XXV.

Heleen geloofde geen oogenblik, dat hij haar liefhad en ze durfde zelfs

niet verwachten, dat hij haar ooit liefhebben zou. Ze had zich in veel

vergist, maar ze wist dat ze zich ditmaal niet vergiste, zelfs het

aroom van teederheid dat meermalen zijn stem en zijn gebaar ontvlood,

hoezeer het haar verrukte, het misleidde haar niet. Ze nam zich wel

eens voor, enkele weken weg te blijven, om te weten òf, en op welke

wijze hij haar tot zich roepen zou, maar ze deinsde terug voor de

mogelijke uitkomst van die proef en liet het achterwege. De kwelling

der onrust keerde bij vlagen terug, wanhoop en verbijstering bevlogen

haar soms in den nacht, dreven haar uit bed en in jachtigen stap haar

kamer op en neer. Als ze bij hem was, trilden vaak haar handen en deed

ze onbeholpen dingen, of een vraag was haar ontgaan en ze gaf een

verkeerd antwoord. Dan had hij wel eens een ongeduldig woord of een

misnoegd gebaar, dat haar volslagen ellendig maakte. Daar zijzelf in de

geheele week, die daarop volgde, aan niets dan aan dien éénen misslag

denken kon, waande ze uiteraard, dat ook hij aan niets anders dacht,

geen andere herinnering aan haar behield en haar verachtte als dom en

onbeduidend. De oude kleinheidswaan greep haar weer nijpende beet. Wat

was ze, wat had ze, wat beteekende ze meer dan volslagen niets? Ze

sleepte alles, dat ze hem gedurende al die weken had gezegd, uit haar

gescherpt geheugen aan en vóór zich en woog het en bevond het te licht,

leeg en onbeteekenend. In dit licht leek het haar een buitensporige

aanmatiging te meenen, dat hij ooit van haar houden kon. En die

uiterlijke bekoorlijkheid, waarop ze haar vertrouwen had gesteld—, ach,

bekoorlijkheid gewende, zoo goed als elk dagelijksch ding en besloeg

zeker geen plaats in herdenking en overweging.

Doch er waren andere weken, die stonden in den glans van een

liefkoozenden blik, van het gebaar, waarmee hij soms de hand op haar

schouder lei, dan flitste de hoop weer in haar op, hervond ze haar

zelfvertrouwen en verblijdde zich in wat ze alreeds had gewonnen. Want

of liefde kwam of dat liefde uitbleef, hoeveel van haar verlangen was

al geleidelijkerwijs in vervulling gegaan! Als zij sprak en hij

luisterde, verdween de glimlach, elk woord nam hij tot zich in ernst en

proevende oplettendheid. Ze had hem van haar jeugd en later leven

verhaald, zoodat hij nu uit haar tegenstrijdig opgroeien en rijpen haar

tegenstrijdig zijn en tegelijk haar sterke bewustheid omtrent zichzelf

begreep.

Het leek zoo wonderlijk, en eenvoudig tegelijk, zooals elk wonder

eenvoudig is, een toevallig samentreffen, ’t welk toch geen toeval

wezen kon, dat ze na die felle botsing tusschen wat waarheid gewaand en

wat leugen gebleken was, in een koorts naar onderzoek was gedreven om

te weten wat aan de dingen waar en wat niet waar was en langs dien weg

tot het besef gekomen, dat geen enkel ding bewezen waar of onwaar

is.... en hoe ze sinds dien de gansche wereld lediggeloopen voelde,

zichzelf als afgesneden van een levendheid buiten haar zelf, en

kwijnend—, omdat haar wezen niet bestemd en niet bestand bleek deze

dingen te weten. Voor zoovele anderen die van haar aanleg waren, liepen

wil en bestemming langs ééne lijn, die mochten dan levenslang

ongestoord droomen en geloovig dwepen, zij alleen leek wel verstooten,

gedoemd om altijd tegen zichzelve in te gaan.

Sprekende scheen het Heleen als werd haar dit alles, dit oude eigene

van haar zelf, nog eens weer opnieuw en anderszins dan voorheen

opgehelderd en geopenbaard—, het was zijn luisteren, dat haar bezielde,

zoodat ze zich bewogen voelde in zoet beklag, zonder dat toch haar

oprechtheid ooit haar begaf—elke troebeling verklaarde zich, elke

oneffenheid verdween, en het geleden leven lei zich voor haar uit als

een gesmede keten van dingen, elkanders oorzaak en gevolg, en waarvan

geen enkel, noch eigen, noch andermans, snood of boos, maar evenmin

edel of verheven was geweest.

