Heleen herkende hem aan zijn oogopslag, zooals elk oplettend mensch in
de volte onmiddellijk dengene herkent die mogelijkerwijs zijn vriend
zal wezen. Ze herkende hem aan al dat onbewuste en onwillekeurige, dat
oppervlakkigen als oppervlakkig verwerpen, omdat ze het in zijn echte
beduidenis niet verstaan,—zijn glimlach, de bewegingen van zijn handen
en den klank van zijn stem. Ze ontmoette hem voor de eerste maal in
zijn eigen huis, hij was lector en gaf onderricht in scheikunde; een
meisje van zijn college had Heleen verteld, dat ze met een groepje
anderen was genoodigd enkele zeldzame, oude instrumenten die hij bezat,
te komen zien en zich Heleen’s bijzondere voorliefde voor oude
voorwerpen en oude prenten onder het vertellen plotseling herinnerend,
had ze Heleen toegezegd, dat ze den lector, die met haar familie was
bevriend, zou verzoeken, Heleen te mogen medenemen. Hij had dat
goedgevonden en op een Woensdagmiddag begaven ze zich te zamen naar
zijn huis, waar hij alleen en ruim woonde met een oude meid en boven
zijn woonkamer een laboratorium had. Daar waren de meesten der anderen
al bijeen, lachend en pratend, ongedwongen maar zonder luidruchtigheid,
en Heleen zag hem dadelijk tusschen de jongeren, tegen een werktafel
stond hij geleund en praatte schertsend met een meisje, maar brak af en
sloeg de oogen naar Heleen en haar gezellin op, toen ze binnentraden,
zoodat ook het meisje omkeek, plotseling niet langer lachte, en zich
terugtrok naar de anderen toe. Heleen zag nu zijn oogen, donker en kalm
doordringend, waarin een felheid uit jongere jaren leek gedoofd maar
niet teloorgegaan, onder een hoog en bleek voorhoofd. Iets van den
glimlach van zijn laatst gesprek scheen vergeten om zijn mond gebleven,
zijn blik vloeide in een vluchtige opmerkzaamheid over haar heen,
terwijl het meisje, dat hem kende, lachend om eigen linksheid, hen wat
onbeholpen voorstelde—, toen wendde hij zich ook dadelijk weer af.
Heleen deed haar mantel af en sloeg hem gade—, meer dan de oogen
bekoorde haar de zachtspottende glimlach, waardoor zijn gezicht
welwillend en hooghartig was tegelijkertijd en zijn stem, rustig en
effen, maar als uit diepten opgeweld, en met tintelingen van geestdrift
en vluchtige pret. Schoon hij tenger en baardeloos was, met maar
weinige, teere voorhoofdrimpels, giste Heleen hem eerder vijftig dan
veertig, had hij niets van een jongen of een jongen man, en deed
geenerlei moeite het een of het ander te schijnen,—hij had in zijn
houding het gezagsbewustzijn van iemand die over niets minder denkt dan
juist over zijn houding en zijn gezag. Alles wat hij deed, spreken,
lachen, zich bewegen, was rijp en rustig, niets echter dood of gedoofd.
Zoolang hij met deze en gene afzonderlijk sprak, hield Heleen zich
achteraf en sloeg hem en de anderen gade. Ze zag hoe de meisjes het
hoofd naar hem ophieven, lonkend met lippen en oogen, of, minder bewust
en zediger, vriendelijk vleiden met haar blik en haar stem—, hij
daartegenover had voor elkeen denzelfden glimlach en den zachten,
vluchtigen blik, die niets weigerde en niets beloofde. Heleen in haar
afzonderlijkheid, overdacht plotseling, dat misschien al die meisjes
hem onverschillig waren, maar dat hij evengoed met elk van haar te
zamen een geheim kon bezitten en dat met volmaakte kalmte en volmaakte
gerustheid voor elk der anderen verbergen en ze kreeg tegelijk den
indruk dat het hem gemakkelijker moest vallen vertrouwelijkheid te
winnen, dan vertrouwelijkheid te weren.
