Zoo goed als elke bloem en elke vrucht geleidelijk rijpt, zoo was ook
Heleen geleidelijk gerijpt, maar zoo goed als er voor elke vrucht en
voor elke bloem één oogenblik bestaat, dat hij voor het eerst rijp is
tegenover een vorig, dat hij voor het laatst nog niet rijp was, zoo was
er nu ook voor Heleen zulk een oogenblik geweest. De zomerdag was luw
en lang, Heleen deed haar werk en sprak met de menschen, deed ineens
haar stem jubelend opgaan—een vroolijkheid die in haar trilde als een
vogel op gespreide vlerkjes—verviel dan plotseling tot stilte, waarin
haar hart bang en zwaar bonsde in haar borst. De zoete bevangenheid
week voor het een niet en voor het ander niet en drong haar tot alleen
zijn met zichzelve, dat ze te mijden zocht. Er was iets, doch ze wilde
nog niet weten, wat er was, in een warme huivering van zoete onrust
trad ze den nacht tegemoet, die haar aan zichzelf openbaren zou.
Toen dan lei ze zich op haar bed, zonder wil of lust tot slapen, zacht
ademend in de zomernachts-schemering en wilde zich overgeven aan
bezinnend zelfonderzoek. Doch een zoetvloeiende weelde welde in zachten
aandrang uit de kern van haar hart en overstroomde als met golven haar
geheele wezen, elke vastheid van gedachte voor zich uit en
uiteendrijvend, zooals een zilvergrijs meer ieder vast ding oplicht en
meevoert op de glinsterende toppen van vlotte golven naar een
onbekenden oever toe. Roerloos voelde ze zich als opstijgend tot niets
verkwijnen, haar hart trilde, uit haar borst worstelde zich een zucht
naar boven en vervlood in het zomernachtsdonker; ze drukte vier malen
achtereen zacht en vast haar tanden in haar onderlip en smaakte, zoeter
dan in dag en licht, het zoet van haar eigen kussen op den mond van
haar vriend. Verlangen schreide als zomerdauw uit haar oogen, verlangen
lei zich als een vaste, zachte hand streelend tegen haar keel,
fladderde als damp om haar hoofd, streek als huivering langs borst en
schouders neer,—uit een nieuwe bezieling groeide een nieuw besef, en
Heleen wist van nu af aan, en van nu af aan niet langer als een
ingeprente les, dat in het volledig wezen der liefde meer van den
mensch dan hart en rede, en ook meer dan oogen, mond en voorhoofd is
betrokken.... Plotseling wist Heleen, wat ze haar vriend zou kunnen
schenken, dat ze nooit een ander geschonken had.
Wist ze waarlijk ook nu pas, dat ze hem liefhad? Was de twijfel aan
eigen gevoelens, inzicht en standvastigheid, de harde vergelding van
haar los vertrouwen en onbedwongen gretigheid sterker geweest dan de
stem van hart en rede te zamen? Nooit had die twijfel geheel en al
gezwegen en droeg in de zoetste oogenblikken herinnering uit oude
tijden aan, aan andere zekerheid en ander vertrouwen, voor zeker en
vast vertrouwd en nochtans uitgescheurd, afgeteerd, verworpen en
vergeten. Heden was de nieuwe getuige opgestaan, welke bij elken man en
bij elke vrouw in laatsten aanleg voor zijn liefde pleit en beslist—,
in schroomvallige verrukking had haar bloed voor hem gesproken. Heleen
wist, dat ze nu niet meer twijfelen zou. Ze ving haar tranen in haar
open mond en ervoer plotseling uit hun smaak, dat ze deze zelfde tranen
al eerder had geschreid en in haar mond geproefd, ze huiverde in een
blijde pijn en bevond dat ze die huivering kende en die blijdschap en
die pijn. Als naar een gerucht uit de verte, waaruit een oude zang zich
weifelend kennen doet, luisterde Heleen ademloos, naar wat het verleden
fluisterde uit de volheid van haar eigen hart: dit waren de tranen van
den avond op het schoolplein, van de nachten vol van doodsverlangen,
dit was de blijde pijn om den Ridder en zijn Bruid! Wat ze als
nieuw-geboren in zich had willen begroeten—, het was er altijd geweest,
in zuchten en tranen, in het benauwd drukken van de handen tegen haar
borst, in zoete ontroeringen; zwaarder en somberder in leed en
doodsvrees, in angst en kwijnend voorgevoel, het was om den vogel, die
voorbijvloog en dien ze niet grijpen kon, het was om den heer en de
dame uit „De Fonkelende Sterren,” het was in zich alleen alles dat niet
genoemd, maar wel gevoeld kan worden, het benauwde en bange, het blijde
en droefgeestig-zoete. Liefdes-verlangen.... Doods-verlangen.... o,
Liefde en Dood hadden eenzelfden bitter-zoeten smaak, het een was een
droefgeestige verblijding, het andere een verblijde droefgeestigheid,
elk van beiden kiemde in een oude herinnering en had den geur van een
verkwijnende bloem.
