XXIII.

Van dien dag af trokken Heleens zwaarste bekommeringen als damp uit

haar weg en zoodra ze uit haar weg waren en zij ze als dingen buiten

zich beschouwen en onderzoeken kon, leken ze haar gering en begreep ze

niet, dat ze haar zoo naar geest en lichaam hadden kunnen knauwen. Wat

beteekende dit alles nog? Ze wierp allen ballast overboord en steeg

trillende op in een ruimte van blauw en goud. Ze deed als een veldheer,

die de gansche macht van zijn troepen in een hardnekkig voornemen

samentrekt op één enkel punt—wat op andere plaatsen voorvalt, kan hem

plotseling niet meer schelen—ze trok haar tobbende gedachten weg van

haar teleurgestelde wenschen en haar ontastbaar leed en richtte ze

onwrikbaar op één vaste bedoeling: hem naderen, hem bereiken, hem

winnen. Ze vergaarde en spitste al haar vindingskracht om een middel te

vinden, dat haar in die bedoeling leiden zou.

De hulpelooze vermoeidheid week uit haar geest en leden, ze voelde zich

vaardig en veerkrachtig. Doch het duurde niet lang en toen bemerkte ze,

dat de dagen vergingen en verdwenen, dat ze voortging in onvruchtbaar

peinzen en toch geen middel had gevonden, hoe ze hem bereiken zou.

Soms nam ze zich plotseling voor, dat ze hem schrijven ging; in een

opgeschroefde beslotenheid wierp ze zich voor haar tafel en schreef

verwarde en onsamenhangende dingen, zonder dat ze zich moeite gaf ze

klaar en samenhangend te doen zijn, want het stond, terwijl ze schreef,

toch al reeds in haar vast, dat ze het niet volbrengen zou. Het was

maar voor even een spel met zichzelf, dat haar voor even verdoofde en

vertroostte. Ze verscheurde den brief, voor hij klaar was; ze zou niet

schrijven. Ze vreesde den glimlach, die haar had bekoord en die voor

alle anderen en voor al het andere, maar niet aldus voor haar mocht

zijn. Plotseling liet ze haar ouden afgod los: het lieve en

liefkoozende woord. Geen woorden voor hem, geen woord voordat de tijd

rijp was. Het duurde weken en ze vond het middel niet. Elk dat ze

bedacht, scheen haar noodlottig aan wat ze zocht. Ze wilde hem naderbij

komen om hem te winnen, hem winnen om hem te behouden; niets was nog

bereikt, niets ook was bedorven, alles hing af van het oogenblik, dat

ze koos om tot hem te gaan, van een woord, van een toevallig gebaar,

van een lichtglans, van een glimlach, ze huiverde voor dat beslissend

oogenblik en dorst het niet uitlokken. Doch al die weken beheerschte

hij evenwel haar leven in daad en in gedachte; haar houding tegenover

zichzelf en tegenover de menschen veranderde niet naar uiterlijke

gedaante, doch wel naar innerlijk gehalte. Wat ze besliste en deed,

besliste en deed ze niet langer met dat hopeloos en verlammend gevoel

van iemand die aan zijn eigen innerlijke stem geen geloof meer kan

slaan—, ze deed nu aldus met een doel en naar een toets, opdat „hij”

haar houding tegenover zichzelf en tegenover de wereld juist en

gerechtigd zou achten; zoodat ze aan hem de kracht ontleende, om haar

plannen en voornemens met zichzelf volledig te verwezenlijken. Ze nam

dus niet zoozeer toe in wat deugd is geheeten, maar wel in kracht en in

blijmoedigheid daartoe. Noodzaak werd op deze wijze tot geluk—instinct

tot wet, en het deerde haar den eersten tijd nauwelijks, dat hij van

dit alles niets vernam en haar dus geen enkel teeken van goedkeuring

kon zenden.

