Heleen geloofde geen oogenblik, dat hij haar liefhad en ze durfde zelfs
niet verwachten, dat hij haar ooit liefhebben zou. Ze had zich in veel
vergist, maar ze wist dat ze zich ditmaal niet vergiste, zelfs het
aroom van teederheid dat meermalen zijn stem en zijn gebaar ontvlood,
hoezeer het haar verrukte, het misleidde haar niet. Ze nam zich wel
eens voor, enkele weken weg te blijven, om te weten òf, en op welke
wijze hij haar tot zich roepen zou, maar ze deinsde terug voor de
mogelijke uitkomst van die proef en liet het achterwege. De kwelling
der onrust keerde bij vlagen terug, wanhoop en verbijstering bevlogen
haar soms in den nacht, dreven haar uit bed en in jachtigen stap haar
kamer op en neer. Als ze bij hem was, trilden vaak haar handen en deed
ze onbeholpen dingen, of een vraag was haar ontgaan en ze gaf een
verkeerd antwoord. Dan had hij wel eens een ongeduldig woord of een
misnoegd gebaar, dat haar volslagen ellendig maakte. Daar zijzelf in de
geheele week, die daarop volgde, aan niets dan aan dien éénen misslag
denken kon, waande ze uiteraard, dat ook hij aan niets anders dacht,
geen andere herinnering aan haar behield en haar verachtte als dom en
onbeduidend. De oude kleinheidswaan greep haar weer nijpende beet. Wat
was ze, wat had ze, wat beteekende ze meer dan volslagen niets? Ze
sleepte alles, dat ze hem gedurende al die weken had gezegd, uit haar
gescherpt geheugen aan en vóór zich en woog het en bevond het te licht,
leeg en onbeteekenend. In dit licht leek het haar een buitensporige
aanmatiging te meenen, dat hij ooit van haar houden kon. En die
uiterlijke bekoorlijkheid, waarop ze haar vertrouwen had gesteld—, ach,
bekoorlijkheid gewende, zoo goed als elk dagelijksch ding en besloeg
zeker geen plaats in herdenking en overweging.
Doch er waren andere weken, die stonden in den glans van een
liefkoozenden blik, van het gebaar, waarmee hij soms de hand op haar
schouder lei, dan flitste de hoop weer in haar op, hervond ze haar
zelfvertrouwen en verblijdde zich in wat ze alreeds had gewonnen. Want
of liefde kwam of dat liefde uitbleef, hoeveel van haar verlangen was
al geleidelijkerwijs in vervulling gegaan! Als zij sprak en hij
luisterde, verdween de glimlach, elk woord nam hij tot zich in ernst en
proevende oplettendheid. Ze had hem van haar jeugd en later leven
verhaald, zoodat hij nu uit haar tegenstrijdig opgroeien en rijpen haar
tegenstrijdig zijn en tegelijk haar sterke bewustheid omtrent zichzelf
begreep.
Het leek zoo wonderlijk, en eenvoudig tegelijk, zooals elk wonder
eenvoudig is, een toevallig samentreffen, ’t welk toch geen toeval
wezen kon, dat ze na die felle botsing tusschen wat waarheid gewaand en
wat leugen gebleken was, in een koorts naar onderzoek was gedreven om
te weten wat aan de dingen waar en wat niet waar was en langs dien weg
tot het besef gekomen, dat geen enkel ding bewezen waar of onwaar
is.... en hoe ze sinds dien de gansche wereld lediggeloopen voelde,
zichzelf als afgesneden van een levendheid buiten haar zelf, en
kwijnend—, omdat haar wezen niet bestemd en niet bestand bleek deze
dingen te weten. Voor zoovele anderen die van haar aanleg waren, liepen
wil en bestemming langs ééne lijn, die mochten dan levenslang
ongestoord droomen en geloovig dwepen, zij alleen leek wel verstooten,
gedoemd om altijd tegen zichzelve in te gaan.
Sprekende scheen het Heleen als werd haar dit alles, dit oude eigene
van haar zelf, nog eens weer opnieuw en anderszins dan voorheen
opgehelderd en geopenbaard—, het was zijn luisteren, dat haar bezielde,
zoodat ze zich bewogen voelde in zoet beklag, zonder dat toch haar
oprechtheid ooit haar begaf—elke troebeling verklaarde zich, elke
oneffenheid verdween, en het geleden leven lei zich voor haar uit als
een gesmede keten van dingen, elkanders oorzaak en gevolg, en waarvan
geen enkel, noch eigen, noch andermans, snood of boos, maar evenmin
edel of verheven was geweest.