Zoodra het gesprek om de voorwerpen die hij toonde heen, zakelijk en
algemeen werd—hij sprak nu vast en koel, zonder haperen of
bedenken—schaarde Heleen zich bij de anderen, tusschen wie ze zich
vreemd en om hun grootere kennis beschaamd en armelijk voelde en toen
de kring daarop weer uiteendreef en er hier en daar nog onderling
gevraagd en opgehelderd werd, zag Heleen hem aan een andere tafel bezig
met afgewend hoofd onopgemerkt oplettend luisteren, zonder zich nog in
de gesprekken te mengen,—zijn handen bewoog hij tusschen glas en
metaal, zijn blik greep naar hier en naar daar, hij floot zacht en
bijkans toonloos. Heleen zag zijn gezicht van terzij, noch de oogen,
noch den glimlach, toch voelde ze de doordringende aandacht van dat
afgewende luisteren. Haar hart klopte snel in de plotselinge hevige
begeerte dat al die aandacht één oogenblik voor haar alleen mocht
wezen.
Het werd nu tijd van heengaan, enkele van de meisjes kwamen vleiend bij
hem om zich in hun mantel te laten helpen, hij deed dat vlug en koel,
met afwerende handen en den zacht-spottenden glimlach, die toch ook een
vergoeding leek te willen zijn—als iemand die zich in een vast
voornemen aan kleine bekoringen onttrekt en allen terugwijst, maar
niemand grieft. Doch het tegendeel dat hij met elk van haar te zamen
een klein en lieflijk geheim bezat, dat hij alleen van allen en geen
van haar van elk ander wist, leek Heleen, hoe zonderling ook, nu meer
dan even te voren een mogelijkheid, bijkans een zekerheid. Ze had die
zekerheid geheel willen bezitten, doch ze dorst zelfs niet vorschen, ze
had óók wat van zijn aandacht gewild, doch ze dorst het niet pogen,
daarom groette ze stroef en koel en ging alleen naar huis.
Het was tot nu toe in Heleens leven zoo geweest, schoon ze vele
vrienden had gehad, dat ze nimmer zelfstandig eenige moeite had gedaan
een man te naderen. Geen man had haar ooit sterk bekoord, geenen man
had ze ooit begeerd—, dit was geheel en al verklaarbaar uit haren aard.
Ze was geen lichtbewogen meisje, op zinnelijk avontuur belust, ze
begeerde zich toe te wijden om vereerd te zijn, om deel uit te maken
van eens anders leven en daarin onmisbaar te worden, teneinde in het
gevoel van die onmisbaarheid een schijn van grondslag en doel te
verwerven in een onvast en wankel leven, teneinde door het andere
bestaan het levend besef te behouden van een eigen bestaan, en aan de
radeloosheid te ontkomen. Doch die drang was pas dan opgewekt, als
iemand haar zocht te winnen, omdat hij haar klaarblijkelijk verlangde
voor zijn geluk of noodig had tot zijn behoud. Dan rees ze plotseling
uit de diepten der wanhoop tot een glanzend, bloeiend leven, wist ze
elk ding stellig en zichzelve God-gelijk; in het voluit verwerkelijken
van wat hare vreugde en haar bestemming leek, middel en doel
tegelijkertijd, achtte ze niet langer de persoonlijkheid van wien haar
aanzocht, mat zijn waarde of onwaarde niet langer met redelijken maat,
maar verheerlijkte hem willens onredelijk om zichzelf reden te geven
voor haar eigen verheerlijkten staat. En door misverstand en
ontgoocheling, scheiding en scheuring, pijnlijk en ruw, had ze dit
jaren lang volgehouden, zoodat het haar zelve verbaasde en ze zich
afvroeg, wat dit toch wel in haar mocht zijn, dat haar méér dan staande
hield, altijd weer ophief, altijd weer volop nieuw vertrouwen, volop
nieuwe zekerheid gaf—, tot ze ten leste toch niet meer kon, walgend
tegen elkeen, walgend van zichzelf als had ze zich voor elkeen
blootgetoond en aan elkeen prijsgegeven, walgend tegen haar
argeloosheid en haar vol vertrouwen in een ieder, zich kervend met
schimp—, eindelijk verslagen, moedeloos en moe, wars en beu van zooveel
onbelangrijk leven en zooveel en zoo blijvend misverstand. Nu wilde ze
in eenzaamheid vluchten, om haar nederlaag te vergeten en haar
kwellingen te ontgaan. Ze zag wel deze haar dwaling: dat ze de menschen
had willen winnen en trotseeren in hun zeden tegelijkertijd en zich
vernederingen getroost voor het eene, toch doorzettend in het andere,
omdat daarin haar bestaansvoorwaarde lag—; ze had vergeving gesmeekt
voor wat haar hart als zijn goed recht erkende, om geen liefde, geen
genegenheid, geen achting zelfs te verspelen, die ze noodig had, die ze
toch stelliger zóó dan door den koppigsten trots verloor.... ze had het
klaar voorzien en toch niets op het spel durven zetten, zielsbeducht
voor verlies, zooals elke man weet dat hij elke vrouw door smeeken
vervreemdt en toch in zijn weekheid voor zich-alleen het tegendeel
vreezend en hopend, smeeken blijft. Ze had nu eindelijk van dit alles
genoeg, genoeg van het pleiten voor eigen deur, van den kamp tusschen
waardigheid en hartsbehoefte, waarin haar kracht versmolt, genoeg ook
van haar pogingen, menschen te overtuigen, die niet overtuigd wilden
zijn en haar ten leste met hun spot en hun zelfgenoegzaamheid deden
wankelen in haar krachtigst gevoel. Ze ging vertrekken om van dit alles
verlost te zijn.
