XXI.

Januari hortte traag voorbij, een rij van grijze, verstijfde dagen. Een

ijzige Oostenwind heerschte over de stad, scherp stof joeg dreigend

langs de pleinen, en de straten waren grauw en hard. Als Heleen in den

vroegen morgen schoolwaarts ging, krom verdoken in zichzelf, voelde ze

zich tot niets dan smartelijkheid en rampzaligheid verschrompeld; van

het geheele leven hoopte ze nu niets meer. Haar uiterlijk verviel, ze

werd geelbleek en mager en leek ouder dan ze was. In de avonden hield

ze zich schuil in haar huis als een schichtig dier, want ze wilde geen

nieuwe kansen wagen, geen nieuwe ellenden binnenhalen en met effen

rekening vertrekken. Ze had de oude vrouw aangezegd, dat ze verhuizen

en vertrekken ging om rust en gezondheid terug te vinden in het

landelijk leven, doch misschien over een paar jaar terugkeeren zou.

Zelf geloofde ze dat niet, en ze zei het maar losweg en haastig dien

donkeren middag in de keuken, omdat haar dat oude, broze, eenzame leven

toen plotseling nog wranger dan haar eigen geleek, oud riet aan een

verlaten plas, dat trilt in den winterwind. Ook beloofde ze te

schrijven, en nam zich dat werkelijk voor, over haar leven en kleine

ondervindingen.

Heleen hield van de oude vrouw, maar niet alleen van haar, ze hield van

alle oude menschen, om hun zachtaardige hulpeloosheid, die eigenwaan en

aanmatiging heeft afgelegd en gretig naar den steun der jongeren reikt.

Als klein kind reeds had ze zich sterk en snel gehecht aan wie op haar

vertrouwd of haar deernis ingeroepen hadden, daar die haar de

gelegenheid gaven zich te onderscheiden in edelmoedigheid tot

rechtvaardiging en bevestiging van haar eigen bestaan. Zoo toonde ze

zich nu bij oude menschen geduldig en onverpoosd oplettend en werd

daarvoor met dankbaarheid beloond, die haar lijden lenigde.

Heleen was evenmin als anderen in toewijding en teederheid belangeloos,

ze begeerde een loon: dankbaarheid, vereering, weder-genegenheid

vooral. Toen ze nog een kind en bij haar ouders thuis was, had ze

willig het werk gedaan, dat haar opgedragen werd, doch zonder vreugde,

want vader en moeder hadden immers recht op haar en het loon, dat ze

verlangde, bleef uit. Later had ze haar vrienden het genoegen haar

kleine geschenken mee te brengen, door verbod ontnomen, doch zelf

overlaadde ze hen daarmee, in een onedelmoedige begeerte de

edelmoedigste te zijn. Ook hierin vleide noch misleidde ze zichzelf en

noemde niet, als zoo velen, met een mooien naam, wat geen mooien naam

verdient. Bleef het loon der dankbaarheid uit, dan troostte ze zich met

zelfbeklag en gevoel van miskend-zijn zoodanig, dat het een bijkans

tegen het ander opwoog. Ze was dus weliswaar niet boos, bitter of

wrokkig, doch dit kwam, omdat ze ten slotte toch altijd verkreeg wat ze

begeerde, hetzij de dankbaarheid en de wedergenegenheid, hetzij het

zelfbeklag doordat hetgeen, waarop ze had gehoopt, haar werd onthouden.

Toen ze die scherpe bewustheid omtrent zichzelf en haar eigen daden en

gedachten, die de plaag van haar latere jaren werd, nog miste, had ze

zich op haar zachtmoedigheid en haar lankmoedigheid wel eens heimelijk

verhoovaardigd; nu niet langer: ze wist, dat ze hierin volstrekt niet

anders of beter dan anderen was en zich enkel daardoor van hen

onderscheidde, dat een schoone schijn uit zichzelf haar niet bedroog en

dat ze alles erkende naar zijn waren aard. Slechts haar medelijden

bleef onomwonden zuiver en eischte niets voor zijne uitingen tot loon.

Ze bleef in deze Januari-maand, schoon ze elkeen meed en niet wist, hoe

ze dagen en uren bevechten en dooden zou, een oude, doove dame, die ze

kende van jaren her, getrouw bezoeken, en bereidde zichzelf ieder maal

een vreugde uit haar verrassing. De oude vrouw hield van haar, omdat ze

nooit haar gebrek vergat en uren achtereen, zonder dat haar stem haar

begaf of verslapte, luidkeels het nieuws van dagen vertelde met

allerlei dwaze en grappige verzinsels; en wanneer de ander, die zwak en

traag ter teen was, ook haar soms bezocht, en ze leidde haar daarna

huiswaarts, dan liep ze langzaam en bezadigd, terwijl de oude dame

zwaar leunde op haar arm, en verblijdde zich met zwellend hart in haar

jonkheid en kracht, de andere ten liefde.

