XXIV.

Aan het einde van die week schreef ze hem een briefje. Ze vroeg hem

kort en zakelijk of de cursuslessen, die ze had aangekondigd gezien,

ook door geheel onbedrevenen in zijn vak gevolgd konden worden. Hij

antwoordde dadelijk, dat ze weliswaar voor beginnende volwassenen

bestemd heetten, maar dat eenige voorstudie werd voorondersteld en

gewenscht. Zijn briefje was evenzeer kort en zakelijk, handschrift noch

onderteekening hadden iets ongewoons. Onmiddellijk zeide Heleen dit tot

zichzelf en lei daarmee het dwaze kind, dat tusschen de regels lezen en

wonderlijke zaken ontdekken wilde, het zwijgen op. Een gewoon briefje

en basta. Ze ging naar school zonder onrust of schommeling, praatte en

werkte gewoon, maar diep in zich behield ze een gestadige benieuwdheid

naar wat ze nu verder wel zou doen, en hoe ze zich in den avond

gedragen zou. Het eene uur wist ze niet, wat een volgend over haar

besloot. ’s Middags rezen er wolken aan dien klaren hemel van haar

ziel, een vleug van wind woei al uit de verte aan, ze rilde in het

voorgevoel, de koppen klommen en stapelden zich vervaarlijk, er was

storm in aantocht. In donker brak hij los. Ze meende dat ze peinsde,

wikte en overwoog, doch dit was maar een loos bedrog met zichzelf, het

besluit was genomen, nog eer het in ’t licht was gebracht; ze zou hem

schrijven, om tot hem te gaan. Ze schreef en verzond dit briefje

vliegensvlug en toen ze thuiskwam, liet ze zich door zichzelf berispen

en vermanen, een kind dat de preek neemt op den koop toe bij het

gelukken van zijn streek. Ze hijgde licht en voelde zich verhit van het

draven en trappenklimmen, en de oogenblikkelijke voldoening omdat ze nu

toch zichzelf te vlug af was geweest, zette met de verwachting haar

hart in een gloed, dien ze met gegronde hoop verwarde en die de luister

van dien laten avond werd.

Hij schreef en vroeg haar te komen voor den volgenden Woensdag in een

aan het eerste soortgelijk briefje, maar Heleen toomde haar verrukking

in en hield zich voor, dat nog niets was gewonnen, daar hij een

welwillend man was en elkeen te woord stond, die om raad bij hem kwam;

ze smoorde het juichen van haar hart, dat het haar niet in zijn dwaze

onberadenheid verraden en vernederen zou. Ook wilde ze op geen enkele

wijze den schijn verwekken als was ze inderdaad degene, waarvoor de

menschen haar hielden, vooral nu ze wist dat ze haar in zijn bijzijn

hadden aangeklaagd.

Ze liep uren lang in den voorjaarswind—het was April, ze had haar korte

Paaschvacantie, buiten de stad geurde het naar gras en grond, krioelend

leven steeg trillend, als van verlangen, uit den heeten bodem der

slooten naar hun zondoorschenen oppervlak, zilverbaarsjes schoten

daartusschen fel-fonkelend, waterplanten deinden mee, en overal

bloeiden de hazelaars—voordat ze zich voldoende kalm gevoelde om naar

zijn huis te gaan. De oude meid leidde haar dadelijk bij hem in zijn

laboratorium en toen ze in het begroeten de oogen naar hem opsloeg, zag

ze in de zijne iets nieuws en onvermoeds: nieuwsgierigheid. Plotseling

gevoelde Heleen een bittere vreugde om den laster, die haar tot hem was

voorgegaan; daar nu toch eenmaal in de wereld het groote uit het

geringe en het goede uit het kwade voortkomt, zoo zou zij ook deze

nieuwsgierigheid, die ze maar al te wel begreep, trachten aan te wenden

tot haar gewin.

