XXII.

Heleen herkende hem aan zijn oogopslag, zooals elk oplettend mensch in

de volte onmiddellijk dengene herkent die mogelijkerwijs zijn vriend

zal wezen. Ze herkende hem aan al dat onbewuste en onwillekeurige, dat

oppervlakkigen als oppervlakkig verwerpen, omdat ze het in zijn echte

beduidenis niet verstaan,—zijn glimlach, de bewegingen van zijn handen

en den klank van zijn stem. Ze ontmoette hem voor de eerste maal in

zijn eigen huis, hij was lector en gaf onderricht in scheikunde; een

meisje van zijn college had Heleen verteld, dat ze met een groepje

anderen was genoodigd enkele zeldzame, oude instrumenten die hij bezat,

te komen zien en zich Heleen’s bijzondere voorliefde voor oude

voorwerpen en oude prenten onder het vertellen plotseling herinnerend,

had ze Heleen toegezegd, dat ze den lector, die met haar familie was

bevriend, zou verzoeken, Heleen te mogen medenemen. Hij had dat

goedgevonden en op een Woensdagmiddag begaven ze zich te zamen naar

zijn huis, waar hij alleen en ruim woonde met een oude meid en boven

zijn woonkamer een laboratorium had. Daar waren de meesten der anderen

al bijeen, lachend en pratend, ongedwongen maar zonder luidruchtigheid,

en Heleen zag hem dadelijk tusschen de jongeren, tegen een werktafel

stond hij geleund en praatte schertsend met een meisje, maar brak af en

sloeg de oogen naar Heleen en haar gezellin op, toen ze binnentraden,

zoodat ook het meisje omkeek, plotseling niet langer lachte, en zich

terugtrok naar de anderen toe. Heleen zag nu zijn oogen, donker en kalm

doordringend, waarin een felheid uit jongere jaren leek gedoofd maar

niet teloorgegaan, onder een hoog en bleek voorhoofd. Iets van den

glimlach van zijn laatst gesprek scheen vergeten om zijn mond gebleven,

zijn blik vloeide in een vluchtige opmerkzaamheid over haar heen,

terwijl het meisje, dat hem kende, lachend om eigen linksheid, hen wat

onbeholpen voorstelde—, toen wendde hij zich ook dadelijk weer af.

Heleen deed haar mantel af en sloeg hem gade—, meer dan de oogen

bekoorde haar de zachtspottende glimlach, waardoor zijn gezicht

welwillend en hooghartig was tegelijkertijd en zijn stem, rustig en

effen, maar als uit diepten opgeweld, en met tintelingen van geestdrift

en vluchtige pret. Schoon hij tenger en baardeloos was, met maar

weinige, teere voorhoofdrimpels, giste Heleen hem eerder vijftig dan

veertig, had hij niets van een jongen of een jongen man, en deed

geenerlei moeite het een of het ander te schijnen,—hij had in zijn

houding het gezagsbewustzijn van iemand die over niets minder denkt dan

juist over zijn houding en zijn gezag. Alles wat hij deed, spreken,

lachen, zich bewegen, was rijp en rustig, niets echter dood of gedoofd.

Zoolang hij met deze en gene afzonderlijk sprak, hield Heleen zich

achteraf en sloeg hem en de anderen gade. Ze zag hoe de meisjes het

hoofd naar hem ophieven, lonkend met lippen en oogen, of, minder bewust

en zediger, vriendelijk vleiden met haar blik en haar stem—, hij

daartegenover had voor elkeen denzelfden glimlach en den zachten,

vluchtigen blik, die niets weigerde en niets beloofde. Heleen in haar

afzonderlijkheid, overdacht plotseling, dat misschien al die meisjes

hem onverschillig waren, maar dat hij evengoed met elk van haar te

zamen een geheim kon bezitten en dat met volmaakte kalmte en volmaakte

gerustheid voor elk der anderen verbergen en ze kreeg tegelijk den

indruk dat het hem gemakkelijker moest vallen vertrouwelijkheid te

winnen, dan vertrouwelijkheid te weren.

