haar oom was. Heleen,

na even rusten gauw hersteld en in een zachte opgetogenheid vaardig tot

scherts, lachte om dien voorslag, ze kuste hem speelsch en zacht op

zijn haar en noemde hem „oom Lovelace.” Een lichte jaloerschheid

prikkelde haar voor het eerst, ze wist niet van waar en ook niet waarom

juist nu, en ze had speelschen lust hem naar de meisjes die hij kende

en zijn verhouding tot haar te vragen. Een zwoele damp sluierde hun

hoofden te zamen, de onbevangenheid trok even heen. Heleen zei, met een

streelende, gedempte stem: „zal ik mijn oom nu nog eens kussen?” Hij

antwoordde evenzoo: „ja.... toe.... doe dat.” Maar een coquette

speelschheid wakkerde in haar aan, ze trok het hoofd terug, „ik kus

geen mannen” Hij plaagde, „je laat je liever kussen.” Heleen beaamde

dit met peinzenden knik en overdacht, dat het werkelijk altijd zoo was

geweest.... ze vergat het oogenblik.... toen drong hij aan, „maar je

hebt het nu beloofd.” Heleen kuste hem nu wederom teeder en speelsch op

zijn wang en zóó licht of haar lippen appelbloesem waren van den boom

af neergewaaid naar zijn gelaat, even tippend en weer weg. Ze lachte

met bedauwde oogen en was blij en had in de handen willen klappen en

schreien tegelijk om deze ongedroomde verrukking, doch zijn klein,

nauwelijks merkbaar gebaar beduidde haar dat hij teleurgesteld was, hij

wilde het niet doen blijken, maar deed het toch; de vreugde dáárover

vervoerde Heleen, ze bukte snel het hoofd en kuste hem vier maal

achtereen zacht en vast op zijn mond. Maar dat was de eerste maal in

haar leven, dat ze haar bloed moest bedwingen om zich niet aan zijn

borst te werpen.

Plotseling begeerde ze te weten en te hooren, wat hij ervaren had. Ze

lei, opgesprongen en staande naast zijn stoel, de armen om zijn hoofd

en fluisterde „was het heerlijk zoo?”—en zijn „ja” was klankloos als

door een nevel van verrukking en willoosheid heen. Doch toen ze

dwazelijk diezelfde woorden nog wederom vragen en wederom hooren wilde,

trok hij zacht het hoofd uit haar armen terug en stond op. Hij had zijn

stem en zijn glimlach hersteld om effen en koel te zeggen: „Natuurlijk

was het heel prettig, het gebeurt niet iederen oom iederen dag dat hij

zoo door zijn nichtje gekust wordt.” Pijnlijk verschrokken om zijn

lichtvaardigheid keek Heleen hem aan, doch zag zijn oogen in donkeren

ernst op de hare gericht. Ze verstond hun waarschuwing: dat ze zich

hieruit niet te groot en te vast een illusie zou bouwen.

Heleen · 第 27 / 29 题