Elk gesprek met haren vriend, dat een tastend al-verder zich verdiepen

in zichzelf was, bracht Heleen flitsen van dat nieuwe licht. Geleek het

haar niet, als besefte ze nu pas het meeningsvolle van haar kinderlijk

peinzen, had ze ooit als nu kunnen zeggen wat haar uit klanken en

verhalen, uit kerkhofbloemen en oude reuk had bewogen, zeggen zóó

zuiver en klaar dat herdenken hervoelen werd: het opnieuw teeder-wreed

uiteengereten worden van haar weeke inwendigheid, zooals ze het als

kind had gevoeld, een bedroefdheid, zoo zwaar en van haar alleen, leed

dat het leven draaglijk maakte en haar schadeloos stelde, voor wat haar

anderszins verbitterd en onthouden wierd? En toch slaagde ze er nog nu

niet in, het echte te zeggen, en haar zorgvuldigste woorden botsten tot

haar terug als uit gewelven van dat sterke gevoel, zonder het innigste

daarvan te kunnen mee- en naar buiten brengen....

Dit besefte Heleen, terwijl ze sprak, en tastend verloor zich haar

stem, tot ze zweeg, zonder het te weten en in de oude aandoeningen haar

kinderlijkheid hervond, het huis aan de rivier niet zag, maar om zich

voelde, haar gansche lange leven dáár, als droomend, in een oogenblik

overdeed, tot den bodem proefde en bevond, hoe haar heele innerlijke

rijkdom uit de ervaringen dier vluchtige jonge jaren en uit de dwaze,

bruine boeken met de zwarte prentjes afkomstig was. Ze proefde dat oude

als een smaak, rook het als een geur, het was het aroom der schoonste

en heiligste uren, in haar jeugd de regel van elken dag, met het wassen

der jaren al schaarscher geworden. Eerst het schoolsche leven en daarna

de menschen en hun wereld, hadden haar aan zichzelf ontroofd—, terwijl

ze waande te winnen, had ze verloren, en wat ze gemeend had, dat haar

rijker zou maken, had haar leeggezogen en verarmd.

Dit alles was het, iedermaal opnieuw, en iedermaal anders, somwijlen

bang en diep, wrang en somber, tot Heleen haar lasten moede werd, en

het spreken moede werd. Ze voelde het ook: ze had genoeg gezegd, het

gelukkige zwijgen was in aantocht, misverstaan voortaan buitengesloten,

het afmattend vechten om zich in telkens nieuwe troebeling tot

wanbegrip, telkens opnieuw zuiver te doen kennen, niet langer

noodzakelijk. En in die oogenblikken van zwijgend in schemer

te-zamen-zijn, nadat één enkel woord van hem of soms maar een teeken,

een gebaar, een zucht háár zachtverwarde verzuchtingen had beaamd,

voelde Heleen, roerloos en zoet verdoofd in haar stoel, het geluk om

dat zwijgend begrijpen als een zacht zengen door haar bloed—, tot haar

bevreemding....

De enkele malen dat Heleen haren vriend in het bijzijn van anderen

ontmoette, miste ze geheel en al de kalmte van hun gewoonlijk

samenzijn. Het was geen jaloezie, die haar onrustig maakte, noch voelde

ze eenige vijandschap tegenover de meisjes, die tot hem spraken, maar

evenwel kon ze haar neiging om voortdurend dicht bij hem te zijn en

deel te nemen aan zijn gesprekken met anderen niet onderdrukken.

Ze gevoelde, dat hem dit ontstemmen moest, ze hield zich voor, dat ze

met die averechtsche angstvalligheid zichzelf wellicht nadeel en

schade, doch stellig geen voordeel of vreugde toebrengen zou, en ze kon

het niet ten onder brengen, want het was sterker dan zijzelf was. Later

leed ze de heugenis van haar zelfvernedering nog dagen lang in

lusteloosheid, ongewissen slaap en verval in haar uiterlijk.