Zoodra het gesprek om de voorwerpen die hij toonde heen, zakelijk en

algemeen werd—hij sprak nu vast en koel, zonder haperen of

bedenken—schaarde Heleen zich bij de anderen, tusschen wie ze zich

vreemd en om hun grootere kennis beschaamd en armelijk voelde en toen

de kring daarop weer uiteendreef en er hier en daar nog onderling

gevraagd en opgehelderd werd, zag Heleen hem aan een andere tafel bezig

met afgewend hoofd onopgemerkt oplettend luisteren, zonder zich nog in

de gesprekken te mengen,—zijn handen bewoog hij tusschen glas en

metaal, zijn blik greep naar hier en naar daar, hij floot zacht en

bijkans toonloos. Heleen zag zijn gezicht van terzij, noch de oogen,

noch den glimlach, toch voelde ze de doordringende aandacht van dat

afgewende luisteren. Haar hart klopte snel in de plotselinge hevige

begeerte dat al die aandacht één oogenblik voor haar alleen mocht

wezen.

Het werd nu tijd van heengaan, enkele van de meisjes kwamen vleiend bij

hem om zich in hun mantel te laten helpen, hij deed dat vlug en koel,

met afwerende handen en den zacht-spottenden glimlach, die toch ook een

vergoeding leek te willen zijn—als iemand die zich in een vast

voornemen aan kleine bekoringen onttrekt en allen terugwijst, maar

niemand grieft. Doch het tegendeel dat hij met elk van haar te zamen

een klein en lieflijk geheim bezat, dat hij alleen van allen en geen

van haar van elk ander wist, leek Heleen, hoe zonderling ook, nu meer

dan even te voren een mogelijkheid, bijkans een zekerheid. Ze had die

zekerheid geheel willen bezitten, doch ze dorst zelfs niet vorschen, ze

had óók wat van zijn aandacht gewild, doch ze dorst het niet pogen,

daarom groette ze stroef en koel en ging alleen naar huis.

Het was tot nu toe in Heleens leven zoo geweest, schoon ze vele

vrienden had gehad, dat ze nimmer zelfstandig eenige moeite had gedaan

een man te naderen. Geen man had haar ooit sterk bekoord, geenen man

had ze ooit begeerd—, dit was geheel en al verklaarbaar uit haren aard.

Ze was geen lichtbewogen meisje, op zinnelijk avontuur belust, ze

begeerde zich toe te wijden om vereerd te zijn, om deel uit te maken

van eens anders leven en daarin onmisbaar te worden, teneinde in het

gevoel van die onmisbaarheid een schijn van grondslag en doel te

verwerven in een onvast en wankel leven, teneinde door het andere

bestaan het levend besef te behouden van een eigen bestaan, en aan de

radeloosheid te ontkomen. Doch die drang was pas dan opgewekt, als

iemand haar zocht te winnen, omdat hij haar klaarblijkelijk verlangde

voor zijn geluk of noodig had tot zijn behoud. Dan rees ze plotseling

uit de diepten der wanhoop tot een glanzend, bloeiend leven, wist ze

elk ding stellig en zichzelve God-gelijk; in het voluit verwerkelijken

van wat hare vreugde en haar bestemming leek, middel en doel

tegelijkertijd, achtte ze niet langer de persoonlijkheid van wien haar

aanzocht, mat zijn waarde of onwaarde niet langer met redelijken maat,

maar verheerlijkte hem willens onredelijk om zichzelf reden te geven

voor haar eigen verheerlijkten staat. En door misverstand en

ontgoocheling, scheiding en scheuring, pijnlijk en ruw, had ze dit

jaren lang volgehouden, zoodat het haar zelve verbaasde en ze zich

afvroeg, wat dit toch wel in haar mocht zijn, dat haar méér dan staande

hield, altijd weer ophief, altijd weer volop nieuw vertrouwen, volop

nieuwe zekerheid gaf—, tot ze ten leste toch niet meer kon, walgend

tegen elkeen, walgend van zichzelf als had ze zich voor elkeen

blootgetoond en aan elkeen prijsgegeven, walgend tegen haar

argeloosheid en haar vol vertrouwen in een ieder, zich kervend met

schimp—, eindelijk verslagen, moedeloos en moe, wars en beu van zooveel

onbelangrijk leven en zooveel en zoo blijvend misverstand. Nu wilde ze

in eenzaamheid vluchten, om haar nederlaag te vergeten en haar

kwellingen te ontgaan. Ze zag wel deze haar dwaling: dat ze de menschen

had willen winnen en trotseeren in hun zeden tegelijkertijd en zich

vernederingen getroost voor het eene, toch doorzettend in het andere,

omdat daarin haar bestaansvoorwaarde lag—; ze had vergeving gesmeekt

voor wat haar hart als zijn goed recht erkende, om geen liefde, geen

genegenheid, geen achting zelfs te verspelen, die ze noodig had, die ze

toch stelliger zóó dan door den koppigsten trots verloor.... ze had het

klaar voorzien en toch niets op het spel durven zetten, zielsbeducht

voor verlies, zooals elke man weet dat hij elke vrouw door smeeken

vervreemdt en toch in zijn weekheid voor zich-alleen het tegendeel

vreezend en hopend, smeeken blijft. Ze had nu eindelijk van dit alles

genoeg, genoeg van het pleiten voor eigen deur, van den kamp tusschen

waardigheid en hartsbehoefte, waarin haar kracht versmolt, genoeg ook

van haar pogingen, menschen te overtuigen, die niet overtuigd wilden

zijn en haar ten leste met hun spot en hun zelfgenoegzaamheid deden

wankelen in haar krachtigst gevoel. Ze ging vertrekken om van dit alles

verlost te zijn.