Heleen was van klein kind af bespot en geplaagd en somwijlen ook wel

beklaagd om haar gebrek aan slimheid en bedachtzaam overleg. Later had

ze zich wel op dat gemis heimelijk verhoovaardigd. Doch hierin voelde

ze zich tot de geslepenste sluwheid vaardig en ze begreep ineens, dat

elk mensch sluw en geslepen kan zijn, als hij maar hevig genoeg iets

begeert te winnen. Omdat Heleen nimmer in haar leven iets hevig had

begeerd te winnen, daarom was ze nimmer in haar leven sluw en geslepen

geweest, doch dezen man en zijn liefde begeerde ze te winnen, om hem te

behouden, dat ze hem liefhebben zou en geliefd zijn van hem, tot hun

beider geluk en haar eigen heil. Plotseling voelde ze zich bedaard en

vaardig, als een soldaat in het gevaar. Vooraf heeft hij gebeefd, nu is

hij beheerscht. Haar vertrouwen rees in het gevoel van haar rust, de

zweem van zijn glimlach speelde over haar heen, zijn blik was kalm en

ingekeerd, doch had alreeds verraden, dat hij haar, zooals ze was,

bekoorlijk vond.

Schoon Heleen smachtte naar het oogenblik dat ze zich in

vertrouwelijkheid aan hem zou mogen geven en vertroosting zoeken voor

de ongestilde klachten van haar hart, ze legde zichzelf geslotenheid

op, om niet roekeloos een ongedacht voordeel te verspillen en zijn

nieuwsgierigheid te behouden, tot belangstelling te kweeken. Dat ze

door anderen in zijn bijzijn gesmaad was en slecht besproken, had haar

duldeloos in het hart gebrand—alles sloeg om: smaad en opspraak had ze

als een prikkelend verschil op anderen voor. Ze wilde zich toonen,

zooals ze ook eigenlijk was, maar zooals hij het niet verwachtte

wellicht: rustig en vriendelijk en vlijtig, ook, zooals ze wezen kon,

wanneer ze het wezen wilde, wanneer het de moeite waard was: geestig en

scherp van begrip.

Ze bleef dien middag maar heel kort en nam enkele boeken met zich mee

naar huis. Toen ze heenging, trof haar weer de nieuwsgierigheid in zijn

oogen. Uiterlijk rustig kwam ze thuis, binnen in haar fonkelde een

robijnen blijdschap; dit was een stap geweest en ten goede volbracht.

Heleen wachtte enkele weken voordat ze weer naar hem toeging, doch

iedere dag bracht met het ontwaken een nieuwe worsteling tegen haar

verlangen om tot hem te gaan, en in den avond een nieuwe blijde

verluchting, omdat ook dien dag het wegblijven haar was gelukt. Het

gebeurde wel, dat zij zich zoozeer ledig en droefgeestig voelde dat de

begeerte hem te zien elke andere overweging uit haar verdrong, dan

begaf ze zich naar zijn huis, maar onderweg bezon ze zich en dwong zich

huiswaarts te keeren. Bange voorgevoelens bevlogen haar, dat ze het op

die wijze niet uithouden zou. Dat ze naar hem toe zou gaan en zich

onbeheerscht verraden door mond en oogen en alzoo wat ze met geduld en

sluwheid bezig was te bouwen, in de koorts van een enkele seconde

ineenstorten, zooals een aardbeving den arbeid van tallooze jaren en

tallooze handen in één stoot verwoest. Zij zou haar dwaasheid begaan en

hij zou haar verachten en verstooten, of op zijn best haar tot zich

nemen, zooals een man wel een vrouw tot zich neemt, van wie hij niets

anders weet dan dat zij bekoorlijk is en een slechten naam heeft, na

een daad, welke van haar slechten naam de bevestiging is, tot een

kortstondige vreugde, welke voor beiden in leed en in weerzin eindigt.

De angst dat ze buiten haar wil en verstand om, dien daad zou begaan,

als haar de eenzaamheid ondraaglijk werd en het weifelend dwaallicht

haar verlokte, maakte haar gejaagd, het dagelijksch optornen tegen

zichzelf vermoeide haar bovenmate.

Er was ook deze mogelijkheid—zei ze zichzelf dan weer in oogenblikken

van kalmer beraad—dat ze hem van liefde niet sprak, doch troost en

onderstand als bij een vriend kwam vragen. Dan overwoog ze wat ze hem

zeggen kon en keerde zich weerzinnig af van die ziellooze en door

misbruik beduimelde woorden, daar elke verschoten juffrouw zich van

bedient, om haar lievelingsdominee te zeggen, dat de wereld zoo slecht

is en dat ze hem bewondert. Om alles ter wereld, géén gevoelsbiecht;

want het zou niet de eerste zijn, die hij te hooren kreeg, noch haar

tranen de eerste, die een man verveelden en met zijn figuur pijnlijk

verlegen deden zijn. Zijn glimlach zou haar doen verkrimpen en zij zou

hem haten om den nederlaag uit eigen onmacht en voorbarigheid, of

erger, hij zou aan haar oprechtheid twijfelen en meenend dat ze hem had

willen vangen met een grove list, zijn hart voorgoed van haar afwenden.