Heleen had jaren lang genomen wat ze vond, omdat ze niet wist, wat ze
zocht; ze had gekust en gekoosd in een vluchtige verblijding, de
wierook en den wijn der vleierij in eenzelfde uur opgezogen en
vergeten, doch de zoete vlijmen van het verlangen, dat was alsof haar
hart werd losgetornd uit haar borst, en alleen in den nacht zijn weg
ging tot hem, niet gekend. En dit moest dan het naar den klank
langgekende, doch in wezen niet begrepene, dit moest dan hartstocht
beduiden? Als een zucht uit duister woei het woord haar aan, doch
grofheid en onverstand hadden het eens voor al voor haar ontluisterd,
ze wendde zich af als met een wrevelen schouderschok. Dit zou moeten
zijn, waarvan menschen in gesprek en geschrift getuigd hadden, dat het
hen als een koorts had bezeten, als een scherpe doorn het bloed uit de
aderen opgetornd, als een loopend vuur in hen geteerd, als een wild
beest in hen gewoed? Dit de hartstocht, die het haten na stond, die met
rauwe klacht en groot gebaar omging, die nog kermen en krijten wilde in
den ure-zelf, dat hij werd gestild en een geesel werd geheeten en een
plaag werd genaamd en nochtans tot haar pijn en afschrik met liefde,
die ze had gemeend te kennen, in eenzelfden naam en adem genoemd?
Voor haar verscheen dit alles niet—, maar wel het onvermoede uitzicht
op een ongedroomd land van zwijgen, innigheid en roerloosheid, en zoo
heerlijk, dat de bitterheid der vrees zich reeds mengde in het zoet van
den eersten voorsmaak, daar het leven zoo weinig heerlijkheid voor haar
verwezenlijkt had.
Eerder was Heleens blik, heden was voor enkele seconden haar hartslag
in dien van haren vriend opgegaan—, van nu af aan zou haar geheele
wezen met zijn verborgenste trillingen en windingen, pijnen en
geheimen, met al datgene, dat menschen nauwelijks in zichzelven kennen
en zelden aan zichzelf belijden, door het gelukkige zwijgen in hem
opgaan—, zoodat ze rust in zaligheid zou smaken.
En nu ze, in zomernachtelijke, lichte verdwazing, uit elke
werkelijkheid losgeraakt, deze zaligheid in haar bereiken wanend, het
einde van strijd en wisselvalligheid, van dolen en tasten in donker en
eenzaamheid nabij meende te zien, nu voelde ze, als nooit te voren, hoe
haar lichaam en haar geest, van de jaren die achter haar lagen ten
doode toe waren vermoeid.
Ze viel in slaap en had een droom als een vluchtige bedwelming. Het was
een zijige zomerschemer, het land en de luchten geurden koel en zoet
naar erwtenbloesem. Haar vriend en zij traden elkaar tegemoet, hij nam
haar in zijn armen en ze kusten elkander tot ze maar één glimlach en
één blik en ten leste ook maar één enkelen adem te zamen behielden.
Toen niets meer.