Elk gesprek met haren vriend, dat een tastend al-verder zich verdiepen
in zichzelf was, bracht Heleen flitsen van dat nieuwe licht. Geleek het
haar niet, als besefte ze nu pas het meeningsvolle van haar kinderlijk
peinzen, had ze ooit als nu kunnen zeggen wat haar uit klanken en
verhalen, uit kerkhofbloemen en oude reuk had bewogen, zeggen zóó
zuiver en klaar dat herdenken hervoelen werd: het opnieuw teeder-wreed
uiteengereten worden van haar weeke inwendigheid, zooals ze het als
kind had gevoeld, een bedroefdheid, zoo zwaar en van haar alleen, leed
dat het leven draaglijk maakte en haar schadeloos stelde, voor wat haar
anderszins verbitterd en onthouden wierd? En toch slaagde ze er nog nu
niet in, het echte te zeggen, en haar zorgvuldigste woorden botsten tot
haar terug als uit gewelven van dat sterke gevoel, zonder het innigste
daarvan te kunnen mee- en naar buiten brengen....
Dit besefte Heleen, terwijl ze sprak, en tastend verloor zich haar
stem, tot ze zweeg, zonder het te weten en in de oude aandoeningen haar
kinderlijkheid hervond, het huis aan de rivier niet zag, maar om zich
voelde, haar gansche lange leven dáár, als droomend, in een oogenblik
overdeed, tot den bodem proefde en bevond, hoe haar heele innerlijke
rijkdom uit de ervaringen dier vluchtige jonge jaren en uit de dwaze,
bruine boeken met de zwarte prentjes afkomstig was. Ze proefde dat oude
als een smaak, rook het als een geur, het was het aroom der schoonste
en heiligste uren, in haar jeugd de regel van elken dag, met het wassen
der jaren al schaarscher geworden. Eerst het schoolsche leven en daarna
de menschen en hun wereld, hadden haar aan zichzelf ontroofd—, terwijl
ze waande te winnen, had ze verloren, en wat ze gemeend had, dat haar
rijker zou maken, had haar leeggezogen en verarmd.
Dit alles was het, iedermaal opnieuw, en iedermaal anders, somwijlen
bang en diep, wrang en somber, tot Heleen haar lasten moede werd, en
het spreken moede werd. Ze voelde het ook: ze had genoeg gezegd, het
gelukkige zwijgen was in aantocht, misverstaan voortaan buitengesloten,
het afmattend vechten om zich in telkens nieuwe troebeling tot
wanbegrip, telkens opnieuw zuiver te doen kennen, niet langer
noodzakelijk. En in die oogenblikken van zwijgend in schemer
te-zamen-zijn, nadat één enkel woord van hem of soms maar een teeken,
een gebaar, een zucht háár zachtverwarde verzuchtingen had beaamd,
voelde Heleen, roerloos en zoet verdoofd in haar stoel, het geluk om
dat zwijgend begrijpen als een zacht zengen door haar bloed—, tot haar
bevreemding....
De enkele malen dat Heleen haren vriend in het bijzijn van anderen
ontmoette, miste ze geheel en al de kalmte van hun gewoonlijk
samenzijn. Het was geen jaloezie, die haar onrustig maakte, noch voelde
ze eenige vijandschap tegenover de meisjes, die tot hem spraken, maar
evenwel kon ze haar neiging om voortdurend dicht bij hem te zijn en
deel te nemen aan zijn gesprekken met anderen niet onderdrukken.
Ze gevoelde, dat hem dit ontstemmen moest, ze hield zich voor, dat ze
met die averechtsche angstvalligheid zichzelf wellicht nadeel en
schade, doch stellig geen voordeel of vreugde toebrengen zou, en ze kon
het niet ten onder brengen, want het was sterker dan zijzelf was. Later
leed ze de heugenis van haar zelfvernedering nog dagen lang in
lusteloosheid, ongewissen slaap en verval in haar uiterlijk.