Ze moest dus wachten, moest zich bedwingen, en hem den tijd gunnen,

haar zonder opgedrongen inlichting harerzijds, uit dagelijksch woord en

daad te leeren kennen. Ze had meer dan klacht en tranen, ze had haar

geest en haar begaafdheid. Ze moest zich geestig en begaafd toonen,

niet als een doel, maar als een middel, dat hij door het betere gehalte

van haar geest en haar begaafdheid bij voorbaat het betere gehalte van

haar weemoed en haar leed zou erkennen, die toch boven geest en

begaafdheid haar echte deel van leven waren, de eeuwige weemoed om de

ongewisheid van het bestaan, het eeuwig leed om de menschen met hun

geringe liefde en hun gering begrip—en die hij niet mocht

vereenzelvigen met den flauwen praat van zijn bloedarme vriendinnetjes,

die haar „wereldwee” zes weken vergeten voor een mooi hoedje en

voorgoed begraven onder de bloemen van haar verlovingsfeest.

Eindelijk bepaalde Heleen opnieuw een dag om naar hem toe te gaan. Ze

ontzegde zichzelf het genoegen, wat bloemen voor hem mee te nemen, want

ze wilde niet den schijn wekken, als zocht zij hem door ongevraagde

gaven tot een tegenverplichting van hoffelijkheid of genegenheid te

dringen. Maar wel ging ze den vorigen avond vroeg slapen, opdat de

glans van haar oogen niet door vermoeidheid verduisterd zou zijn en ze

kleedde zich met voordacht en ongewone zorg. En ook ditmaal, zoodra ze

in zijn huis en bij hem was, week alle onrust uit haar weg. Ze had haar

plaats onder de lamp in het midden van het vertrek met opzet zoo

gekozen en zette zich gebogen in den ouden armstoel, zoodat haar haren

sterk glansden en haar voorhoofd daaronder in schaduw lag, mond en kin

vaag zichtbaar in het gedempte licht, en weer bedacht ze, als dien

avond in de tram, in een kleine trilling van onbehagen, dat ze haar

leven van deze dingen afhankelijk moest stellen en daar tegelijk blij

mee was. Hij vroeg Heleen naar haar werk op school en in een mengeling

van vreugde en bitterheid bemerkte ze, hoeveel hij al van haar

uiterlijk leven wist, doch ze verried hem niet aan zichzelf door hare

bevreemding te toonen en antwoordde argeloos, alsof het alles van zelf

sprak.

Heleen vertelde hem dien middag van het averechtsche onderricht in haar

jeugd, dat ze met onrijpe balsturigheid nog goeddeels verworpen had en

hoe pas in later jaren een krachtige drang naar kennis in haar was

opgestaan, die ze nu langs elken weg tevreden zocht te stellen. Hij

hoorde haar aan, keek peinzend voor zich uit, en Heleen had moeite het

uitbarstend juichen van haar hart te toomen tot een schijn van

betamelijke erkentelijkheid, toen hij haar aanbood, dat ze iedere week

een middag bij hem zou komen om practisch te leeren werken, tot den

winter toe.

