Januari hortte traag voorbij, een rij van grijze, verstijfde dagen. Een
ijzige Oostenwind heerschte over de stad, scherp stof joeg dreigend
langs de pleinen, en de straten waren grauw en hard. Als Heleen in den
vroegen morgen schoolwaarts ging, krom verdoken in zichzelf, voelde ze
zich tot niets dan smartelijkheid en rampzaligheid verschrompeld; van
het geheele leven hoopte ze nu niets meer. Haar uiterlijk verviel, ze
werd geelbleek en mager en leek ouder dan ze was. In de avonden hield
ze zich schuil in haar huis als een schichtig dier, want ze wilde geen
nieuwe kansen wagen, geen nieuwe ellenden binnenhalen en met effen
rekening vertrekken. Ze had de oude vrouw aangezegd, dat ze verhuizen
en vertrekken ging om rust en gezondheid terug te vinden in het
landelijk leven, doch misschien over een paar jaar terugkeeren zou.
Zelf geloofde ze dat niet, en ze zei het maar losweg en haastig dien
donkeren middag in de keuken, omdat haar dat oude, broze, eenzame leven
toen plotseling nog wranger dan haar eigen geleek, oud riet aan een
verlaten plas, dat trilt in den winterwind. Ook beloofde ze te
schrijven, en nam zich dat werkelijk voor, over haar leven en kleine
ondervindingen.
Heleen hield van de oude vrouw, maar niet alleen van haar, ze hield van
alle oude menschen, om hun zachtaardige hulpeloosheid, die eigenwaan en
aanmatiging heeft afgelegd en gretig naar den steun der jongeren reikt.
Als klein kind reeds had ze zich sterk en snel gehecht aan wie op haar
vertrouwd of haar deernis ingeroepen hadden, daar die haar de
gelegenheid gaven zich te onderscheiden in edelmoedigheid tot
rechtvaardiging en bevestiging van haar eigen bestaan. Zoo toonde ze
zich nu bij oude menschen geduldig en onverpoosd oplettend en werd
daarvoor met dankbaarheid beloond, die haar lijden lenigde.
Heleen was evenmin als anderen in toewijding en teederheid belangeloos,
ze begeerde een loon: dankbaarheid, vereering, weder-genegenheid
vooral. Toen ze nog een kind en bij haar ouders thuis was, had ze
willig het werk gedaan, dat haar opgedragen werd, doch zonder vreugde,
want vader en moeder hadden immers recht op haar en het loon, dat ze
verlangde, bleef uit. Later had ze haar vrienden het genoegen haar
kleine geschenken mee te brengen, door verbod ontnomen, doch zelf
overlaadde ze hen daarmee, in een onedelmoedige begeerte de
edelmoedigste te zijn. Ook hierin vleide noch misleidde ze zichzelf en
noemde niet, als zoo velen, met een mooien naam, wat geen mooien naam
verdient. Bleef het loon der dankbaarheid uit, dan troostte ze zich met
zelfbeklag en gevoel van miskend-zijn zoodanig, dat het een bijkans
tegen het ander opwoog. Ze was dus weliswaar niet boos, bitter of
wrokkig, doch dit kwam, omdat ze ten slotte toch altijd verkreeg wat ze
begeerde, hetzij de dankbaarheid en de wedergenegenheid, hetzij het
zelfbeklag doordat hetgeen, waarop ze had gehoopt, haar werd onthouden.
Toen ze die scherpe bewustheid omtrent zichzelf en haar eigen daden en
gedachten, die de plaag van haar latere jaren werd, nog miste, had ze
zich op haar zachtmoedigheid en haar lankmoedigheid wel eens heimelijk
verhoovaardigd; nu niet langer: ze wist, dat ze hierin volstrekt niet
anders of beter dan anderen was en zich enkel daardoor van hen
onderscheidde, dat een schoone schijn uit zichzelf haar niet bedroog en
dat ze alles erkende naar zijn waren aard. Slechts haar medelijden
bleef onomwonden zuiver en eischte niets voor zijne uitingen tot loon.
Ze bleef in deze Januari-maand, schoon ze elkeen meed en niet wist, hoe
ze dagen en uren bevechten en dooden zou, een oude, doove dame, die ze
kende van jaren her, getrouw bezoeken, en bereidde zichzelf ieder maal
een vreugde uit haar verrassing. De oude vrouw hield van haar, omdat ze
nooit haar gebrek vergat en uren achtereen, zonder dat haar stem haar
begaf of verslapte, luidkeels het nieuws van dagen vertelde met
allerlei dwaze en grappige verzinsels; en wanneer de ander, die zwak en
traag ter teen was, ook haar soms bezocht, en ze leidde haar daarna
huiswaarts, dan liep ze langzaam en bezadigd, terwijl de oude dame
zwaar leunde op haar arm, en verblijdde zich met zwellend hart in haar
jonkheid en kracht, de andere ten liefde.