Het bewustzijn dat ze aldus en met zoovele ketenen haar leven aan het
zijne vastgeklonken had, vervulde Heleen somwijlen met kommer en angst,
omdat ze wist, dat hij haar niet liefhad, doch de gedachte aan de
mogelijkheid dat het eenmaal en misschien binnenkort in een scheiding
tusschen hen beiden zou kunnen eindigen, weerde ze af, als het haar
bevloog en dorst ze, als te gruwzaam, niet onder de oogen zien.
Eenmaal vertelde Heleen haar vriend, hoe ze zich voor zichzelve liefde
had gedroomd en hoe ze dien droom had willen verwezenlijken in het
werkelijk leven, maar hij noemde haar wijze van omgaan met haar
vrienden ondoordacht en onedelmoedig, met haar wenschen van
redelijkheid en wederzijdsche welwillendheid schromelijk in strijd.
Heleen verweerde zich en maakte zich warm, haar stem trilde van tranen,
daar hij haar afviel in dit liefste deel van haar leven...., totdat
zijn stem en zijn blik verzachtten. Hij boog zich naar haar toe, nam
even haar hand en murmelde glimlachend:
Thou art not false, but thou art fickle.....
Heleen beefde en trok haar hand terug, haar glinsterende tranen
ontsnapten over haar plotseling verbleekt gezicht, daar ze zich
machteloos wist hem in woorden te beduiden, hoe weinig wispelturig ze
was uit haar natuur. Ze wilde geen lafsmakend „neen” stellen tegenover
een „ja” dat iederen schijn van waarheid met zich had, doch even steeg
een witte drift tegen hem uit deze haar onmacht in haar op en een
bitterheid ook tegen haar oude vrienden, van welke niet één haar had
kunnen blijvend bekoren, boeien en binden, zoodat ze aan hem had kunnen
toonen, dat ze tot een vast en trouw gevoel de vermogens bezat, daar
niet één van hen grooter van omvang en fijner van gehalte was gebleken
dan zijzelf en ieder van hen haar boekenpraat voor wijsheid en
verveling voor rust had gegeven. Ze had maar van één ding berouw en dat
was, dat ze zich haar gansche leven had afgegeven met haar minderen en
zich vernederd zonder loon. Haar stem steeg in een klank van
bitterheid, trots en verachting, die ze in zichzelf nauwelijks kende,
totdat ze die heerlijk-innige en bijkans vrome aandacht op zijn gelaat
gewaar werd en zag, dat hij haar gelooven wilde, en al het andere en al
de anderen vergat voor de vreugde van hun samenzijn en schielijk lachte
door haar glinsterende tranen heen en hem lachende voorlei wat ze de
formule van haar ideale bestemming noemde: één deel liefkoozen en drie
deelen geliefkoosd zijn. En waarom zou het niet mogen, die uiterlijke
blijken van een teederheid, die aan den omgang van man en meisje
zooveel lieflijks zou kunnen geven, dat nu door lafheid en
menschenvrees uit het aardsche leven verloren ging? Heleen werd weer
warm, hij lachte en bestreed haar niet, stemde evenmin toe. Heleen ging
er verder op in. Een vroolijkheid steeg trillend in haar op, ernst
vervlood in fijne en vlugge scherts, maar Heleen was daarin niet geheel
en al onbevangen; diep in haar trilde er iets, een bedoeling achter de
woorden en voorbij het oogenblik: een nieuwe verwachting, die hoop
putte uit zijn glimlach en blik, naar wat mogelijk was geworden, eene
liefkoozing van haar vriend.
Ze hield de oogen neergeslagen, opdat hun schittering haar niet
verraden zou—, o, dat hij haar nu kussen mocht. Vroeger dan gewoonlijk
stond ze op om heen te gaan en terwijl ze zich gereed maakte, lachten
ze tegelijk en keken elkaar even aan, terwijl Heleen vluchtig bloosde
om wat ze beiden dachten. Ze sloot half de oogen en hief in den
lichtschijn het gezicht naar hem op. Wat gehoopt was, geschiedde, zijn
vingers rondden zich teederlijk om haar kin, zijn hoofd naderde het
hare, hij zei „wat heb je toch een aardig kinnetje” en kuste haar
eenmaal op elke wang.