Doch toen ze op een dag zijn naam toevallig las in een dagbladbericht,

trilde ze weer van de begeerte, hem nog eens te mogen zien en met hem

te spreken. Het bericht vermeldde, dat hij voornemens was in den

aanstaanden winter een reeks van cursuslessen voor belangstellende

leeken in de beginselen van zijn vak te geven. Onmiddellijk nam Heleen

zich voor, daarheen te gaan en dit voornemen schonk haar rust en

troost. Ze zou hem terugzien, al moest het maanden duren! In de dagen

die op haar eerste ontmoeting volgden, waren hare gedachten zoo sterk

op hem samengetrokken geweest, dat ze elk oogenblik meende hem in de

straat te zien aankomen op haar weg naar school en ze ervoer nu goed

aan zichzelf, hoe sterke begeerten de rede vertroebelen kunnen. Deze

spanning ging voorbij, Heleen had zich al reeds gevoegd naar de

zekerheid, dat ze hem niet voor den volgenden winter terug zou zien,

toen ze zich op een avond in een volle tramwagen recht tegenover hem

bevond.

En de allereerste vaste gedachte die zich losmaakte uit de verwarring

om dit ongedachte wederzien, was een verheugenis, omdat het avond was,

daar het goudgele kunstlicht in de tram haar mooier deed schijnen dan

het fletse licht van den winterdag en omdat ze een breedgeranden hoed

droeg, die schaduwen lei over haar voorhoofd en den glans van haar

oogen verhoogde. Ze overwoog dit alles snel, nog vóór ze zat en voelde

tegelijk in een weeë onbehaaglijkheid, wat wonderlijk-wankel ding een

menschenleven is, daar geluk en toekomst en de verwezenlijking der

warmste verlangens van deze geringe dingen afhangen, en toch was het

zoo en toch wilde zij-zelf het niet anders en toch had ze al die weken,

zonder het zich te bekennen, haar hoop geklampt aan het besef van haar

bekoorlijkheid, daar ze wist, dat de zekerste weg om een man te naderen

is hem uit de verte te bekoren en dat alle denkbare deugden en zelfs

schoonheid niet opwegen tegen één enkelen welgerichten blik. Ze keek

hem echter niet aan, sloeg de oogen neer op een boek en veinsde te

lezen, daar ze ook wist dat een man licht nieuwsgierig wordt naar den

blik en de kleur der oogen van een meisje, dat tegenover hem zit en

veinst te lezen. Ze wilde die nieuwsgierigheid in hem opwekken, en

trachtte terwijl wat ze denkende en doende was te proeven en te keuren,

maar het samentrekken harer gedachten lukte haar niet, en ze moest zich

telkens van nieuws af hernemen, zooals iemand, die lezende afdwaalt, en

bemerkt dat er van een heele bladzij niets tot hem is doorgedrongen,

tot zesmaal en tot tienmaal toe. Want iedermaal als de wagen stilstond,

voelde ze een angstkramp in haar borst en kon zich niet weerhouden,

snel en schichtig op te zien om te weten of hij nog bleef.

Een van die keeren bemerkte ze, dat hij naar haar keek, doch ze droeg

zorg hem door geen terugblik aan zichzelf te verraden. Ze dacht aan den

glimlach en de zacht-afwerende koelheid, waarmee hij de meisjes in haar

mantels had geholpen. Doch de onrust werd haar nu te machtig, ze

besloot heen te gaan, voor ze zich daardoor verried, ze stond op en

trok haar mantel neer, hij nam even den hoed af en boog het hoofd met

een zweem van zijn glimlach, maar Heleen vergat zijn groet te

beantwoorden, doch liet staande één enkele seconde den blik van haar

oogen recht en vast in de zijne neergaan, uit een gespannen wil hem in

dit moment te bekoren. Doch terwijl ze dat deed, ontgleed haar wil en

zelfbedwang, en de blik welke had willen bekoren, zwikte, sloeg om en

werd er een, die dringend vroeg om hulp en om gehoor. In de verwarring,

die hierop volgde, ontging haar zijn houding, ze bukte het hoofd, de

wagen hield stil, trillend en ontdaan stond ze in een donkere straat,

een heel eind van haar huis.