Dien avond zwierf Heleen naar haar oude gewoonte uren lang langs

donkere dijken en verlaten paden om zich te bedwingen en te stillen en

verborg zich na dien dag zorgvuldiger en voorbedachtelijker dan ooit

voor het oog van de wereld, opdat de menschen haar vergeten zouden en

ook opdat ze hun van haar vreugde niets mededeelen zou, noch

lichtvaardig „zijn” naam noemen in vreemd gezelschap, om het genoegen

die klanken met haar lippen en haar adem koozend voort te brengen—,

zoodat niemand haar bij hem als praatziek of erger zou kunnen

aanklagen. Ze ging voort zich in gedachte en daad te onderzoeken,

overwoog elk woord voordat ze het uitsprak, vermeed vooral lichtzinnige

gesprekken, waarin ze in haar overmoedige buien wel eens behagen had

gevonden, en de uitbundigheid, waartoe ze in diezelfde stemmingen licht

mede te sleepen viel—, want elkeen, die haar hoorde en gadesloeg, kende

misschien hem en kon een valsche boodschapper, een lasteraar zijn. In

den avond van iederen eenzamen dag ging ze eenzaam wandelen en

overdacht de voorbije uren en voelde zich voldaan, als ze geen van hare

gewone onvoorzichtigheden had begaan. Ze sliep dan rustiger en voelde

zich daardoor krachtiger worden, het bange voorgevoel trok af, ze wist

zich vaardig tot geduld, nu ze van elke zeven dagen er een bij hem zou

wezen. Als een kring rondden zich de zes andere om dat lichtend

middelpunt en ieder ontving daaruit een eigen, verzoetend licht. Het

leek haar weer begeerenswaard te leven.

Weken deinden achter elkander heen in een weldadige rust, Heleen kwam

geregeld als het haar dag was en vorderde snel. Zij oogstte voortdurend

zijn lof om haar ijver en haar vlug begrip en vermeed het zorgvuldig te

veel over zichzelf te spreken. Soms vreesde ze wel in een vlaag van

somber mistrouwen, dat hij gewend raakte aan haar gezelschap en geen

ander belang stelde in haar dan in elke leerling, want de

nieuwsgierigheid was uit zijn blik verdwenen en hij vorschte niet meer

naar haar leven. Doch op een middag, terwijl ze ieder aan een

afzonderlijke tafel te werken stonden, zag Heleen plotseling, dat hij

haar gadesloeg en even later hoorde ze zijn stem: „weet je wel, dat ik

me je heel anders had voorgesteld? Je bent haast het tegendeel van wat

de menschen je denken....” Heleen nam enkele seconden om zich te

bedwingen en haar opgeschrikten hartslag glad te strooken, keerde toen

het gezicht naar hem toe, glimlachte zacht en antwoordde niet.

Doch even later, terwijl hij toekeek, hoe ze enkele uitkomsten in een

formule neerschreef op een stukje papier, zei hij opnieuw, in

denzelfden toon van daareven, waarin Heleen nu een tint van schertsende

verteedering meende te hooren: „wat schrijf je toch nog een echt

meisjeshandje.” Ook nu bedwong Heleen zich, maar de robijnen blijdschap

fonkelde fel in haar op. Want wekelijks schreef ze aldus bij hem en

onder zijn toezien, ook had hij enkele briefjes van haar en nimmer voor

nu had hij op haar wijze van schrijven gelet. Hij kwam haar argeloos

naderbij en wist niet, dat hij het deed, doch zij droeg ook nu

angstvallig zorg hem niet aan zichzelf te verraden. Hij had zich

gewapend met zijn spot, zijn hooghartigheid, het doorzicht van zijn

rijpe jaren tegen het meisje, dat hij zich overmoedig en

onstuimig-veroverend had gedacht, doch de weken gingen voorbij zonder

dat er een open aanval op hem werd gepleegd en zijn waakzaamheid

verslapte. Inmiddels naderde hem onhoorbaar van een andere zijde een

gedaante, die hij niet kende....

Heleen overwoog dit aldus, terwijl ze, ietwat verward en blozend,

weerging naar haar werk. Was ze al te sluw in haar bedrijf? Ze gaf zich

toch in oprechtheid en deed, wat ze deed, tot geen ander doel dan hem

te naderen en te winnen, te winnen en te behouden, om hem lief te

hebben en van hem geliefd te zijn.

Ze bleven nog een pooslang afgewend van elkander ieder aan het eigen

werk. Doch toen Heleen daarna heenging en hij voor haar staande,

toekeek, terwijl ze haar handschoen dichtknoopte, vroeg hij haar

plotseling: „ben je nu heusch zoo een flirt....?” Heleen sloeg haar

oogen naar hem op, weeke woorden lagen ineens op haar trillende lippen

gereed, maar ze sprak die niet uit en antwoordde: „ja, héél erg,” maar

haar blik en haar stem weerspraken den glimlach en de luchtige woorden.

Toen vroeg hij ook niet verder en liet haar gaan.

Heleen · 第 25 / 29 题