De betrekkelijke rust, waarin ze sinds dien Kerstdag in haar oude huis

leefde, aardde niet naar de diepe en klare berusting, doch naar de

troebele en verlammende verdooving, was geen vrede, maar een

wapenstilstand, door nood en uitputting opgedrongen. De zwaarden

blijven vaardig, de trommelen gereed om oproer en geweld te roffelen.

Ze had bijkans de hoop verloren, dat ze ééns de zaligheid van echte

rust en echten vrede zou smaken, dat ze ééns zou mogen zwijgen, niet

langer zwijgen om zich te verbergen, ten einde de pijn der bespotting

te ontgaan, maar zwijgen omdat zonder woorden alles klaar en duidelijk

tusschen haar en een ander zou wezen.

Ze had van het gelaat van den man, dien ze dezen dag had leeren kennen,

oogen en glimlach onthouden en de gespannen aandacht in zijn afgewende

luisteren. Was het waar, wat haar toch nog zoo argeloos en al te snel

vervoerde hart haar toefluisterde, had hij werkelijk ieder ding

doorzien en in zijn eigen doorzicht rust en berusting gevonden en zou

hij ook haar doorzien in al haar schijnbare tegenstrijdigheden en

tweeledigheid? Zou hij haar drang naar recht en redelijkheid verstaan

als een drang naar rust en verlossing in een blijvend besef, dat zij

voor zich het uiterste had vervuld en gedaan en niet meer vermocht dan

ze was? Had ze van hem niet de laffe toegeeflijkheid te vreezen,

waarmee menschen elk streven in elkaar ten onder brengen, tot hun

verderf? Was hij rijk genoeg om te geven, en nederig genoeg om te

ontvangen? Ze voelde zich vol opgetaste schatten, zou hij het waardevol

verschil tusschen die ongangbare munt en tusschen waardelooze munt

onderkennend, bereid zijn te ruilen tegen het gereede dat hij zelf

bezat? Niemand had het tot nu toe verstaan, niemand had wil of vermogen

tot dien ruil gehad.

De schemering viel, droomende was Heleen uren ver voortgegaan, ze was

de stad langs haar buitenzijde rond geweest en liep nu in een verlaten

straat, waar huizen in aanbouw stonden tegen een drassig, doodgetreden

weiland, bezaaid met afval van blank hout en vergeten gereedschap en

stukken roode steen. Heleen ontwaakte uit haar gedachten, keek op en

links en rechts de donkere spelonken der onvoltooide huizen in, doch

voelde niet haar gekende droefgeestigheid uit die schemering en die

verlatenheid. Wat had haar dan in bescherming? Wat proefde er zoo zoet

in haar keel? Vreugde? Vreugde waarom? O, dwaas die ze was, er bestond

niets. Ze greep naar het pas voorbije oogenblik, wilde het nog weer

voelen, nog weer smaken, doch dit was verwisseld en verloren als in een

wolkenspel. Eerst lijkt het een trouw en goedig schaap, het kind kijkt

er naar op en verblijdt zich warm om wat het ziet, een ding van de

aarde haalt het terug, één enkel oogenblik en het ziet weer op en zoekt

zijn schaap, nu is het een barsche hond of een booze man of niets meer

dan een lompe wolk, die de zon verdringt en met regen dreigt.

Heleen lachte om haar angst te verdrijven, terwijl ze zich haastte naar

haar huis. Was het zóó met haar gesteld, was dit haar besluit en de

vastheid van haar voornemen? Ze hoonde zichzelf om zich staande te

houden tegen wat ze haar dwaasheid achtte, doch dit belette haar niet,

dienzelfden avond naar de oude vrouw te gaan en haar te verblijden met

de tijding, dat ze nog niet heenging, maar voorloopig wonen bleef. Ook

schreef ze den brief, waarin ze haar verzoek om ontslag ongedaan

maakte.

Heleen · 第 23 / 29 题