Ook hierover verliepen weken, doch ze vergat het niet. In de

oogenblikken dat ze het herdacht, leek het haar, alsof hij haar sinds

dien dag op een geheimzinnige wijze bestond, en geen enkele maal kwam

het in haar op—ondanks al de ervaringen van jaren, de overpeinzingen en

voornemens der verloopen weken—dat ook hij haar even goed van een

onedele bedoeling had kunnen verdenken. Haar schrik en bezorgdheid

leefden op met dit redeloos vertrouwen, omdat ze had gemeend, het in

zichzelf ten onder te hebben gebracht.

Ze zag hem echter niet terug, haar hoop en onrustigheid namen

voortdurend toe. Het meisje met wie te zamen ze hem had bezocht was in

dien tijd verloofd geraakt en verzuimde, dwaas van vreugde, haar

colleges, ze danste Heleen op de gangen voorbij, haar oogen vol licht

en tinteling, haar mond in een gestadigen lach. Toch benijdde Heleen

haar niet. Op een middag hield ze haar staande en gaf haar lachend te

raden, wie er naar haar had gevraagd. Heleen trilde, meende

onmiddellijk te begrijpen, maar ze verried zich niet en twijfelde in

het volgend oogenblik. De ander noemde zijn naam. Heleen bedwong haar

verwarring en dorst er niet verder op doorgaan. Hij had naar haar

gevraagd, wat ze deed, hoe oud ze was, hoe ze leefde. Ze was wel zoo

blij, dat ze moeite had het te verbergen.

Doch toen ze alleen op haar kamer was, sprak ze zichzelf streng en

nuchter toe. Wat beduidde die vreugde om de vluchtige belangstelling

van een vreemden man? Verviel ze nu zonder tegen weer in de oude

dwalingen en dwaasheden, ongetwijfeld weer tot een hard en bitter

besluit? Ze smaadde zichzelf, om zich staande te houden, doch dit

belette niet, dat haar hart schokte van vreugde, enkel en alleen als ze

het meisje dat hem kende en hem somwijlen sprak, zag uitgaan en

binnenkomen, telkenmaal in hoop op een woord of een tijding, doch het

een en het ander bleef uit.

Ze lei zichzelf onvoorwaardelijk op, dat ze niet uit eigen beweging

naar hem zou vragen, en vermeed het meisje, om die verleiding te

ontgaan;—toen ze op een dag meende, dat ze zich nu lang en sterk genoeg

had bedwongen en in een plotselinge warme zwakheid zich overgaf aan

haar neiging, bemerkte ze, dat het juist drie dagen geleden was, sinds

ze zich het tegendeel voornam, zóózeer sponnen haar gedachten de dagen

en de uren uit.