Het bewustzijn dat ze aldus en met zoovele ketenen haar leven aan het

zijne vastgeklonken had, vervulde Heleen somwijlen met kommer en angst,

omdat ze wist, dat hij haar niet liefhad, doch de gedachte aan de

mogelijkheid dat het eenmaal en misschien binnenkort in een scheiding

tusschen hen beiden zou kunnen eindigen, weerde ze af, als het haar

bevloog en dorst ze, als te gruwzaam, niet onder de oogen zien.

Eenmaal vertelde Heleen haar vriend, hoe ze zich voor zichzelve liefde

had gedroomd en hoe ze dien droom had willen verwezenlijken in het

werkelijk leven, maar hij noemde haar wijze van omgaan met haar

vrienden ondoordacht en onedelmoedig, met haar wenschen van

redelijkheid en wederzijdsche welwillendheid schromelijk in strijd.

Heleen verweerde zich en maakte zich warm, haar stem trilde van tranen,

daar hij haar afviel in dit liefste deel van haar leven...., totdat

zijn stem en zijn blik verzachtten. Hij boog zich naar haar toe, nam

even haar hand en murmelde glimlachend:

Thou art not false, but thou art fickle.....

Heleen beefde en trok haar hand terug, haar glinsterende tranen

ontsnapten over haar plotseling verbleekt gezicht, daar ze zich

machteloos wist hem in woorden te beduiden, hoe weinig wispelturig ze

was uit haar natuur. Ze wilde geen lafsmakend „neen” stellen tegenover

een „ja” dat iederen schijn van waarheid met zich had, doch even steeg

een witte drift tegen hem uit deze haar onmacht in haar op en een

bitterheid ook tegen haar oude vrienden, van welke niet één haar had

kunnen blijvend bekoren, boeien en binden, zoodat ze aan hem had kunnen

toonen, dat ze tot een vast en trouw gevoel de vermogens bezat, daar

niet één van hen grooter van omvang en fijner van gehalte was gebleken

dan zijzelf en ieder van hen haar boekenpraat voor wijsheid en

verveling voor rust had gegeven. Ze had maar van één ding berouw en dat

was, dat ze zich haar gansche leven had afgegeven met haar minderen en

zich vernederd zonder loon. Haar stem steeg in een klank van

bitterheid, trots en verachting, die ze in zichzelf nauwelijks kende,

totdat ze die heerlijk-innige en bijkans vrome aandacht op zijn gelaat

gewaar werd en zag, dat hij haar gelooven wilde, en al het andere en al

de anderen vergat voor de vreugde van hun samenzijn en schielijk lachte

door haar glinsterende tranen heen en hem lachende voorlei wat ze de

formule van haar ideale bestemming noemde: één deel liefkoozen en drie

deelen geliefkoosd zijn. En waarom zou het niet mogen, die uiterlijke

blijken van een teederheid, die aan den omgang van man en meisje

zooveel lieflijks zou kunnen geven, dat nu door lafheid en

menschenvrees uit het aardsche leven verloren ging? Heleen werd weer

warm, hij lachte en bestreed haar niet, stemde evenmin toe. Heleen ging

er verder op in. Een vroolijkheid steeg trillend in haar op, ernst

vervlood in fijne en vlugge scherts, maar Heleen was daarin niet geheel

en al onbevangen; diep in haar trilde er iets, een bedoeling achter de

woorden en voorbij het oogenblik: een nieuwe verwachting, die hoop

putte uit zijn glimlach en blik, naar wat mogelijk was geworden, eene

liefkoozing van haar vriend.

Ze hield de oogen neergeslagen, opdat hun schittering haar niet

verraden zou—, o, dat hij haar nu kussen mocht. Vroeger dan gewoonlijk

stond ze op om heen te gaan en terwijl ze zich gereed maakte, lachten

ze tegelijk en keken elkaar even aan, terwijl Heleen vluchtig bloosde

om wat ze beiden dachten. Ze sloot half de oogen en hief in den

lichtschijn het gezicht naar hem op. Wat gehoopt was, geschiedde, zijn

vingers rondden zich teederlijk om haar kin, zijn hoofd naderde het

hare, hij zei „wat heb je toch een aardig kinnetje” en kuste haar

eenmaal op elke wang.

Heleen · 第 26 / 29 题