Februari kwam rumoerig los met water en wind, het bleef zóó donker, dat

er van het lengen der dagen niets te bespeuren viel en Heleen dadelijk

na schooltijd haar lamp ontstak. Daarna was ze alleen en dikwijls

bekroop haar de lust, er uit te trekken en naar dezen of genen van haar

vrienden te gaan, maar ze durfde niet meer. Ze was bang, zich te laten

gaan en den laster vat op zich te geven. Want het had lang geduurd,

voordat ze het wilde gelooven, doch nu moest ze het eindelijk wel

erkennen, de laster school overal, onder een schijn van

trouwhartigheid, achter de oprechtste woorden. En nu dan eenmaal haar

wantrouwen was opgewekt, nu dorst ze niet meer spreken en lachen, was

ze schuw en schichtig; de enkele malen, dat ze zich nog in gezelschap

begaf, voelde ze haar bloed in een benauwd bonzen opdringen naar haar

hart, als menschen fluisterden in hoeken, en keek ze vorschend in de

oogen, om te weten wat ze van haar dachten en in haar afwezigheid van

haar zeiden. Haar argeloosheid was weg, maar haar weerzin tegen

lasteren en kwaadspreken steeg tot walging en nochtans dorst ze zich er

maar zelden openlijk tegen verzetten, uit vrees van huichelachtigheid

en schijnbraafheid te worden verdacht, doch ook uit een natuurlijke

onmacht, anderen in hun woorden en daden openlijk te beschamen. Ze kon

dat alleen in drift, niet in koelbloedigheid, en driftig als in haar

jeugd werd ze nu nog maar zelden meer.

Er was een tijd geweest, dat ze zich keer op keer liet terugwijzen aan

de deur van bevriende vrouwen en meisjes, en grif geloofde in de

voorwendsels, waarachter zich hun onverschilligheid en de vadsigheid

van hun gevoel verschool, en toch weer terugkwam of argeloos

vriendelijk ze bleef ontvangen, als ze zich verwaardigden, tot haar te

gaan. Toen veronachtzaamde ze niemand en werd dus door elkeen

veronachtzaamd, en van nederigheid door gebrek aan trots verdacht. Nu

toonde ze stuurloos en onberedeneerd haar trots in grillige

lichtgeraaktheid, weigerde lichte diensten om te laten zien, dat ze

zichzelf op prijs houden kon, vatte vlam op een onschuldig bedoeld

woord en verviel daardoor in een ander uiterste. Door dit alles

vervreemdde ze voortdurend verder van de menschen, maakte het elkeen en

vooral zichzelf bitter en moeilijk, trok zich dus meer en meer terug en

begon te haken naar den dag, waarop ze in de landelijke eenzaamheid

rust, slaap en den vrede des harten terugvinden zou.

Toen Maart in het land kwam, vol lichtvaardige beloften, leefde Heleen

op. Het vooruitzicht spoedig te zullen heengaan, lokte haar meer en

meer aan. Wederom richtte zich al haar taaie verwachting op en naar een

komend leven toe. Ze had naar hier en overal geschreven, wat ze gedacht

had was geschied, ze had maar te kiezen, waar ze na Paschen wonen zou.

Ze ging nu haar Zondagen besteden, om die dorpen te bezien en zich te

vergewissen omtrent hun ligging, kleur en bewoners. Ze zwierf de vlakke

wegen af, drong in de bosschen, tuurde de woningen binnen en sloeg de

menschen, die ze ontmoette, aandachtig gade, als om te weten, welk een

soort leven ze haar bereiden zouden als ze in hun midden te wonen kwam.

’s Avonds was ze dan zoo moe, dat ze niet werken en denken kon en in

halve verdooving op haar rustbank lag; in de nachten droomde ze

kortstondig en benauwd en in de donkere stonden der slapeloosheid

herdacht ze de jaren en de droomen van haar jeugd.

Eindelijk koos ze tot haar nieuwe woonplaats een dorp dat tusschen

plassen lag, aan den zoom van bosch en hei. Ze kwam er toen de

dorpsstraat vol stond van zon, de boomen beefden van verlangen om uit

te knoppen en de boerenkinderen lentetje schenen te spelen met

bloemenhoedjes en witte kleedertjes van den vorigen zomer. Hier wilde

ze wonen, de meidoorn zou er geuren tegen dat ze kwam, en de witte

wasch wapperen onder bloeiende perelaars.

In de tweede helft van de maand keerden koude en buiigheid terug. Al

het kruit was ineens verschoten, doch Heleen bleef gelaten in het

vooruitzicht van haar naderend vertrek. Een enkele maal bezocht haar

een vriend, jongen of meisje, doch vond haar de oude niet meer en trok

spoedig weer af, zonder dat Heleen pogingen tot terughouden deed. Ze

sprak niet veel meer en lachte niet veel meer, en meed vooral

angstvallig elk twistgesprek. Ze hoedde haar verdooving als een

kostbaar goed en wilde niet blootgerakeld worden. Eens kreeg een meisje

haar toch nog aan het klagen over wat ze meende, dat de menschen haar

hadden aangedaan. Het was een namiddag en het regende. Het meisje

hoorde haar aan, zweeg even en zei toen, met een zweem van kregeligheid

in haar stem: „je waart ook vaak zoo vreemd, Heleen.” Heleen voelde een

snelle rilling langs haar slapen, een warme prikkeling achter haar

oogleden, ze deed de oogen even toe, Hamlet’s woord murmelde door haar

hoofd: „en heet mij daarom als een vreemde welkom,” doch ze was moe en

ze zweeg het, sloeg de oogen op, glimlachte vluchtig in een huivering,

keek naar buiten en dacht „het is nog maar voor enkele weken.”

Heleen · 第 22 / 29 题