Heleen werd door dit alles bang voor zichzelf, bang voor de

ongedurigheid, die ze na tijden van rust en nuchterheid in aantocht

voelde en zoozeer vreesde, omdat in dien toestand haar klaar en

krachtig verstand, haar scherp onderscheidingsvermogen onklaar raken en

verstompen zou. Ze hield zich, nu het nog tijd was, nu ze de dingen nog

kon zien in hun juiste verhouding, schatten naar de juiste waarde en

meten met den juisten maat, aanhoudend voor, dat ze niet in haar oude

fout zou vervallen en elk klein ding overschatten, verzwaren en

vergrooten, zoodat ze van angst tot angst geslingerd en door het

geringste bloedend gewond zou worden, totdat haar sombere

prikkelbaarheid haar van wien ze het meest begeerde te winnen, zou

vervreemden. Ze prentte zich in, dat ze die schichtigheid moest

bedwingen, geen volmaaktheid verwachten van eenig mensch, haar ongeduld

intoomen, haar gretige voortvarendheid breidelen en elk ding overlaten

aan zijn eigen groei tot haar duurzaam geluk. Ze bracht zichzelf onder

het oog, dat geen meisje een man kan winnen, zoomin als een man een

meisje, door hem al te zeer klaarblijkelijk te zoeken en dat liefde het

zekerst gewonnen is met koele kalmte. Zijzelf had eens met koelheid,

die afweren wilde, een jongen aan zich gebonden, tot zijn liefde een

last en een plaag werd. Ze wist het alles, het mocht edel of onedel

zijn, die overweging was voor een ander uur, nood was nood en elke zaak

had zijn eigen eisch. Wat deed daarenboven de tijd ertoe, enkele weken,

enkele maanden, die vriend had ook haar niet in enkele maanden

vergeten, hoezeer ze het had begeerd, tot stilling van wroeging en

bitter zelfverwijt. Maar haar diepste wezen had aan die vertoogen geen

deel, ze voelde het, terwijl ze peinsde, de volheid van het toestemmend

gevoel bleef uit, het klonk alles als muziek uit een schriel

instrument, lusteloos bespeeld, mat en mager. Inwendig trilde ze van

ongeduld en ongedurigheid, het kind weerde zich alweer tegen den

volwassene en liet die vermanen en praten en dreigde dreinend zijn

eigen zin te doen. Want hoe, als een ander in den tijd, dien zij

verloopen liet, hem nabij kwam en voor zichzelf veroverde? Al het bloed

vloog prikkelend naar haar huid, onrust ontwrong haar wrange zuchten,

ze sprong uit haar stoel en liep heen en weer en klemde de handen ineen

in het benauwde besef van haar onmacht. Ze voelde zich bezeten van de

koorts, die uitvinders kunnen hebben, verdwaasd in den waan, dat een

ander hen met dezelfde vinding voor zal zijn, als ze niet dag en nacht

in het touw blijven. Ze zag hem terug met zijn donkeren, ingekeerden

blik, die niets scheen te beloven, maar ook niets weigerde en den zweem

van zijn glimlach, zooals ze hem dien middag met de meisjes had gezien.

Waren ze hem allen onverschillig, of bezat hij met elk van haar een

klein en lieflijk geheim, dat hij met gemak en kalmte voor elk der

anderen verborg en dat hij van allen wist en geen een van elkaar?