De betrekkelijke rust, waarin ze sinds dien Kerstdag in haar oude huis
leefde, aardde niet naar de diepe en klare berusting, doch naar de
troebele en verlammende verdooving, was geen vrede, maar een
wapenstilstand, door nood en uitputting opgedrongen. De zwaarden
blijven vaardig, de trommelen gereed om oproer en geweld te roffelen.
Ze had bijkans de hoop verloren, dat ze ééns de zaligheid van echte
rust en echten vrede zou smaken, dat ze ééns zou mogen zwijgen, niet
langer zwijgen om zich te verbergen, ten einde de pijn der bespotting
te ontgaan, maar zwijgen omdat zonder woorden alles klaar en duidelijk
tusschen haar en een ander zou wezen.
Ze had van het gelaat van den man, dien ze dezen dag had leeren kennen,
oogen en glimlach onthouden en de gespannen aandacht in zijn afgewende
luisteren. Was het waar, wat haar toch nog zoo argeloos en al te snel
vervoerde hart haar toefluisterde, had hij werkelijk ieder ding
doorzien en in zijn eigen doorzicht rust en berusting gevonden en zou
hij ook haar doorzien in al haar schijnbare tegenstrijdigheden en
tweeledigheid? Zou hij haar drang naar recht en redelijkheid verstaan
als een drang naar rust en verlossing in een blijvend besef, dat zij
voor zich het uiterste had vervuld en gedaan en niet meer vermocht dan
ze was? Had ze van hem niet de laffe toegeeflijkheid te vreezen,
waarmee menschen elk streven in elkaar ten onder brengen, tot hun
verderf? Was hij rijk genoeg om te geven, en nederig genoeg om te
ontvangen? Ze voelde zich vol opgetaste schatten, zou hij het waardevol
verschil tusschen die ongangbare munt en tusschen waardelooze munt
onderkennend, bereid zijn te ruilen tegen het gereede dat hij zelf
bezat? Niemand had het tot nu toe verstaan, niemand had wil of vermogen
tot dien ruil gehad.
De schemering viel, droomende was Heleen uren ver voortgegaan, ze was
de stad langs haar buitenzijde rond geweest en liep nu in een verlaten
straat, waar huizen in aanbouw stonden tegen een drassig, doodgetreden
weiland, bezaaid met afval van blank hout en vergeten gereedschap en
stukken roode steen. Heleen ontwaakte uit haar gedachten, keek op en
links en rechts de donkere spelonken der onvoltooide huizen in, doch
voelde niet haar gekende droefgeestigheid uit die schemering en die
verlatenheid. Wat had haar dan in bescherming? Wat proefde er zoo zoet
in haar keel? Vreugde? Vreugde waarom? O, dwaas die ze was, er bestond
niets. Ze greep naar het pas voorbije oogenblik, wilde het nog weer
voelen, nog weer smaken, doch dit was verwisseld en verloren als in een
wolkenspel. Eerst lijkt het een trouw en goedig schaap, het kind kijkt
er naar op en verblijdt zich warm om wat het ziet, een ding van de
aarde haalt het terug, één enkel oogenblik en het ziet weer op en zoekt
zijn schaap, nu is het een barsche hond of een booze man of niets meer
dan een lompe wolk, die de zon verdringt en met regen dreigt.
Heleen lachte om haar angst te verdrijven, terwijl ze zich haastte naar
haar huis. Was het zóó met haar gesteld, was dit haar besluit en de
vastheid van haar voornemen? Ze hoonde zichzelf om zich staande te
houden tegen wat ze haar dwaasheid achtte, doch dit belette haar niet,
dienzelfden avond naar de oude vrouw te gaan en haar te verblijden met
de tijding, dat ze nog niet heenging, maar voorloopig wonen bleef. Ook
schreef ze den brief, waarin ze haar verzoek om ontslag ongedaan
maakte.