Februari kwam rumoerig los met water en wind, het bleef zóó donker, dat
er van het lengen der dagen niets te bespeuren viel en Heleen dadelijk
na schooltijd haar lamp ontstak. Daarna was ze alleen en dikwijls
bekroop haar de lust, er uit te trekken en naar dezen of genen van haar
vrienden te gaan, maar ze durfde niet meer. Ze was bang, zich te laten
gaan en den laster vat op zich te geven. Want het had lang geduurd,
voordat ze het wilde gelooven, doch nu moest ze het eindelijk wel
erkennen, de laster school overal, onder een schijn van
trouwhartigheid, achter de oprechtste woorden. En nu dan eenmaal haar
wantrouwen was opgewekt, nu dorst ze niet meer spreken en lachen, was
ze schuw en schichtig; de enkele malen, dat ze zich nog in gezelschap
begaf, voelde ze haar bloed in een benauwd bonzen opdringen naar haar
hart, als menschen fluisterden in hoeken, en keek ze vorschend in de
oogen, om te weten wat ze van haar dachten en in haar afwezigheid van
haar zeiden. Haar argeloosheid was weg, maar haar weerzin tegen
lasteren en kwaadspreken steeg tot walging en nochtans dorst ze zich er
maar zelden openlijk tegen verzetten, uit vrees van huichelachtigheid
en schijnbraafheid te worden verdacht, doch ook uit een natuurlijke
onmacht, anderen in hun woorden en daden openlijk te beschamen. Ze kon
dat alleen in drift, niet in koelbloedigheid, en driftig als in haar
jeugd werd ze nu nog maar zelden meer.
Er was een tijd geweest, dat ze zich keer op keer liet terugwijzen aan
de deur van bevriende vrouwen en meisjes, en grif geloofde in de
voorwendsels, waarachter zich hun onverschilligheid en de vadsigheid
van hun gevoel verschool, en toch weer terugkwam of argeloos
vriendelijk ze bleef ontvangen, als ze zich verwaardigden, tot haar te
gaan. Toen veronachtzaamde ze niemand en werd dus door elkeen
veronachtzaamd, en van nederigheid door gebrek aan trots verdacht. Nu
toonde ze stuurloos en onberedeneerd haar trots in grillige
lichtgeraaktheid, weigerde lichte diensten om te laten zien, dat ze
zichzelf op prijs houden kon, vatte vlam op een onschuldig bedoeld
woord en verviel daardoor in een ander uiterste. Door dit alles
vervreemdde ze voortdurend verder van de menschen, maakte het elkeen en
vooral zichzelf bitter en moeilijk, trok zich dus meer en meer terug en
begon te haken naar den dag, waarop ze in de landelijke eenzaamheid
rust, slaap en den vrede des harten terugvinden zou.
Toen Maart in het land kwam, vol lichtvaardige beloften, leefde Heleen
op. Het vooruitzicht spoedig te zullen heengaan, lokte haar meer en
meer aan. Wederom richtte zich al haar taaie verwachting op en naar een
komend leven toe. Ze had naar hier en overal geschreven, wat ze gedacht
had was geschied, ze had maar te kiezen, waar ze na Paschen wonen zou.
Ze ging nu haar Zondagen besteden, om die dorpen te bezien en zich te
vergewissen omtrent hun ligging, kleur en bewoners. Ze zwierf de vlakke
wegen af, drong in de bosschen, tuurde de woningen binnen en sloeg de
menschen, die ze ontmoette, aandachtig gade, als om te weten, welk een
soort leven ze haar bereiden zouden als ze in hun midden te wonen kwam.
’s Avonds was ze dan zoo moe, dat ze niet werken en denken kon en in
halve verdooving op haar rustbank lag; in de nachten droomde ze
kortstondig en benauwd en in de donkere stonden der slapeloosheid
herdacht ze de jaren en de droomen van haar jeugd.
Eindelijk koos ze tot haar nieuwe woonplaats een dorp dat tusschen
plassen lag, aan den zoom van bosch en hei. Ze kwam er toen de
dorpsstraat vol stond van zon, de boomen beefden van verlangen om uit
te knoppen en de boerenkinderen lentetje schenen te spelen met
bloemenhoedjes en witte kleedertjes van den vorigen zomer. Hier wilde
ze wonen, de meidoorn zou er geuren tegen dat ze kwam, en de witte
wasch wapperen onder bloeiende perelaars.
In de tweede helft van de maand keerden koude en buiigheid terug. Al
het kruit was ineens verschoten, doch Heleen bleef gelaten in het
vooruitzicht van haar naderend vertrek. Een enkele maal bezocht haar
een vriend, jongen of meisje, doch vond haar de oude niet meer en trok
spoedig weer af, zonder dat Heleen pogingen tot terughouden deed. Ze
sprak niet veel meer en lachte niet veel meer, en meed vooral
angstvallig elk twistgesprek. Ze hoedde haar verdooving als een
kostbaar goed en wilde niet blootgerakeld worden. Eens kreeg een meisje
haar toch nog aan het klagen over wat ze meende, dat de menschen haar
hadden aangedaan. Het was een namiddag en het regende. Het meisje
hoorde haar aan, zweeg even en zei toen, met een zweem van kregeligheid
in haar stem: „je waart ook vaak zoo vreemd, Heleen.” Heleen voelde een
snelle rilling langs haar slapen, een warme prikkeling achter haar
oogleden, ze deed de oogen even toe, Hamlet’s woord murmelde door haar
hoofd: „en heet mij daarom als een vreemde welkom,” doch ze was moe en
ze zweeg het, sloeg de oogen op, glimlachte vluchtig in een huivering,
keek naar buiten en dacht „het is nog maar voor enkele weken.”