Ze was uit de halve verdooving der voorbije weken in een toestand van

opgewondenheid geraakt, die rust en slaap uit haar wegroofde. Doffe

trommelen roffelden oproer en het zwaard was uitgetogen. Reeds bij

voorbaat in de eenzaamheid als in de eenige redelijke oplossing

getroost, zag ze plotseling den kans op een rijker en blijder, een rijk

en blijde-bloeiend leven en wist, dat de verwerkelijking daarvan, als

ieder ding, van een toevalligheid afhing, zoodat ze den eenen dag bang

was in te grijpen en zich den anderen verweet, dat ze uit lafheid

jegens zichzelf in gebreke bleef. Ze vergat haar vrienden en vermeed de

menschen, zonder er zich rekenschap van te geven, ongemerkt dreef ze

weg en trok van het buitenleven haar aandacht af. Sinds haar hart had

besloten dat de onbekende man, van wien ze niets dan oogen en glimlach

wist, haar leven zou beheerschen en ze niet langer zichzelf, doch hem

van al haar daden en gedachten rekenschap zou geven, voelde ze zich

zoozeer gestegen en tot elk blijk van hoogheid en opoffering bereid,

dat ze zich over de geringschatting der menschen jegens haar, had ze

die nu nog overdacht, pijnlijk verbaasd zou hebben. Daar zij al het

verledene vergat en zonder voorbehoud of nagedachte als met knik en

glimlach vergaf, waande ze zich van de wereld even gemakkelijk vergeten

en vergeven. Het was dus die pijnlijke verbazing, welke in haar trilde,

toen haar jong verloofd vriendinnetje haar kwam vertellen, dat iemand

Heleen had belasterd in „zijn” tegenwoordigheid—en Heleen wist toch

wel, wien ze meende?—en dat hij zich daarop tegen het bespreken van

afwezigen met een ongewone kantigheid had verzet. Heleen barstte uit,

eischte te weten wat de menschen van haar wilden en wisten, en was

daarin volkomen oprecht, maar de ander was van haar kant even oprecht

toen ze Heleens houding onecht en schijnheilig heette, Heleen was

aarts-coquet en had zich niet aan te stellen, alsof niemand dat wist.

Boos liep ze heen.

En Heleen snikte in radelooze machteloosheid. Ook deze onnoozele waan

was uit;—ze had over het verledene een kleed willen weven, het lag al

vol galen en gaten; ieder mensch stond tegen haar op, waande zich haar

gerechtigde aanklager en rechter. Als een dwaze struisvogel had ze

gemeend, dat de menschen haar niet zagen, daar ze hen niet langer zag,

dat de menschen zich welwillend gevoelden tegenover haar, daar zij zich

welwillend gevoelde tegenover hen. O, immer die dwalingen, omdat haar

gevoel niet uit zichzelf kon komen en tegen het betere weten deed alsof

elk ander mensch haar zuiver evenbeeld was en weerklank gaf op wat in

haar werd aangeslagen—en na die dwalingen de ontgoochelingen, als ze

uit zichzelf werd weggerukt en zag dat de menschenwereld iets gansch

anders was dan een eindeloos verveelvuldigd eigen-Ik. Niet ieder vergat

met knik en glimlach, omdat hij al lang wat beters had om over te

denken dan wraak om ouden smaad, ze had vrienden verstooten en ze

gegriefd in hun eigenliefde, hoe had ze kunnen vergeten, wat ze wist,

dat menschen geen grief in hun eigenliefde vergeten? Toch weer een

waarheid als een koe geloochend, verzuimd rekening te houden met een

nuchter feit, om de eenvoudige reden, dat het feit haar niet beviel.

Zij, die gemeend had, schrander te wezen en elk ding verwrongen zag,

zoodra zijzelf en haar eigen gevoel erin betrokken waren, en de wereld

„mooi” moest zijn voor haar plezier. Waan, die zichzelf in slaap suste,

zichzelf rauwelijks wekken moest.

Dien nacht sliep Heleen niet en de sluimerende, vergeten menschenvrees

bevloog haar als een rukwind uit donker. Had ze geen schatten, waarmee

ze alle menschen omkoopen kon, dat ze haar niet zouden aanklagen bij

hem, dat ze de gifpunt van hun pijlen zouden afknakken en het nutteloos

tuig wegwerpen, had ze geen macht on; hen te dreigen en onschadelijk te

maken, zoo ze het tegendeel deden en haar beeld schonden in zijn oog?

Smeeken had nimmer baat gebracht. Met tranen op haar wangen en een

smartelijken glimlach dacht ze aan het oude sprookje van „De gelaarsde

Kat,” tot haar mijmeren vervloeide en overging in een ongewissen slaap.

Den volgenden morgen scheen de zon, maar Heleen nam er geen deel van

vreugde aan. Somber en bedrukt begaf ze zich tusschen de menschen,

bevreesd te spreken, en in den klaren dag gevoelde ze zich zooals de

soldatendokter uit het reisverhaal in dien zwarten nacht, toen hij

ongewapend naast het convooi van zijn gewonden ging, en niet wist of

het zachte hijgen dat hij overal naast en achter zich vernam, de wind

was dan wel de naakte vijand, rap nakend en ree om hem te bespringen.

Heleen · 第 24 / 29 题